De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81
Part 19
Vervolgens staarde hij naar boven, naar de lage, ruwe zoldering, en naar buiten, naar het dichte, ruischende loover van den lindeboom, vlak vóór het kleine venster.
Hoe stil, hoe gezellig en vredig was dit eenvoudig kamerke! En nu en dan brak het zonnelicht door het lichte loover van den lindeboom heen, en straalde als goud in het kleine vertrek.
Hij wreef zich peinzend het voorhoofd. Er was een gaping in zijn herinnering, die hij trachtte aan te vullen, en nadenkend staarde hij op zijn bleeke, uitgeteerde vingers. Nu eerst kwam een vermoeden in hem op van de zware ziekte, die hij had te doorworstelen gehad, en hij herinnerde zich den hotsenden ossenwagen, waarmede hij was vervoerd geworden.
Doch hoe hij hier, in deze bedstede, was gekomen, kon hij zich niet meer herinneren, want toen had de ijlkoorts hem reeds te pakken gehad.
Nu trachtte hij zich op te richten, maar machteloos viel hij terug in het veeren kussen. Doch Lena had met haar scherp gehoor begrepen, wat hij wilde, en zij zeide op hare innemende, bevallige manier: "Is onze patient eindelijk wakker?"
"Ja," zeide hij; "heb ik lang geslapen?"
"Ja, een heele tijd," antwoordde zij op vriendelijken toon.
"Waar ben ik eigentlijk?" vraagde hij met klimmende verbazing.
Zij deelde het hem mede.
"Ge zijt vriendelijke menschen," zeide hij bewogen; "ik ben u veel, veel dank verschuldigd," en hij strekte zijn magere uitgeteerde handen uit.
Doch zij bemerkte dit niet.
"Hebt _gij_ mij opgepast?" vraagde hij.
"Neen," zeide ze, "mijn grootmoeder."
"Kijk, daar hangt mijn roode uniform," riep hij; "daar, tegen den muur."
Het scheen hem goed te doen, dat hij iets bekends zag.
"En mijn helm en mijn sabel! Maar wat hangt daar toch naast?"
"Ik weet het niet," antwoordde zij; "ik kan niet zien."
"Waarom niet?" vraagde hij verwonderd.
"Ik ben blind," antwoordde ze.
"Ach," zeide hij, "blind!"
"Maar moet ge niet wat te eten hebben?" vraagde Lena bezorgd.
"Nu," antwoordde hij met een hongerigen blik uit zijn diepliggende oogen, "ik lust wel wat!"
"Dan zullen wij je helpen," zeide Lena op vroolijken toon, en zij liep voorzichtig de trap af.
Het duurde niet lang, of zij kwam met grootmoeder terug.
Moeder Kloppers had reeds een bord soep meegebracht.
Zij kruiste de armen over elkander en zeide: "Zoo Roodbaatje, begin je honger te krijgen? Daar ben ik blij om. Hier heb ik al wat goeïe kost meegebracht, hoor," en zij stutte het kussen in zijn rug.
En terwijl zij het bord vasthield, greep hij haastig naar den lepel en begon te eten.
Maar zij verwonderde zich zeer, keek hem aan met strakken blik en zeide: "Bid je niet voor den eten?"
"Neen," antwoordde hij verlegen.
"En hebben je ouders je dan geen bidden geleerd?" ging zij voort.
"Ja," zeide hij met klimmende verlegenheid.
"En waarom bid je _nu_ dan niet?" vraagde ze in groote verbazing.
"Ik kan niet meer bidden," zeide hij treurig; "ik heb het verleerd."
"Ach, dat is erg," zuchtte de oude vrouw, en ook Lena zuchtte.
Zij waren beiden bedroefd. Het was, alsof de zon, die pas na een aantal sombere dagen op nieuw begon te schijnen, plotseling door een zwarte, duistere wolk werd onderschept.
Charles Marling _voelde_ die droefheid. Tegen harde, scherpe woorden ware hij bestand geweest, maar tegen deze droefheid had hij geen verweer.
Zwijgend nuttigde hij zijn bord soep en legde zich neder. Ware hij alleen geweest, dan had hij misschien zijn handen gevouwen, om te danken, doch nu wilde hij het niet doen, om den schijn van huichelen te vermijden.
Doch moeder Kloppers en haar kleinkind namen het anders op, en deze dag eindigde recht treurig op "Vredenoord".
En Charles Marling voelde zich diep ongelukkig.
HOOFDSTUK XXVIII. ------
De vreemdeling zit voor den eersten keer onder den lindeboom.
Hij is in gewone Boerenkleeding; in plaats van de roode uniform draagt hij den blauwen kiel.
Zijn wangen staan nog hol, en diep liggen de oogen in hun kassen. Hij heeft veel geleden.
Over zijn moeder heeft hij na zijn ijlen niet meer gesproken. Trouwens hij spreekt zoo weinig mogelijk.
Het beste kan het de blinde Lena nog met hem vinden.
Hij is ongelukkig door zijn verleden, en zij door hare blindheid -- dat schijnt onbewust een geheimzinnigen band te vormen.
Droomend gaat zijn blik over den tuin en den boomgaard, over de golvende maïsvelden en de groene, schemerende heuvelen aan den horizon.
Liefelijk strekt zich het landschap met zijn tallooze bloemen uit voor zijn blik, maar zijn oog glijdt er onverschillig over heen.
Zijn geest is er niet bij. Zijn geest staart op zijn vervlogen leven -- een diep treurig, verloren leven.
En op den achtergrond ziet hij een treurende, schreiende weduwe, die haar zoon beweent -- en die zoon is _hij_.
Lena zet zich in zijn nabijheid neder. Hier, in de schaduw, heerscht een aangename koelte. Daar binnen, in huis, is het heet.
"Wij zijn beiden ongelukkig," zegt hij na een langdurig zwijgen.
"Dat _gij_ ongelukkig zijt," zegt zij, "vermoed ik, maar dat blindheid een vreeselijk ongeluk is, dat _weet_ ik."
"Zijt ge blind geboren?" vraagt hij met eenige belangstelling.
"Neen," antwoordt ze, "maar ik heb een ziekte op mijn oogen gekregen, en zoo ben ik blind geworden."
"Kreegt ge de ziekte op beide oogen tegelijk?"
"Neen," zegt ze; "ze ging over van het ééne oog op het andere."
"En hoe lang is dat geleden?" vraagt hij met ongewone belangstelling.
Zij deelt hem het verloop der ziekte mede.
"En heeft uw familie nooit een bekwamen oogarts geraadpleegd?" vorscht hij.
"Neen," antwoordt het eenvoudige meisje; "hoe heeft ze dat gekund? Wij leven hier in zeer bewogen tijden, en dan komt er niets van."
"Maar zou ik dan nog genezen kunnen worden?" vraagt zij met blijde verrassing in haar stem.
"Ik weet niet," zegt hij, "maar ik heb er wel eens van gehoord. In Londen -- daar zou 't misschien gaan."
"Daar zal ik nooit komen," zegt zij treurig.
"Ik denk het ook niet," zegt hij, en hij haalt de schouders op.
Er volgt een langdurige pauze.
Een groote Ulmer dog komt met langzame schreden aanloopen, en vleit zich neder aan de voeten van zijn meesteres.
Van de groote duiventil achter het huis klinkt het gekir der duiven, en in den bloementuin gonzen de bijen.
Charles Marling wendt zich op nieuw tot het meisje, maar zij kijkt hem verwonderd aan, want zij begrijpt zijn spraakzaamheid niet.
"Ik ben ongelukkig," zegt hij; "ongelukkiger dan gij."
"Dat weet ik niet," zegt ze.
"Veronderstel eens, dat ge je moeder op het hart hebt getrapt, is dat niet erger dan blindheid?" vraagt hij.
"Ja," zegt ze, terwijl zich hare glanslooze oogen op hem richten, "dat is erger."
"En hebt gij dat gedaan?" vraagt ze op ernstigen toon.
"Ja," zegt hij, "dat heb ik gedaan."
En nu komt het er uit, wat hem foltert dag en nacht: in eens, plotseling, hartstochtelijk, als een opschuimende fontein. Hij vertelt, hoeveel smart hij zijn moeder heeft veroorzaakt, en hoe hij met allen godsdienst als het grootste struikelblok tot het ware geluk heeft gebroken.
Hij verhaalt van het bittere hartzeer, dat zijn moeder om zijnentwil heeft gevoeld, en van den wreeden spot, waarmede hij haar laatste vermaningen heeft aangehoord. Hij tracht zich niet te verschoonen, maar schijnt er behoefte aan te hebben, om ten minste aan één mensch in de wijde schepping te laten zien, welk een verworpeling hij is.
"'t Is verschrikkelijk," roept zij uit.
Zij rilt er van, maar aan een plotselinge ingeving gevolg gevend, zegt zij: "Gij zijt als de verloren zoon in het evangelie -- keer terug naar het Vaderhuis!"
Op den avond van dezen dag knielt in het groote, drukke Londen een eenzame weduwe op haar kamer neder.
Op de tafel ligt een Zuid-Afrikaansche courant, waarin haar zoon onder de vermisten bij het gevecht van Lang-Nek is opgegeven.
Doch in spijt van deze vreeselijke tijding geeft de moederliefde den kamp nog niet op voor het behoud van haar kind.
Zóó sterk is de moederliefde -- zij worstelt tegen den dood.
"Heere," zegt de eenzame weduwe, "red mijn kind, als het nog leeft! Red zijn arme ziel! Hij weet niet, wat hij doet -- red hem uit de strikken van Satan, en breng hem terug als den verloren zoon!"
Dit gebed doet zij elken avond -- ach, den ganschen dag! Het is haar kind, en het _blijft_ haar kind, al is het verdoold op de paden der ongerechtigheid.
Kan een moeder ooit haar kind vergeten?
En ver weg, in de wildernissen van Zuid-Afrika, op een donker dakkamerke van "Vredesoord" buigt een jonge man zijn knieën en roept om genade!
En de engelen leggen het oor te luisteren naar het smeekgebed van een arm, gejaagd menschenhart, en zij nemen reeds de gouden harpen van de marmeren zuilen.
We zijn weer eenige dagen verder.
De slag van den Amajuba is voorbij, en met dankbare blijdschap is het goede nieuws op "Vredenoord" vernomen.
Stil en in zich zelven gekeerd zit Charles Marling op zijn oude plaats onder den lindeboom.
Hij sterkt langzaam aan, en de hoofdwond betert goed.
Hij heeft een Engelsch testament in de hand en leest het met groote aandacht.
_Nog_ is het winter in zijn hart, maar reeds zweven de lentewolken er over heen, die het ijs zullen smelten.
Een groote, diepe droefheid vervult zijn ziel -- ja, het zal lente worden!
De adem van den Eeuwige gaat over dit verloren hart -- zou het daar geen lente worden?
Hij leest de gelijkenis van den verloren zoon.
En hij leest ze nòg eens en nòg eens.
Ach, dat is hij -- trek voor trek!
Maar hij wordt bewaard voor de vertwijfeling, en de ster der hoop beschijnt zijn pad.
"En tot zich zelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger!"
Nu beginnen de lentewolken te druppelen....
Nu zal het ijs gaan smelten...
"Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader! ik heb gezondigd tegen den Hemel en voor u; en ik ben niet meer waardig, uw zoon genaamd te worden; maak mij als éénen van uwe huurlingen!"
Reeds is de zon ondergegaan, en nog altijd zit Charles te peinzen en te lezen. En de tranen biggelen hem over de bleeke wangen.
"Kom, Marling," zegt Lena, die naar buiten komt, "het wordt te koud onder den lindeboom."
Hij gaat naar binnen, als in een droom.
En in dezen nacht look geen slaap zijn oogen. Er was ook geen tijd voor, want hij deed de reis naar zijn vader.
"En opstaande, ging hij naar zijnen vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toeloopende viel hem om zijnen hals en kuste hem."
En toen grepen de engelen in de snaren hunner gouden harpen, want er is bij hen blijdschap over éénen zondaar, die zich bekeert.
En nu was de lente waarlijk gekomen! Het lied van den zangvogel werd gehoord, en de bloesems botten uit. De hemel neigde zich tot de aarde, en weerspiegelde zich in het oog van een zalig menschenkind. Het verloren kind had zijn vader teruggevonden en het eeuwige rustpunt voor zijn hart.
Charles sprak dien morgen weinig, maar de verandering, die bij hem had plaats gehad, blonk uit zijn oog en straalde van zijn gelaat, en openbaarde zich in de teederheid, waarmede hij sprak.
Er was iets grootsch in dit huis geschied, en moeder Kloppers vermoedde het, al wist zij 't niet.
In den loop van den dag verzocht Charles papier en inkt, en schreef een langen brief. En telkens brak hij den brief af, en hier en daar waren de letters uitgewischt, en dat kwam van de tranen, die op het papier nedervielen.
Dezen brief sloot hij in een couvert, en adresseerde hem aan een weduwe in Londen.
En deze weduwe was zijn moeder.
HOOFDSTUK XXIX. ------
Weduwe Marling houdt een brief in de hand.
Reeds het adres is voor haar een verkwikking, want het is de hand van Charles.
Dus hij leeft nog! En hij denkt aan haar!
Nu opent zij met een kloppend hart het couvert, en ze is blijde verwonderd, zoo'n langen, langen brief te ontvangen.
De inkt is wel wat bleek, en de pen schijnt niet van het beste soort te zijn geweest, doch dat hindert niet. Een lange brief is een bewijs van een warm hart.
En nu zet de weduwe zich neder en begint te lezen.
"_Innig geliefde Moeder!_"
Zie, zóó heeft hij in langen tijd niet geschreven. De aanhef was gewoonlijk koeler, harder.
"Dit is nu de eerste brief, dien Gij, lieve Moeder, in langen tijd van mij ontvangt, en ik ben diep bedroefd, dat ik zoo'n trouw moederhart zooveel pijn heb veroorzaakt."
_Is_ deze brief van Charles?
Ja, 't _is_ zijn brief, 't _is_ zijn hand.
"Ik hoop, dat de Heere mij in het leven moge sparen, om ten minste eenigszins uwe liefde te vergelden, waar gij om mij zooveel harteleed hebt doorgestaan."
De weduwe leest door -- in wondere, blijde verbazing -- maar de letters beginnen te dansen voor haar oogen -- zij kan niet verder.
Het geluk is te groot, om het in eens te vatten.
Hier staat zij voor een buitengewone gebedsverhooring, en slechts aarzelend durft zij aan die verhooring te gelooven.
Doch er is geen twijfel aan; het is geen droom. En is de brief nat gemaakt door de tranen van haar kind, tranen van berouw, nu vallen er de tranen op van de moeder, tranen van overstroomende blijdschap.
Het wordt licht in haar woning; het wordt licht in haar hart.
Zij begeeft zich naar het raam.
Het gewoel der wereldstad dreunt en dondert onder haar vensters voorbij, en duizenden menschen dwarrelen dooréén, haastig en gejaagd, ieder naar zijn doel.
Ach, zij zou nu al die menschen wel bij elkander willen vergaderen, ja heel Londen, en tot hen roepen: "Zie, mijn kind was dood en het leeft; het was verloren en het is gevonden -- weest nu blijde met mij!"
Veel smart, veel bitter zielewee heeft haar jongste zoon, haar Charles haar veroorzaakt, maar deze korte oogenblikken van zaligheid wegen er tegen op, en maken alles, _alles_ goed!
Zij wil de menschen deelgenoot maken van haar vreugde, en zou zij haar _God_ niet danken?
Op gebogen knieën dankt zij hem....
Nu neemt zij weer den brief ter hand, en met groote kalmte leest zij hem ten voeten uit.
"Als Eduard komt," zegt zij, "wat zal hij zich verblijden!" Eduard is haar oudste zoon -- zij heeft slechts twee kinderen -- en heeft gestudeerd voor arts. Hij heeft zijn doctoraal examen met lof afgelegd, en staat thans op het punt, zich te vestigen als arts in de oogheelkunde, waarvan hij een bizondere studie heeft gemaakt.
Hij zou zich reeds hebben gevestigd, doch daar zijn moeder in ruimere financiëele condities is gekomen, kan hij zich de weelde veroorloven, om zich in de kliniek voor zijn ernstige taak voor te bereiden.
Hij is ook heden morgen naar de kliniek gegaan, doch daar hoort zijn moeder reeds zijn welbekenden stap, de trappen op.
Ge kunt wel zien, dat hij een broeder van Charles is, doch hij is iets langer, heeft een donkerder opslag, en uit dat bleek gelaat staren twee donkere oogen.
Heel zijn houding verraadt den man van studie en wetenschap.
Verwonderd staart hij zijn moeder aan, want het stildroevig gelaat, dat hij zooveel jaren heeft gekend, heeft plaats gemaakt voor een gezicht, waarop blijde ontroering ligt.
"Wat is 't, moeder?" vraagt hij belangstellend.
"Lees maar, mijn jongen," zegt ze, en ze reikt, terwijl haar de tranen op nieuw in de oogen komen, aan Eduard den brief.
Eduard is niet als zijn moeder.
Hij is een man van zelf beheersching, en bedaard leest hij den brief. Maar toch beeft zijn stem, als hij zegt: "Moeder, moeder, wat een geluk!"
Hij leest den brief nog eens, langzamer dan zooeven.
"En hebt ge wel gelezen, dat hij wegens zwakte nog niet kan komen, en dat hij wenscht, dat wij hem zullen halen?" vraagt Eduard.
Zijn moeder knikt bevestigend.
"En dan heeft hij het over een blind meisje, uit eene familie, die hem van den dood heeft gered, zooals hij schrijft, en nu moet ik het meisje genezen."
"Kan dat?" vraagt zijn moeder met spanning; "zou dat kunnen, Eduard?"
"Het is mogelijk," antwoordt hij. "Wel te verstaan," laat hij er bedachtzaam op volgen, "als Charles zich niet vergist, en door een ziekte een verduistering van het hoornvlies is ontstaan. Dat _kan_ genezen. Verleden week heb ik nog zelf in de kliniek een operatie bij een dergelijke oogziekte met het beste resultaat uitgevoerd."
"Dan gaan wij er heen," zegt de weduwe op beslisten toon.
"Ik vind het uitstekend, moeder!"
"En gij moet dat kind zien te redden. Ik ben aan die familie -- hoe heeten ze ook nog!"
"De familie Kloppers," zegt hij.
"Juist; ik ben aan die familie Kloppers mijn leven lang de grootste dankbaarheid verschuldigd."
"Dus wij gaan, moeder?"
"Wij gaan, zoo God wil. Zoo'n zeereisje zal u ook goed doen, Eduard; dan hebt ge eenige ontspanning."
"Uitstekend," zegt hij, en hij wrijft zich vergenoegd de handen, "uitstekend! Maar is zoo'n zeereis voor u niet bezwarend?"
"Een echte Engelsche vrouw heeft de zee lief, want daar ligt onze kracht!"
"En ik verlang er naar," roept hij uit, "om den oceaan eens te zien in zijn majesteit en heerlijkheid!"
"En wanneer zullen we gaan, moeder?"
"Hoe eerder, hoe liever; ik verlang naar mijn kind. De vrede is gesloten -- laat ons over acht dagen gaan!"
"Over acht dagen, dat kan niet," lacht hij; "maar over veertien dagen, dat zou gaan!"
"Wel nu, dan over veertien dagen," zegt de energieke vrouw, "maar zeker niet later."
"Goed; ik zal straks bij het kantoor der Donald Currie-lijn aangaan, om voorloopige informaties te nemen, doch ik wacht eerst nog op Henri Stephens, met wien ik even naar het Park wilde wandelen."
Hij neemt den brief, die op de tafel ligt, nog eens ter hand.
"Is het u niet opgevallen, moeder, welk een gunstig getuigenis Charles aflegt van de Transvaalsche Boeren?"
"Ja," zegt ze; "hij dweept letterlijk met de Boeren."
"Hij is dan ook al bij bizonder hartelijke menschen aangeland," meent Eduard.
"Hij legt in elk geval een gunstiger getuigenis af van de Boeren, dan wij hier in de pers te lezen krijgen," zegt zij met eenigen klem.
"Ik heb reeds lang aan de waarheid van die couranten-berichten getwijfeld," zegt hij, "maar verleden week heb ik een lijvige brochure gelezen, waarin duidelijk en zakelijk wordt aangetoond, dat de Boeren gruwelijk zijn belasterd."
"Ik heb hart voor de Boeren," zegt de weduwe; "zij hebben mijn kind van den dood gered."
"Maar als zij uw kind, in de vijandelijke uniform, van den dood redden, dan zijn het niet de duivels, waarvoor zij worden uitgekreten," zegt hij met nadruk.
Onder dit gesprek is Henri Stephens, de vriend van Eduard en eveneens wordend arts, binnen gekomen.
"Wat een druk gesprek wordt hier gehouden," zegt hij met opgewekte stem.
"Ik heb zoo even een brief ontvangen van Charles," zegt de weduwe op levendigen toon, "en hij maakt het uitstekend."
"Kom aan, dat doet me pleizier," zegt Henri; "hij had licht op den Amajuba kunnen blijven."
"Hij werd bij Lang-Nek zwaar gewond," zegt Eduard, "en is toen in de handen der Boeren gevallen."
"In de handen der Boeren!" zegt Henri; "dan ben je ook voor je pleizier uit!"
"Zij hebben Charles verpleegd als hun eigen kind," zegt de weduwe met warmte.
"Dat gaat mijn verstand te boven," zegt hij schouderophalend.
"En van den dood gered," voegt de weduwe er aan toe, "dat zult ge nog minder kunnen begrijpen?"
"Inderdaad, Mevrouw," zegt Henri, "dat begrijp ik nog minder."
"En waarom begrijpt ge dat niet?" vraagt Eduard, terwijl hij zijn vriend met zijn donkere oogen vorschend aankijkt.
"Omdat het toch bekend genoeg is, dat de Boeren niet deugen," zegt Henri.
"Ja, bekend genoeg -- maar is het waar?" vraagt Eduard met eenigen nadruk.
"Natuurlijk is het waar," antwoordt de aangesprokene eenigszins uit de hoogte.
"Maar laten wij daar nu niet verder op ingaan," zegt hij vriendelijker; "je broer is er goed afgekomen, en dat is de hoofdzaak. Ik ben er blij om en feliciteer je er mee."
Hij reikt Eduard en diens moeder de hand, die hartelijk wordt aanvaard.
"Doch ik moet toch nog even op de Boeren terug komen," zegt Eduard op bedaarden toon. "Ik laat ze maar zoo niet afmaken zonder bewijzen. Dat er onder de Boeren schurftige schapen loopen, dat kan wel waar zijn --"
"Dat denk ik ook wel," roept Henri er tusschen in met schamperen lach.
"Maar onder ons volk loopen ook schurftige schapen," gaat Eduard voort. "Doch dat het vòlk niet deugt, voor die bewering moet je bewijzen hebben, Henri. En naar die bewijzen ben ik toch nieuwsgierig."
"Nu, ik heb ze," antwoordt Henri met nadruk. "En nu gij er mij toe dwingt, om er over te spreken, ga ik nog wat verder. Ik heb zoo even beweerd, dat de Boeren niet deugen, maar ik heb me niet sterk genoeg uitgedrukt. Het zijn _beulen_ en _dieven_; zij _mishandelen_ de Kaffers en _stelen_ hun vee; zij _schenden_ de Kaffervrouwen en jagen ze dan de woestijn in. _Dat_ zijn jou lieve Boertjes!"
"Mijnheer Stephens," zegt de weduwe met verontwaardiging in haar stem, "zulke taal duld ik niet in mijn huis."
"Mevrouw," antwoordt Henri op beleefden toon, "het spijt mij zelf, doch uw zoon heeft er mij toe genoodzaakt."
"Breng mij bewijzen," zegt Eduard, met moeite zijn zelfbeheersching bewarend -- "bewijzen!"
"Ik heb ze," tart Henri.
"Dr. Philip?" vraagt Eduard op minachtenden toon.
"Neen, niet Dr. Philip," antwoordt de aangesprokene, "ofschoon Dr. Philip alleszins een geloofwaardige getuige is. Maar ik zal een onwraakbaren getuige oproepen, een man, met wien gij altijd hebt gedweept; een man, die meer voor de Kaffers heeft gedaan dan al de Boeren te samen. Ik bedoel Dr. Livingstone. Ge wilt bewijzen? Hier heb ik een boek van Livingstone, dat over de Transvaalsche Boeren handelt -- hier!" 1)
Hij haalt het boek uit den zak.
"Ik ken het," zegt Eduard; "'t is zonder toestemming van Livingstone na zijn dood uitgegeven."
"Dat zegt niets," beweert Henri.
Hij slaat het boek op.
"Lees hier: _De van Riebeek 2) beginselen bestaan daarin_ _dat men zonder gewetenswroeging de inboorlingen van land en vee en vrijheid kan berooven. Uit het journaal van dezen zelfden van Riebeek blijkt, dat in zijn persoon vereenigd waren de invoering van het christendom plus een beginsel, rijk in tranen en rouw en weedom. Wij zien den apostel 'van vrede op aarde, en welbehagen in menschen' onmachtig, om zijne hongerige ziel in toom te houden bij het gezicht van het vee der Hottentotten, in de nabijheid der forten grazende... De kerk der Boeren is en is altijd geweest het groote bolwerk van slavernij, veediefstallen en strooptochten tegen de Kaffers. De kerk sloot de oogen, als het vee van Kaffers, Boschjesmannen en Hottentotten werd gestolen, hun bloed als water werd uitgegoten, hunne vrouwen werden verkracht, en hunne kinderen tot slaven werden gemaakt_."
"Zijt ge _nu_ overtuigd, Eduard?" vroeg Henri.
"Ik vraag _bewijzen_," zegt Eduard.
"Wel nu, is _Livingstone_ nog niet voldoende?" vraagt Henri met bevreemding.
"Neen, Livingstone is me _zeker_ niet voldoende," zegt Eduard. "Hij blijft voor mij een der grootste zendelingen onder de heidenen, die ooit hebben geleefd, maar hij was een feilbaar en lichtgeloovig mensch. Hij spreekt van het journaal van van Riebeek, doch dit journaal rept met geen woord van dat monsterachtig beginsel, waarvan Livingstone spreekt. Hij heeft over de Boeren geschreven, zonder hun taal te kennen, zonder hun zeden te verstaan, zonder hun geschiedenis te begrijpen. Waarschijnlijk heeft hij ter kwader ure zijn oor geleend aan den één of anderen Boerenhater, en met zijn eerbiedwaardigen naam -- ter goeder trouw, doch met groote lichtvaardigheid! -- den afschuwelijksten laster gedekt. En zijn vrienden hebben op die lichtvaardigheid de kroon gezet, door het schotschrift, dat hij misschien voor het vuur had bestemd, in druk te laten verschijnen."
"Ik vraag bewijzen, bewijzen!" gaat hij voort met klimmenden nadruk, "geef mij _een_ bewijs, het _kleinste_ bewijs, maar ge kunt het niet, omdat alles leugen en laster is, van a tot z."