De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81

Part 12

Chapter 123,916 wordsPublic domain

"Maar ik begrijp het niet; ik begrijp het niet," zeide de jongen. "Waak ik of droom ik?"

En hij wreef zich nadenkend over het voorhoofd.

"Je behoeft het van daag ook nog niet te begrijpen; daarvoor is later tijd."

"En wat kom je hier doen?" vraagde Arie.

"Kijk, dat is nu een heel verstandige vraag," antwoordde Herman, "en ik zal het je vertellen. Heden morgen kwam er een overlooper uit het garnizoen tot ons, die ons verschrok met de tijding, dat gij waart gevangen genomen en tot den kogel veroordeeld. Toen zeide Barend Jansen: 'Jongens, Arie zit in de klem, en hij moet er uit. En ik zal er hem uithalen in dit pak,' en hij haalde het huzarenpak uit de kist. Maar de anderen wilden het ook doen, en ik zeide: 'Menschen, ge kunt toch niet allen in één pak, en niemand zal het er zoo goed af kunnen brengen dan ik, omdat ik het Engelsch vlug spreek en niet zoo afschuwelijk radbraak als jullie.' Enfin, dat vonden zij ten slotte toch ook, en zoodoende ben ik hier gekomen."

Nu zette de Hollander zich naast Arie neer, en begon hem op fluisterenden toon zijn plan te ontwikkelen.

En de jongen luisterde, met oogen, die schitterden van hoop.

Doch toen Herman een poos had gesproken, begon de gloed in zijn oogen weer te verbleeken.

Hij schudde het hoofd en zeide: "Ik kan er niet op in gaan."

"Waarom niet?" vraagde Herman verbaasd.

"Omdat ik, door te vluchten, jou op het schavot breng."

"Zoo?" zeide Herman; "als ge ooit hebt gedwaald, dan is het nu. Ik zal een poosje moeten brommen, en daar is 't mee uit. Ik geef je de verzekering, dat mij geen haar zal worden gekrenkt."

Hij sprak overtuigend, dringend en overreedde Arie.

De jongen gaf toe, en verbeidde met kloppend hart den uitslag van het goed overlegde plan, waarvan dood en leven afhing.

Het was nu ruim tien uur in den avond.

De huzaar schopte tegen de deur. "Korporaal, doe open!"

De lange, grijzende baard verscheen voor het raampje en riep met waardigheid: "wat moet je?"

"Ik ben twee gouden souvereins verloren in dit akelig gat -- help me zoeken, en je zult een flinke fooi hebben!"

"Dronken lui zijn in den regel royal," dacht de menschkundige korporaal, en hij ontsloot de deur. Maar voor de voorzichtigheid sloot hij de deur ook van binnen.

"Flink zoo," zeide de huzaar met dubbelstaande tong, "die rebellen moet je niet te veel vertrouwen!"

"Mijn eer als Engelschman zou op het spel staan," zeide de korporaal, "als die daar ontsnapte," en de gestreepte mouw strekte zich uit naar den ter dood veroordeelde.

Het olielampje werd nu op de vloer geplaatst, en na eenig zoeken kwamen beide souvereins werkelijk te recht.

Met een voldaan gelaat nam de huzaar de twee goudstukken van den korporaal aan, en met de opmerking: "Hier, ouwe ijzervreter, heb je er één voor je moeite," gaf hij er één terug.

"Dank je, mijnheer de ordonnans," zeide de korporaal, "dank je," en hij verliet in de vroolijkste stemming de cel.

Na een poos werd het weer rumoerig in het cachot.

"Ik wil er uit!" brulde de huzaar. "Korporaal, doe open -- ik krijg hier de vliegende tering."

Met de meeste voorkomendheid werd aan dit verzoek voldaan.

"Ik ga een luchtje scheppen," zeide de huzaar.

"Ga je gang," zeide de korporaal zoo vriendelijk mogelijk, "maar maak geen gerucht!"

"Komt hij terug, dan is het goed," dacht de korporaal, "en komt hij niet terug, dan kan ik verklaren, dat hij nuchter was," en de waarheidlievende man streek zich den langen, grijzenden baard.

De huzaar drentelde onverschillig naar de schildwachten van het kamp, maakte een praatje en zeide tot hen: "Ik zal eens kijken, of de Boeren slapen."

Hij kroop over den aarden wal en sloop vooruit.

"De vent is nog dronken, Jim," zeide de eene schildwacht, maar de andere antwoordde niet en neuriede een lied.

De huzaar was intusschen nog al gauw terug.

"Kijk," zeide Jim, "zoo dronken is hij toch niet, dat hij zich in den nacht onder de Boeren waagt."

De huzaar begaf zich naar het cachot, en liet zich weer vrijwillig opsluiten, maar geen half uur later beukte hij met zijn ruiterlaars alweer tegen de deur.

Hij was bepaald onrustig, maar de korporaal opende de deur en liet hem door.

De korporaal vond het echter verdacht, dat de huzaar al weer behoefte had aan frissche lucht.

Was de vent wel dronken! En was het misschien niet een Boer, die den jongen kwam redden? Zat er niet een sluwe kneep achter?

Terwijl de ordonnans zich verwijderde, kwamen deze gedachten bij den korporaal op.

"Nou, dat zou mooi worden," zeide hij tot zichzelven, "dat ik, een geboren Engelschman, mij door een dommen Boer zou laten bedotten!"

Hij stak voor de voorzichtigheid een lantaarn aan, en ze omhoog houdend, gluurde hij met zijn kleine oogen door het raampje.

De veroordeelde lag, in zijn wambuis, lang uitgestrekt, op de harde bank, maar het gelaat was niet zichtbaar, want het was naar den houten wand gekeerd.

En de laatste omstandigheid maakte den voorzichtigen korporaal toch een beetje ongerust.

Hij nam den sleutel, opende de deur en lichtte den veroordeelde in het gelaat.

Het _was_ de veroordeelde. Nu was de korporaal gerust.

De huzaar kwam na een poosje weer terug.

"Toe korporaal," zeide hij, "open het cachot, en laat er mij in; ik ga slapen."

"Dat zou tijd worden ook," meende de korporaal, terwijl hij aan zijn wensch voldeed.

Een uur lang bleef het nu rustig, en de korporaal had juist voor den vijf en twintigsten keer zijn gouden souverein uit den linker broekzak in den rechter vice versa overgebracht, toen de huzaar met opgewonden stem schreeuwde: "Korporaal, laat er mij uit! Ik kan hier niet slapen; de muggen bijten me flauw!"

Maar nu werd de korporaal toch ook een beetje wrevelig, en hij zeide: "Ordonnans, dit is nu voor de _allerlaatste_ keer dat ik er jou uitlaat, hoor!"

Met dit te zeggen, liet hij den huzaar er uit.

"En blijf als 't u blieft niet lang weg," riep hij hem nog na.

Maar de huzaar bleef dezen keer _langer_ weg, dan daar straks, en de voorzichtige korporaal maakte zich weer ongerust. Doch toen hij, door het raampje kijkend, den veroordeelde nog in dezelfde houding zag liggen als daar straks, was hij volkomen gerust gesteld.

"En al komt de dronken huzaar in 't geheel niet terug, dat is 't nog niets," zeide de waarheidlievende korporaal, "want dan zal ik op mijn woord van eer verklaren, dat ik hem nuchter heb laten gaan," en hij nam een hartigen teug uit zijn veldflesch en stopte de kleine, korte pijp.

Het begon intusschen dag te worden; in het kamp kwam leven en beweging, en luide klonk het gekraai der hanen van de boerenerven in den omtrek.

De huzaar was niet terug gekomen, en de korporaal trok het zich niet aan.

Met het geladen geweer op den schouder, naderde thans een luitenant met een piquet infanterie de gevangenis.

De korporaal stond op van een soort ton, waarop hij gezeten had, en deed de militaire eerbewijzen.

"De veroordeelde slaapt nog," zeide hij.

"In orde," zeide de luitenant; "open de deur!"

De korporaal nam den sleutel, en het slot ging knarsend open.

"Wat knarst dat slot!" zeide de luitenant.

"Het is verroest," zeide de korporaal; "ik zal het smeren."

Nu trad men de cel binnen.

De jonge Boer lag nog altijd op de harde bank, met het gelaat naar den houten wand.

Hij sliep of scheen te slapen.

"Wek den slaper!" zeide de luitenant.

De korporaal naderde den slaper, legde de hand op den schouder van den veroordeelde en riep met plechtige stem: "In naam der Koningin!"

Hij riep zoo hard, dat de veroordeelde het hooren moest.

Hij _hoorde_ het ook.

Hij stond op, en rekte zich heel gemoedelijk uit.

Het wambuis, dat hij aan had, scheen echter wel een dwangbuis te zijn. Het was veel te nauw; het kraakte.

Maar de korporaal stond als versteend te kijken.

"Sakkerloot!" riep hij.

"Sakkerloot!" riep hij nog eens.

"Sakkerloot!" riep hij ten derden male.

"Wat beteekent dat?" vraagde de luitenant met de grootste bevreemding.

De korporaal gaf geen antwoord. Hij staarde Herman Hoogerhuis aan, die zich in Arie's wambuis had gestoken, alsof hij een spook had gezien.

"Is dit de ter dood veroordeelde?" vraagde de luitenant met klimmend ongeduld. "Spreek dan toch, kerel, en sta daar niet te soezen als een oud wijf!"

De verstandige en vlugge korporaal kon nog geen woorden vinden. Hij plukte aan zijn langen baard, alsof hij hem wou uitrafelen tot spinrag.

"Houd dat wambuis in de gaten," beval de luitenant "en den korporaal ook, want ik denk, dat hij aan tijdelijken waanzin lijdt. Ik ga naar den kolonel om nadere instructies."

Doch _nu_ sloeg de redestroom bij den wijzen korporaal door de sluizen heen.

Hij sloeg zich met de vuisten voor het hoofd en riep, terwijl hij den gestreepten mouw uitstrekte in de richting van Herman Hoogerhuis: "Dat wambuis heeft mij schandelijk bedrogen; schandelijk! Of eigentlijk het huzarenpak heeft mij bedrogen! Of liever het wambuis _en_ het huzarenpak hebben mij bedrogen! Die kerel daar heeft zich in het wambuis van den veroordeelde gestoken, luitenant, en de veroordeelde in _zijn_ huzarenpak. Zoo is de veroordeelde ontsnapt. Op mijn woord van eer, luitenant, zóó is het gebeurd en niet anders."

"Zóó," zeide de luitenant langzaam, "is dat zóó in zijn werk gegaan?" en met strengen blik nam hij Herman Hoogerhuis op, die er bij stond, met de onnoozelheid van een pasgeboren kind op het gezicht.

"Ik ben een ongelukkige, een lompert, een ezel!" huilde de korporaal.

"Dat geloof ik ook," zeide de officier met hartgrondigen nadruk, "een ezel, een echte! Maar schei er nu maar uit met je geleuter; je straf zal je niet ontgaan. Wanneer is de Boerenjongen weggeloopen?"

"Misschien een paar uur geleden," steunde de korporaal.

"Voorwaarts, mannen! Ziet hem nog te krijgen! Misschien is hij door onze schildwachten nog niet heen kunnen sluipen!" kommandeerde de luitenant.

De soldaten stormden weg, om den jongen te vangen, en de korporaal stormde het hardst van allen.

"Loopt maar niet te hard," riep Herman hem na; "die jongen zit natuurlijk al lang bij de Boeren aan de koffie."

"Houd _jij_ je mond, tot je gevraagd wordt," beet de luitenant hem toe -- "ben je ook een Boer?"

"Ik ben een Hollander, luitenant."

"Zóó -- je zult brommen; dat beloof ik je."

Maar de Hollander scheen zich dat vooruitzicht niet erg aan te trekken.

Hij begon het "Wilhelmus van Nassouwen" te fluiten, en hij deed het werkelijk op verdienstelijke wijze.

Arie was gelukkig ontsnapt.

Het huzarenpak had hem wel wat flodderig om zijn lichaam gehangen, maar hij had de instructies van Herman Hoogerhuis stipt opgevolgd, had de handen in de broekzakken gestoken, en was, ofschoon zijn hart bonsde alsof het bersten zou, zoo onverschillig mogelijk langs de schildwachten heen gedrenteld, en was op het oogenblik, dat een nachtwolk het licht der maan onderschepte, over den wal geklommen. Maar toen, buiten het kamp, had hij geloopen als een mensch, wien de dood op de hielen zit, en eerst het krachtige "Wierda?" van een bekende stem bracht hem tot staan.

Die stem kwam van achter een boschje. Hij liep er recht op aan.

"Goed volk," riep hij, "goed volk!"

"Ben jij 't Arie?" riep de stem van zoo even.

"Natuurlijk, wie anders?"

Met een juichkreet sprong Barend Jansen te voorschijn.

Een twaalftal jonge Boeren sprongen met hem uit den schuilhoek; Columbus was er ook bij.

"Kijk," zeide Barend, "wij hebben hier den geheelen nacht in hinderlaag gelegen voor het geval gij ontsnaptet, en de roodbaatjes jou na zouden zetten. Wij vreesden reeds, dat het slimme plan van Herman was mislukt, maar nu komt alles goed."

"Ja, nu komt alles goed," zeide Arie met bewogen stem, "als Herman het maar niet ontgelden moet."

"Daarvoor is geen zorg," zeide Barend; "vandaag zal onze kommandant nog een schrijven richten aan den Engelschen kolonel, dat Herman geen haar gekrenkt mag worden; anders zullen de Engelsche officieren, die in onze handen zijn, het moeten ontgelden."

De jonge Boeren gaven nu Arie allen de hand en schudden ze hartelijk, en wenschten hem geluk met zijn ontsnapping. En de oude Columbus strekte bewonderend de lange armen omhoog en riep: "Mijn baassie is zoo glad als de slangen van Zoeloe-land, en geen roodbaatje kan hem houden."

Maar Arie schudde het hoofd en zeide: "Neen, ouwe Columbus, dat is niet de knapheid van je baassie. Herman Hoogerhuis heeft mijn leven gered, en God komt al de eere toe."

"Is het niet zoo, kameraden?" vraagde hij.

"Ja," zeiden ze, "zoo is het."

"Nu," zeide hij, "laten wij dan ook een danklied zingen, hier op deze plek, omdat de almachtige God mij van den dood heeft gered."

En de jonge Boeren zongen met hun heldere, frissche stemmen door den stillen nacht:

"Prijs den Heer met blijde galmen; Gij, mijn ziel, hebt rijke stof. 'k Zal zoo lang ik leef mijn psalmen Vroolijk wijden aan Zijn lof; 'k Zal, zoo lang ik 't licht geniet. Hem verhogen in mijn lied!"

Maar Arie kon niet zingen; zijn gevoel overmande hem. En de tranen biggelden over zijn gezicht, en het waren tranen van dankbaarheid.

En God heeft die tranen gezien.

De korporaal in geen geringen angst, had intusschen, het geheele kamp gealarmeerd.

De schildwachten werden ondervraagd, en hadden ook den laatsten keer den huzaar werkelijk gezien. Hij was op zijn gemak doorgedropen, maar niet teruggekomen.

Vermoedelijk had hij zijn vermetelheid met het verlies van zijn vrijheid moeten boeten, en was hij door de Boeren gevangen genomen; dat was hunne meening.

Maar de korporaal wist het wel beter, en _nooit_ had hij meer in angst gezeten dan van morgen.

Plotseling schoot er een zonderlinge, avontuurlijke gedachte door zijn brein.

"Ik ga hem halen," zeide hij en hij klauterde over den wal.

"Wat mankeert dien vent?" riep de schildwacht verwonderd.

"Hij is niet wel bij 't hoofd," zeide de luitenant van het piquet, "laat hem maar."

Maar de korporaal was wel goed bij 't hoofd, en hij rende dwars door het veld op het dorp aan, tot hij bij een loopgraaf der Boeren bijna over een langen vent was gestruikeld, die zich daar lag te koesteren in de morgenzon.

Met de blijken van den grootsten schrik vloog de lange man overeind, en hij scheen ernstige aanstalten te maken om te vluchten.

Maar blijkbaar kwam het roodbaatje met vredelievende bedoelingen, want hij stak de handen omhoog en zeide: "Ik heb twintig jaar voor de Engelsche glorie gevochten; nu mag het een ander doen; ik schei er uit."

Doch Leen Blok verstond bijna geen woord Engelsch, en keek den Engelschman aan, met zijn groote domme oogen.

"Verstaat u geen Engelsch?" vraagde de korporaal ernstig.

Leen Blok haalde de schouders op, en greep naar zijn langen, mageren hals.

"Een gebrek -- in de keel?" vraagde de korporaal met warme belangstelling; "spraakvermogen belemmerd?"

"Ik versta geen Engelsch," zeide Leen Blok, "kom, ga mee!"

En hij trok den Engelschman aan zijn mouw, en samen gingen zij naar het dorp, naar den "vroolijken Olifant", waar ons gezelschap jonge Boeren, achter het huis, in de met bloeiende kamperfoelie begroeide veranda, dapper zat koffie te drinken.

Arie had juist voor den derden keer het geheele verloop van zijn ernstig avontuur verteld, toen hij, den blik slaande in den gang, met de grootste verbazing riep: "Lieve schepsels! Daar heb je den korporaal, die bij mijn cel de wacht hield."

Leen en de korporaal traden nu in de veranda.

De korporaal maakte een buiging, sloeg met waardigheid aan en zeide: "Mijne Heeren! Ik wensch u een goeden morgen."

"Goeien morgen!" zeiden de verwonderde Boeren.

"En u, beminnelijke jongeling, reik ik in 't bizonder de hand," ging hij voort, zich tot Arie wendend, die thans weer in Boerenkleeding was, "en had die edele Hollander u niet gered, dan had _ik_ het gedaan."

"Een Engelschman een Boer redden, dat is nog nooit vertoond," lachte Barend Jansen.

"Pardon, Mijnheer, ik ben geen Engelschman," zeide de korporaal met groote waardigheid, en hij streelde met welgevallen zijn langen, grijzenden baard.

"Ik _ben_ geen Engelschman," ging hij voort met klimmenden nadruk; "Ik zou me schamen, als er door mijn aderen één druppel Engelsch bloed stroomde. Wat ik ben, Mijne Heeren? Een Ier, een zoon van het groene eiland. Wat ik ben? Een vurige voorstander van de Boeren, omdat zij, evenals wij Ieren, vol heldenmoed worstelen voor hun vrijheid. Neen, ik ben geen Engelschman, Mijne Heeren, op mijn woord van eer; op mijn woord van gentleman."

En terwijl liet hij zijn blikken gaan over de eenvoudige Boeren, die hem met groote oogen zaten aan te kijken. En met een minzamen glimlach nam hij naast hen plaats, en zeide: "Is het geoorloofd, Mijne Heeren?" en hij vatte een dampend kop koffie en dronk het leeg tot den laatsten drupppel.

Maar Barend Jansen zeide: "Roodbaatje, jij kunt praten als een advokaat, en wij kunnen jou niet bijhouden, Roodbaatje. Maar wij zullen jou opsturen naar Heidelberg, naar Oom Paul, die heeft van die dingen meer verstand."

"Goed," zeide de korporaal, "het zal mij zeer aangenaam zijn, kennis te mogen maken met den hooggeachten President der Zuid-Afrikaansche Republiek. Mijne Heeren, deze veelbewogen morgen is een keerpunt in mijn leven."

Hierin sprak onze korporaal inderdaad de waarheid, want hij werd als krijgsgevangene opgezonden naar Heidelberg, en bleef er tot het einde van den oorlog.

Met Herman Hoogerhuis liep het beter af. Nog geen acht dagen later werd hij uitgewisseld tegen een Engelschen officier, en dat de jonge Boeren hem met gejuich ontvingen, behoef ik wel niet te zeggen.

HOOFDSTUK XIX. ------

Reusachtige schaduwen strekken zich uit naar boven, naar het blauwe gewelf met zijn tienduizende sterren.

Die reusachtige schaduwen zijn bergen.

Het zijn de bergen van het Drakengebergte.

Op één der bergtoppen, dicht bij een "nek" of bergpas, brandt een eenzaam wachtvuur.

Dicht bij het vuur zitten een zestal Boeren. Het vuur verspreidt een aangename warmte, want het is koud in den nacht op den bergtop.

Vier der hier zittende Boeren kent ge: Dirk Kloppers met zijn zoon Jan, Teunis den leeuwenjager en Lodewijk Jansen.

De flikkerende, grillige vlammen werpen een rossig licht over hun gebruinde en verweerde gelaatstrekken.

In levendige gesprekken snelt de nacht voorbij.

Reeds breekt de morgen aan.

Van goud en purper schittert de halve horizon, en aan den oostelijken hemel legeren zich vlammende wolken als de herauten van het groote Licht van den dag.

Reeds schitteren de toppen der bergen, en de duisternis en het roofdier, het kind der duisternis, vluchten weg in spleten en spelonken.

De Boeren zijn opgestaan van het wachtvuur; de morgenwind speelt om hun slapen.

Lang staren zij naar het zuiden, naar Natal, in de richting van Bosmans- en Blauwkransrivier, waar ruim veertig jaar geleden zooveel moedige Boerenharten, de borst doodelijk getroffen door de assegaai, de hersenpan verbrijzeld door een staalharde knods, ophielden te kloppen.

Dáár, aan de oevers dier rivieren, daar slapen zij hun langen slaap.

En dáár, in het zuidoosten, waar de golven der Bloedrivier schitteren in de morgenzon, dáár hebben de Boeren zich gewroken, en de grimmige, verraderlijke Zoeloe's bij duizenden geveld.

En ginds, ver het zuiden in, daar ligt Pieter-Maritzburg, de hoofdstad van Natal, door de Boeren gesticht, naar hun aanvoerders genoemd, door de Engelschen gestolen!

Pieter-Maritzburg en heel Natal -- 't is door de Engelschen gestolen!

Ja, die Engelschen, dáár liggen ze, vóór de passen van het Drakengebergte, vóór de poorten der Transvaal!

Daar liggen ze, met hun voetvolk, hun paardevolk, hun kanonnen! Als de wolf voor de schaapskooi!

Dáár, vóór de poorten der Transvaal, stuwt Engeland zijn krachten op, en het zal die poorte rammeiën, tot ze bezwijken!

De geheele macht van Engeland, dat zijn gebied uitstrekt in de vier winden des hemels, zal zich hier, vóór deze zwakke poorten legeren, en de zwakke macht der Boeren vermalen als in een ijzeren mortier.

Ach, die macht der Boeren, is ze niet zwak?

Liggen in de verschillende Transvaalsche steden en dorpen geen 6000 Engelschen (de vrijwilligers medegerekend) in garnizoen?

Die verschillende garnizoenen worden ingesloten door een macht van 3000 Boeren -- is die macht niet veel te klein?

En 1500 Boeren moeten de passen van het Drakengebergte houden -- is het een wonder, dat generaal Colley zich van een even snelle als besliste zegepraal zeker waant?

En dat is nog niet alles.

Hoe armoedig zijn de Boeren uitgerust!

Geen kanonnen, om de vijandelijke artillerie te beantwoorden; geen dokters, om de gewonden en de gekwetsten te verbinden; en als ze hoofd voor hoofd, _vijftien_ patronen hebben verschoten, dan is hun ammunitie totaal uitgeput!

Ja, _zwak_ is de macht der Boeren!

En toch zijn ze sterk -- _sterker_ dan de Engelschen, want zij strijden voor hun heiligste goederen, en zij hebben het _recht_ aan hun zijde: het _recht_ en hun _God_....

Gij grijze Voortrekkers bij het eenzaam wachtvuur, ziet gij nu goed het vijandelijke kamp daar in de nabijheid?

Maar zij wendden reeds den blik naar het noorden, naar de Boerenlagers.

Dáár ligt het lager van kommandant Weilbach, en daarachter het lager der Middelburgers, en aan de andere zijde het groote, uit 330 ossenwagens bestaande lager van den kommandant-generaal Piet Joubert, en verder het westen in kronkelt de rook omhoog uit het kamp der Oranje-Vrijstaters.

Met welgevallen rust het oog onzer Boeren op dit lager, want de Oranje-Vrijstaat heeft strikt genomen met de Transvaal niets te maken, maar hier heeft het broederbloed gesproken, en 300 dappere mannen hebben hun vlugste paarden gezadeld en hebben gezegd: "Wij willen met de Transvalers overwinnen of sterven!"

En hoor, wat M. Uijs, pas uit den Oranje-Vrijstaat gekomen, dezer dagen, op een open ossenwagen geklommen, tot de vergaderde Boeren heeft gesproken 1)

"Mijne broeders," heeft hij gezegd, in zijne eenvoudige, hartelijke taal, "mijne broeders, ik behoef u niet veel uitleg te geven, wie ik ben. Een mijner familieleden sneuvelde in Natal, de andere is bij u. Ik ben gezonden niet door onze regeering, maar door het volk van ons district, en alleen, om van u te komen hooren, wat gij van ons wilt, en wat wij voor u doen kunnen, en verder om u aan te kondigen, wat wij voor u willen doen. Wij hebben acht dagen geleden eenige bijeenkomsten gehouden, en besluiten genomen, om memories, die talrijk geteekend zijn, op te zenden naar onzen Volksraad, die nu een buitengewone zitting houdt. Wij hebben verder op die bijéénkomsten eendrachtelijk en vast besloten, om u te hulp te komen. Gij moet u niet bekommeren, dat mogelijk onze President het niet zal toelaten. Ik geef u mijn woord, of onze regeering wil of niet, wij zullen toch komen. Wij hebben reeds vóór de zitting met de raadsleden geraadpleegd, en ik kan u verzekeren, dat de groote meerderheid er reeds voor was, om u, onze broeders, te komen helpen. Broeders, wij zijn zwak; wij zijn nietsbeduidend tegen dien John Bull, maar wij zullen komen, zooals een Abraham met geloof is gekomen, om zijn zoon te offeren. God zal het voorzien. Hij is de almachtige. Hij zal ons helpen. Verder, broeders, wil ik u raden om te volharden als mannen van geloof en dapperheid. Staat vast op uwe zaak, want die is rechtvaardig! Gij vecht en sterft als mannen voor uw vrijheid. Wij zijn voor de vrijheid van ons en voor de vrijheid van u, want die is u ontstolen.

Broeders, wij zullen uw bloedig spoor volgen, en wij zullen met u strijden en met u sterven.

Gij kunt u wel voorstellen, hoe onze harten branden, wanneer wij in onze huizen de onbarmhartige kanonnen op u hooren losdonderen, en dan daarbij bedenken, waarom op u zoo wordt geschoten; om uw wettig eigendom!