De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81
Part 17
Eindelijk was het doel van den tocht bereikt; daar lag de Amajuba, twee duizend voet hoog. De platte kruin teekende zich duidelijk af tegen den nachtelijken hemel in het schijnsel der maan, die rechts aan den hemel, boven het rustende Boerenlager, stond.
De berg liep steil op, oogenschijnlijk nòg steiler aan den Engelschen kant dan aan dien der Boeren.
De troepen marcheerden tot op het punt, waar de eigenlijke kegel van den berg begon, en de steilte der helling den verderen marsch der kavallerie verhinderde.
Twee compagniën infanterie, alsmede de huzaren en dragonders, te zamen 300 man, werden hier als reserve achtergelaten, en 400 man met twintig officieren, allen flinke, stevige, dappere kerels, een echte keurbende, zouden nu den berg beklimmen.
Generaal Colley wierp den mantel af, legde den bergstok neer, en een rotsblok boven hem grijpend, riep hij met moedige stem: "Voorwaarts, mannen!"
Het was een hard stuk werk; het verband was onmiddellijk verbroken,
Nu eens verdwijnend in de diepe, donkere kloven, dan weer optornend tegen de bijna loodrechte rotswanden, kwam men langzaam voorwaarts.
De Schotten, aan het klimmen in hun hooglanden gewoon, hadden hier al hun behendigheid noodig, en waar het niet anders ging, klauterde men over de schouders der makkers als ratten omhoog.
Moeilijker nog was de taak der marinesoldaten, die het Gatling-kanon naar boven moesten sjoppen. Zij spanden zich vóór den vuurmond, en hun forsche gestalten bogen zich onder de haast bovenmenschelijke inspanningen als taaie zweepstokken.
Zij grepen met hun sterke vuisten in de spaken, en lichtten het kanon van het affuit. Tappelings liep hun het zweet van het gelaat, doch aan alles is een grens, ook aan de menschelijke spierkracht. Het was onmogelijk, om het geschut naar boven te krijgen, en de generaal gaf bevel, de vruchtelooze pogingen te staken.
Zonder kanon volgden de marine-soldaten de infanterie.
Middernacht was nu al lang voorbij.
Het werd morgen.
Het licht van maan en sterren verbleekte, en langs den Oostelijken horizon begon de gouden ochtendschemering aan te breken.
Met gespannen gelaatstrekken volgden de achtergebleven Engelschen met hun oogen de klauterende kameraden.
De voorsten geleken op een hoop kruipende mieren, en hadden bijna den rand van den bergtop bereikt.
"Zij zullen er spoedig zijn," meende een dragonder met een paar groote, roode knevels.
"Dat denk ik ook," zeide een huzaar met een leuk en vroolijk gezicht.
"Nu zal de oorlog snel afgeloopen zijn," hernam de dragonder.
"Zoo?" zeide de vroolijke huzaar; "dat is jammer; ik had de Boeren nog zoo graag eens een beetje schrik op het lijf gejaagd."
"Ge zijt hier pas, kameraad?" vraagde de dragonder.
"Geen twaalf uur geleden zijn wij in het kamp aangekomen. Zoo kersversch uit Afghanistan, waar wij de spitse kegelhoeden der gele Afghanen met onze sabels hebben terecht gezet, hè Jim?"
"Of we," zeide de aangesprokene lachend; "wat konden die Afghanen loopen! De Boeren kunnen misschien hard loopen, maar harder dan die Afghanen met hun woestijnvoeten kunnen zij het toch niet."
Nu mengde zich een jong korporaal der infanterie met een schrander en ernstig gelaat in het gesprek.
"De Boeren loopen niet hard," zeide hij.
"Omdat wij hen daartoe misschien niet hebben uitgenoodigd," meende de vroolijke huzaar.
"Wij hebben hen meer dan eens uitgenoodigd," zeide de infanterist.
"Ze hebben ons in Natal verteld," zeide de huzaar, "dat de Boeren zoo goed kunnen schieten?"
"Dat kunnen ze in de perfectie," antwoordde de korporaal.
"Ik heb de gevechten bij den Lang-Nek en te Schuinshoogte bijgewoond, en we hebben er leelijk van langs gehad."
"Van daag halen wij de schade in," meende de dragonder.
"Dat zit nog," zeide de infanterist, terwijl hij nadenkend naar de hoogte tuurde.
"Denk je dan, dat de onzen er niet komen zullen, boven op den bergtop?" vraagde de huzaar.
"Daar twijfel ik niet aan," antwoordde de korporaal, "maar het is de vraag, of wij den bergtop _houden_ zullen."
Maar deze opmerking wekte niets dan verwondering en gelach.
Zelfs Jim, die dood bedaard een stuk pruimtabak tusschen zijn zwarte kiezen knauwde, spuwde van verbazing uit, en zeide met een schamperen lach: "Heb je nou ooit zoo'n onzin gehoord!"
Doch onze infanterist was niet zoo spoedig uit het veld geslagen.
"Ik zeg je," zeide hij, en hij keek met zijn schrandere oogen naar den bergtop, "die positie daar is te hoog, om goed verdedigd te kunnen worden, en onze reserve hier is te ver af, om een ongeluk te kunnen voorkomen."
"Dat is iets nieuws," zeide de dragonder, die tegenover de pas aangekomen huzaren toch wilde toonen, dat hij er ook iets meer van wist dan een gewoon mensch.
"Als hij voor de onzen te hoog is," ging hij voort, "dan is hij voor de Boeren toch zeker te hoog."
"Neen," zeide de infanterist, en hij schudde het hoofd, "de berg is voor de Boeren _niet_ te hoog. Zij zullen, gedekt door rotsblokken en struiken, den bergtop bestormen, en onze krijgsmacht weg schieten als den vogel van zijn nest."
"Dat wordt bepaald vermakelijk," riep de dragonder, terwijl hij zelfbewust aan zijn roode knevels draaide. "Ge denkt, kameraad, dat de onzen zich als op een presenteerblaadje door de Boeren zullen laten doodschieten, maar zulke lammeren zijn onze Hooglanders niet. Trouwens de Boeren zullen niet eens een aanval op den Amajuba durven ondernemen. Zij kunnen goed schieten, dat is waar, en zij zijn flink in de verdediging, maar om een aanval te wagen -- daar hebben zij een broertje aan dood."
"En waarom zullen zij niet aanvallen?" vraagde de infanterist.
"Omdat," zeide de dragonder, "ze niet één keer ons kamp hebben aangevallen, dat toch gemakkelijker te nemen was dan de Amajuba. Bovendien, 't is heel verstandig van de Boeren, dat zij den storm niet wagen. Immers onze troepen zullen den Amajubatop binnen een paar uur in een vesting met stevige klipwallen hebben herschapen, en de _Boeren_ zouden de lammeren worden, die zich weerloos konden laten doodschieten."
"Ik moet ook zeggen," zeide de huzaar, "dat de gedachten van onzen dragonder mij juister toeschijnen dan die van u, korporaal."
"Nu de toekomst zal het uitwijzen," antwoordde deze bedaard.
"Dat is goed gezegd," hernam de dragonder, "en de toekomst _zal_ het uitwijzen, dat generaal Colley met zijn stafofficieren geen kinderen zijn! Komt, jongens, wij zullen eens drinken op den goeden uitslag," en onze vier militairen namen ieder voor de kou een slok rum uit de veldflesch.
Vastberaden zetten de Engelschen de beklimming voort; rusteloos werken zij opwaarts. De vlugge Schotsche Hooglanders zijn de anderen wijd voor, en klauteren als klipgeiten de hoogte op. De hellingen zijn bedekt met kruipende, loopende, springende, zich omhoog hijschende menschen, doch met een luid hoera hebben de Schotten thans, over den bergrand heen, den platten kruin bereikt. Zij reiken hun kameraden, die nog beneden zijn, de hand, nemen hun geweren en ransels over, en trekken hen onder een vroolijk gelach naar boven.
Zóó is het doel van den tocht bereikt, en generaal Colley heeft met zijn troepen den Amajuba, den trotschen berg, die als een reus tusschen de andere bergtoppen uitsteekt, bezet.
Juist gaat de zon in het Oosten op, en liefelijker Zondagmorgen is nog nooit op de bergen en dalen van het Drakengebergte neergedaald.
Tien duizenden bloemen langs de hellingen van den berg beuren hunne met dauw gedrenkte kelken opwaarts, en schitteren als diamanten tusschen het groen. Groote scharen duiven drijven op blanke wieken door het onmetelijk luchtruim; prachtige vlinders klapwieken met hun rijk gekleurde vleugels, en de nijvere bij vliegt van bloem tot bloem, was en honig verzamelend.
Tusschen de boschjes in golven de maïsvelden in de morgenkoelte, en ver, ver weg blinken stroomen en schemeren wouden, en boven die wouden legeren zich de morgenwolken in wonderbaren vrede....
Generaal Colley laat onmiddellijk de overal rond liggende klipsteenen tot wallen opstapelen, waarachter zijn soldaten veilig zullen zijn, mòchten de Boeren een aanval wagen.
Hij zorgt er voor, dat in die wallen behoorlijke schietgaten worden gelaten, en eerst nadat dit alles is verricht, geeft hij als een voorzichtig veldheer aan de zijnen verlof, een stevig ontbijt te gebruiken.
Doch hij gunt zich zelf geen tijd voor het ontbijt, want het machtig gevoel der zegepraal doortintelt zijn borst.
Daar, dáár beneden, letterlijk aan zijn voeten ligt het kamp der Boeren -- het pleit is gewonnen! Hersteld is zijn eer!
Over vier dagen zal generaal Wood komen.
Hij zal tot hem zeggen: "Generaal Wood, wat komt ge doen? Er is geen Boer meer in de passen van het Drakengebergte."
Dat hij zijn eer heeft bezoedeld door vóór den afloop van den wapenstilstand onzijdig gebied te bezetten, hij denkt er niet aan. Dat hij _trouwbreuk_ heeft bedreven, 't komt niet in hem op.
Neen, hij geniet de zegepraal. Een glimlach van voldoening ligt op zijn gebruind gelaat. En terwijl zijn oog zich verlustigt in het gezicht van het Boerenkamp, daar diep beneden, ademt hij met volle teugen de hooge berglucht in.
Daar vallen twee, drie schoten.
Het zijn schoten, door zijn volk op een paar schildwachten der Boeren afgegeven.
Het is geschied tègen het bevel van den generaal. Er komt een rimpel op zijn voorhoofd. Er _behoeft_ immers niet geschoten te worden; de bloote aanblik van den door Engelsche troepen bezetten Amajuba zal de Boeren doen inzien, dat zij _verloren_ zijn.
Maar zijn voorhoofd effent zich weer, en met groote belangstelling neemt hij waar, hoe het in het lager der Boeren levendig wordt. Het is, alsof de voet van een mensch tegen een groot mierennest heeft aangestooten: zoo woelt en gonst het door elkander.
Eén oogenblik schijnt er een zekere spanning in zijn gelaat te komen, maar zijn oog wordt weer helder.
Hij ziet, hoe de Boeren in grooten haast hun ossenwagens inspannen.
"Goed zoo," mompelt hij, "goed zoo! Zij gaan naar huis -- de passen van het Drakengebergte zijn de mijne!"
Hij wendt zich naar het oosten, en werpt een blik naar de zon. Zij bestraalt een zelfbewust en vroolijk menschengelaat.
Doch lang voor de zon op dezen dag haar vlammende gloriebaan heeft afgeloopen, zal de levenszon van generaal Colley zijn ondergegaan.
Bij een sober lamplicht zit Piet Joubert, de Kommandant-Generaal, in zijn tent een rapport te schrijven.
Het begint nu licht te worden, en hij blaast de lamp uit.
Hij heeft den ganschen nacht gewerkt, en de oogen doen hem zeer. Hij is blij, dat het rapport af is; hij heeft behoefte aan rust.
Daar komt een ruiter aangereden, alsof de dood hem op de hielen zit. Hij houdt het dampende paard vóór de tent van den opperbevelhebber stil. Onwillig kijkt deze op, maar de ruiter rapporteert: "De Engelschen hebben van nacht den Amajuba bezet, en op onzen schildwacht, die aan den noordelijken voet van den berg was uitgezet, geschoten."
Verbaasd springt Joubert van zijn veldstoel op. Hij snelt de tent uit, werpt een blik naar den Amajuba, alarmeert het lager en roept tot de eerste afdeeling Boeren, die hij ontmoet: "De Engelschman is op den Amajuba, en jullie moet er hem afhalen."
Daar de andere stellingen niet verzwakt mogen worden, zijn er niet meer dan hoogstens 150 man beschikbaar, die onder aanvoering van den wakkeren generaal Nikolaas Smit en onder de leiding der veldkornetten Stephanus Roos, Joachim Ferreira en D. J. K. Malan te ongeveer negen uur 's morgens de bestorming ondernemen.
Onder het vuur van den vijand bereiken de dapperen een diepe kloof, waar zij, onder de beschutting van een overhangenden bergrand, hun paarden achterlaten.
En nu begint de eigentlijke, gedenkwaardige bestorming, die in een zegepraal of in den dood moet eindigen.
"Zouden zij 't werkelijk aandurven?" vraagt een lange officier der Schotsche Hooglanders aan zijn sergeant.
"Ze zijn gek, als ze 't doen," zegt de sergeant; "ze loopen in den muil van het verderf."
"Gek zijn ze niet," zegt de lange officier; "kijk maar -- ze weten meesterlijk partij te trekken van de boschjes en de vooruitspringende rotsen."
"Maar zij komen niet meer te voorschijn," lacht de sergeant; "ze durven voòruit noch àchteruit; zij zitten in de klem."
"Toch niet," zegt de officier; "je vergist je leelijk. Kijk, daar komt weer een groep Boeren te voorschijn."
"Waar?" vraagt de sergeant.
"Wel dáár, waar ik met den vinger heenwijs. Nu zitten ze weer achter een struik," zegt de officier.
"Ze schuwen het daglicht, ze werken als de vleermuizen," zegt de sergeant minachtend.
"Ik denk, dat die vleermuizen ons nog werk zullen geven," zegt de officier.
Intusschen klimmen de Boeren in de gloeiende zonnehitte onophoudelijk voorwaarts. Zij versmachten van dorst, en telkens worden ze met een hagelbui van kogels begroet, maar ze geven 't niet op. Zij klauteren als klipbokken tegen de helling op; zij hangen tegen de rotswanden aan, alsof zij er een deel van uitmaken.
Nu bereiken zij een zeker punt, waar zij gedekt zijn voor het vijandelijk vuur.
Hier worden de krachten verzameld en de dorst gelescht, want het zwaarste stuk werk komt nog aan. Ook worden de Boerenkrijgers thans in drie afdeelingen gesplitst: Malan neemt den linkervleugel, Ferreira den rechter en Roos het centrum.
Roos zegt: "Onze God zal ons helpen, en wij zullen den kop nemen."
"Amen!" antwoorden de eenvoudige Boeren, en zij stormen voorwaarts.
De lange luitenant der Schotsche Hooglanders ziet hen naderen.
"Vuur!" kommandeert hij, "vuur!"
De kogels fluiten de Boeren om de ooren, maar geen oogenblik staken zij den stormloop. Zonder een woord te spreken, de tanden op elkander geklemd, vast besloten, om te overwinnen of te sterven, stormen deze Hollandsche Afrikaanders voorwaarts. Maar God de Almachtige dekt hen met een onzichtbaar schild, en de Engelsche kogels kletteren onschadelijk tegen de grijze klipsteenen.
Onrustig loopt de luitenant heen en weer. Hij vreest dat de Boeren zullen opdringen, en zullen trachten, van dezen kant den berg te beklimmen. Zijn blik zoekt naar hulp, maar de andere troepen hebben eveneens de handen vol werk, en het blijkt, dat de Boeren den berg van drie zijden omsingelen. Slechts de _steilste_ kant, dien de Engelschen, om geen argwaan te wekken, heden nacht moesten nemen, is vrij.
"Wat zeg je nu van de vleermuizen?" vraagt de luitenant aan den sergeant, maar het antwoord wordt den sergeant letterlijk van de lippen weggeschoten, en een kogel doorboort zijn wang. Hij houdt zich vast aan een hoogen klipsteen, en tracht het hevige bloeden te stelpen, maar een tweede kogel vindt hem en strekt hem levenloos neer.
"Zoo gaat het niet," roept de luitenant, "zoo gaat het niet. Kom, jongens, wij zullen een uitval doen, en zien, of de Boeren tegen een hartig Engelsch hoera bestand zijn!"
"Hoera!" roepen de dappere Bergschotten, en zonder aarzelen springen zij hun moedigen aanvoerder na, die met den revolver in de éene, en den sabel in de andere hand, de Boeren tegenstormt.
[Illustratie: Veldkornet Stephanus Roos.]
Twee keeren zwaait hij met zijn wapen; dan valt hij, door een kogel in het hart getroffen, voorover, stort dertig voet de diepte in, en blijft daar, met den wapenrok in het struikgewas vastgehaakt, hangen.
Nu ontzinkt den Bergschotten de moed. Zij vluchten en bereiken, deerlijk gehavend, het plateau van den berg.
Eenigszins zijwaarts van een afdeeling Boeren klautert een oude Voortrekker tegen de helling op.
Van elken rotsblok, van het kleinste struikje weet hij partij te trekken. De kranigste jager van het Pruisische leger zou van dezen man nog kunnen leeren, hoe men dekking zoekt. Achter een molshoop zou hij des noods nog gaan schuilen.
Zilveren lokken omgolven zijn verweerd en door de zon verbrand gelaat, maar in zijn blauwe oogen schittert de strijdlust van den jongeling. En heel zijn houding verraadt moed, voorzichtigheid en onverschrokkenheid.
Maar plotseling blijft hij staan, alsof hij in de verte een visioen heeft gezien, om snel achter een hoogen, breeden klipsteen te verdwijnen.
Doch het is geen visioen geweest, maar een mensch van vleesch en bloed -- Kees Botter.
Na den mislukten aanslag op den ouden Kloppers is hij teruggekeerd naar het Engelsche kamp, en even goed bekend met de stellingen der Boeren als met den raadzaamsten weg naar den Amajuba, heeft hij heden nacht de Engelsche troepen als gids gediend.
Ook Kees Botter heeft den ouden Kloppers herkend, en is onmiddellijk achter een klip geschuild.
Hij onderzoekt zijn uitstekend tweeloopsgeweer en brengt het in den aanslag.
Dat het een strijd wordt op leven en dood, begrijpen beiden; slechts een van hen zal de plaats levend verlaten.
In de aderen van Kees Botter gist en gloeit een haat, die geen erbarming kent, doch de grijze Voortrekker beschouwt zich hier als de Overheid, die recht zal doen, en het zwaard niet te vergeefs draagt.
Hij is alleen, doch dat hindert niet.
Zijn zwager Jansen en zijn zoon zijn in het gewoel der bestorming een eind van hem afgeraakt.
Lang blijft het stil achter beide klipsteenen, maar als een tijger ligt de verrader op de loer.
Daar wordt de rechterarm van den ouden Voortrekker plotseling zichtbaar buiten de dekking der klip, doch om pijlsnel weer te verdwijnen.
Rakelings langs de klip fluit Botter's kogel.
Ja, die verrader is een scherpschutter -- wees op uwe hoede, Dirk Kloppers!
Hij _is_ op zijn hoede.
Voorzichtig neemt hij zijn breeden hoed, zet hem op den tromp van zijn geweer, en brengt hem in die positie voorzichtig buiten den klipsteen. Nauwelijks is de hoed echter buiten de dekking der klip, of hij wordt door een kogel doorboord.
"Nu is _mijn_ beurt gekomen," zegt Kloppers, terwijl hij overeind springt. "Hij heeft beide kogels uit zijn tweelooper geschoten, en ik zal er voor zorgen, dat hij hem niet meer laadt."
Vlug snelt hij op den verrader af.
Op tien pas afstands blijft hij staan.
De verrader is juist bezig, op nieuw te laden, doch hij ziet het gevaar en wil vluchten.
Het is te laat.
Hij staart in de oogen van den grijzen Voortrekker; ze zijn hard en onverbiddelijk als het zwaard van een scherprechter.
Hij leest in die oogen zijn doodvonnis.
"Op je knieën, verrader!" roept de Voortrekker.
"Genade!" smeekt Kees Botter. Zijn gezicht is vaal van angst.
"En doe je laatste gebed!" vervolgt de grijsaard.
"Genade!" smeekt de ongelukkige nog eens.
"Genade kan de Heiland bewijzen, Die den moordenaar in zijn laatste stonde verhoorde -- roep tot Hem om genade!" zegt Kloppers.
Smeekend heft de verrader de handen omhoog.
Hij heeft meer dan eens den dood moedig in de oogen gezien; te Lang-Nek, waar een en te Schuinshoogte, waar twee Boerenkogels zijn hoed doorboorden, doch thans doet de vrees voor den dood hem klappertanden.
"Vergeef mij, baas Kloppers!" stamelt hij.
"Ik _wil_ vergeven," antwoordt de oude Voortrekker met bijna plechtige stem; "_vergeven_ wil ik den man, die mijn kleindochter, een ongelukkig, blind kind, met den dood heeft bedreigd; _vergeven_ wil ik den man, die zijn weldoener in spijt van diens grijze haren wilde verminken en met waarlijk satanische boosheid folterde.
[Illustratie: Tweegevecht op den Amajuba. TRESLING & Co. HOF LITH. AMSTERDAM.]
Doch _niet_ vergeven mag ik het verraad, dat gij aan mijn volk, en den moord, dien gij aan Teunis Smit hebt gepleegd. Ik sta hier niet voor u als uws gelijke, Kees Botter, maar als uw meerdere, als uw overheid, die het verraad en den moord moet straffen."
En met de majesteit van den rechter richt hij zich op vóór den verrader.
Botter werpt een blik achterwaarts naar de Engelsche troepen, doch hij ziet duidelijk, dat van dien kant geen hulp is te wachten.
Hij knielt. Hij vouwt de handen en sluit de oogen.
Bidt hij? Of is het slechts een schijnvertooning?
Plotseling snelt hij overeind, en het scherpe dolkmes trekkend, springt hij met de vlugheid van een panter op zijn tegenstander aan. Maar de kogel van Dirk Kloppers vangt hem op, en vlak vóór de voeten van den grijzen Voortrekker stort de verrader, zonder een zucht te slaken, dood neer.
Slechts éénen blik werpt de oude Boer op het lijk. Dan laadt hij op nieuw en snelt voorwaarts, naar den kruin van den berg, want de beslissing nadert.
In zware kruitdampen is de bergtop gehuld.
Reeds lang is de lach verdwenen van Colley's gelaat. Al bezorgder staart zijn oog -- bange voorgevoelens gaan door zijn ziel.
Hij werpt een blik op zijn dappere soldaten -- bij tientallen liggen zij gewond en stervend in 't rond. Door de schietgaten heen heeft de kogel der Boeren hen weten te vinden.
Binnen een half uur, binnen een kwartier kunnen zij boven den rand van den bergtop verschijnen, en dan?
Maar nog éénmaal vermant zich het krijgsmanshart van den moedigen bevelhebber, en terwijl de eerste breede hoeden boven den bergrand verschijnen, kommandeert hij een bajonet aanval.
Op de punt van de bajonet zal hij de vermetelen in de diepte slingeren -- tot op twintig pas naderen de Engelschen hun vijanden, doch dàn moeten zij, om niet geheel vernield te worden, terug.
Reeds nestelen zich de Boeren onder aanvoering van veldkornet Roos _op_ den bergtop achter de klipsteenen; nu verschijnen ook de manschappen van Ferreirra, en aan de andere zijde de manschappen van Malan.
Van drie zijden ziet Colley de Boeren aankomen. Zij gaan van achter de klipsteenen weg, en het open terrein betredend, fluiten hun kogels dicht als hagel over het plateau.
Colley grijpt met de rechterhand den revolver, en de linker hand heft hij omhoog, om den storm te bezweren, die niet te keeren is.
Als rijpe korenaren onder den sikkel van den maaier, zoo vallen de Engelschen.
Er is geen hulp in dezen strijd -- er is geen verweer. God zelf strijdt voor de Boeren, en wie is tegen God bestand?
Colley ziet het ongeluk aankomen, doch hij ziet het te laat. Hij neemt den witten zakdoek uit zijn wapenrok, om hem aan een bajonet te binden, want hij wil zich overgeven. Maar hij bereikt zijn doel niet meer. Door twee kogels tegelijk in het hoofd getroffen, zakt hij doodelijk gewond ineen. Hij legt den zakdoek op een harden klipsteen naast zich; daarop legt de generaal het hoofd.
Die zakdoek is zijn stervenspeluw.
In een wilde vlucht zoeken de Engelschen hun heil. Zij schuiven, springen, storten van hoogten van tien tot twintig, dertig voet naar beneden, scheuren zich het gelaat open aan de scherpe doornstruiken, vallen te pletter tegen de kantige klipsteenen, sneuvelen onder het moordend schot der Boeren...
Achter een klip vinden de Boeren een Engelschman in burgerkleeding. Hij was oorlogscorrespondent van een Engelsch dagblad, en bevend smeekt hij om zijn leven. Maar de Boeren zijn geen beulen, en tegenover een overwonnen vijand zijn zij steeds edelmoedig.
Zij brengen den correspondent bij een gesneuvelden hoofdofficier, dien zij niet kennen.
"Wie is dat?" vragen zij.
"Dat is generaal Colley," zegt de man.
Bij deze mededeeling ontblooten de helden van den Amajuba eerbiedig het hoofd, en scharen zich in een kring om den generaal.
Zoo eenen zij hun dapperen tegenstander, maar de dood van generaal Colley verkondigt aan de geheele wereld, dat het Transvaalsche volk: geen schennende hand aan zijn vrijheden duldt.
Intusschen geeft veldkornet Malan aan den kommandant-generaal bericht, dat een Engelsche reserve de wacht houdt aan den voet van den berg, en de kommandant-Generaal haast zich, een versche afdeeling Boeren onder aanvoering van Jakobus Smit 1) tegen die reserve te laten oprukken.
Maar de Engelschen houden geen stand. De schrik zit er in, en zij vluchten, door de Boeren vervolgd, naar het oude kamp.
Tot op honderdvijftig pas zijn de Boeren nu, onder het onophoudelijk kanonvuur, het kamp genaderd, en zij maken zich gereed, om het te bestormen. Maar plotseling verduistert zich de lucht; zware onweerswolken trekken laag over de bergen, en terwijl het hemelvuur niet meer van de lucht verdwijnt, wordt het gewoel van den strijd door de ratelende donderslagen en den losbarstenden storm overstemd.