De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81
Part 2
In 't Zuiden, in Natal, woonde een hooggeplaatst Engelsch ambtenaar: Shepstone.
Deze slimme man berichtte naar Pretoria, dat hij zou overkomen, om niet de Transvaalsche regeering de Kaffer-aangelegenheden te beredderen. Hij zou een gewapend gevolg medebrengen, dat hem wel niet ten kwade zou worden geduid.
De Engelschen hadden de zaak sluw ingepikt. Er was voor gezorgd, dat de reis van Shepstone naar Pretoria, den zetel der Transvaalsche regeering, tot een waren triomftocht werd. Vele adressen werden hem onderweg aangeboden, waarin de onderteekenaars hem hunne hulde betuigden. In Pretoria werden de paarden van den wagen gespannen, en Shepstone door een juichende schaar menschen door de straten gereden.
Er lag iets stuitends in voor een rechtschapen man, doch Shepstone had een sterke maag en kon het verdragen. Het wàre volk der Boeren echter stond met verontwaardiging en droefheid naar die komedie te kijken. Want een komedie was het en anders niets. Een troep Engelsche gelukzoekers vormde den kern van deze luidruchtige bende, die voor Shepstone in het stof kroop.
Laatstgenoemde had nog twee Engelsche beambten medegebracht: Osborne en Henderson, die bij de te houden conferenties mee zouden helpen, het slagnet te spannen, waarin de arme Boeren moesten gevangen worden.
Bij deze conferenties werd de Transvaalsche regeering vertegenwoordigd door Paul Kruger, toenmaals lid van den Uitvoerenden Raad en door den staatsprocureur Jorissen.
Het is weerzinwekkend, om de strikvragen te lezen, waarmede de Engelschen kwamen aandragen, om de Transvaalsche gevolmachtigden te vangen. Doch met groote omzichtigheid en zelfbeheersching antwoordden deze mannen, en slechts nu en dan klonk het door hun woorden heen als ingehouden mannelijke toorn. Al waren zij intusschen nog tienmaal voorzichtiger en kalmer geweest, het had hen toch niet geholpen. Shepstone, die zich had neergezet aan den gastvrijen haard der Transvaalsche Boeren, droeg het staatkundig doodvonnis over dat volk in zijn zak, en den 12den April 1877 liet hij door zijne annexatie-proklamatie de doodsklok luiden over de Transvaalsche vrijheid. De Zuid-Afrikaansche Republiek had opgehouden te bestaan, en de vierkleur werd neergehaald.
De redeneering, volgens welke Engeland tot deze ongerechtige daad overging, kwam hierop neer: "O, gij Boeren! Wij hebben u lief. Wij zien het gevaar, waarin gij verkeert. Tegen de Kafferstammen zijt ge niet meer opgewassen. Neen, zegt niet, dat gij 't wel zijt, want het is niet waar. Maar _wij_ zullen u bijspringen: in ùw belang en in òns belang. Want de andere Kafferstammen zullen ook oproerig worden, en onze Zuid-Afrikaansche bezittingen bedreigen. We zullen u dus annexeeren, om u te beschermen. Wilt gij niet beschermd zijn, gij dwaze Boeren? Goed, dan zullen wij u met onze kanonnen doodschieten."
In werkelijkheid was dat Kafferpraatje natuurlijk niets dan gehuichel. Dat wist Shepstone ook wel, en de Boeren wisten het ook. Neen, daar wrong de schoen niet. Maar de Transvaal was een groot, uitgestrekt, gezond, vruchtbaar land. En in het Oosten van het land, in het Lijdenburgsche, was goud gevonden, en van dat goud had president Burgers geld laten slaan, met zijn beeldtenis er op. En de Engelschen hadden dat goud gezien, en het echt bevonden -- zoo en zooveel karaat.
_Daarom_ moest de Transvaal worden ingeslokt.
In naam der Transvaalsche regeering diende President Burgers een plechtig protest in tegen deze afschuwelijke daad, en toen dit niet hielp, streek hij met benijdenswaardige, wijsgeerige kalmte het pensioen op, dat de Engelsche regeering hem had toegedacht.
Een _Boer_, een echte zoon der Voortrekkers, zou dat niet hebben gedaan -- neen, _nooit!_
Hij zou de Engelsche regeering die gouden ponden voor de voeten hebben geworpen en gezegd: "Dáár ligt het geld; ik raak er niet aan; in der eeuwigheid niet."
Maar Burgers sprak zoo niet. Hij streek het geld op. Hij dacht waarschijnlijk: De zaak verandert er toch niet mee, al weiger ik het geld.
In zijn innerlijkst bestaan was hij vreemd aan de Boeren. Vele schitterende redevoeringen had hij in Pretoria gehouden, maar dit groote, moedige woord, dat van _liefde_ voor de vertrapte Boeren zou hebben getuigd: "Ik sta en val met het Transvaalsche volk", dit woord is _nooit_ over zijn lippen gekomen. En toen de Boeren zich aangordden tot den strijd op leven en dood, toen zat Burgers veilig op zijn villa in de Kaapkolonie.
Neen, de Boeren waren waarlijk niet van plan, het er bij te laten zitten. Daarin vergisten zich de Engelschen.
Reeds verscheidene groote volksvergaderingen waren gehouden, om tegen de annexatie te protesteeren. De vergadering te Kleinfontein, 1879, was eene der belangrijkste, daar zij werd bijgewoond door Sir Bartle Frère.
De Boeren stonden vóór den ingang van het lager, aan weerszijden acht tot tien rijen diep, om hem te ontvangen. Hij reed met zijn gevolg tusschen die gewapende rijen door, die een ijzig zwijgen bewaarden. Geen hand werd omhoog gestoken; geen hoed afgenomen. Met een doodelijke, onheilspellende stilte werd een der machtigste Engelsche staatslieden ontvangen.
_Dat_ was Sir Bartle Frère inderdaad. Twintig Indische prinsen van vorstelijken bloede hadden hem bij zijn vertrek uit Indië vrijwillig, en de Sultan van Sansibar gedwongen hun hulde gebracht. En de Engelsche parlementsleden hadden de waarlijk groote verdiensten van dezen gewiksten staatsman niet beter weten te erkennen dan -- tot twee keeren toe -- eenparig van hun zetels op te rijzen.
Met zijn minzamen, onveranderlijken glimlach had Sir Bartle Frère zijn overwinningen behaald. Met dien glimlach had hij de vijanden ontwapend, de twijfelaars overgehaald, de vrienden betooverd.
Die glimlach was zijn zwaard, en nooit was hij gevaarlijker dan wanneer die glimlach om zijn lippen zweefde.
Hij dreigde niet -- hij lokte. Hij striemde niet -- hij streelde.
Zóó kwam hij bij de Boeren.
Hij verscheen niet als een rechter, die de rebellen ging straffen -- neen, als een vader, die zijn verdwaalde kinderen op het rechte spoor zal brengen.
Het onbarmhartige Engelsche zwaard verborg hij in de plooien van het vaderlijk gewaad, en met fluweel omwikkelde hij het Engelsche juk.
"Lieve vrienden," zeide de fijne man der wereld, terwijl hij zich -- als huns gelijke -- in de ruwe tent naast de voormannen der Boeren nederzette: "lieve vrienden, hebt gij grieven? Ik ben expres gekomen, om ze aan te hooren. Wordt u onrecht gedaan? Ik, Sir Bartle Frère, gouverneur der Kaapkolonie en lid van Harer Majesteits geheimen Raad, verzeker u op mijn woord van eer, dat u zal worden recht gedaan. Hangt u de Engelsche vlag in den weg? Maar, lieve vrienden, ik sta òok onder die vlag, en bevind er mij best bij, want ik behoud mijn volledige persoonlijke vrijheid. Zie ik er ongelukkig uit, omdat ik onderdaan ben van koningin Victoria? Neen, dat maakt mij _gelukkig_, en 't zal ook _u_ gelukkig maken. Gij schudt van neen? Och, dat kan ik verstaan, beste vrienden, want onbekend maakt onbemind. Maar als gij onze koningin leert kennen, dan wordt dat geheel anders. Hare onderdanen noemt zij hare kinderen, en hare kinderen heeft zij lief. Gij deelt dus, zonder dat gij er een hand voor hebt uitgestoken, in al de rechten van kinderen, en gij maakt een deel uit van dat rijk, dat zijn macht uitstrekt in de vier winden des hemels.
De heilzame gevolgen daarvan zijn voor u niet te berekenen. Ik hoor, dat uwe financiën in de war zijn -- geen nood! In de bank van Engeland is geld genoeg...."
Zoo zat Sir Bartle Frère te praten en te keuvelen, en de voormannen des volks, Paul Kruger en de anderen, zaten met groote bedaardheid te luisteren.
En nu en dan wierp de welsprekende, hoog begaafde grijsaard een bespiedenden blik op die strakke, onbewegelijke gezichten daar vóór hem.
Doch ze bléven strak; ze bléven onbewegelijk, en tegen die metalen voorhoofden spatte al zijn welsprekendheid terug als de machtelooze golven tegen een muur van graniet.
En toen Sir Bartle Frère dit bemerkte, tòen -- tòen viel hij uit zijn rol.
Hij werd ontstemd, wrevelig, kort, en de minzame glimlach ging schuil achter een donderwolk. Hij schoof den honigpot onder zijn veldstoel en greep naar de zweep.
Inwendig kookte hij. Hij rukte het fluweel van het juk af en liet het ijzeren juk zien. "Daar _blijf_ je onder," zeide hij toornig, en de plooien van zijn vaderlijken mantel terugslaande, liet hij het onbarmhartige zwaard van Engeland flikkeren.
Doch daar deinsden die moedige mannen evenmin voor terug als de Romein Fabricius voor de olifanten van koning Pyrrhus, en Bartle Frère kon met de boodschap naar huis gaan: De Transvaalsche Boeren willen geen onderdanen zijn der Engelsche koningin -- nooit en nimmer!
Maar in het hart der vergaderde Boeren te Kleinfontein dreigde het smeulende oorlogsvuur elk oogenblik in lichte laaie uit te breken.
"De Engelschen houden ons voor den gek," riepen de onstuimigsten: "schiet ze dood!"
Maar Paul Kruger en de andere voormannen wierpen olie op de hooggaande golven, en de Boeren gingen -- zonder geweld te plegen -- naar huis.
Er werd een zeer merkwaardige memorie opgesteld, en direct aan de Engelsche koningin gericht.
In deze memorie verzocht het volk zijn vrijheid terug. Het boog in dit stuk diep voor de Engelsche regeering; het _smeekte_.... Het _boog_ zoo diep, omdat _deze_ poging als de laatste _vreedzame_ poging werd beschouwd; het _smeekte_, omdat het in den anders onvermijdelijken oorlog zijn vrijheid met zijn _hartebloed_ zou moeten koopen.
Op dit smeekschrift kwam een antwoord, dat aan duidelijkheid niets te wenschen overliet: de Engelsche regeering versterkte hare garnizoenen in de Transvaal.
Toen zond het volk, als een allerlaatste poging, om langs vredelievenden weg de staatkundige vrijheid terug te krijgen, zijne voormannen Paul Kruger en Piet Joubert naar Kaapstad, doch ook deze zending bleef, zooals de lezer reeds weet, zonder resultaat.
En de Engelsche generaal Wolseley zeide: "De Transvaal blijft Engelsch, zoolang de zon boven Afrika schijnt."
Nu wisten het de Boeren.
1) Leger.
HOOFDSTUK III. ------
't Gaat tegen den avond. De heete gloeiende zon neigt naar het westen, en het geboomte, waartusschen het erf van Dirk Kloppers' "Vredenoord" verscholen ligt, werpt lange, donkere schaduwen.
Kloppers' huis is lang en breed; slechts één verdieping hoog. Er naast, door een breede ruimte gescheiden, staat de open wagenschuur.
In de nabijheid staan de hutten der Kaffers, die bij Kloppers in dienst zijn. De kralen tusschen de kafferwoningen en het boerenhuis bestaan uit lage, cirkelvormige muren, van klipsteenen opgebouwd, en dienen des nachts tot stalling voor het vee.
Uit de verte ziet ge een groote kudde schapen langzaam naderen. Vlugge keeshonden zwermen er om heen, dringen de afdwalende schapen met luid geblaf terug tot hun makkers, en met lomen tred volgen, de korte zweep in de hand, de kafferknechten.
De Kaffers zien er traag en vadzig uit. Slechts één onder hen, Columbus, een reeds bejaard man, schijnt gunstig bij zijn stamgenooten af te steken.
Hij draagt een lam in de armen, dat zich den poot heeft opengereten aan een scherpen doornstruik. Hij heeft een medelijdend hart, deze Kaffer, want anders zou hij het bloedende lam niet dragen. Blatend en onrustig volgt hem de moeder, het oude schaap.
Het hoornvee is reeds in zijn stalling; gij hoort het aan het geloei, dat opstijgt uit de koeienkraal. Juist gaat een Kaffer, in elke hand een emmer, de kraal binnen, om te melken, want het is melktijd.
Achter op het erf staan eenige Kaffervrouwen, de wollen dekens om het half naakte lichaam geslagen, met groote, zware stampers de milies 1) fijn te stampen in het blok. De kleine, zwarte kroeskoppen, die daar in het zand liggen te rollen, zijn hun kinderen.
Langs den steenen muur van het boerenhuis slingert de wijnstok zijn sappige ranken, en drijft de abrikozenboom zijn veel beloovende knoppen. Vóór het huis staat een lindeboom, welks dicht gebladerte schaduw biedt tegen de felle zonnestralen, en daaronder staan eenige harde, stevige, houten banken.
Van hier uit geniet uw oog een kostelijk vergezicht, met den in duizend kleuren schitterenden bloementuin op den voorgrond, en ver aan den horizon het dertig voet hooge bamboesriet en de blauwe, zacht hellende heuvelen. Een klein stroompje slingert zich door het vredig landschap heen, en zijn water blinkt in de scheidende avondstralen als gesmolten goud.
Eén der banken onder den lindeboom is bezet.
Ge ziet er Teunis den leeuwenjager.
De leeuwenjager is nu al eenige maanden hier, bij Dirk Kloppers. Hij denkt niet aan vertrekken, want te dreigend pakken zich de oorlogswolken samen boven zijn vaderland. Het zal op vechten uitloopen -- zonder twijfel. En zou hij dan aan de uiterste grenzen van het land op de jacht kunnen gaan, en zijn broeders laten strijden en bloeden? Die dat denkt, kent den leeuwenjager niet. Neen, waarlijk niet. Gisteren zeide hij nog tot Dirk Kloppers: "Ik waag er mijn oude knoken aan, al zijn ze vier en zeventig jaar oud."
Maar al is hij oud, hij zal zijn man staan! Nòg gaat hij voor geen leeuw op zij -- hoe zou hij dan voor een Engelschman op zij kunnen gaan!
Naast Teunis den leeuwenjager ziet ge nog twee menschen zitten; het zijn Dirk Kloppers en diens vrouw.
Ze beginnen zoo zachtjes aan oud te worden; dat ziet ge aan het grijze haar en aan die rimpels op hun voorhoofd.
Als er vijf en zestig Afrikaansche zomers op uw hoofd hebben gebrand, dan wordt ge dat wel gewaar.
't Is nu zoo ongeveer veertig jaar geleden, dat zij zijn getrouwd. Zij hadden met hun ouders den grooten Trek medegemaakt uit de Kaapkolonie over de Oranje-rivier, vervolgens over het Drakengebergte naar Natal en weer terug uit Natal, omdat Engeland het wederrechtelijk annexeerde, totdat de moede Trekkers de zoo vurig gewenschte staatkundige vrijheid over de Vaal-rivier, in de Transvaal, hadden gevonden.
Toen was Dirk Kloppers met Anna Jansen getrouwd.
En _veel_ hebben zij ondervonden in die veertig jaren: vreugd en leed; smart en troost. Donkere wolken gingen over hun hoofd, "doch," placht Kloppers te zeggen: "Gods goedertierenheid omlijste ze met zilveren randen."
Gestadig werd het huishouden grooter, en een schaar gezonde kinderen omringden als frissche olijfplanten den eikenhouten disch.
Dikwijls moest Kloppers van huis; met het kommando mee tegen de Kaffers. Dan bleef vrouw Kloppers met eenige maar halfvertrouwde Kafferknechten alleen achter bij de kinderen. 's Avonds, als zij de kleine woelwaters naar bed had gebracht, hield zij de wacht, opdat geen stroopende Kafferbenden het vee zouden stelen. De schort gevuld met scherpe patronen, over haar schoot het geladen geweer -- zóó hield ze de wacht!
In bonte afwisseling gingen de jaren snel voorbij.
De familie Kloppers had jaren gekend van zeldzame vruchtbaarheid en jaren, waarin hun velden verschroeiden van droogte; jaren, waarin de veelbelovende korenvelden werden verwoest door de vernielende sprinkhanen, en hun rijke veestapel werd besprongen door de wilde dieren, gedund door de plunderende Kaffers, vernietigd door de pest.
Maar Dirk Kloppers en zijn vrouw zagen in die tegenspoeden de hand van hun getrouwen God, en zij geloofden, dat Hij kastijdt, om daarna te zegenen. En in spijt van vele wederwaardigheden was hun bezitting steeds grooter geworden en hun veestapel vooruit gegaan.
Hun kinderen waren groot geworden, en even als de jonge vogels, kunnen zij vliegen, het oude nest verlaten, zoo hadden zij de ouderlijke woning verlaten, en in het uitgestrekte gebied van de Transvaal en den Oranje-Vrijstaat een eigen huis gebouwd. Elken keer was er een vroolijk bruiloftsfeest gevierd, doch na elke bruiloft was het ook iets stiller geworden in Kloppers' woning.
Twee kinderen, een jongen en een meisje, hebben zij op prillen leeftijd verloren. Daar, achter in den tuin, in de schaduw van eenige treurwilgen, dáár liggen zij begraven.
Het meisje bezweek aan de typhuskoortsen. Ach, het was zoo'n hartelijk kind; zoo'n lief, vriendelijk bloemke! Maar de groote Landman plantte het bloemke over in Zijn hemelsche gaarde, en de ouders legden de hand op hun mond.
Boven op zolder, onder de half vermolmde daksparren, daar staat de groote kist, waarin haar kleertjes zijn opbewaard.
Hoe menigmaal staart de trouwe moeder nog op die kleertjes!
En daarnaast liggen de kleertjes van het broertje, van Jantje, dat naast zijn zusje ligt begraven.
Ach, dat Jantje, dat lieve ventje met die heldere, blauwe kijkers en met dien guitigen glimlach!
De kleeren van dit kind zijn als doorweekt geweest van bloed en van tranen. De bloedsporen kunt ge nog duidelijk zien, al zijn ze meer dan twintig jaren oud, doch de tranen heeft de moeder geschreid.
Vóór het oog der moeder is dat lieve Jantje omgekomen.
Zij _zag_ het gevaar; zij _zag_ den leeuw, die haar kind wilde bespringen.
Zij stond buiten; vóór het geopende raam. Zij reikte met den arm door het geopende raam, en greep het zware, geladen geweer.
Zij legde het geweer aan op het hongerige roofdier, maar het ketste, want het kruit was vochtig.
Toen was het lot van het arme kind beslist.
Nog _heden_ ziet zij den angstigen, op zijn moeder geslagen blik van haar lieveling, en dat oogenblik was voor haar banger, dan toen zij de van bloed druipende assegaaien der wilde Zoeloe-Kaffers voor zich zag. 2)
Reeds lag het kind onder den scherpen klauw van het roofdier, maar vrouw Kloppers greep een mes, en snelde op het monster aan. En had zij geen mes gehad, dan had zij 't zóó gedaan -- met de bloote hand.
Want welke liefde evenaart de moederliefde? Is zij niet sterk als de dood en diep als het blauw des hemels?
Onder haar oog bezweek haar lieveling, vóór zij de noodlottige plek had bereikt, en ook zij zou bezweken zijn, ware haar broer -- Lodewijk Jansen -- niet vlak in de nabijheid geweest. Hij rukte het geweer van den schouder en joeg den leeuw een kogel door den kop.
Maar vrouw Kloppers was haar Jantje kwijt...
De echtelieden Kloppers hadden later nog een kind gekregen, een jongen, en zij noemden het Jan, naar het andere, dat zij hadden verloren.
En Dirk Kloppers zeide een keer tot zijn vrouw: "Zet eens een leege flesch op zestig meter afstands van hier, en druk er een kurken stop op."
En vrouw Kloppers mat den afstand, en plaatste de flesch met den kurken stop op de behoorlijke plaats. En Kloppers zeide: "Als ik den stop nu niet van de flesch schiet, dan is het een slecht schot, Anneke."
Hij mikte even en schoot de stop van de flesch.
Toen zeide hij: "Anneke, haal eens den appel, die binnen op de tafel ligt." En toen zij den appel had gehaald, zeide hij: "Gooi hem hoog de lucht in, en als mijn kogel niet door het klokhuis gaat, dan is het een slecht schot, Anneke."
Zij deed, zooals hij had gezegd. En hoog in de lucht, zonder dat Kloppers scheen gemikt te hebben, ging zijn kogel midden door den appel heen.
"'t Is een meesterschot," riep Anna, den doorgeschoten appel in de hand, met stralenden blik.
"Nu doe gìj je meesterschot," zeide hij lachend.
"Later," zeide zij, "later!"
Geen veertien dagen later deed zij haar meesterschot.
Nog vandaag gaat er een rilling door haar leden, als zij daaraan denkt.
Haar jongen, de kleine Jan, zat op eenigen afstand van de woning in het zand te spelen. En geen dertig pas van hem vandaan lag een groote, hongerige tijger op de loer.
Haar man was niet thuis; hij was op de jacht.
Zij greep het groote olifantsroer, en mikte tusschen de oogen van het roofdier. Zij gloeiden als vurige kolen.
Als het kruit weer eens vochtig was -- haar hart bonsde, alsof het bersten zou.
Daar drukte zij af -- de vuurstraal glipte uit den loop van het geweer.
Loodrecht vloog de tijger omhoog, en plofte toen met een harden slag dood tegen den grond.
Toen Dirk Kloppers 's avonds thuis was gekomen, en de wond van het roofdier had onderzocht, zeide hij: "Anneke, dat is jòu meesterschot!"
Maar Anna zeide: "De Heere ondersteunde mij, en Hem willen wij danken!"
Toen legde haar man de hand op haar schouder en antwoordde: "Anneke, ik ben het volkomen met je eens!"
Zoo werd het leven van den kleinen Jan bewaard, en hij is nu het laatste kind, dat nog in huis is, en hij is opgegroeid tot een krachtigen, rijzigen, jongen man. Reeds heeft de lezer hem ontmoet bij het wachtvuur op het kopje. In zijn blauwe oogen schittert vuur, en zijn spieren zijn sterk als de spieren van een jongen leeuw.
Zoo hebben Dirk Kloppers en zijn gade veel ondervonden in hun leven, en daar zij elkander werkelijk uit liefde hebben genomen, is de bedding dier liefde steeds dieper geworden. Zij gelijken op twee boomen, die, naast elkander geplant, hun takken en twijgen al vaster, al inniger en hechter door elkaar hebben gestrengeld.
Anna is trotsch op haar man -- mag zij niet trotsch op hem zijn? Draagt hij niet het litteeken op zijn voorhoofd, dat in haar oogen schooner is dan een blinkende ridderorde? Heeft hij dat litteeken niet gehaald vlak voor de monding van het Engelsche kanon, dat hij met zijn kameraden bestormde? Was hij niet steeds een der eersten in den strijd tegen de Kaffers? Heeft hij, toen de Boeren door onderlinge veten werden uitéen gescheurd, tot bezinning gekomen, niet in edele zelfverloochening meegeholpen, om de klove te dempen? En heeft hij niet rusteloos meegewerkt, totdat de Boeren weer stonden schouder aan schouder, zooals het broeders betaamt van 't zelfde huis? En is hij niet groot en geëerd in den raad van zijn volk, en hebben de Boeren niet gezegd: "Hij wordt sprekend zijn vader, de dappere voortrekker Gert Kloppers?"
Daar achter in den tuin, in de nabijheid van zijn twee kleinkinderen, daar rust het gebeente van Gert Kloppers. En naast hem rust zijn vrouw, de trouwe Hanna, die genoemd werd een moeder in Israël.
In vol geloofsvertrouwen ging de moegeworden zwerver zijn laatste reis aanvaarden, doch het scheen, dat voor den stervenden Voortrekker de sluier der toekomst werd teruggeschoven. Met het oog van een ziener staarde hij vooruit.
Even voor zijn heengaan richtte hij zich nog overeind in de groote, bruine bedstee, en zeide tot de treurende familiebetrekkingen en vrienden, die hem omringden: "Engeland zal komen, als ons land begeerlijk wordt in zijn oogen, en zal onze onafhankelijkheid willen rooven. Het is onverzadigbaar; daarom zal het ons volk trachten in te slokken.
Ziet in den weg des vredes dit te voorkomen. Gelukt dit niet, grijpt dan naar het zwaard! 't Is beter onder te gaan als een vrij volk, dan te leven als een volk van slaven!"
Toen Gert Kloppers dit had gezegd, had hij een pauze gemaakt, en peinzend door de kleine ruiten naar buiten gestaard, naar de wolken, die hoog en luchtig voorbijdreven. En na die pauze had hij gezegd: "Maar de rechtvaardige God zal onzen ondergang niet gedoogen. Hij zal het niet gedoogen, dat het kleine, aemechtige volk der Boeren wordt vermorzeld onder den ijzeren voetzool van het machtige Engeland!"
Het eerste gedeelte van Gert Kloppers' voorzegging is in vervulling gegaan.
De Transvaalsche schildleeuw is in banden geklonken; de vrijheid vermoord.
De Engelsche staatkunde, die groot is in 't huichelen, heeft een harer grootste triumfen gevierd en een vrijheidlievend volk op het hart getrapt!
Op het hart getrapt -- ja, zoo is het!
Dirk Kloppers en de leeuwenjager, daar in de schaduw van den lindeboom gezeten, ze zijn er beiden van overtuigd. Ze hebben de zaak van alle kanten bekeken; ze hebben de argumenten van Engeland, die voor de annexatie worden aangevoerd, gewikt en gewogen, maar ze kunnen tot geen andere slotsom komen dan tot deze: "Het Transvaalsche volk is op het hart getrapt!"
Op den knoestigen boomtak boven hen wiegt zich de groene papegaai; in het gras snort de kever, en uit het boschje klinkt het smeltend lied van den nachtegaal.
De sprekers merken het niet.
De gloeiende vuurbol raakt thans de lange heuvelrijen aan den westelijken horizon, en de hooge gomboomen werpen reusachtige schaduwen.