De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81

Part 3

Chapter 34,033 wordsPublic domain

De sprekers zien het niet.

Hun oogen zien slechts een gewond, bloedend hert, en dat hert is hun volk.

Maar het geluid van naderend paardegetrappel en daartusschen de klank van vroolijke stemmen geeft aan hun gedachtengang een andere richting.

Vrouw Kloppers is opgestaan, om de komenden te verwelkomen.

Drie er van zijn u bekend: Jan Kloppers, Herman Hoogerhuis de Hollander en Kees Botter.

De vierde en de vijfde, die achter de anderen aankomen, een jongen en een meisje, zijn kinderen van Dirk Kloppers' oudste dochter Mieke, die met een Boer uit den Oranje-Vrijstaat is gehuwd.

Tijdelijk behooren zij thans tot Dirk Kloppers' huishouding.

Hij, Arie, is ruim dertien; zij, Lena, ruim twaalf jaar.

Dat ze broeder en zuster zijn, ziet ge op den eersten oogopslag, maar toch -- welk een onderscheid!

Hij is groot voor zijn leeftijd; zij is tenger. Bij hem is alles vroolijkheid en leven; over haar gelaat gaat reeds een trek van lijden.

Zij heeft een ernstig maar schrander en aanvallig gezicht. En die aanvalligheid drukt zich in hare bewegingen uit. Zij helpt ook mede in het huishouden, en daarin is zij vlug en bij de hand, in zoover als men zulks kan verwachten van eene -- blinde.

Sedert vier jaren is zij reeds blind. Toen, vier jaren geleden, kwam er een ontsteking op haar linker oog, en die ontsteking plantte zich over op haar rechter. Langzaam, maar zeker, ging er een net over haar heldere kijkers, al dichter en dichter, totdat het avond, totdat het nacht werd voor het ongelukkige kind.

Wel is dat een harde slag geweest voor Lena.

Het groene loover hoort zij ruischen boven haar hoofd, maar zij ziet het niet; de geurende bloem des velds, het beekje, kabbelend tusschen zijn oevers, de springbok, huppelend boven de rotsen, de zonnestralen, spelend over het groene landschap, de maan en de sterren, neerblikkend van den diep blauwen, nachtelijken hemel -- heel die natuur is voor haar geworden een met zeven zegelen gesloten boek!

Van daar die droeve trek op haar gelaat; van daar dat stille, in zich zelf gekeerde wezen.

En toch leeft deze ongelukkige, deze jeugdige blinde mee met haar volk, en vlug en verstandig als zij is, ziet zij met haar blinde oogen den toestand helderder in dan vele oude menschen.

De toesnellende Kaffers hebben intusschen de van den snellen rit warme paarden in ontvangst genomen en naar den stal gebracht.

"En hebt ge iets bijzonders vernomen?" vraagt de oude Kloppers aan het nieuwe gezelschap, dat zich mede onder den lindeboom op de harde banken schaart.

"Wij hebben een man uit Potchefstroom 3) gesproken," antwoordt Jan op levendigen toon; "daar is de boel in de war geloopen of recht geloopen, net, zooals ge 't neemt."

"Zoo!" zegt zijn vader, terwijl hij bedachtzaam de pijp uit den mond neemt.

"Ge weet, dat de Engelsche regeering de belasting wil innen," zegt Jan.

"Dat weet ik, ik heb zelf een aanschrijving gehad," antwoordt zijn vader.

"En gij hebt niet betaald," zegt Jan.

"Natuurlijk niet," zegt zijn vader, "want dan zou ik de wettigheid van het Engelsch bestuur erkennen, en dat doe ik nooit! Ik wil wel betalen, maar onder _protest_, en daarin zijn bijna al de Boeren het eens. Wij verlangen, dat de Engelsche regeering op de belastingkwitanties uitdrukkelijk het _protest_ vermelde."

"Daarin heeft ze geen zin," zegt Kees Botter.

"Dat is _haar_ zaak," zegt de oude Kloppers; "_wij_ doen 't niet anders. Maar vertel op, Jan, wat is er te Potchefstroom gebeurd?"

"Wel, P. Bezuidenhout wilde zijn belasting niet betalen, en zijn ossenwagen werd voor het gouvernementskantoor gebracht, om publiek verkocht te worden. Maar ge kent onzen voorman Piet Cronjé?" 4)

"Of ik hem ken," zegt de oude Kloppers. "'t Is een verstandige, moedige, onverbasterde Afrikaander, die het hart op de rechte plek heeft zitten."

"Nu," herneemt Jan, "die kwam met zijn Boeren ook aan zetten; Bezuidenhout was inmiddels op den wagen geklommen en zeide: 'Burgers, ik ben onwillig om te betalen, daar de belasting veel te hoog is, en verder moet jullie het nu maar weten.' Hij verliet daarop den wagen, en Cronjé zeide: 'We _zullen_ 't ook weten; de ossenwagen wordt _niet_ verkocht.' Nu sprong echter één der klerken, een Hollander, op den wagen, en zeide parmantig: 'Wie biedt er geld voor?' Maar hij was gauwer van den wagen dan er op; hij kon zich later niet meer herinneren, of hij met de voeten of met het hoofd het eerst op den grond was."

"Flink zoo," zeide de oude Kloppers, terwijl hij genoegelijk aan zijn houten pijp trok, maar de oogen van den leeuwenjager begonnen te schitteren.

"De Engelsche landdrost echter kwam tusschen beide, om een waarschuwend woord te spreken. Doch toen een stevige Boer, van het echte hout gesneden, hem de vuist onder den neus hield en zeide: 'Ruik daar eens aan,' toen droop de Engelsche lord af."

"Goed zoo," zeide Dirk Kloppers. "Vrouw -- geef mij den buil met tabak eens aan -- Teunis, stop eens, je pijp is uit gegaan, kerel -- Jan, ga voort!"

"Op een wenk van Piet Cronjé gingen toen de Boeren aan den wagen staan, en brachten hem aan den eigenaar terug."

Er volgde een pauze.

Allen waren onder den indruk van de ernstige tijding.

De oude Kloppers staarde, groote rookwolken uitblazend, naar de verte, in de snel vallende schemering; vrouw Kloppers dacht aan het verleden, toen haar man in den strijd tegen de Engelschen voor dood werd opgenomen van het slagveld, en Teunis de leeuwenjager streelde, in gedachten verdiept, den grooten kop van zijn hond.

"Maar Jan, ge hebt nog niet alles verteld," riep de vroolijke stem van den Hollander.

"De Engelsche winkeliers in Potchefstroom zijn bang geworden," begon de zoon van Kloppers opnieuw, "want zij vreezen den oorlog."

"De oorlog is ook vreeselijk," zeide de jonge Lena op zachten toon, maar haar broer Arie hield dit voor een zeer ongepaste aanmerking en zeide: "Daar heb jij geen verstand van."

"Doch de beroemde Raaf heeft hen getroost," zeide Jan, zonder op de opmerkingen van Lena en Arie acht te slaan.

"Raaf -- wie is Raaf?" zeide de leeuwenjager.

"Een Engelsch kapitein," antwoordde Jan; "hij behoort bij het Engelsche garnizoen te Potchefstroom. Nu, deze beroemde Raaf heeft de bange winkeliers getroost en tot hen gezegd: Menschen, bedaart maar! Als de Boeren komen, ga ik onder een boom staan, en sla op een blekken schotel. Dan gaan al de Boeren op den loop!"

Met een schaterlach, die luid weerklonk door de vredige stilte van den avond, werden de troostwoorden van mijnheer Raaf aangehoord.

Slechts twee menschen lachten niet mee; het waren de leeuwenjager en de oude Kloppers.

Laatstgenoemde nam zijn hoed, zette hem op, daar het koel begon te worden en zeide op droogen toon: "Wij zullen zien, dat we dien gevaarlijken schotel te pakken krijgen."

Maar de leeuwenjager was hartstochtelijker aangelegd dan zijn vriend Kloppers.

Hij stond op en zeide op toornigen toon: "Nog bespotten ze ons, maar het uur der wrake zal slaan, en de dag zal komen, dat deze helden zullen beven als riethalmen bij het knallen van ons geweer -- maar wordt het geen tijd, om naar binnen te gaan, Nicht Anneke?"

"Ja," zeide ze, "het begint koel te worden; wij gaan naar binnen."

Nu stonden de ouden op.

Zoo recht als een kaars, met veerkrachtigen tred, schreed Dirk Kloppers naast den gespierden leeuwenjager voort. Die 't niet wist, had Kloppers voor een vijftiger gehouden.

"Als het tot een oorlog komt, dan gaat Vader voorop," zeide Jan. "En wij vechten met hem naast elkander, hè Herman, hè Kees?"

"Ja," zeide Herman, "naast elkander."

"En wij zullen de Roodrokken schieten als reebokken," zeide Kees Botter, die den heelen avond schier geen woord had gesproken.

"'t Was jammer, dat we van daag den vuurbol niet hebben gesproken, Jan," zeide Herman.

"Den vuurbol? O, nu begrijp ik je. Maar we hebben zijn vrouw toch gesproken," antwoordde Jan.

"Ja, die weet er nu alles van," zeide Herman. "Ik ben bepaald benieuwd, hoe de vuurbol zich houdt, als hij hoort, dat hij mee moet in den oorlog."

Nu stappen ook de jongelieden naar binnen, en het werd stil onder den lindeboom. Het avondeten stond reeds gereed, en geen uur later ging men naar bed.

Na de bedrijvige drukte van den dag heerschte nu op het erf van Dirk Kloppers diepe, nachtelijke rust. Slechts het eentoonig, zwaarmoedig gezang van een Kaffer, zittend op den dorpel van zijn hut, werd vernomen, en de groote waakhonden van Dirk Kloppers, met hun breede muilen, liepen los over het erf van "Vredenoord".

Doch Dirk Klopper's vertrouwen berustte niet op de waakzaamheid van zijn honden. Zijn vertrouwen was uitgedrukt in den psalm, dien hij heden avond na het avondeten met langzame, ernstige stem had voorgelezen: "Ik zal in vrede te samen nederleggen en slapen, want Gij, o Heere! alleen zult mij doen zeker wonen!"

1) Maïs. 2) Zie "Helden van Zuid-Afrika". Pag. 128. 3) Een stadje in het zuidelijk deel van Transvaal. 4) Zijn volle naam is Pieter Arnoldus Cronjé; hij is de held van Krugersdorp.

HOOFDSTUK IV. ------

De man, door Herman Hoogerhuis, "de vuurbol" genoemd, is één van Kloppers' naaste buren. Hij woont twee uur gaans van Kloppers' huis.

Dat noemden de Boeren destijds dicht bij.

Woonden zij op een half uur afstands van elkander, dan zeiden zij: "Wij zitten boven op elkaar; we zullen stikken." En zij spanden den sterken ossenwagen in, en bouwden een nieuwe woning, midden in de eindelooze wildernis.

Ja, die wildernis, dat eenzame, golvende grasveld, met hier en daar een kleinen vijver, schitterend in de zonnestralen, of een beekje, dartelend tusschen de heuvelen, ja, die wildernis is naar het hart van den Afrikaanschen Boer. _Hier_ voelt hij zich thuis; _hier_ kan hij aarden. Hier, waar niets de kalme rust verstoort dan het knallen van een zweep, het loeien van een os en het ratelen van een zwaren wagen ver weg, op het breede, zandige transportpad. 1)

Niet het _bouwland_ maar het _grasland_ trekt den Boer aan. Hij is geen echte landbouwer, geen akkerman. Hij heeft weinig op met de ploeg, en hij zaait niet meer dan noodig is. Het bewerken van den grond eischt harden arbeid in gebukte houding, maar de Boer houdt er niet van, om te bukken.

De Boer is een _herder_, en zijn trots bestaat in de uitgestrektheid zijner weidevelden, in zijn talrijke kudden, zijn sterke ossen, zijn paarden en schapen.

Om een mooie woning maalt hij niet. Er sluimert in zijn hart een aangeboren _trekzucht_, en hij houdt niet van een huis, dat al te hecht is opgetrokken, omdat het de familie _bindt_ aan een _vasten_ haard.

Zijn echte, ware woning is de ossenwagen, het met een linnen huif overdekte, op vier wielen rustende huis, en als hij straks met zijn broeders optrekt in den oorlog tegen Engeland, en het Engelsche geweld zou zegevieren, en zijn broeders zouden vallen in de passen van het Drakengebergte, dan zal hij zijn ossenwagen inspannen, en met vrouw en kinderen voorttrekken naar het noorden, onder de oogen van den almachtigen God der oude patriarchen, de vrijheid tegemoet.....

Zóó is de kern van het volk, doch daarom zijn niet al de Boeren zoo. Bij sommigen is die trek naar vrijheid en onafhankelijkheid al zeer zwak ontwikkeld, doch het zijn er niet velen; 't zijn eenlingen. En tot die eenlingen behoort onze goeie "vuurbol."

Ginds ziet ge hem op het uitgestrekte veld zijn kudde schapen weiden.

Dit land is van hem; hij heeft het eenige jaren geleden gekocht voor een oude poney, die hij missen kon. Maar 't land is er ook naar. Overal ziet ge het roode zand tusschen de magere grassprieten doorgluren. Het is lang zoo goed niet als het land van Kloppers; het lijkt er niet naar. Maar de "vuurbol" heeft weinig eischen, en hij schikt zich in zijn lot.

Onder een overhangenden boom, die schaduw biedt, vleit hij zich neer.

Nu kunt ge hem goed opnemen.

Hij heeft lang, sluik, rood haar. Het bedekt zijn groote ooren; het hangt tot in zijn gezicht.

Hij heeft lange armen, lange handen, lange beenen en lange veldschoenen van ongelooid leer aan zijn voeten.

Aan dezen man is alles lang behalve de jas, die betere dagen heeft gekend, en waarvan de panden nauwelijks reiken tot de helft van den rug.

Zijn voorhoofd is laag, en zijn gezicht is bedekt met zomersproeten.

Hij heet Leen Blok, en de jonge, bonte hond, die daar naast hem zit, heet Flink.

Leen Blok grijpt met de hand naar zijn langen, mageren hals. Dat doet hij zeker elke vijf minuten. Hij schijnt het land te hebben aan zijn langen hals, even als men het land heeft aan een boord, die te hoog is. En iederen keer, als zijn baas naar den hals grijpt, begint de jonge, speelzieke hond te blaffen.

"Schei er uit, Flink," zegt hij wrevelig.

Flink houdt onmiddelijk op, maar nauwelijks maakt Blok weer een verdachte beweging naar boven, of de hond begint opnieuw.

Een paar keeren staat Leen Blok op, om zijn schapen te tellen. Dan gaat hij weer zitten, en tuurt met lodderige oogen over de troostelooze vlakte.

Denken doet hij niet veel; 't is te warm om te denken. Hij veegt zich met den mouw het zweet van het gezicht.

't Is een dorre streek. De schapen moeten tot tusschen de doornstruiken hun pover voedsel zoeken. Eentoonig strekt zich het landschap uit; kaal en mager als een heideveld.

Tegen den middag neemt Leen den geruiter, katoenen buil, die naast hem ligt, en haalt er zijn middageten uit: een stuk schapevleesch, in een grauw papier gerold, en een paar sneden bruin brood.

De kleine kruik staat er naast; ze is gevuld met koude koffie, die door de hitte lauw is geworden.

Leen zet zich nu op zijn gemak neer. Het schapevleesch haalt hij uit het grauwe papier, en legt het bij zich neer; op het papier daar naast het bruine brood. Reeds heeft hij de kurken stop van de kruik gedaan en een slok koffie genomen.

Wat gaat het toch vreemd toe in de wereld, denkt hij. Kloppers heeft alles volop in de wereld, en hij slechts een kluif schapevleesch en een stuk hard brood. Kloppers loopt alles mee en heeft geen zomersproeten -- waarom zit hij toch zoo vol zomersproeten?

Zijn blik dwaalt naar zijn schapen.

De Engelsche koopman geeft aan den rijken Kloppers altijd meer voor de wol dan aan hem -- waarom toch? Is zijn wol minder goed? De Engelschen liggen nu met de Boeren overhoop; dat is net goed -- waarom geven zij hem niet meer voor de wol?

Flink zit tegenover zijn baas met ongeduld het oogenblik te verbeiden, dat het maal zal beginnen, waarvan allicht een paar brokken voor hem overschieten. Hij zit met schuinschen kop, het rechter oor over het oog, en met kwispelenden staart zijn baas met strakken, hongerigen blik aan te kijken.

Ja, het gaat er vreemd naar toe in de wereld, denkt Leen, en hij grijpt ouder gewoonte naar zijnen langen, mageren hals.

De hond ziet het en begint te blaffen als een razende.

Leen Blok, anders tamelijk lankmoedig, wordt woedend, en trapt met zijn lange beenen naar den hond. Hij raakt hem niet, maar de kruik met lauwe koffie wel. Klokkend vloeit het vocht weg in het rooie zand. Snel wil de schaapherder de omgevallen kruik weer overeind brengen, doch van dit oogenblik maakt de jonge hond gebruik, om zich met een stouten sprong van den schapen-bout meester te maken.

Wat nu te doen? De lange Blok is wanhopig. Radeloos gaan zijn vingers door het sluike, ongekamde haar.

"Kom, mijn hondje! Kom Flinkje!"

Maar Flink vertrouwt het niet.

Op eerbiedigen afstand legt hij zich neer, de lekkere kluif tusschen de pooten. Van de gloeiende warmte smelt het vet.

"Hondje, kom nou: Geef mij het kluifje! Je zult je part hebben; eerlijk, hoor!"

Maar het hondje schijnt blijkbaar weinig vertrouwen te stellen in het aanlokkelijk voorstel van zijn baas. Hij slaat de scherpe tanden in het vleesch, en peuzelt het op tot het been.

Doch nu schijnt Leen Blok ontoerekenbaar te worden. Hij grijpt de nog half gevulde kruik met het doel, er den hond mee dood te gooien. Met den staart tusschen zijn pooten zet Flink het op een loopen, en de kruik vliegt tegen de harde klipsteenen in duizend stukken.

Moedeloos zet de herder zich in de schaduw neder, het harde, bruine brood verorberend, dat thans krioelt van mieren.

Dan stut hij het hoofd tusschen de handen, en tuurt onbewegelijk naar den grond.

Al dieper zinkt zijn hoofd.

Een nieuwsgierig schaap nadert hem en besnuffelt zijn gezicht; de hond zit weer naast hem, snapt naar de nijdige vliegen, en tikt met den poot ongeduldig tegen de knie van zijn baas. Maar Leen Blok bemerkt het niet, want hij slaapt, en hij wordt eerst wakker, als de zon den horizon is genaderd.

Verschrikt springt de herder op, wrijft zich den slaap uit de oogen en drijft zijn kudde naar huis.

Terwijl blaft zijn hond, die achter hem loopt, tegen de schaduw van den langen, mageren hals, welke naast Leen Blok over het heideveld glijdt, en hapt hij naar de gescheurde broekpijpen van zijn baas.

Trijntje, de vrouw van Leen Blok, was een en dertig jaar; twee jaar ouder dan haar man. Kinderen hadden zij niet.

Zij was een goeie sul; zonder pretenties. Uit dat welgedane gezicht keken twee kleine oogen vriendelijk de wijde wereld in.

Juist had zij de twee magere koeien gemolken, toen haar man met de schapen naderde. Zij liep hem, hartelijk als gewoonlijk, tegemoet, maar zij zeide weinig, en zwijgend gingen de twee menschen door het dorre bloementuintje, waar tusschen het weelderig opgeschoten onkruid drie eenzame zonnebloemen hun leven sleten, op huis aan.

Trijntje lichtte de klink op van de onderdeur, want de bovendeur was geopend, en men trad het zeer eenvoudige vertrek binnen, waarvan de vloer bestond uit eene hard geworden vermenging van leem en koemest.

Nadat nu Trijntje twee tinnen borden op de ruwe tafel had geplaatst, en een ijzeren pot met dampende miliespap er naast, schikten zij en haar man aan.

Gulzig sloeg Leen Blok de pap naar binnen, zonder op zijn vrouw te letten, die weinig at.

Hij had bepaald honger.

Toen de eenvoudige maaltijd was afgeloopen, nam Trijntje de borden en plaatste ze op den grond, vóór den hond, die ze schoon likte. Trijntje wachtte geduldig tot dit werk was afgeloopen, en plaatste vervolgens de borden weer op den hoogen, breeden schoorsteenrand, hun oude standplaats.

"Zoo'n hond," placht Trijntje te zeggen, "is een nuttig dier, want het maakt de borden schoon; dat spaart een vaatdoek uit."

Het begon nu te schemeren, en de echtgenooten gingen nog even een luchtje scheppen.

Zij gingen naast elkander zitten op den versleten, houten dorpel.

Niemand sprak een woord.

Het was een wonderschoone avond.

Het westen vlamde van vuur en goud, en in het oosten legerden zich de avondwolken als een kudde lammeren rondom den herder.

Maar Trijntje had geen oog voor die schoonheid; zij zuchtte.

Eindelijk verbrak zij de stilte.

"Leentje," zeide zij, "wij zullen moeten scheiden."

"Wat," zeide hij, terwijl hij met zijn stok lange streepen in het zand haalde, "wat?"

"Wij moeten scheiden, Leen," zeide zij nog eens.

Met de grootste verwondering staarde hij zijn huisvrouw aan.

"Waar wil je dan heen, Trijn?" vraagde hij.

"Ik ga niet weg," zeide zij.

"Wie dan?"

"Wel gij!" antwoordde zij.

"Ik?" vraagde hij in de grootste verbazing. Hij begreep er niets van.

"Ik weg? Waarom ik weg?"

"Omdat ge moet!"

"Omdat ik moet?"

"Ja, Leen, omdat ge moet. Ge moet mee in den oorlog tegen de Engelschen."

Als er een bliksemstraal uit den wolkeloozen hemel voor de voeten van Leen Blok was ingeslagen, had hij niet harder kunnen schrikken dan thans.

"Wie zegt dat, Trijn?" riep de schaapherder, terwijl hij opstoof, en in zijn opgewondenheid zijn vrouw bij den arm greep; "wie zegt dat?"

"De Hollander heeft het gezegd en Jan Kloppers. Zij waren dezen voormiddag hier."

"Maar dat is gelogen," riep Leen Blok; "dat is gelogen. Wie moet de schapen dan oppassen, als ik er niet ben?"

"Dat zal ik moeten doen, Leentje!" zeide zijn vrouw op zachten toon.

"Gij," -- zeide hij -- "gij?" en hij keek haar aan met minachtenden blik.

Trijntje echter voelde zich door deze uitlating gekwetst, en haar huisvriend voelde, dat hij te ver was gegaan.

Hij tastte in zijn verlegenheid naar zijn mageren hals, de hond begon te blaffen als een razende en Trijntje snikte.

Het was een onbeschrijfelijk tooneel, en er volgde een pijnlijke pauze.

"Huil nu maar niet, Trijntje!" zeide hij eindelijk, vriendelijker dan zoo even; "'t was niet zoo erg bedoeld."

Zij nam haar katoenen boezelaar en wischte zich de oogen.

"En aan wien moet ik later de wol verkoopen? Er is natuurlijk niet één Engelschman, die de wol meer van Leen Blok wil hebben, als hij hoort: Leen Blok heeft op ons geschoten. Ik zit zoo leelijk in de knoei, als ik ooit in de knoei heb gezeten, Trijn," zeide hij, en hij wrong zich de handen.

"Bedenk, het is voor een rechtvaardige zaak, dat gij optrekt, lieve man," zeide zij op schuchteren toon, maar hij antwoordde niet.

"En heeft Jan Kloppers het gezegd?" vraagde hij opnieuw.

"Ja," zeide zij, "neef Jan heeft het gezegd, en hij voegde er bij, dat elke man, die het hart op de rechte plaats heeft, vrijwillig mee optrekt met het kommando."

"Zoo," zeide hij, terwijl hij zich het sluike haar uit het gezicht streek, "dat is een steek op mij. Zal ik je wat zeggen, Trijn -- die Kloppers' dragen het hart altijd hoog, en zij denken, dat er al wonder wat gewonnen is, als wij Boeren maar eerst door de Engelsche kanonnen zijn doodgeschoten."

"Maar ik ga nog niet graag dood, Trijntje; neen, werkelijk niet," liet hij er op volgen, en hij keek haar met zijn groote, waterige oogen droevig aan.

Nu echter kon Trijntje het niet langer uithouden; zij viel hem om den hals en weende.

"En zij raken mij eerder dan een ander," zeide hij, "want ik ben zoo lang."

"Dan moet ge je schoenen uittrekken; dat zijt ge wat korter," snikte zij.

"En op mijn sokken gaan vechten?" zeide hij wrevelig.

Trijntje trok haar schouders op; de goeie ziel wist niet meer, wat ze zeggen moest.

"Kom," zeide, hij, "wij gaan slapen; 't is morgen weer vroeg dag."

De avond was nu gekomen, en vriendelijk blonk de avondster boven de schamele woning van Leen Blok.

1) Heirweg.

HOOFDSTUK V. ------

Wij zijn in de laatste dagen van November; midden in den Transvaalschen zomer.

Het is van daag bij Dirk Kloppers bizonder druk geweest van de gaanden en komenden. Het stond den ganschen dag niet stil van bezoekers.

Zij kwamen allen te paard; wel gewapend. In de ruime voorkamer, waar in mooie eikenhouten lijsten de portretten hingen van Willem den Zwijger en van van Riebeek, den stichter der kolonie aan de Kaap, daar werden zij ontvangen.

Herman de Hollander was bij die bezoeken tegenwoordig, daar men hem vertrouwde, en Kees Botter, omdat hij een Afrikaander was.

De dagen waren zeer onrustig. Onbedriegelijke voorteekenen verkondigden den naderenden strijd, even als de stormvogels den naderenden orkaan verkondigen.

Fluisterend werd er in de groote voorkamer gesproken, want men moest op zijn hoede zijn voor de scherpe ooren van Kaffers en van onvertrouwbare blanken, die allicht het een en ander konden overbrengen naar het Engelsche kamp, dat niet al te ver af was.

Kees Botter had zijn ooren goed open, al werd er gefluisterd. Nu en dan vraagde men zijne meening, en dan gaf hij telkens een juist, doeltreffend antwoord, zoodat de ouderen dachten: Die Kees Botter heeft een helderen kop.

Ja, dat had hij.

En op den avond van dezen drukken, woeligen dag, toen al de huisgenooten reeds ter ruste waren gegaan, sloop Kees Botter voorzichtig de achterdeur uit.

Twee keeren keek hij schuw om, doch er was niet het minste onraad te bespeuren. De maan scheen helder aan den wolkeloozen hemel, en de plaats lag in diepe rust.

Een smal voetpad leidde door den grooten boomgaard over het golvende grasveld naar een laag doch uitgestrekt bosch, waardoor het zich heenwrong.

Dit pad sloeg Kees Botter in, en hard doorloopend had hij na een half uur het bosch bereikt.

Nu vertraagde hij zijn schreden, en al langzamer werd zijn gang.

Twijfelend bleef hij staan.

"Ga terug!" zeide een stem in zijn binnenste.