De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81

Part 15

Chapter 153,934 wordsPublic domain

Nu konden de Hottentotten het niet langer houden, en de Engelschen en de vrijwilligers evenmin. De vrijwilligers liepen het hardst, en de vijand werd tot op 50 minuten afstands van de stad vervolgd, toen de artillerie van het fort het gevecht opnam, en de Boeren in hun loop stuitte.

Met blijde harten keerden de dappere mannen naar hun kamp terug, den God der heirscharen luide dankende voor de zegepraal.

HOOFDSTUK XXIII. ------

Wij zijn op den terugtocht van het kommando onder generaal Smit.

Het is nacht.

Helder schijnt de maansikkel aan den onbewolkten hemel. De Boeren liggen in groepen, de paardezadels tot hoofdkussens, te slapen aan de windvrije zijde van een met struikgewas begroeide heuvelketen.

Op bepaalde afstanden zijn de schildwachten uitgezet.

Uit het struikgewas, op den heuvel, treedt thans een man te voorschijn.

Behoedzaam klimt hij den heuvel af.

Daar stoot zijn voet tegen een kleinen klipsteen, die naar beneden rolt.

Onbewegelijk blijft hij staan, zich vasthoudend aan de graszoden en zich in de schaduw houdend.

De kleine klipsteen is naar beneden gerold en bleef daar liggen. Het blijft rustig in het kamp.

Nu heeft hij den vlakken grond bereikt.

Hij legt zich op den grond en beweegt zich op handen en voeten voorwaarts.

Thans is hij midden in het slapende kamp.

Hij buigt zich telkens voorover, als een panter, om de gelaatstrekken der slapenden te onderscheiden.

Bij het licht der maan zijn de trekken goed te onderscheiden.

Hij gaat al voort, van groep tot groep. Niet één groep slaat hij over.

Hij sluipt langzaam en voorzichtig voorwaarts; voorzichtig als een sluipmoordenaar.

Inderdaad, er ligt iets angstwekkends in zijn doen.

Daar slaat hij de hand op een voet.

De slaper trekt den voet terug, doet de slaapdronken oogen open en mompelt -- "Karel wat moet je?"

Karel is zijn kameraad, die naast hem ligt.

Maar Karel slaapt.

"Hij heeft mij zeker in den droom met zijn groote laarzen gestooten," zegt de slaapdronken man.

Had hij even in het rond gekeken, dan had hij den nachtwandelaar kunnen zien, dicht aan zijn voeten, plat tegen den grond.

Maar dan nog zou hij geen onraad hebben vermoed, want de onbekende was gekleed als een gewone Afrikaansche Boer, en hij zou hem voor een van zijn slapende kameraden hebben gehouden.

Doch hij kijkt niet eens in het rond. De Boeren hebben den gepasseerden dag een langen, vermoeienden tocht gemaakt en hebben behoefte aan slaap. Onze Boer strekt zich lang uit, en is onmiddellijk weer in diepen slaap.

De nachtwandelaar moet lang zoeken vóór hij het doel van zijn tocht heeft bereikt.

Maar thans schijnt hij dat doel bereikt te hebben.

Bij een kleine groep Boeren houdt hij stil.

De eerste van die slapende groep, die is het al.

Het is Dirk Kloppers.

Er liggen nog een drietal personen dicht in zijn nabijheid: zijn zoon Jan, zijn zwager Lodewijk Jansen en de leeuwenjager.

Maar die moeten het niet zijn.

Dirk Kloppers, die moet het zijn.

De onbekende luikt half zijn oogen en staart op den grijzen voortrekker.

De slaper heeft den rechterarm onder het hoofd geschoven; diep en regelmatig gaat zijn ademhaling.

"Hij is taai," mompelt de bespieder -- "_taai._"

Aan de rechterzijde van den ouden Kloppers ligt diens geweer en bandelier.

De onbekende neemt eerst het geweer.

"Een Henri-Martini," zegt hij met het oog van een kenner; "ik ken het wel."

Hij haalt den scherpen patroon uit het slot, en schuift er een losse patroon voor in de plaats. Dan legt hij het weer op de oude plaats.

Ondertusschen beweegt zich het krachtige lichaam van den ouden man.

De onbekende haalt een breeden dolk uit de leederen schede.

Met een ruk werpt de Voortrekker zich op de andere zijde,

Geen tien seconden later wordt weer zijn diepe, regelmatige ademhaling gehoord.

De bespieder steekt den dolk weer in de schede.

"'t Is beter zóó," mompelt hij.

Nu neemt hij den bandelier en onderzoekt hem nauwkeurig.

"'t Is de zijne," mompelt hij zacht: "daar is het kleine brandvlekje, dat Arie verleden jaar er aan heeft gemaakt met een brandend vuurhoutje." 1)

Hij schuift er de scherpe patronen uit en steekt ze in zijn zak.

Hij heeft er twintig geteld.

Of één en twintig?

Hij twijfelt en telt ze nog eens.

Het waren er toch maar twintig.

Hij vult den bandelier weer met twintig losse patronen.

Nu heeft hij zijn taak volbracht en verwijdert zich langzaam. Maar hij keert nog eens terug en staart nogmaals met half geloken oogen naar den rustig slapenden Voortrekker.

Uit die oogen flikkert een volheid van haat.

En nu gaat hij heen voor goed, houdt zich zooveel mogelijk in de schaduw en beklimt den heuvel.

Nu staat hij in het volle licht der maan.

Gij herkent hem.

Het is Kees Botter.

Het was een droeve, sombere dag, die op den milden zomernacht volgde. De mistwolken trokken laag door de lucht, en er viel een fijne regen.

Het Boerenkommando trok zwijgend voort en hoopte nog van daag te Lang-Nek, in het lager van Joubert, aan te komen.

In de achterhoede bevond zich het gezelschap van Dirk Kloppers. Op een matigen draf avanceerden zij, en de paarden lieten de moede koppen treurig hangen.

"We worden oud," zeide de leeuwenjager tot zijn twee oude wapenbroeders.

"En hoe ouder wij worden, hoe sneller de jaren voorbij schijnen te gaan," meende Jansen.

"En het beste er van is moeite en verdriet," voegde de oude Kloppers er aan toe.

De leeuwenjager staarde naar de verte.

"Dat is lang geleden, dat wij tegen de Matabele-Kaffers hebben gevochten in den Oranje-Vrijstaat," zeide hij.

"'t Was een vreeselijke dag," zeide Jansen, die aan zijn broeder dacht, die toen sneuvelde, maar Kloppers zeide: "God heeft ons toen wonderbaarlijk uitgered!"

Nu begon de leeuwenjager over de Zoeloe-oorlogen te spreken, over den vroegeren oorlog met de Engelschen en den lateren burgeroorlog tusschen de Boeren onderling.

"Ik weet eigenlijk van daag nog niet," zeide Jansen, "waarom wij elkander toen bevochten hebben."

"Gelukkig is er niet veel bloed gestroomd," zeide Kloppers.

"Dat heeft oom Paul gekeerd," meende Jansen, en de beide anderen bevestigden het.

Er volgde eene pauze; Jan reed op zijn moorkop een klein eind voor de anderen heen.

De leeuwenjager begon op nieuw van het verleden.

Hij was heden morgen spraakzaam, buitengewoon spraakzaam, en er lag een weemoedige klank in zijn stem.

Hij scheen er bijzonder vermaak in te scheppen, om de beelden van het verleden, een voor een, nog eens voor zijn geest en voor dien van zijn twee vrienden voorbij te laten gaan.

"Wat is de mensch?" riep hij eindelijk uit. "Hij wordt geboren, worstelt en sterft!"

"Hij begint zijn leven met een kreet," zeide Kloppers, "en hij eindigt het met een snik."

"En wat daartusschen ligt, is een droom," zuchtte de leeuwenjager.

Kloppers keek zijn vriend aan; hij had hem zoo nog nooit hooren spreken.

"Wij gaan naar ons eeuwig huis, Teunis," zeide Kloppers.

De leeuwenjager knikte ernstig.

"En elke dag kan onze laatste zijn," voegde Kloppers er aan toe.

"Van daag is het _mijn_ laatste dag," zeide de leeuwenjager op bedaarden toon, maar zoowel Kloppers als Jansen hielden den teugel van hun paarden in, en keken den spreker aan met verbaasden blik.

"Ge verwondert je over mijn gezegde?" zeide de leeuwenjager; "toch is het zoo."

Lodewijk Jansen schudde den stevigen kop.

"Slechts eens in mijn leven," zeide hij, "heb ik een man ontmoet, die precies sprak als neef Teunis. Hij legde zich te bed en beweerde dat hij niet meer op zou staan. Hij nam afscheid en sloot de oogen. Maar den volgenden morgen -- vooruit, zwarte! -- den volgenden morgen stond hij in blakende gezondheid op. En dat was al heel verstandig -- vooruit dan zwarte! -- want hij heeft nog vijf en twintig jaar geleefd."

Kloppers lachte bij dit verhaal, en de leeuwenjager lachte hartelijk mede.

"Bovendien," zeide Jansen, "niemand weet den dag zijns doods."

"Ik bij voorbeeld, kan eerder sterven dan gij," zeide Kloppers; "we weten het niet. Het is, zooals mijn zwager zegt."

"Er kunnen uitzonderingen plaats vinden," meende de leeuwenjager.

"Hoe weet je dan," vorschte Kloppers, "dat jij van daag zult sterven?"

"Het ligt mij zoo bij," antwoordde de aangesprokene; "het is een voorgevoel."

"Gij zijt toch niet ziek?" vraagde Kloppers, en hij keek zijn wapenbroeder aan met bezorgden blik.

"Zie ik er uit als een zieke?" was de wedervraag van den leeuwenjager.

Neen, hij zag er niet ziek uit. Er zat veerkracht in dat verweerd gelaat.

"Het is toch niet waarschijnlijk, dat wij van daag op de Engelsche troepen zullen stooten," meende Jansen.

"Het behoeft ook geen kogel te zijn, die mijn levensdraad afsnijdt," zeide de leeuwenjager.

"Ik had nog zoo gaarne voor 't laatst van daag de zon gezien," ging hij voort, en hij staarde weemoedig omhoog, in de dichte, grijze mistwolken.

Kloppers noch Jansen wisten, wat zij daarop antwoorden zouden.

Zij vonden de houding van den leeuwenjager raadselachtig; zij begrepen hem niet. Deze hartstochtelijke, krachtige, schijnbaar harde man was nu zacht als een kind.

"Ik heb altijd van de zon gehouden," begon de jager op nieuw; "ik had ze zoo gaarne nog eens gezien!"

"Als zon en maan geen schijnsel meer zullen geven," zeide Kloppers, dan zal de zonne der gerechtigheid nog stralen in onverdoofbaren glans."

"Ja," zeide de leeuwenjager ernstig, en zwijgend zette men den tocht voort. Zijn voorgevoel drukte de anderen neer.

De fijne regen hield aan; zacht druppelde het water van de bladeren der boomen naar beneden, en niets dan een aasvogel verbrak de eentonige stilte door zijn schorren schreeuw. De paarden lieten de moede koppen hangen, en het getrappel der hoeven smoorde in den weeken, papperigen grond.

Juist zouden onze ruiters den weg links inslaan, die zich kronkelde tusschen twee bergen, toen een blanke in snellen draf van rechts kwam aanloopen.

Hij droeg de kleeding van een gewonen boer, zwaaide met zijn armen en riep: "Is baas Kloppers daar?"

De Boeren hielden den teugel van hun paarden in, en wachtten hem op. Maar Jan was reeds den weg links ingeslagen en uit het gezicht.

"Wat moet je?" vraagde Kloppers.

"Ik moet u spreken, baas!"

"Waarover?"

De vreemdeling was nu dicht bij gekomen en zeide, de hand aan den stijgbeugel slaande: "Kees Botter ligt op sterven."

"Kees Botter?" riep Kloppers met verwondering en bevreemding.

"Ja, baas," zeide de vreemdeling; "hij heeft te Schuinshoogte een schot door de longen gekregen en zal 't niet lang meer maken."

Het opkomend wantrouwen bij Kloppers werd door deze opmerking gestild; immers hij had den verrader zelf herkend onder de vijanden op Schuinshoogte.

"En wat zal dat?" vraagde hij.

"Hij heeft mij de boodschap opgedragen," antwoordde de vreemdeling, "u te verzoeken, hem thans, vóór zijn dood, tusschen vier oogen te spreken."

"Waarvoor?" vraagde Kloppers, terwijl het wantrouwen op nieuw bij hem boven kwam.

"Hij wil u om vergiffenis smeeken van wege zijn verraad," zeide de vreemdeling, maar Jansen riep met harde stem: "Laat hij _God_ om vergeving vragen!"

"En dan wil hij," ging de vreemdeling voort, "om zijn verraad zooveel mogelijk goed te maken, aan baas Kloppers belangrijke mededeelingen doen omtrent de Engelsche posities."

"Waar is hij?" vraagde Kloppers.

De vreemdeling wees met de hand in de richting, van waar hij gekomen was.

"Ginds," zeide hij, "achter dat kreupelbosch ligt hij in een hut. Wij hebben hem daar heen gedragen na het ongeval te Schuinshoogte."

Dit klonk alles waarschijnlijk; immers Schuinshoogte was nu niet ver meer af.

"Maar waarom liet de Engelsche spion zich niet door den Engelschen dokter verbinden?" vorschte de wantrouwende Jansen.

"Omdat de Engelsche uniformen hem herinnerden aan zijn verraad, en hij kon dat niet uitstaan bij zijn naderend einde."

"En hoe ben jij in zijn dienst gekomen?" vraagde Kloppers.

"Dat is al heel natuurlijk," antwoordde de vreemdeling. "Hij had geld in overvloed en betaalt mij ruim."

"Hoever is het hier van daan, waar je baas ligt?" vraagde Kloppers.

"Een half uur," antwoordde de aangesprokene.

De grijze Voortrekker dacht nog een oogenblik na; toen zeide hij: "Ik ga mee."

"Daar ben ik blijde om," zeide de vreemdeling verheugd, "want het zal gauw met Kees Botter zijn afgeloopen."

"We zullen hier wachten," zeide de leeuwenjager.

"Of ge kunt doorrijden," zeide de vreemdeling, "en hier een paar mijlen van daan aan de spruit baas Kloppers opwachten. Ik zal hem daar brengen; hij snijdt dezen hoek dan af."

Hij beschreef met de hand de richting, en zijn voorstel werd aangenomen.

De leeuwenjager en Jansen sloegen links, en Kloppers met zijn gids wendden rechts.

Zij hebben spoedig het kreupelbosch bereikt.

"Moeten we daar door?" vraagt Kloppers.

"Ja," zegt de gids; "het pad wijst ons den weg."

De natte takken slaan beiden in het gezicht, maar de regen heeft opgehouden. De mistwolken trekken op.

"Ik verwacht van daag nog mooi weer," zegt de gids.

"Ik ook," zegt Kloppers.

Hij haalt den tabaksbuil uit den zak en stopt zijn pijp.

Zwijgend gaan zij verder.

Oogenschijnlijk is ieder in zijn eigen gedachten verdiept. Baas Kloppers denkt aan den stervenden verrader.

Daar treden, vijftig pas vóór hen, een viertal Kaffers uit het kreupelhout en nemen het pad in.

Zij blijven er staan.

Kloppers ziet het, maar hij neemt er verder geen notitie van.

Nu is hij met den gids de groep genaderd.

"Op zij, Kaffers!" roept hij, maar zij gaan niet op zij.

Zij versperren het pad.

"Op zij!" roept hij nog eens, "of ik rijd jullie onder den voet."

"Rij op!" zegt de grootste van de Kaffers op brutalen toon, "rij op!"

Nu begrijpt Kloppers, dat het meenens wordt.

Hij rukt het geweer van den schouder en legt aan.

"Op zij," roept hij, "of ik schiet."

"Schiet op!" zegt de brutale Kaffer.

Nog nooit heeft de oude Voortrekker zoo'n weerbarstigheid ontmoet.

Hij kijkt naar zijn gids, want een schrikkelijk vermoeden rijst op in zijn geest -- de gids staat achter hem, met _nog_ een viertal Kaffers.

"Verraad!" roept hij, terwijl hij verbleekt.

Hij geeft vuur -- voor den eersten keer mist hij zijn doel.

Hij neemt een nieuwe patroon uit den bandelier. -- "Verraad!" roept hij nog eens.

Met een vreeselijken ruk werpt hij zijn klepper om, maar acht, twintig handen strekken zich naar hem uit, sleuren hem van het paard en binden hem.

Hier is geen weerstand mogelijk; de overrompeling is volkomen.

"Dat is _jou_ werk, Kees Botter," knarst de Voortrekker tusschen zijn tanden.

"Goed geraden," zegt Kees Botter, die thans te voorschijn komt.

"Bind hem de handen op den rug," kommandeert hij -- "_stevig!_"

Onderwijl echter is het onbeheerde, schichtig geworden paard op den hol gegaan en rent het pad terug.

"We zullen het doodschieten," zegt de voorzichtige Botter, "anders kan 't ons verraden."

Hij jaagt het weghollend dier twee kogels in het lichaam, en het stort stervend neer, midden in het pad.

Nu wordt de geboeide verder het kreupelbosch door gebracht, tot men een open terrein bereikt, een platten heuvel met een soort hut of houten schuur er boven op.

Deze hut heeft van voren en van achteren een deur, en op zij van weerskanten een klein venster.

Van voren is de hut gemakkelijk te bereiken, doch aan den achterkant gaapt een diepe kloof.

Men gaat de voordeur in, en Botter schuift er de twee grendels voor.

De geheele ruimte der hut bestaat uit slechts één vertrek, met een duffe, benauwde lucht.

Er brandt een vuurtje aan den haard, en er staan een paar vermolmde stoelen in den omtrek.

Het ziet er hier verschrikkelijk verwaarloosd uit.

De grijze Voortrekker zet zich op een stoel.

"Wat zeg je daar nou van?" vraagt Botter, terwijl hij zich de handen wrijft.

De oude Kloppers is in een vreeselijken toestand, en hij staart zwijgend door het kleine venstertje naar buiten.

Maar al zou hij zich door een knieval uit dezen vreeselijken toestand hebben kunnen redden, dan zou hij dit toch _niet_ hebben gedaan, want in dit karakter zit de onwrikbaarheid van Cromwell's rondkoppen.

En al _had_ hij het gedaan, dan zou het hem _toch_ niet hebben geholpen.

"Wat zeg je daar nou van?" vraagt Botter nog eens.

"Je begint aan te leeren," antwoordt Kloppers; "je baas zal bepaald plezier van je krijgen."

"Mijn baas -- ik _heb_ geen baas," zegt Botter met een hoonlach.

"Ja toch, gij hebt wel een baas," zegt Kloppers; "de duivel is je baas. Kijk maar even om, verrader; hij staat juist achter je en grinnikt van plezier."

"De vent is gek geworden," schaterlacht Botter; "stapelgek van angst."

De Kaffers, die staande of gehurkt zich in de hut bevinden, lachen mede, en het gelach klinkt akelig door de holle ruimte.

De blanke gids en de reusachtige Kaffer begeven zich intusschen door de ongegrendelde achterdeur naar buiten.

De regen heeft nu opgehouden. Zij zetten zich bij de achterdeur neder, en hun beenen hangen over den rand der diepe kloof.

Kees Botter wandelt op en neer, en hij kijkt zijn slachtoffer aan met een volheid van haat. Even als gepasseerden nacht. Doch toen had hij de oogen half geloken, en nu zijn ze wijd, wijd open.

"Nu ben je in _mijn_ hand, begrijp je dat?" zegt hij.

Hij heeft zoo ongeveer het gevoel van den tijger, die speelt met zijn prooi.

Maar zelfs in dit vreeselijk oogenblik laat de ijzeren Voortrekker nog niet met zich spelen.

"Ik ben in _Gods_ hand," zegt hij met waardigheid, "en zonder Zijn wil zal mij geen haar worden gekrenkt."

"En waar was jou God gisteren nacht," roept de verrader, "toen ik jou scherpe patronen nam, en er de losse voor in de plaats deed? En waar was jou God, toen we je overrompelden? En waar is _thans_, op _dit_ oogenblik jou God?" roept hij met een vreeselijken vloek.

Zijn stem is schor van hartstocht, en wat er uit die oogen flikkert, het is de geest van den Satan.

"Ge bent krankzinnig, ongelukkige," roept de Voortrekker, en hij rilt van afgrijzen.

"Weet ge 't nog, dat ge mij met dien doorntak hebt gegeeseld? Kunt ge 't niet zien, beul?" vraagt Botter.

De verrader buigt zich voorover tot dicht voor het gelaat van zijn slachtoffer.

De lidteekenen van die slagen loopen kruiselings over zijn gelaat als twee bloedige voren.

En die bloedige voren schijnen op dit oogenblik te vlammen....

Botter wendt zich tot de Kaffers.

"Bindt hem vast aan den stoel," beveelt hij.

Het is gauw gedaan.

"Maakt zijn rechterhand los!"

Ook dit is spoedig gebeurd.

"Zie," sist hij tusschen zijn tanden door, "je hebt mij met je rechterhand gebrandmerkt -- je zult die rechterhand verliezen."

Hij neemt een zwaar houten blok en plaatst het bij den ongelukkige

"Bindt zijn rechterhand op het blok vast," kommandeert hij. "En waar is de bijl? O, ik zie hem al. Ik zal zelf het genoegen hebben, er de hand af te kappen."

Zelfs de Kaffers ijzen van zulk een berekenende wreedheid.

"Zijt ge bang, lafaards?" roept hij woedend.

Nu naderen ze Kloppers, en binden zijn hand vast op het blok.

De bijl wordt er naast gelegd.

"Waar is de ijzeren stang?" vraagt de verrader.

Een Kaffer haalt hem; uit een hoek van het vertrek.

"Stookt het vuur wat op," beveelt hij.

Er worden eenige dorre blaren en takken op geworpen; het vuur begint lustig te branden.

De verrader schuift de ijzeren stang tusschen de gloeiende kolen.

Nu begrijpt Kloppers de bedoeling; hij staart met ontzetting in het vuur, naar de stang, die allengs rood gloeiend wordt.

"Dacht ik het niet?" zegt de verrader; "ik zal je nog wel murw krijgen. Met den gloeienden bout zal ik je teekenen -- ik heb je immers beloofd bij ons laatste onderhoud, dat je nog aan mij denken zult? Jij teekent met dorens; _ik_ met gloeiend ijzer; dat is het onderscheid."

En de Kaffers werpen steeds nieuwen voorraad op het vuur, en de ijzeren stang begint te gloeien... te gloeien.....

De leeuwenjager en Jansen hadden den jongen Jan Kloppers spoedig ingehaald.

Zij verhaalden hem de reden, waarom de oude Kloppers niet meer bij hen was.

"Zou 't geen nieuw verraad zijn van Kees Botter?" vraagde hij ongerust.

"Dat de vreemdeling den naam van Kees Botter noemde, die onwillekeurig wantrouwen wekt, pleit voor de eerlijkheid van de zaak," meende Jansen.

Jan moest dit erkennen.

Men gaf nu de paarden de sporen, om dichter bij het kommando te komen, dat een aanmerkelijken voorsprong had.

De leeuwenjager was eenige passen achter gebleven, en oogenschijnlijk verdiept in zijn eigen, weemoedige gedachten.

Maar plotseling hielden alle drie de teugels van hun paarden in. Zij hadden den zwakken knal van een schot gehoord.

"Dat begrijp ik niet," zeide de leeuwenjager.

Hij wendde het paard naar de richting, van waar zij gekomen waren, en luisterde met voorover gebogen lichaam.

"Vader is misschien in den val geloopen," zeide Jan; "ik houd het hier niet langer."

Hij wierp den Moorkop om.

Samen reden zij in zekere spanning terug.

"Het geluid kwam uit de richting, die mijn zwager had ingeslagen," zeide Jansen.

De leeuwenjager zeide geen woord.

"Voorwaarts," zeide hij, en hij drukte de sporen diep in de zijden van zijn vluggen vos.

De weemoedige gemoedsstemming van zoo even was nu als door een tooverslag verdwenen.

Het was de leeuwenjager weer in al zijn kracht.

Daar hoorden ze, duidelijker nog dan zooeven, twee schoten dicht achter elkander.

"Nu begrijp ik het nog minder," zeide de leeuwenjager -- "voorwaarts!"

Aan den tweesprong gekomen, sloegen zij het pad rechts in.

De hoeven van Dirk Kloppers' paard waren diep ingedrukt in den weeken grond; ook de voetstappen van den gids waren duidelijk zichtbaar.

Men sloeg het kreupelbosch in, en achter elkander reed men voort.

Jan reed voor, omdat de Moorkop het vlugste was.

Plotseling slaakte hij een angstkreet.

"Daar ligt vader's klepper," riep hij in groote opgewondenheid, "dat is verraad."

"Wij zullen 't onderzoeken," zeide de leeuwenjager, terwijl hij uit het zaâl sprong.

De twee anderen volgden zijn voorbeeld.

Het paard leefde nog, en had zich half over het pad in het kreupelbosch gesleept.

Jan klopte het op den hals, en het trouwe dier liet een zwak gehinnik hooren.

Jansen had intusschen de wonden ontdekt, die de twee kogels hadden veroorzaakt.

"Wil ik het maar het genadeschot geven?" vraagde Jan, die medelijden had met het stervende dier.

"Neen," zeide de leeuwenjager, die op alles bedacht was, "dat schot zou ons kunnen verraden -- voorwaarts!"

De ruiters sprongen weer te paard, en spoorden hun dieren tot de uiterste krachtsinspanning aan.

"Halt!" riep de leeuwenjager.

"Hier houden de indrukken van de paardehoeven op, en beginnen een aantal voetstappen."

"Wat ligt daar toch op den grond?" vraagde hij, terwijl hij het pad met zijn scherpen blik monsterde.

Jan sprong van zijn paard en nam een knoop op van den grond.

"Dat is een knoop van vader's jas," riep hij met schrik.

"Die hem in de worsteling is afgerukt," vulde Jansen aan.

"Hier, op _deze_ plek heeft hij onraad bespeurd," zeide de leeuwenjager met nadruk! "daar is geen twijfel aan. Hier heeft hij het paard omgerukt; ge kunt het duidelijk zien aan de richting der hoeven."

"Dat eerste schot is van Neef Dirk geweest," voegde hij er bij met verwonderlijke helderheid van geest, "en de twee andere schoten zijn door zijn overrompelaars op het paard afgegeven. Toen was onze vriend echter reeds lang van het paard gerukt. Maar éen ding begrijp ik niet, namelijk dat Kloppers maar ééns heeft geschoten. Hij moet iets vreeselijks hebben ontdekt, dat zijn kracht heeft verlamd. Maar wij zullen 't onderzoeken, en hem redden, als het niet te laat is."

De ruiters volgden nu het spoor der vele voetstappen, en de groote, zware stap van den ongelukkige, dieper ingedrukt dan de andere, was duidelijk te onderscheiden.

Bijna aan de grens van het kreupelhout gekomen, beval de leeuwenjager, de paarden in het struikgewas vast te binden.

Behoedzaam slopen de Boeren nu door het kreupelhout, tot zij een blik op het open terrein konden werpen.

Zij zagen de houten woning onmiddelijk, links van hen, op een betrekkelijk korten afstand.