De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81
Part 16
Zij konden zien, hoe het platgetrapte gras als een soort voetpad liep tot de voordeur.
"_Daar_ kan hij zijn," zeide Teunis Smit.
Door het struikgewas gedekt, slopen de Boeren nu met koortsachtigen ijver voorwaarts, tot zij recht vóór het linker venster der hut waren.
Ze waren er nu geen twintig pas van verwijderd.
Peinzend streek de leeuwenjager zich over het voorhoofd.
Dat was zoo zijn manier, als hij voor een moeilijke zaak stond, waar hij niet door kon kijken.
"Wij _gissen_ een misdaad, en wij _gissen_ de misdadigers," zeide hij, "maar 't is nog _gissen_. Wij moeten nu _zekerheid_ hebben."
"Laten wij er in eens op losstormen," zeide Jan, die door het pijnlijkste ongeduld werd gefolterd.
Jansen onderzocht het slot van zijn geweer, maar de leeuwenjager schudde het hoofd.
"Houd dit venster in de gaten," zeide hij tot Jan. "Wij zullen den achterkant der hut opnemen."
Met Jansen ging hij nog een twintigtal passen verder; nu waren ze wijd genoeg.
Het bleek nu, dat van af het linker venster wel de voor- doch niet de achterdeur kon worden bereikt. Het achterste gedeelte der hut was namelijk vlak op den rand eener diepe kloof gebouwd, en slechts aan den achterkant, bij de achterdeur, was eenige ruimte gebleven; een smal terras tusschen de hut en den rand der kloof.
Deze kloof werd van een aangrenzende kloof gescheiden door een steilen, smallen, gekloofden rotswand, en deze rotswand liep van het kreupelbosch, waar onze Boeren zich bevonden, in gebogen lijn tot den achterkant der hut.
Nu keerden de leeuwenjager en Jansen terug tot Jan Kloppers, die in heftige opwinding riep: "Ik heb daar juist voor het venster Kees Botter gezien."
"Weet ge 't zeker?" vraagde Jansen met gespannen trekken.
"Ik weet het _zeker_," zeide Jan; "hij had een stang in de hand."
Doch nu was niets meer te zien dan een lichte, rossige gloed, alsof er een groot vuur brandde.
"Dan is de stervende Botter gauw opgeknapt," zeide de leeuwenjager met een schamperen lach, maar hij liet er onmiddellijk opvolgen: "_Nu_ hebben wij zekerheid van het verraad, en al weten wij nog niet, waarin dat verraad bestaat, wij willen onzen slag slaan!"
"Als het maar niet te laat is," steunde Jansen.
Maar Jan zeide geen woord. Hij hing aan de lippen van den ouden Voortrekker.
"Luistert nu goed," zeide de leeuwenjager, "één van u gaat op het venster los, de andere op de voordeur. _Ik_ neem de achterdeur. Als ge den schreeuw van den Makauwvogel hoort, dan eerst, en niet eerder, stormt ge op de hut los. Maar dan ook zoo snel mogelijk -- snel als de wind! Wij willen de schurken overrompelen, en de overrompeling moet volkomen zijn!"
Zijn gedaante scheen grooter te worden onder het spreken; zijn spieren werden strakker. De groote jager was op het spoor van het wild, en het oude vuur sprong uit die staalgrijze oogen.
"Oom, laat _mij_ de rotswand nemen," riep Jan, maar de jager had zijn groote ruiterlaarzen reeds uitgetrokken, en met het geweer over den schouder, spoedde hij naar het klippenpad.
Hij zette er zijn voeten op en schreed er over heen. Wel gaapte aan zijn voet de honderd voet diepe, met harde klipsteenen bezaaide afgrond; wel brokkelde nu en dan een stuk steen onder zijn voeten weg; wel waren er gapingen in den rotswand van drie, vijf voet, maar wat beteekenden die gapingen, die afbrokkelende steenen, die honderd voet diepe afgrond.... voor hem, den grooten Afrikaanschen jager? Was hij niet in de gebergten van 't noorden langs de afgronden heen gegaan, waar in een diepte van twee duizend voet de bergstroom naar beneden dondert? Had hij niet dagenlang gezworven op de koppen der hoogste bergen, op hun ijsvlakten, die nimmer smelten? En had hij den arend niet opgezocht in zijn trotsch nest, op de vooruitstekende rots, hoog boven de wolken, waar eeuwige stilte heerscht?
Hij stapte sneller door; zoo vast, zoo zeker, alsof hij den gewonden buffel naging over de vlakte. Er was geen spoor van vrees, van angst; geen spoor van duizeling. Daar gaapte een kloof van vijf voet breedte vóór zijn voet -- hij sprong er over heen met de vaardigheid van den klipbok. En nu was het klippenpad bijna afgeloopen -- daar ging de achterdeur open, en trad de vreemdeling van heden morgen, de gids, naar buiten.
Beiden herkenden elkander onmiddellijk, en zwijgend greep de gids een langen, zwaren staak, om er den leeuwenjager mee in de diepte te stooten. Deze greep den staak -- de gids liet plotseling los -- de leeuwenjager waggelde op het smal en gevaarlijk pad. Doch snel had hij zijn evenwicht terug, en terwijl de staak naar de diepte rolde, was hij in drie sprongen op het terras, achter de hut.
De gids was van plan geweest, om den leeuwenjager den toegang tot de hut te betwisten, doch toen hij in die van toorn fonkelende oogen staarde, ontzonk hem de moed, en hij keerde zich om, naar de achterdeur. Maar de leeuwenjager, die _nooit_ had misgegrepen, greep ook _dezen_ keer niet mis, en met de woorden: "Verrader, sterf!" slingerde hij hem in den honderd voet diepen afgrond....
Lodewijk Jansen en de jonge Jan hoorden de stem van den leeuwenjager, maar het drama, dat op het terras achter de hut was afgespeeld, hadden zij niet kunnen zien, en onmiddellijk daarop vernamen zij den schorren schreeuw van den Makauwvogel. En terwijl de leeuwenjager de achterdeur binnendrong, zag de zwarte reus, die in de nabijheid van Kees Botter hurkte, het breede gelaat van een Transvaalschen Boer vóór het raam verschijnen. "Wil ik?" vraagde hij, terwijl hij een werpspeer greep, doch vóór zijn baas ja kon zeggen, had reeds de kogel van Lodewijk Jansen gesproken, en zakte de reus met doorschoten borst vlak vóór het raam in één.
Intusschen vloog de voordeur uit haar grendels, en rukte Jansen het raam uit de vermolmde kozijnen.
Dit was alles veel sneller gebeurd, dan ik het hier kan zeggen, doch in het hart van Kees Botter brandde, zelfs in dit hachelijk oogenblik, de wraak met volle kracht. En terwijl zijn Kaffers waren weggestoven als kaf voor den wind, richtte hij zijn tweelooper op zijn gevangene, den ouden Kloppers.
"Past op!" riep de grijze Voortrekker, maar zijn trouwste vriend, de leeuwenjager, waakte. Hij drukte het geweer van den verrader met zijn sterke hand uit de doodelijke richting -- de kogel vloog in het dak -- daar voelde hij een dolkstoot, diep in de borst. En vóór dat Jansen in den rookenden kruitdamp gelegenheid had, om het roer op den moordenaar aan te leggen, en vóór dat Jan, die juist bezig was, het touw door te snijden, waarmede zijn vader was geboeid, gelegenheid had, hem te grijpen, was de verrader reeds door de voordeur ontsnapt.
"Gered!" zeide de leeuwenjager met zwakker wordende stem.
"Gered!" antwoordde Dirk Kloppers.
"Maar tot welken prijs!" voegde hij er aan toe met smartelijk bewogen lippen.
Hij leidde den zwaar gewonde naar een stoel.
"Wil ik de wond onderzoeken?" vraagde Jansen.
De oude Kloppers schudde het hoofd.
Hij onderzocht de wond; het bloed gulste er uit.
Het was een vreeselijke, doodelijke wond.
Hij legde er een verband om.
Dan staarde hij den leeuwenjager in het bleeker wordend gelaat.
"Gered!" zeide hij nog eens, "gered! Doch tot welken prijs!"
En de ijzerharde Voortrekker ging naar buiten en snikte als een kind.
Doch kalmer keerde hij terug.
Zwijgend zaten nu de drie Boeren naast den stervenden leeuwenjager.
"Mijn voorgevoel is uitgekomen," fluisterde hij; "geen macht der wereld had mij kunnen redden!"
"Doch voor _mij_ gaat gij in den dood!" klaagde de oude Kloppers.
"Dat is de liefde, dat de broeder voor den broeder in den dood gaat," fluisterde mild en vriendelijk de leeuwenjager.
"En dat is de _hoogste_ liefde, dat Christus voor zijn vijanden in den dood ging," zeide Kloppers.
"Amen!" fluisterde de leeuwenjager.
Meer zeide hij niet.
De oude Kloppers had nog gaarne iets meer gehoord, maar de leeuwenjager zweeg.
Het werd nu licht in de hut. Dat deed de zon, die door de wolken brak.
Plotseling dacht Dirk Kloppers aan den laatsten wensch van zijn stervenden vriend, dien hij eenige uren geleden had geuit.
Op zijn wenk werd de gewonde voorzichtig met zijn stoel opgenomen, en uit de benauwde lucht der hut naar buiten gedragen, op het terras bij de achterdeur.
"De zon!" riep de leeuwenjager met matte stem, "de zon!"
Er scheen een glimlach op zijn gelaat te komen; zijn stervend oog ging over het landschap, dat zich thans, in den glans der namiddagzon, in wonderbare heerlijkheid voor zijn blik ontplooide.
"Hoe schoon," fluisterde hij, "hoe schoon!"
"Zoo heeft de Heere uw laatsten aardschen wensch vervuld," zeide Dirk Kloppers, "maar Hij kan nog meer geven."
Hij was diep bewogen, de oude Kloppers!
Ach hij had den stervende lief! Hij had hem lief, zooals David Jonathan lief had, en het was de _teederheid_ der liefde, die hem zoo deed spreken.
En de leeuwenjager verstond het woord van zijn ouden vriend, en hij knikte, en hij zeide met nauwelijks hoorbare stem: "Hij kan en zal en wil in nood, zelfs bij het naadren van den dood, volkomen uitkomst geven!"
Toen drukte hij zijn vrienden de handen ten afscheid, doch de hand van Dirk Kloppers hield hij langer vast dan de andere.
En toen vouwde hij de verstijvende handen en sloot de oogen, en biddend bewogen zich zijn lippen. "O Zonne der gerechtigheid!" dat was het laatste woord, dat de omstanders konden verstaan.
En Dirk Kloppers knielde neder op het smalle terras, naast zijn boezemvriend, en bad stil tot zijn God, dat Hij den stervende mocht opnemen in Zijn eeuwig koninkrijk.
En toen hij zijn oogen weer opsloeg, toen had de groote leeuwenjager reeds den geheimzinnigen drempel overschreden van de vallei des doods.
Hij lag met het hoofd achterover, vredig als een kind, dat in slaap is gegaan.
En de wolken hadden zich verdeeld en legerden zich als bergen aan den horizon, en de namiddagzon straalde van den diepblauwen hemel, en het zomerwindje bewoog het loover van het geboomte, en de regendruppels vielen van de bladeren als schitterende parels, en de zangvogels zongen hun liederen....
En Dirk Kloppers en zijn zoon en Lodewijk Jansen stonden bij het lijk van den grooten leeuwenjager en waren diep bedroefd....
't Is twee dagen later; vroeg in den morgen.
Een aantal Boeren staan bij een open graf, gedolven in de schaduw van een bloeienden doornstruik; in een dal van het Drakengebergte.
Niet in Natal, op Engelschen bodem, maar op Transvaalschen grond, waar de oude Boerenvlag wappert, daar zou de leeuwenjager worden begraven.
Zóó heeft Dirk Kloppers het besteld, en zóó geschiedt het thans.
Een ruwe, ongeverfde, houten kist is de laatste woning van den grooten jager. Daar ligt hij, het hoofd iets hooger dan het overige lichaam, met het geweer in den arm, den bandelier om de borst, in volle jagersuitrusting.
En nu wordt de kist voor goed gesloten.
En langzaam en plechtig wordt de houten woning in de koele aarde neergelaten.
En terwijl de frissche morgenwind door zijn grijze lokken gaat, spreekt de oude Dirk Kloppers met zijn heldere, krachtvolle stem: "Mijne vrienden! Wij bewijzen thans aan een man de laatste eer, dien ik lief heb gehad mijn leven lang. Een man koel van blik en kort van taal, maar met een hart vol gulden trouw! Hierin is de liefde, dat de broeder voor den broeder in den dood gaat, en Teunis Smit is voor mij in den dood gegaan. Hij is getrouw bevonden tot in den dood, en wij zullen hem blijven eeren als één der helden van ons volk.
Een ernstig en lichtend voorbeeld heeft hij ons nagelaten van trouwe vriendschap, een spoorslag, om ons leven gering te achten, om dat van onzen broeder te redden.
Mijne vrienden! Teunis Smit is heengegaan, en het is, alsof een stuk van mijn eigen leven daar ligt, op den bodem van het donkere graf. Doch daarom willen wij niet versagen, maar integendeel het hoofd moedig opwaarts heffen, want Christus heeft gezegd: 'Ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven, al ware hij gestorven.' Onze harten zouden bezwijken, als wij niets zagen dan dood en ontbinding, maar God lof! over de donkere graven schemert het morgenrood der eeuwigheid, en _Christenen_ zien elkander _nooit_ voor den laatsten keer!
En zoo nemen wij van u afscheid, Teunis Smit! Gij zijt gevallen, zooals een man valt door de hand der kinderen Belials, maar uw bloed zal gewroken worden!
Rust zacht in dezen grond! Voor den Tranvaalschen grond hebt gij gestreden -- in Transvaalschen grond zult gij rusten! Voor de staatkundige vrijheid van ons volk hebt gij uw leven in de bres gesteld -- moge thans, door Gods ontferming en genade! de hoogste vrijheid uw deel zijn, de Vrijheid der kinderen Gods, die van de banden der zonde voor eeuwig zijn verlost!
En in die hope roepen wij u, onzen vriend en broeder, voor 't laatst: Tot weerziens toe! Tot weerziens in een beter en zaliger land!"
En nu nemen de Boeren hun geweren, en geven een eeresalvo boven het open graf van den grooten leeuwenjager. En de moedige knal hunner geweren breekt zich in een honderdvoudig echo tegen de wanden van het Drakengebergte, en hun paarden rukken driftig aan den teugel, en bijten op de stalen gebitstang. En de Boeren zetten hun geweren neer, en vullen het graf met aarde, en dekken het met harde klipsteenen. En zij zingen nog het roerend schoone psalmvers: "Gelijk het gras in ons kortstondig leven," en dan gaan zij heen.
En de leeuwenjager blijft alleen achter, onder den bloeienden doornstruik.
En het Tamboeki-gras zal boven zijn graf, tusschen de klippen, uitschieten.
En het zal elken winter verdorren, doch uit den ouden wortel zal elke lente weer een nieuwe grasscheut te voorschijn komen.
En de doornstruik zal bloeien, en zijn vrucht zetten, vele jaren lang. En eindelijk zal hij sterven van ouderdom, als geen veldbrand hem vroeger heeft verteerd.
En nieuwe uitspruitsels zullen zijn plaats innemen.
En zoo zal dat voortgaan, om het graf van den grooten leeuwenjager, in onophoudelijke, altoosdurende wisseling.
Maar eens zal die wisseling plotseling staken....
God houdt met Zijn sterke hand de oude wereldklok stil....
Dat is de dag des Heeren.... En het graf, dat altijd nam, zal nu zijn buit terug moeten geven.
En Teunis Smit zal opstaan uit zijn graf, en wij, en alle menschen, om geoordeeld te worden.
1) Lucifers.
HOOFDSTUK XXIV. ------
De dappere Boeren begonnen de aandacht te trekken.
In den Oranje-Vrijstaat heerschte groote opgewondenheid, en de Hollandsche Afrikaanders in de Kaapkolonie juichten bij elke nederlaag, die de Engelsche troepen leden. In het Vlaamsche deel van België werden geestdriftige volksbetoogingen gehouden, en over het oude Holland werd een geest vaardig, die herinnerde aan de schoonste dagen uit ons verleden. En terwijl in Amerika met klimmende bewondering de heldenstrijd van het kleine, Transvaalsche volk werd gadegeslagen, riepen edele mannen in Engeland met al luider stem om staking van den roemloozen oorlog.
In deze omstandigheden waagde Paul Kruger een poging, om tot een eervollen vrede te geraken, door uit het kamp van Lang-Nek, den 12den Februari 1881, het volgende schrijven te richten aan generaal Colley:
"Excellentie, ik heb bevonden, dat wij tegen onzen zin gedwongen zijn in een bloedigen strijd, en dat onze ingenomen posities van dien aard zijn, dat wij niet kunnen ophouden, den eenmaal ingeslagen weg van zelfverdediging te vervolgen, voor zoover onze God ons daartoe de krachten schenkt.
Wij weten het, dat al onze bedoelingen, brieven of wat ook, nog steeds het ware doel hebben gemist, omdat zij verkeerd werden voorgesteld en begrepen door de Regeering en het volk van Engeland. Het is om die reden, dat wij zelfs vreezen, U deze regelen te doen toekomen. Maar Excellentie, ik zou mij niet voor mijn God verantwoord achten, wanneer ik nog niet eenmaal aan u onze meening had bekend gemaakt, wetende, dat het in Uwer Excellentie's macht is, om ons in staat te stellen, van de door ons ingenomen positie terug te komen.
Wij wenschen geen strijd te zoeken met het Engelsche gouvernement, maar kunnen niet anders dan onzen _laatsten_ droppel bloed geven voor ons goed recht, waarvoor elke Engelschman ook het zijne geven zou. Wij weten, dat het edele Engelsche volk, wanneer eenmaal de waarheid en het recht tot hetzelve kan doordringen, aan onze zijde zal staan. Wij zijn zoo sterk in deze overtuiging, dat wij niet zouden schromen het onderzoek eener Koninklijke commissie, die, wij weten het, ons in ons goed recht zal herstellen. En daarom zijn wij bereid, om, wanneer U wilt bevelen, dat Harer Majesteits troepen _dadelijk_ terugtrekken uit ons land, wij aan hen zullen toestaan, met volle eer uit het land te gaan, en wij onze nu ingenomen positie zullen verlaten.
Wordt echter de annexatie volgehouden, en het bloedvergieten door u voortgezet, dan zullen wij ons onder onzen God aan ons lot onderwerpen, en _tot den laatsten man strijden_ tegen het ons aangedane onrecht en geweld, en werpen dan de verantwoordelijkheid van alle ellende, welke het land overkomt, geheel op uwe schouders."
Hierop antwoordde generaal Colley den 21sten Februari als volgt:
"Mijnheer, ik heb de eer, de ontvangst te erkennen van uwen brief van den 12den dezer. In antwoord moet ik u berichten, dat Harer Majesteits Gouvernement bereid is, wanneer de thans tegen Harer Majesteits gezag gewapende Boeren met gewapend verzet ophouden, eene commissie met uitgestrekte volmacht aan te stellen, welke het schema moge ontwikkelen, waarop in Lord Kimberley's telegram van den 8sten dezer gezinspeeld wordt, en aan u is medegedeeld door zijn HoogEd. President Brand. Ik moet er bij voegen, dat wanneer dit voorstel binnen acht en veertig uren aangenomen wordt, _van af de ontvangst van dezen brief_, ik volmacht heb tot staking der vijandelijkheden van onze zijde."
Het telegram van lord Kimberley, waarop in dezen brief wordt gedoeld, bevatte deze zinsnede, "dat Harer Majesteits Gouvernement bereid was, allen mogelijken waarborg te geven met betrekking tot de behandeling der Boeren na hunne onderwerping, en dat zij in geen geval als rebellen zouden worden behandeld, _mits_ zij eerst hun gewapend verzet staakten."
Het schrijven van generaal Colley, dat door een parlementair werd overgebracht naar het Boerenkamp aan den Lang-Nek, werd intusschen doorgezonden naar Heidelberg, den zetel der Boerenregeering, en door Paul Kruger als volgt beantwoord:
"Excellentie, Uw brief van 21 Februari 1881 bereikte mij heden, den 28sten Februari, toen ik van een inspectie naar Heidelberg terugkeerde.
In overleg met de regeeringsleden hier heb ik het genoegen, in mijnen en hunnen naam u mede te deelen, dat wij zeer erkentelijk zijn voor Uwer Excellentie's verklaring in naam van de regeering van Hare Majesteit, dat zij onder zekere voorwaarden genegen is, de vijandelijkheden te staken; dat het ons schijnt, dat nu voor het eerst sedert den ongelukkigen dag der annexatie een kans is ontstaan, om tot een vreedzame schikking te geraken; dat ons hart bloedt over de noodzakelijkheid, om verder bloed te vergieten, zoowel het bloed onzer burgers als dat van uwe dappere soldaten; dat naar onze meening een samenkomst van gecommitteerden van weerszijden misschien spoedig tot een bevredigend resultaat zal leiden, weshalve wij de eer hebben, u voor te stellen, dat door u en ons gecommitteerden zullen worden aangewezen, met behoorlijke en voldoende volmacht, om de hoofdbeginselen van een eervollen vrede vast te stellen en te ratificeeren."
Zoo scheen de zoete hoop, dat de oorlog zonder verder bloedvergieten zou worden beëindigd, in vervulling te gaan. En om de vredesonderhandelingen dan ook niet te belemmeren, gaf Joubert aan den onvermoeider generaal Nicolaas Smit, die opnieuw met zijn wakkere Boeren Natal was binnengetrokken, order, naar het Drakengebergte terug te trekken.
Maar in het binnenste van generaal Colley kookte en giste het. De versterkingstroepen onder generaal Wood waren in aantocht, en dan zou hij het opperbevel aan dezen moeten overgeven. Hij zou geen gelegenheid meer hebben, om de geleden nederlagen goed te maken; hij was een geslagen generaal. Met al zijn kanonnen was hij niet in staat geweest, om de passen van het Drakengebergte te forceeren; die gedachte werd hem onverdragelijk.
Wel bestond er feitelijk wapenstilstand, maar de zucht, om aan den oorlog met éénen slag een einde te maken, was hem te machtig. Hij wilde de Boeren doen gevoelen: Ik ben u de baas -- en in het schenden van den wapenstilstand was hij hun inderdaad de baas.
Het was de 20ste Februari; 's avonds tien uur.
De maan was opgegaan en stond in het eerste kwartier. Vriendelijk blonken de sterren. Het was een milde zomernacht.
Het kamp van generaal Colley bestond uit een vierkante redoute met aarden wallen van zes voet hoogte. Om die wallen was een gracht gegraven.
Er heerschte een zekere spanning in het kamp. De generaal liep met groote stappen, door zijn stafofficieren omringd, tusschen de tenten door.
Hij besprak met hen de bezetting van den Amajuba.
"Als we eerst den Amajuba hebben, dan haalt er ons de duivel niet meer af," zeide een der hoofdofficieren.
"En de Boeren nog minder," lachte een pas aangekomen huzaren-officier.
"En de oorlog is met éénen slag geëindigd," meende de generaal.
Hij nam het horloge en keek naar den tijd.
"Mijne Heeren!" ging hij voort op levendigen toon, "het is tijd; vóór de zon in 't oosten opgaat, moet de trotsche Amajuba de onze zijn -- voorwaarts!"
Hij verwisselde de groote rijlaarzen met lichte bergschoenen en slobkousen, en stak een revolver in den gordel. Over den wapenrok wierp hij den mantel, want het was koel in de frissche nachtlucht, en hij nam een stevigen bergstok, die hem dienstig kon zijn bij het klimmen.
Stil, zwijgend maakten de troepen zich gereed. De paarden werden gezadeld; patronen en levensmiddelen rondgedeeld. Ieder infanterist ontving behalve de gevulde patroontasch nog tachtig patronen, en ieder man ontving voor drie dagen levensmiddelen en rum.
Nu ging de generaal langs de gelederen, monsterde ze met zijn scherpen blik en deelde de troepen in. Slechts een reserve bleef achter ter bewaking van het kamp.
En toen alles gereed was, zeide hij op gedempten toon: "Voorwaarts!"
Zoo zette de expeditie zich in beweging.
De diepste stilte werd in acht genomen. Het spreken was den soldaten verboden; fluisterend werden de kommando's gegeven.
In een grooten, halven cirkel omringden de schildwachten der Boeren in het noorden het kamp der Engelschen, maar hun uittocht geschiedde naar het zuiden en in de volmaaktste orde.
De schildwachten der Boeren merkten niets.
Intusschen werd het gevaar van ontdekking al geringer, en sneller trok de kolonne op haar doel af.
Generaal Colley liep voor aan de spits; met een gids naast zich. Zijn rijpaard werd door een gewoon militair aan den teugel geleid.
Dan volgden de Hooglanders, de Bergschotten, in hunne schilderachtige uniformen; het hoofd gedekt met den witten helm, het witte ledergoed over de roode uniform, gekleed in den geruiten schotschen wapenrok en de witte slobkousen, en de bonte beenbekleedsels onder de stevige, naakte knieën.
Op de Hooglanders volgden de met buksen gewapende marine-soldaten in hun blauwe pijjekkers met een paar stukken veldgeschut, terwijl de achterhoede werd gevormd door een afdeeling huzaren, wier kromme sabels en attila's met zilveren snoeren duidelijk uit kwamen in het heldere maanlicht.
Maar als jagershonden zwermden de dragonders om de voorttrekkende kolonne heen, en met den vinger aan den trekker van den karabijn, onderzochten zij op hun vlugge paarden de golvende vlakten in den omtrek.
Doch er was geen onraad, en zwijgend werd de marsch voortgezet. Geen geluid werd vernomen dan het gedreun der voetstappen, de hoefslag van het paard, het rammelen der sabelscheden tegen de beugels, het kraken en schuiven der ransels en de slaperige kreet van een vogel, die in zijn nachtrust werd gestoord.