De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81

Part 18

Chapter 183,786 wordsPublic domain

De Boeren breken thans het gevecht af, en in zegepraal keeren zij naar hun lagers terug.

En op de hoogten en langs de hellingen van den Amajuba-berg liggen, bleek en stom, de wakkere Bergschotten, en _nooit_ zullen zij hun geliefde hooglanden terugzien!

Het Engelsche dagblad "Witness" ontving van haar correspondent over het gevecht van den Amajuba het volgend telegram:

"27 Februari _half drie uur_ n. m. Onze manschappen met groot verlies aan beide zijden van den berg verjaagd. Vele officieren, eenigen van hoogen rang, gedood en gewond.

_Drie uur_. Onze manschappen, die vrij kwamen, worden op slechts honderd geschat. De Boeren vielen den berg viermaal aan, en spanden de wagens in, gereed om weg te rijden, toen onze troepen genoodzaakt waren, terug te trekken, aangezien er niet voldoende reserve-ammunitie was medegenomen. Al de gewonden komen. Men zegt, dat generaal Colley dood is. Het verlies van de Engelschen driehonderd ten volle; het verlies der Boeren naar het schijnt gering. Al de stafofficieren zijn gebleven. Het regent sterk. De gewonden lijden zwaar. Er wordt een aanval op het kamp verwacht. Latere berichten bevestigen den dood van generaal Colley; op het einde van het gevecht werd hij door het hoofd geschoten. De soldaten van het 60ste regiment schijnen goed in het kamp teruggekomen zijn, maar de Hooglanders en de manschappen van het 68ste zijn meest allen gedood. Toen de soldaten geen ammunitie meer hadden, hebben zij de Boeren met steenen geworpen, maar eindelijk werden zij toch overmeesterd. Generaal Wood vertrekt uit Maritsburg, om dadelijk het opperbevel over te nemen."

Dat geen ammunitiegebrek, zooals in het aangehaalde telegram wordt beweerd, de oorzaak der verpletterende nederlaag was, blijkt duidelijk uit het feit, dat de Boeren nà den slag nog een groote hoeveelheid Engelsche patronen buit maakten, doch de Engelschen begrepen niet, hoe zoo'n nederlaag anders mogelijk was.

De dappere Ferreira begreep het echter wel.

"Ik moet bekennen," meldde hij in zijn rapport, "dat _wij_ de Engelschen niet geslagen hebben, maar _God de Heere_.

Het was voor menschen onmogelijk. En dan maar één man aan onzen kant te verliezen! Dus geen eer aan menschen; aan onzen grooten Generaal hier boven komt de eer toe!"

In dienzelfden geest luidde het rapport van den Generaal-kommandant.

En als een waardig slot verscheen van de regeering de volgende schoone, tot het hart sprekende dagorder:

"Heidelberg, Gouvernementshuis, 7 Maart 1881.

Aan den Kommandant-Generaal, de Kommandanten, Officieren en Burgers in het Transvaalsche Lager bij de Drakensbergen.

Mannen, Broeders! -- Ons hart dringt ons, u een woord toe te spreken. Wij weten, dat de geheele Zuid-Afrikaansche Republiek met eerbied en dank naar u opziet. Wij roemen niet in kracht van menschen. Het is God de Heere, Die u heeft geholpen; het is de God onzer vaderen, tot Wien wij nu vier jaren lang om redding hebben gesmeekt en gebeden. Hij heeft groote dingen aan ons gedaan en onze gebeden verhoord.

En gij, edele en moedige broeders, zijt in Zijne hand het middel geweest, om ons te redden; uw moed en dapperheid hebben aan die machtige mogendheid, welke ons zoo onrechtvaardig aanvalt, getoond, dat zelfs het zwakste volk, dat voor zijn vrijheid vecht, in staat is, wonderen van dapperheid te verrichten.

Drie maal nu, op Lang-Nek, op Schuinshoogte en op den Spitskop (Amajuba) hebt gij met uw klein vuur een overmachtigen vijand staande gehouden en verslagen. Geen kanonnen, geen verraderlijke en afschuwelijke vuurpijlen hebben u afgeschrikt.

Uw Kommandant-Generaal schrijft, niet sprekende van zich zelf, (hij is te edel, om zich zelf te roemen), neen, sprekende van officieren en zeer jonge krijgslieden: "Mijne achting voor hen is groot; hun naam behoeft in heldenmoed niet onder te doen voor een Wellington of een Napoleon. Wij zeggen het Z.Ed.Gestrenge na, maar maken het algemeen, van den Kommandant-Generaal tot elken Burger, die streed: Wij danken u; gij hebt veel aan het vaderland verdiend!

Houdt vol tot het einde toe! Die God, Die het hart der koningen leidt als waterbeken, zal ons verlossen -- vertrouwt op Hem!

_De Regeering der Zuid-Afrikaansche Republiek._ W. EDUARD BOK, S. J. P. KRUGER, _Staats-Secretaris_. _Vice-President_"

1) Thans Regeerings-Commissaris der Transvaalsche sporen.

HOOFDSTUK XXV. ------

Het was de Boeren tot nog toe wonderlijk meegeloopen. Bij het begin van den veldtocht hadden zij aan alles gebrek, en geen ammunitie genoeg, om een gevecht eenige uren vol te houden, en nu heerschte er in de Boerenlagers overvloed aan ammunitie, levensmiddelen en kleedingstukken, alles op den Engelschman buit gemaakt.

Doch ook de burgers, die thuis waren gebleven, zaten niet stil. Jan Ferreira van Gatsrand maakte een groote hoeveelheid kruit, waarvan de kwaliteit zeer werd geroemd, en patronen, die met het Engelsche fabrikaat konden concurreeren, terwijl de smid H. Ras te Rustenburg van wagenbandijzer een kanon smeedde, dat goed schoot, en vervolgens aan een rifle-kanon begon.

Intusschen kwam er een formeele wapenstilstand tot stand, en vele harten smeekten tot God om een eervollen vrede. Met bekwamen spoed werden ook de vredesonderhandelingen aangeknoopt, doch er kwam een plotselinge stremming, daar Engeland eischen stelde, die de Transvaalsche regeering onmogelijk kon inwilligen.

Op nieuw verduisterden de oorlogswolken de lucht.

"Dat houd ik niet langer uit," zeide Lodewijk Jansen, terwijl hij zijn forsche wenkbrauwen fronsde; "de Engelsche staatslui zullen ons te glad af zijn in de politiek, en wij liggen hier werkeloos in ons lager. Laten wij den stier bij de horens grijpen, en het Engelsche kamp bestormen!"

"Dat is goed gezegd," riepen een aantal Boeren, die in de nabijheid stonden.

"Wie doet er mee?" vraagde Jansen op luiden toon.

"Wij! En wij! En wij!" klonk het in het rond.

"En _ik_ wil niet de laatste zijn!" zeide de jonge Jan Kloppers, terwijl zijn blauwe oogen begonnen te schitteren van geestdrift.

"En gij?" vraagden de Boeren, zich tot zijn vader wendend.

"Me dunkt," zeide de grijze voortrekker, "dat mijn hand nog sterk genoeg is, om den Engelschen standaard naar beneden te rukken!"

"Hoera!" riepen de Boeren.

"Maar laten wij niet vooruit loopen op den gang der onderhandelingen," voegde hij er aan toe op bedachtzamen toon; "onze voormannen hebben getoond, goed en bloed over te hebben voor ons volk, en wij mogen hun plannen niet doorkruisen."

"Dat is een verstandig woord," zeide Lodewijk Jansen, "maar geeft generaal Wood ons de onafhankelijkheid niet terug, dan zullen wij stormen, niet waar mannen?"

"Ja," riepen ze, "dan zullen wij het Engelsche kamp bestormen!"

"Want wij zijn voor generaal Wood evenmin bang als voor generaal Colley," zeide de jonge Kloppers.

"Laten wij het elkander als mannen beloven," zeide Jansen, de krachtvolle Voortrekker, "met woord en handslag -- houw en trouw in nood en dood! In den strijd voor vrijheid en recht!"

Toen beloofden zij het elkander bij woord en handslag. Maar de Transvaalsche regeering ontwierp met het oog op den dreigenden toestand eene nieuwe proklamatie, die bij het ontbranden van een nieuwen oorlog onder de Hollandsche Afrikaanders van de Kaapkolonie en van Natal zou worden verspreid.

Het is de zoogenaamde "Derde Proklamatie"; zij tintelde van ernst, gloed en verontwaardiging.

Zonder twijfel zou deze proklamatie bij de spanning, die er heerschte in de Afrikaansche gemoederen, heel Zuid-Afrika in vuur en vlam hebben gezet. En President Brand, de even schrandere als voorzichtige President van den Oranje-Vrijstaat, van wien het gevleugelde woord afkomstig is: "Alles komt terecht," stelde, van den inhoud der proklamatie op de hoogte gesteld en zich volkomen bewust van het hoogernstige van den toestand, alle middelen in het werk, om nog tot een vreedzaam vergelijk te komen.

HOOFDSTUK XXVI. ------

In den morgen van den 15den Maart verscheen Paul Kruger in het Boerenlager van het Drakengebergte.

Het was een heerlijke morgen; de zon scheen aan den onbewolkten hemel, en alles beloofde een schitterenden zomerdag.

Achthonderd Boeren gingen Kruger als een eerewacht tegemoet.

In de linkerhand hielden zij den teugel, en in de rechterhand, rustend op de rechter dij, het geweer.

In onberispelijke orde trok de eerewacht, met de oude Boerenvlag voorop, de hoogte op tot vóór de groote generaalstent van den Kommandant-Generaal. De vierkleur wapperde in den frisschen noordewind zoo vroolijk, alsof zij van zelf tegen de hoogte zou opgaan, en de damp uit de neuzen der paarden was duidelijk zichtbaar.

Nu werd halt gehouden, en Paul Kruger nam, op een verhooging plaats nemende, onder eene ademlooze stilte het woord.

"Mannen, Broeders," zeide hij met bewogen stem, "ik ben zoo recht verwonderd en verbaasd over de trouw, standvastigheid en geestkracht, waarmede gij burgers zijt bezield geweest. Voorts vermaan ik u, om toch steeds op God te vertrouwen, en te erkennen en te weten, dat God met ons werkt. Niet door onze dapperheid of kracht hebben wij dezen wonderbaren strijd gewonnen, maar wij moeten het erkennen, dat het de Heere was, Die voor ons heeft gestreden. En nu moedig ik u aan, om niet bij dat erkennen te blijven staan, maar alles aan den Heere over te geven, al uwe bekommernissen voor de toekomst Hem op te dragen, en aan Hem uwe geloften te betalen."

Op een wenk van den spreker nam nu Ds. Ackerman het woord, die de Boeren opriep, met hem in te stemmen in den kreet: "God zegene onze Republiek!"

Tot drie keeren toe werd de kreet vol geestdrift herhaald, en op den uitdrukkelijken wensch van Piet Joubert werd er met niet minder warmte, tot drie malen toe, aan toegevoegd: "God zegene geheel Zuid-Afrika!"

Nu wendde zich de Kommandant-Generaal tot de burgers, dankte hen voor hun vaderlandsliefde, en verzocht hen, zich thans van de generaalstent te verwijderen, daar de voormannen nog een zwaren en hoogst verantwoordelijken arbeid voor zich hadden.

Zonder morren trokken zich de Boeren onmiddellijk terug. Halverwege tusschen het Engelsche en het Boeren-kamp stond de groote tent, waar de vredesonderhandelingen werden gevoerd.

Het Engelsche gouvernement was vertegenwoordigd door generaal Wood en vier leden van zijn staf; het Transvaalsche gouvernement door de leden van het driemanschap: Paul Kruger, Piet Joubert en M. J. Pretorius, alsmede door een viertal aanzienlijke burgers, terwijl president Brand als vriend van beide partijen aan de beraadslagingen deel nam.

De conferentiën duurden van 16 tot 23 Maart, en dank zij de gematigdheid der Transvaalsche voormannen, het beleid van president Brand en de ontegenzeggelijk milde houding der Engelsche regeering, werden tot blijdschap van alle voor de Boeren kloppende harten, de onderhandelingen met een gunstig gevolg bekroond en in den avond van den 23sten Maart 1881 de vrede gesloten.

Het Transvaalsche volk herkreeg de zoo vurig begeerde staatkundige vrijheid, doch Engeland bedong voor zich het laatste woord, zoo de Zuid-Afrikaansche Republiek betrekkingen wilde aanknoopen met het buitenland.

Dus verkregen de Boeren niet alles, wat zij wenschten, maar toch _dat_, waarvoor zij hun _bloed_ hadden gestort, namelijk volkomen onafhankelijkheid in eigen huishouding, en de oude Dirk Kloppers zeide, met het oog op het jonge Transvaal, op vroolijken toon: "Er moet later voor de jongeren ook nog wat werk aan den winkel blijven."

"Al de lagers worden opgebroken, de wagens ingespannen, en de Burgers verschijnen te tien uur marschvaardig vóór de groote generaalstent van den Opperbevelhebber!"

Met deze order worden de Boeren in den vroegen morgen van den volgenden dag, Woensdag 24 Maart, verrast.

Intusschen zijn Roos, Malan en Ferreira, de drie wakkere aanvoerders bij de bestorming van den Amajuba, boven op den kop van den berg verschenen, waar zij volgens afspraak den opperbevelhebber van het Engelsche leger, generaal Wood, met zijn staf ontvangen.

De generaal bezoekt de plek, waar de Bergschotten werden vernietigd, en vraagt eenige inlichtingen omtrent het verloop van het gevecht, die hem bereidwillig worden verstrekt.

Zoo daalt men neder van den hoogen berg en begeeft zich naar de generaalstent van Piet Joubert, terwijl de weg daarheen, aan beide zijden drie dicht aaneengesloten rijen diep, is afgezet door 2500 Boeren te paard in hun gewone velduitrusting: de gevulde bandelier over de borst, en het geweer rustend op de rechter dij.

Paul Kruger bevindt zich in de tent, doch generaal Joubert staat vóór de tent, om den hoogen bezoeker te ontvangen.

Met ernstige blikken nemen de Boeren over de koppen van hun paarden den Engelschen generaal op, van wiens beleid en onverschrokkenheid zij reeds zooveel hebben gehoord. Maar hij wandelt met zijn schitterenden staf van officieren tusschen hun rijen door, en ontbloot zijn hoofd voor de dappere wacht van het Drakengebergte.

Vóór de generaalstent wordt hij ontvangen door Piet Joubert, en beide bevelhebbers drukken elkander welgemeend en oprecht de hand.

Nu monstert Wood de Boerentroepen, en vorschend gaat zijn blik over die gelederen, waar hij naast den baardeloozen jongeling den grijsaard ziet, tot zijn oog blijft hangen aan een jongen, die, met den gevulden bandelier over de borst en het geweer in de hand, dicht in zijn nabijheid staat.

Hij wendt zich tot den jongen, en vraagt hem naar zijn ouderdom.

"Dertien jaar, baas," antwoordt de jongen.

Hij verwondert zich over dien jeugdigen leeftijd.

Nu neemt hij het geweer en den bandelier van den jongen, weegt het te samen op zijn handen en verwondert zich nog sterker.

"Is dat geweer je niet te zwaar, ventje?" vraagt hij op vriendelijken toon.

"Niks te zwaar," antwoordt de jongen; "ik kan er de Roodbaatjes zoo lekker mee schieten."

"Pas op!" zegt de generaal, en hij heft den vinger schertsend omhoog, "weet jij wel, dat ik ook een Roodbaatje ben?"

"Ik weet het," antwoordt de jongen; "doch wees maar gerust, baas, ik zal je nou geen kwaad doen, want het is vrede."

"Kom, dat is eene heele troost voor mij," lacht de generaal, en hij reikt den jongen op de hem eigen innemende manier de hand.

Intusschen is er in de generaalstent een koud middagmaal gereed gemaakt, en de tafel is versierd met ruikers van prachtige gele en roode bloemen, langs de hellingen van den Amajuba geplukt. Hier vereenigen zich de gasten, terwijl Paul Kruger en Piet Joubert de gastheeren zijn.

Er heerscht aan tafel een prettige, gezellige toon, en snel is een uur verstreken. Nu neemt generaal Wood met zijn officieren een hartelijk afscheid, en vertrekt, door een eeregeleide der Boeren een eind weegs vergezeld, terug naar zijn kamp.

Maar Kruger, Joubert en Pretorius, de leden van het driemanschap, wenden zich tot hun volk, danken hen voor de onvergetelijke diensten, in bange uren aan het vaderland bewezen, prijzen hun moed en hun lijdzaamheid in de moeilijkste omstandigheden, herinneren hen aan de weldadigheden des Heeren en de treffende gebedsverhooringen, en vermanen hen, om God de eere te geven der zegepraal, en met een vast voornemen des harten te wandelen in Zijne inzettingen.

En nu is het oogenblik van vertrekken aangebroken.

Het Boeren-kommando zal, na een veldtocht van drie maanden, huiswaarts keeren.

Reeds staan de wagens in drie rijen naast elkander gereed om te vertrekken.

De jukken stootten tegen de harde hoornen der trekossen, de lange zweepen klieven de lucht, de stijgbeugels rammelen, luide klinken de kommando's, de ossen buigen den sterken nek, en knarsend, krakend en stampend zetten zich de tweehonderd zeventig ossenwagens in beweging.

De wagens vormen de voorhoede, en achter hen aan komen, in gesloten gelederen, op hun vlugge, taaie, trappelende paarden, de helden van Bronkhorstspruit en Lang-Nek, van Schuinshoogte en Amajuba.

Zij trekken voort zonder geschal of rumoer; kalm, bedaard en ernstig. Maar in hun oogen blinkt ingehouden, mannelijke vreugde, en de blanke loop hunner geweren schittert in de namiddagzon.

En boven op een berghoogte staat, in den kring zijner officieren, de opperbevelhebber van het Engelsche leger.

Hij leunt op zijn sabel, en hij oogt de vertrekkende Boerenkrijgers na.

En zij heffen het moedige psalmlied aan:

"Als God mijn schild en hulp wil wezen, Wat zou een nietig mensch mij doen?"

En de wind neemt de toonen op van het lied, en draagt het tot de berghoogte, waar hij staat, de dappere generaal Wood.

En zijn gelaat neemt een peinzende houding aan, en niemand zijner officieren spreekt een woord.

Maar als de stofwolken in de verte oprijzen, en ros en ruiter voor zijn oogen verdwenen zijn, wendt hij zich tot zijn staf en zegt, de handen naar het noorden uitstrekkend: "Mijne Heeren, daar gaan de helden van Zuid-Afrika!"

En hij knoopt den rooden wapenrok dicht, want het begint koeler te worden, en zwijgend keert hij met zijn staf naar het Engelsche kamp terug. En de passen van het Drakengebergte, de poorten der Transvaal liggen eenzaam en verlaten.... En de trouwe wacht van het Drakengebergte spoedt huiswaarts, naar vrouwen en kinderen, want geen vijand bedreigt meer de poorten des lands....

HOOFDSTUK XXVII. ------

Wij hebben den gewonden Engelschen infanterist Charles Marling, in den avond van den 28sten Januari onder de hoede van Dirk Kloppers in een wagen van gekwetsten bij den Lang-Nek achtergelaten.

De wagen was den volgenden dag noordwaarts getrokken de Transvaal in, om de gewonden zoo mogelijk bij de hunnen terug te brengen.

Eén der geblesseerden behoorde thuis in de buurt van "Vredenoord", en dit had Dirk Kloppers doen besluiten, om den gewonden soldaat aan zijn vrouw ter verpleging te zenden.

Hij had er een brief bijgevoegd, dien de voerman af zou geven, en waarin met betrekking tot den gekwetste het volgende stond te lezen:

.... "Gisteren avond vonden wij een Roodbaatje, die in het gevecht een kogelwond aan het hoofd heeft gekregen, en die door bloedverlies bewusteloos was geworden. Wij hadden hem wel naar het Engelsche kamp kunnen zenden, maar ik denk, dat die kogelwond een langdurige en zorgvuldige verpleging zal noodzakelijk maken, en ik vrees, dat de Engelsche dokters, die de handen meer dan vol hebben, daaraan niet zullen kunnen beantwoorden. En daarom zend ik het Roodbaatje aan jou, Anneke!

Hier kwam van morgen een erg geleerd man in ons lager en zeide: "Wat ben jullie Boeren toch rare menschen! Eerst schiet je de Engelschen zooveel mogelijk dood, en later, als het gevecht over is, doet ge je best, om de Engelschen, die nog niet heelemaal dood zijn, met kunst- en vliegwerk op te knappen. Dat begrijpt ik niet!" Maar je broer Lodewijk antwoordde hem: 'Jij bent te geleerd, om dat te begrijpen, mijnheer, en daarom moet je maar in je eigen sop gaar kooken!'

Dus denk maar goed om het gekwetste Roodbaatje, lieve vrouw, en wij willen hopen, dat hij moge genezen, en nog tot iets beters moge worden opgeleid dan tot het dooden van menschen, wier eenige misdaad het is, dat zij geen onderdanen willen zijn van de Engelsche koningin!"

De brief bereikte even als de wagen met den gekwetste de oude vrouw Kloppers, en terwijl zij zich verblijdde over het goede nieuws, dat de brief bevatte, verwonderde zij zich toch over het gewonde Roodbaatje.

Maar zij was een gulle, hartelijke, Afrikaansche vrouw, en zij zeide: "Wat mijn baas doet, is nog altijd goed uitgekomen." En zij spoedde zich naar den ossenwagen, en haar hart werd vervuld met medelijden, toen zij in het holle gelaat van den gewonde staarde. Snel riep zij eenige Kaffers, die den gekwetste voorzichtig naar boven droegen, en in het kamerke van Jan, in de bruine houten bedstede, werd hij op een zacht, veeren bed behoedzaam neergelegd.

Vrouw Kloppers onderzocht nu de wond, bette ze zorgvuldig met versch koud water, belegde ze met linnen pluksel en legde een nieuw, stevig verband.

Zij deed dit met vlugge, vaardige hand, zooals een huismoeder het heeft geleerd, die haar gansche leven heeft geworsteld met de gevaren en de wisselvalligheden der Afrikaansche wildernis.

Intusschen had zij één der Kaffermeiden reeds gelast, om een krachtige bouillon gereed te maken, doch de gewonde staarde haar aan, met den koortsgloed in de oogen.

Hij wierp zich rusteloos van de ééne zijde op de andere; hij was inderdaad zeer ziek.

Met een ernstig gelaat zette zich moeder Kloppers bij den vreemdeling neer, en het bord bouillon, dat de Kaffermeid bracht, schoof zij zwijgend ter zijde.

Zij deed zelfs geen poging, om den zieke te doen eten, doch nu en dan verkwikte zij zijn brandende lippen met een teug water.

Het werd namiddag -- zij zat nog bij de ziekensponde. Het werd avond -- zij zat er nog.

Zij liet zich het eten boven brengen, en op een fluisterende vraag van haar kleindochter Lena antwoordde zij: "Hij krijgt een harde koorts; ik blijf van nacht bij hem op."

En zij deed het.

Bij het sobere licht eener brandende vetkaars hield zij den ganschen nacht de wacht, en met de liefde en het geduld der echte ziekenverpleegster lette zij op de geringste beweging van den koortslijder.

Maar de koorts klom, en die ingevallen kaken begonnen te gloeien met een bedriegelijk rood. Zijn onrust nam toe, en het scheen, alsof zijn geest, door furiën werd voortgezweept.

Onophoudelijk wendde zich zijne blik naar het houten beschot aan zijn voeten, en het scheen, alsof hij daar schrikwekkende visioenen zag. Maar plotseling kon die angst en vertwijfeling, die hem bezielde, overgaan in een groote diepe droefheid, en de toon, waarop hij in die oogenblikken uitriep: "Mijn arme moeder, wat is er van uw kind geworden!" had iets onbeschrijfelijk treurigs.

"Als hij maar tot rust konde komen!" zuchtte moeder Kloppers, terwijl zij den zieke koude compressen met water op het hoofd legde, maar ach! daar haperde het aan!

Tegen den nanacht nam het ijlen nog toe, en de verpleegster had handen vol werk, om den koortslijder in bed te houden.

"Nog één zoo'n koorts, en hij is weg," steunde zij, en zijn beurtelings geroep om zijn moeder deed de teederste snaren trillen van haar eigen moederhart.

Zij was diep bewogen en wischte het klamme zweet van zijn gelaat.

En zij knielde vóór de bruine bedstede neder, smeekte dringend en ernstig om de genezing van dezen vijand van haar volk.

En God verhoorde dat gebed.

Plotseling vloog hij overeind, en de koorts schudde hem als een espenblad.

Toen viel hij machteloos neer en sloot de oogen.

Moeder Kloppers voelde in ongewone spanning zijn pols, en langzaam verhelderde zich haar gelaat.

"Er komt hoop!" fluisterde zij tot zich zelven, en luisterend zette zij zich aan het hoofdeinde neder.

De vreemdeling lag daar als een schijndoode; dat deed de uitputting. Men kon nauwelijks merken, dat hij ademhaalde, maar moeder Kloppers zeide: "Hij slaapt, en die slaap zal hem genezen."

Zij kortte haar nachtrust in, om zooveel mogelijk haar tijd den koortslijder te kunnen wijden. Zij vermaande hare huisgenooten tot de grootste stilte, en gaf in alles het goede voorbeeld. Telkens moest zij denken aan die arme moeder in het verre Engeland, van wie hij had gesproken in zijn ijlen, en een groot en diep medelijden vatte post in haar hart. Zij bevochtigde nu en dan zijn heete, verschroeide lippen met eenige druppels wijn, en op de geringste zijner bewegingen lettend, zat zij daar aan zijn ziekensponde als zijn goede engel.

Twee keeren sloeg hij even de oogen op, doch om ze onmiddellijk weer te sluiten.

Eenige dagen later, op zekeren namiddag, toen het bedrijf de afwezigheid van moeder Kloppers noodzakelijk maakte, had Lena de plaats van haar grootmoeder ingenomen.

Zij was in haar handwerk en in haar gedachten verdiept, en zij merkte het niet, dat de zieke haar reeds eenige minuten met groote, verwonderde oogen lag aan te staren.