De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81
Part 20
"Livingstone is mijn zegsman," zegt Henri op koelen toon, "en als Livingstone je niet voldoende is, dan spijt me dat. Ik betreur het dan ook, dat Engeland aan de Boeren de vrijheid heeft teruggegeven."
"Ik vind het een edele daad van het ministerie Gladstone, dat het de vijandelijkheden heeft gestaakt," meent Eduard, terwijl hij den huisvriend een sigaar presenteert.
"Edel?" zegt Henri, terwijl hij de sigaar opsteekt, "edel? In de politiek komt geen edel of onedel te pas. Onze mineralogen hebben den Transvaalschen grond onderzocht, en niet voldoende goud gevonden; dat is de hoofdreden van ons toegeven."
"Ik zou het betreuren," zegt Eduard, "als dit de hoofdreden was. Ik meende toch, dat er vroeger goud is gedolven in de Transvaal."
"Dat is er ook," zegt Henri.
"En nu niet meer?"
"Ten minste niet voldoende," antwoordt Henri.
"Dan heeft God het goud van de Transvaal misschien voor onze wijze mannen opgeborgen," meent Eduard.
"Dat denk ik ook," lacht Henri; "in elk geval is de bewering van jou een gissing, maar wat geen gissing is, is dit, dat wij Engelschen den aanleg hebben ontvangen, om de wereld te regeeren. En waar een aanleg is, is een roeping ook!"
"Een mooie redeneering!" spot Eduard. "Een dief heeft aanleg, om te stelen; anders zou hij geen dief zijn. En met te stelen vervult hij juist zijn roeping -- bepaald een mooie redeneering!"
"Ja, jij met je ziekelijk idealisme zoudt de macht van ons volk helpen afbreken," zegt Henri met bitterheid.
"En jij met je brutaal machtsbegrip," antwoordt Eduard, "wilt mijn volk, dat ik liefheb, vernederen tot een roofridder en zeeschuimer. Wanneer is Engeland ooit grooter geweest dan in het begin dezer eeuw, toen de Europeesche vrijheid achter onze krijtrotsen een veilig Pella vond? Toen streed het voor de vrijheid der volken, en zal het nu de eeuw eindigen met de vrijheid der volken te knechten? Moeten de Transvalers, omdat zij een klein, nietig volk zijn, onder het juk?"
Hij sprak met toorn; zijn bleeke wangen kleurden.
"Hebt ge ooit," ging hij voort, "Barker's pakkende schilderij gezien, waarop een zwart inlandsch opperhoofd uit Midden-Afrika aan onze blanke koningin den bijbel overhandigt met de woorden: Hare Majesteit, zie daar het geheim van Engelands grootheid?"
"Ik heb de schilderij gezien," zegt Henri, "er zat poëzie in."
"En _waarheid!_" vroegt Eduard er aan toe.
"Nu -- ga je mee?" vraagt Henri, terwijl hij opstaat.
"Als ge uw oordeel over de Boeren herroept -- dan ja!"
"En anders --?" vraagt Henri op ijskouder toon.
"En anders -- niet!" antwoordt Eduard met nadruk.
"Dan ga ik alleen," roept Henri met harde stem, "want ik herroep mijn oordeel niet. De Boeren zijn en blijven voor mij een troep psalmzingende schurken!"
Nauwelijks groet hij, en met snelle, driftige treden gaat hij de trap af.
Moeder en zoon staren elkander eenige oogenblikken aan.
"Daar gaat de opinie van Engeland," zucht de moeder.
"Ik vrees het ook," zegt de zoon, "maar die opinie zal ons toch dezen heerlijken dag niet bederven!"
"Neen;" zegt de moeder, en de vreugde straalt opnieuw uit haar oogen, "dat zal ze ook niet. Want mijn kind was dood, en zie -- het leeft! Het was verloren, en zie -- het is gevonden!"
1) "The Transvaal Boer," by Livingstone. 2) Antonie van Riebeek, geboren te wijk bij Duurstede, was de stichter der Hollandsche kolonie aan de Kaap.
HOOFDSTUK XXX. ------
't Zal van daag een feestdag worden voor "Vredenoord". Ge kunt het aan alles merken.
De Kafferdienstmeiden zijn op hun Zondags uitgedoscht, met strikken en linten van schelle, schreeuwende kleuren, en zij loopen zoo vlug als antilopen, want moeder Kloppers heeft hen van daag, nu de Boeren van het oorlogsveld worden terugverwacht, een bijzondere traktatie beloofd, en zij lachen en giegelen en knijpen elkander onder den arbeid in de dikke ooren.
En moeder Kloppers staat met opgestroopte mouwen in het kookhuis, en eenige Kaffers zijn bezig, om met vaardige hand groote lappen malsch vleesch te braden, want dat kunnen ze, en een paar anderen snijden groote stapels brood, en moeder Kloppers zorgt voor de koffie.
Maar Charles Marling kan nog niet veel doen, want hij is nog zwak, doch hij doet wat hij kan, en smukt de huisdeur met lover en bloemen. En Lena kan in 't geheel niets doen, en leunt zwijgend tegen den breeden stam van den lindeboom vóór het huis.
En nu alles gereed begint te komen, om de verwachte gasten een waardige ontvangst te bereiden, neemt de oude, krasse vrouw het geheele huis nog eens zorgvuldig in oogenschouw, schikt den grooten, rieten stoel in den hoek bij de tafel, waar haar man placht te zitten, kijkt het wagenhuis na, of de wagens, de ploegen, de eggen en de andere landbouwgereedschappen in nette orde zijn geplaatst, heeft voor den eenen Kaffer, die vlug door werkt, een woord van lof, en voor den anderen, die wat trager van inhoud is, een klinkende oorveeg over, en neemt de blank gepoetste voorwerpen, die van daag als spiegels blinken, met een goedkeurende glimlach op. Dan gaat zij naar binnen en kleedt zich in haar beste kleed, zooals het de vrouw des huizes betaamt, als het op "Vredenoord" feesttij is.
Nu kijkt zij op de oude, groote hangklok met de zware koperen gewichten en de zwarte, dikke wijzers.
"Binnen een half uur kunnen zij hier zijn," zegt zij binnensmonds, en zij gaat naar buiten, en plaatst zich vlak voor de oprijlaan en Lena voegt zich bij haar.
En zoo staat moeder Kloppers daar te wachten, en dat oude, verweerde gelaat wordt schoon in den dubbelen glans van liefde en blijdschap. En geen bruid kan reikhalzender uitzien naar haren bruidegom, dan zij naar haar man, haren dapperen, onversaagden Voortrekker!
Nu bukt zich Lena, en zij legt het oor luisterend op den grond, en zij zegt na een pauze: "De grond begint te dreunen onder het getrappel van vele hoeven." En in het volgend oogenblik wordt er een knetterend geweersalvo gehoord, en daar boven op den laatsten heuvelkam, daar verschijnen zij, op hun vlugge paarden, de Scherpschutters van Zuid-Afrika!
En sneller jagen zij van de heuvelen naar beneden, en de oude Boerenvlag wappert op den wind, alsof zij vleugels heeft, en nu buigen de ruiters de oprijlaan in, tien, twintig, tachtig man, en kletterend gaan de vlugge hoeven over de harde steenen van de werf. En terwijl het zweet van hun flanken spat, houden de paarden, onder de luide hoera-kreten der Boeren, als met een ruk midden op het erf stil.
Aan de spits, naast den kommandant, rijdt Dirk Kloppers.
Met de vaardigheid van een jongeling springt hij uit het zaâl, en met een vreugdekreet begroet hem zijn vrouw. En even als veertig jaar geleden, toen hij uit den eersten Engelschen oorlog kwam, zegt hij: "Anna, liefste!" en hij kust haar.
Met vochtige oogen staart zij hem aan, en zij fluistert: "God heeft alles wel gemaakt!"
"En hier is je jongen, je Benjamin!" roept de oude Voortrekker met een tinteling van trots in zijn van vreugde stralend oog.
En Jan snelt op zijn moeder aan, en hij kust die oude wangen, en zij fluistert geroerd: "Heb ik je weer terug, mijn licht en mijn zonneschijn!"
En daar komt Arie zich tusschen de uit het zaâl gesprongen ruiters doorwringen, en hij zwaait met zijn hoed en hij roept met zijn frissche stem: "Grootmoeder, wij zijn de Roodbaatjes op den rug geweest," en zij zegt op haar hartelijken toon: "Zoo, mijn wildzang, ben jij daar ook?" En nu schuift Herman Hoogerhuis zich in den kring, en zijn bruine oogen staan vroolijker dan ooit, en moeder Kloppers zegt: "Herman, van nu af aan behoort gij tot de familie Kloppers, alsof gij mijn eigen kind waart, want uw zelfopofferende daad is mij ter oore gekomen."
Maar nu heft moeder Kloppers haar oogen op naar de ruiterschaar, en zegt met een weemoedigen klank in haar stem: "Ik mis Teunis den leeuwenjager."
En de oude Kloppers antwoordt: "De groote leeuwenjager rust in het koele graf, in de passen van het Drakengebergte, en als een eenzaam schildwacht is hij achtergebleven."
En Lena staat er bij, zwijgend en luisterend.
Maar nù gaat er een trilling door haar gansche lichaam, want dicht in haar nabijheid hoort zij het ruischen der geliefde Boerenvlag. En zij legt de hand om den ouden vlaggestok, maar hij is afgesplinterd, en de zwaar gebaarde vaandeldrager zegt: "Dat hebben de Engelsche granaatscherven gedaan." En zij neemt het verweerde doek en drukt het vol eerbied aan haar lippen.
En daar heb je waarlijk ook den ouden Columbus!
Hij ziet er al wonderlijk uit, met den witten helm op het zwarte hoofd, en een dragondersabel op zij. Hij zwaait met zijn lange armen, en het hoofd fier in den nek geworpen, stapt hij met groote waardigheid naar de Kafferhutten, die achter op het erf staan.
Hij is spoedig herkend, en al wat Kaffer is, schaart zich om hem heen, en ze roepen: "Daar is de ouwe Columbus -- o ouwe Columbus, wat ben jij mooi!" Zelfs de kleine, halfnaakte Kafferkinderen met hun zwarte kroeskopjes rijzen uit de mulle zandhoopen op, waarin zij liggen te wentelen, en roepen, terwijl zij komen aanwaggelen: "O ou Colum! ou Colum!"
En ze joelen en schateren van pret.
En de zwarte Kafferdeernen, met de glinsterende glaskralen om den hals, vragen: "O ouwe Columbus, waar zijn jou bloote voeten gebleven?"
"Die zitten in deze dragonderlaarzen," antwoordt hij heel deftig, en hij stampt met de laarzen, dat de lange sporen rinkelen.
"En waar heb jij jou kousen van daan gehaald?" vragen zij met groote nieuwsgierigheid.
"Wel," grinnikt hij, "ik kwam bij een verbandplaats voorbij, waar een Roodbaatje zat, wiens beide beenen moesten worden afgezet. En ik zeide aan den dokter: Baas, geef mij de kousen van dat Roodbaatje. En hij vraagde: Waarom, Kaffer? en ik antwoordde: Wel, dat Roodbaatje heeft geen kousen meer noodig, als hem beide beenen worden afgezet. Toen zeide de dokter: Kaffer, jij bent een wijs schepsel, en jij zult de kousen hebben. En zoo kreeg ik de kousen."
En de vroolijke Kafferdeernen lachen, terwijl zij dit verhaal aanhooren, zoodat hun witte tanden blinken als elpenbeen, en zij roepen opgetogen: "O ouwe Columbus, jij bent slim als de slangen van Zoeloe-land!"
En de oogen van den ouden Columbus beginnen bij die lofprijzingen te schitteren als de oogen van zijn grooten naamgenoot, toen hij aan den horizon der deinende watervlakte de groene oevers van een onbekend werelddeel zag opdoemen.
Intusschen hebben zich de huiswaarts keerende Boerenkrijgers in gezellige groepen in den uitgestrekten boomgaard onder het groen gebladerte neergevleid, en onophoudelijk loopen de Kaffers rond, om voor de hongerige en dorstige magen hooge stapels boterhammen en dampende ketels koffie rond te dragen.
De boomgaard levert op dit oogenblik in zijn bewegelijkheid een tafereel, het penseel van een beroemden kunstenaar waardig, en Charles Marling wandelt, door de levendigheid van het tooneel aangetrokken, met belangstellenden blik tusschen die druk pratende groepen door.
Zijn geschiedenis is onder de Boeren ook gauw bekend, en de jonge Barend Jansen roept: "Kom, Roodbaatje, en schik hier bij ons aan!"
"Goed," zegt hij opgeruimd, "dat zal ik ook doen," en hij reikt de Boeren, die hier in de schaduw van eenige groote kastanjeboomen zich hebben neergevleid, de hand.
"Maak jij wat ruimte voor ons Roodbaatje," roept Barend tot Leen Blok, "en gooi je lange, smalle beenen eens den anderen kant uit!"
Leen voldoet aan deze order, en Charles vleit zich in het malsche gras bij de jonge Boeren neer, die vol scherts en vroolijkheid zijn. Niemand laat hem merken, dat hij als Engelschman een vijand van hun volk is, en de jonge Boeren behandelen hem als een kameraad.
Zij hebben misschien een uur bij elkander doorgebracht, daar komt een kort, dik vrouwtje aanloopen, met een jongen hond aan haar zijde. Haar gezicht gloeit van de warmte, en zij rent regelrecht op Leen Blok aan.
"Leen, daar is je vrouw," lachen de Boeren, "ontvang ze met waardigheid!"
Onmiddellijk staat Leen op, en het kleine vrouwtje slaat haar korte, dikke armen om zijn mageren hals, en strijkt hem het gele, sluike haar uit het gezicht en snikt: "O Leentje, wat ben ik blij, dat ik je weer heb!" Maar uit haar stem klinkt zooveel teederheid en liefde, dat de jonge Boeren zelf worden getroffen.
"En wij hebben er negen lammeren bij gekregen," zegt ze, "en twee kalveren, maar gij zijt mij meer waard dan alle lammeren en kalveren, die er in de Transvaal zijn. En kom nu mee, Leentje, dadelijk, want gij krijgt van daag je lijfgerecht!"
"Rijst met rozijnen?" vraagt de altijd hongerige Leen.
"Rijst met rozijnen," zegt ze plechtig, maar bij deze wending van het gesprek barsten de jonge Boeren uit in een luid gelach.
Doch Trijntje stoort er zich niet aan, en slaat op nieuw de armen om den mageren hals van haar echtgenoot.
Vlak achter Leen Blok graast zijn baloorige poney, en tusschen die ruige, bruine oogharen flikkeren de kleine oogen kwaadaardiger dan ooit.
Oogenschijnlijk begint hem het tafereel daar vóór hem schrikkelijk te vervelen, en na twee keeren misgehapt te hebben, slaat hij zijn bruingele tanden den derden keer vast in den rechter jaspand van zijn meester, en tracht hem met de halsstarrigheid, waarmede dit beest blijkbaar ter wereld is gekomen, uit de armen van zijn vrouw te rukken.
Maar ook de vrouw houdt vast wat zij heeft, en zoo vechten Trijntje en de poney beide om het bezit van den langen Leen. En het spijt me, dat ik het zeggen moet, maar de Boeren steken geen hand uit, om de strijdenden te scheiden, ja zij vinden de zaak integendeel heel vermakelijk, en terwijl Barend Jansen heel bedaard een pijp stopt, zegt hij: "Dat zaakje daar kan nog wel een poosje duren!" Doch nu vermant zich de lange Leen, en met een krachtigen ruk en het verlies van zijn rechter jaspand scheurt hij zich los uit den muil van het ondier.
Het duurt nu niet lang, of hij heeft den poney getuigd en plaatst zich in het zadel. En na de Boeren gegroet te hebben, zet zich de kleine stoet in beweging.
De vrouw loopt naast haar man, en de jonge, speelzieke hond blaft luid en driftig tegen de lange beenen van Leen Blok, die bijna den grond raken.
Intusschen maken zich ook de Boeren langzamerhand gereed, om het gastvrije erf van Dirk Kloppers te verlaten.
Zij zadelen hun paarden, nemen een hartelijk afscheid van de familie Kloppers, en hun paarden de sporen gevend, rijden zij snel de oprijlaan af tegen de heuvelen op.
Spoedig zijn zij achter den eersten heuvelkam verdwenen -- slechts de oude Boerenvlag is nog zichtbaar -- zij wappert nog eens boven den hoogsten heuvel -- en verdwijnt uit het gezicht.
Doch Dirk Kloppers stopt zijn pijp, en met de oude vrouw aan zijn zijde houdt hij, zooals dat den baas van "Vredenoord" betaamt, met bedachtzamen, onderzoekenden blik generale inspectie in huis en hof.
HOOFDSTUK XXXI. ------
Er zijn weer eenige weken verstreken. Malsche regens zijn gevallen, en hebben het dorstend aardrijk, dat om water schreeuwde verkwikt.
En de van droogte gespleten grond is op nieuw bedekt met een frisch groen, en ver, in het zuiden, in de passen van het Drakengebergte, is het eerste, teedere gras uitgesproten boven de groote, breede grafheuvels.
Weduwe Marling met haar zoon Eduard zijn verleden week na een voorspoedige reis hier te "Vredenoord" aangekomen en zijn thans de hartelijk welkome gasten der familie Kloppers.
De ontmoeting tusschen de weduwe en haar kind, haar Charles, wil ik niet beschrijven, daar ik het niet kan. Het was een éénig, zalig en heilig oogenblik in beider leven.
In het groote woonvertrek van Dirk Kloppers zijn de huisgenooten thans bijeen.
Eduard heeft met groote nauwkeurigheid en zorgvuldigheid Lena's oogen onderzocht en is tot de overtuiging gekomen, dat zij door een operatie het licht weer terug zou krijgen in haar oogen, en heden zal tot de operatie worden overgegaan.
't Is een merkwaardige groep, die gij hier ontmoet.
Dicht bij het raam, zit de blinde Lena. Naast haar staat een kleine tafel, waarop eenige heelkundige instrumenten liggen uitgespreid, en vóór haar staat Eduard Marling, de kundige, Engelsche arts met dat fijn en schrander gelaat.
Achter de groote tafel zit het oude echtpaar Kloppers, en hun zoon Jan staat, leunend op den stoel van zijn vader, met groote belangstelling te kijken naar de beginnende operatie.
De moeder van den dokter zit naast de vrouw des huizes, en haar zoon Charles heeft met Herman Hoogerhuis recht tegenover haar plaats genomen.
De jonge Arie staat dicht bij het raam, en Lodewijk Jansen, de broeder van vrouw Kloppers, die, wat men noemt toevallig hier van daag is aangekomen, zit met een gefronsd gelaat, en machtige rookwolken uitblazend, in een hoek van het vertrek.
Dat er in het vertrek een groote spanning heerscht, behoef ik wel niet te zeggen.
De weduwe bidt in haar hart tot God, dat Hij moge helpen en bijstaan.
Maar er zijn er meer, die bidden.
De dokter brengt het hoofd der blinde in de goede houding.
Nu neemt hij van de kleine tafel een lancet.
Aller oogen zijn op den jeugdigen arts gericht, maar Lodewijk Jansen barst los met harde stem: "Ik begrijp je niet, zwager, ik begrijp je niet!"
"Wat begrijp je niet?" vraagt de oude Kloppers in de grootste verbazing.
"Dat gij je kleinkind aan een Engelschman overgeeft," antwoordt hij verontwaardigd.
"En waarom aan geen Engelschman?" vraagt de oude Kloppers.
"Omdat een Engelschman nooit te vertrouwen is," antwoordt hij op ruwen toon.
Er volgt een pijnlijke pauze, en niets wordt gehoord dan het eentoonig getik der oude klok aan den muur.
"Hoe zal dat eindigen!" zucht de weduwe, en moeder Kloppers werpt een toornigen blik op haar broeder.
Maar de jonge arts wendt zich tot den huisheer.
"Mijnheer Kloppers," zegt hij schijnbaar kalm en met waardigheid, "onder deze omstandigheden zie ik van de operatie af. Ik moet ten volle worden vertrouwd, ook als de operatie geen resultaat heeft."
Hij legt het lancet, dat hij had opgenomen, bedaard neder op de kleine tafel, doch de oude Kloppers zegt met zijne klankvolle stem: "Gij hebt mijn vertrouwen, en gij houdt mijn vertrouwen."
"En wat denkt gij er van?" wendt zich de arts tot Lena. "Bedenk het, ik behoor tot de vijanden van uw volk."
"Neen," zegt zij, en zij schudt haar zwarte lokken met bekoorlijke aanvalligheid, "gij behoort niet tot de vijanden van ons volk."
"Zal ik dan beginnen?"
Zij knikt.
Hij neemt het vlijmscherpe lancet van de tafel en brengt het aan haar linker oog.
Zijn moeder kijkt hem aan en ziet zijn bleek gelaat.
"O Heere," zucht ze, "bestuur zijn oog en zijn hand!" Maar zijn hand beeft niet, en er is geen zweem van gejaagdheid of aarzeling bij hem te ontdekken.
Nu buigt hij zich voorover -- vlak voor het gelaat van het meisje -- en nu doet hij de haarfijne snede door het verduisterde hoornvlies van het linker ooglid.
Snel bedekt hij het geopereerde oog, en het lancet gaat nu door het hoornvlies van het rechter oog.
En nu neemt hij het bedeksel weg.
Er heerscht een onbeschrijfelijke spanning onder de aanwezigen.
"Lena," roept hij, dicht voor haar staande, "wat ziet ge?"
Er komt geen woord over haar lippen.
"De operatie is mislukt," steunt de weduwe, en den jongen dokter is de laatste bloeddrup uit het gezicht geweken.
Maar met groote geestkracht beheerscht hij zichzelve, en vraagt nog eens: "Lena, wat ziet ge?"
Nu heeft het meisje haar spraakvermogen teruggekregen.
"Wat ik zie!" juicht ze, "ik zie mijn redder! Ik zie het zwart in zijn oogen!"
Zij grijpt zijn handen en kust ze vol innige dankbaarheid. En zij loopt en huppelt naar haar grootvader, en vleit het hoofd op den schoot van haar grootmoeder neer.
En zij geeft al de huisgenooten de hand als oude kennissen, die zij in langen, langen tijd niet heeft gezien. En dan springt zij weer op, als een vlugge antilope en plaatst zich voor het raam en staart naar buiten, en verlustigt zich in het gezicht van het golvende maïsveld, van de geurende bloem, van het ruischende loover en van het dartelend lam in de weide.
En in het overstroomend gevoel harer blijdschap vouwt zij de handen, en zij roept met den eerbied, waarmede een gebed wordt uitgesproken: "Ik zie de heerlijkheid des Heeren!"
Wie kan bij zulk een blijdschap onbewogen blijven?
De oude Lodewijk Jansen is overwonnen, en er biggelen twee groote tranen in zijn grooten, ruigen baard.
Hij staat op en legt zijn zware hand op den smallen schouder van den Engelschman.
"Dokter," zegt hij, "ik heb u grof beleedigd; vergeeft het mij!"
"Het is u reeds vergeven," antwoordt de aangesprokene op blijden toon.
Dokter Marling is later groot en beroemd geworden in zijn vaderland, en vele gelukkige operaties heeft hij bewerkstelligd, doch deze operatie is diep in zijn hart gegrift gebleven.
"Gij zijt een Roodbaatje, doch gij kunt het niet helpen, en gij verdiendet een Afrikaander te zijn," zegt Jansen met groote rondborstigheid.
"'t Zal wel goed komen," meende de dokter in de vroolijkste stemming.
Het was een gelukkige dag op "Vredesoord".
Charles is volkomen hersteld, en het oogenblik van het scheiden is nu aangebroken.
Er is een sterke band gelegd tusschen het huisgezin van Dirk Kloppers en de familie Marling, en daarom valt het scheiden niet gemakkelijk.
Zij hebben elkander lief gekregen, en daarom doet het scheiden zeer.
De jachtwagen komt nu voor.
Jan heeft er den moorkop en den vos voor laten spannen, en hij zelf zal, met Arie en Herman Hoogerhuis, onze gasten naar het naastbij gelegen dorp brengen. Van daar is met de postwagen gelegenheid, om de spoor te bereiken.
Alles staat gepakt en gezakt.
De oude Columbus neemt de zware koffers op zijn breeden rug en legt ze in den wagen.
De vurige paarden rukken ongeduldig aan de leeren strengen.
En nu nemen de gasten afscheid; een hartelijk, roerend afscheid, zooals menschen van elkander afscheid nemen, die elkander misschien nooit -- nooit wederzien aan deze zijde van het graf.
En de dokter zegt bij het afscheid nemen; "Oom Dirk, wij gaan nu naar Engeland, en wij zullen vertellen, wat wij hebben gezien en ondervonden. Ik heb het vrijheidlievende volk der Boeren lief gekregen, en ik zou niet weten, waarom het Hollandsche ras zich niet vrij naast het Engelsche in Afrika zou mogen ontwikkelen. Me dunkt, Afrika is groot genoeg!
Ik hoop de belangen der Boeren te bepleiten, waar ik kan, en waar gij hebt gestreden met het _geweer_, daar zal ik voor de Transvaalsche Boeren strijden met het _woord_. Er zit in het Engelsche volk nog een kern, die van geen onderdrukking weten wil, en ik zal den sluimerenden vonk voor vrijheid en recht aanblazen tot een vlam, die het geheele volk zal aansteken!"
"Moge het u gelukken!" zegt de grijze Voortrekker met ernstige stem.
En nu stappen de gasten in het rijtuig.
Nog een laatste handdruk -- de moedige paarden werpen zich in het tuig -- de jachtwagen rolt over het erf.
Allen zijn bedroefd, doch Charles is bedroefder dan de anderen. Hij werpt een laatsten, weemoedigen blik achterwaarts op "Vredenoord", op al die plekjes, die hem zoo lief zijn geworden, en daar, tegen den ruwen stam van den lindeboom -- daar staat Lena, en zij zwaait hem met haar zakdoek een laatst vaarwel toe -- zijn oogen verduisteren zich -- ach, scheiden doet zeer!
En nu is het avond geworden.
De oude Kloppers en zijn vrouw zitten op de bank, onder den lindeboom.
De maan werpt haar vriendelijk licht over "Vredenoord", en helder beginnen de sterren te tintelen aan den wolkeloozen hemel.
't Is stil; nauwelijks beweegt zich een blad.
Slechts het geloei der ossen wordt gehoord uit de kralen, het rinkelen der metalen bellen, die Kloppers' melkkoeien om den nek dragen, het zachte gekir van een paar duiven op den nok van het dak, en het weemoedig gezang van een Kaffer, op den drempel van zijn hut.
"En wat denkt gij," vraagt moeder Kloppers, "zal onze jonge dokter succes hebben met zijn streven, om voor onze onafhankelijkheid te pleiten?"