De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81

Part 10

Chapter 103,935 wordsPublic domain

Wij hebben de Roodbaatjes geklopt en wij zullen hen nog eens kloppen. Ik zit hier op een veroverde Engelsche wagenkist deze regelen te schrijven. Herman heeft zich ook kranig gehouden, en hij zegt, dat hij een Engelschman heeft doodgeschoten, doch dat geloof ik niet. Maar hij zal 't wel leeren, wis en zeker! Zeg aan Arie, dat ik den Moorkop voeder met de haver, die wij bij Bronkhorstspruit hebben veroverd op de Engelschen. Hij wou ze eerst niet vreten, misschien uit bescheidenheid, maar nou lust hij ze wel. Lieve Moeder! Ik ben een beetje uitgelaten, maar dat doet de vreugde over de overwinning. Ik hoop niet te vergeten, _Wie_ ons de overwinning schonk. Weest te samen hartelijk gegroet. Ook de groete van Oom Teunis en Herman. Leve de vrijheid! Uw liefhebbende Zoon JAN KLOPPERS.

P. S. Ik heb op het slagveld de geweren der gevallen soldaten onderzocht, en zag tot mijn verbazing, dat het vizier was gericht op een afstand van 300 tot 500 pas, terwijl de werkelijke afstand slechts 100 pas bedroeg. Nu is het te begrijpen, waarom de Engelschen zoo miserabel schoten. Vader zegt, dat God onze vijanden met blindheid slaat, en dat zal wel de waarheid zijn. DEZELFDE."

Reeds den 5en December was kolonel Anstruther op bevel van den Engelschen generaal Lanyon met een sterke afdeeling van het 94ste regiment, tellende 248 man en 9 officieren, van Lijdenburg opgebroken, en had den 14en December Middelburg bereikt. Hier ontving de kolonel een waarschuwing, dat de Boeren wel in staat konden zijn, hem den weg naar Pretoria te versperren, maar hij glimlachte en beschouwde het voor een bakerpraatje. Onbekommerd zette hij den tocht naar Pretoria voort, maar toen, aan de overzijde der Olifantsrivier gekomen, een kaffer hem de stellige mededeeling bracht, onder weg een kommando Boeren te hebben ontmoet, nam de kolonel de noodige maatregelen van voorzichtigheid, kortte zijn lang convooi wat in en betrok des nachts een lager.

Zoo was hij Pretoria, het doel van den tocht, tot op 10 uur afstands genaderd, toen een eenzaam ruiter de Engelschen tot op honderd schreden naderde. Het was een parlementair. Hij hield een vlag in de hand, en begeerde den bevelhebber te spreken. Kolonel Anstruther begaf zich nu buiten het front zijner linie en nam de dépèche aan, die de parlementair hem aanreikte. Hij las ze kalm en bedaard tot het einde, maar schudde het hoofd, en zeide tot den parlementair:

"Ik heb orders, om naar Pretoria te gaan, en ik _ga_ naar Pretoria; doe wat gij wilt."

Meteen stak hij de dépèche in zijn borstzak, waar ze later ook is terug gevonden.

Het voornaamste punt in dit schrijven luidde als volgt:

"Heidelberg, 17 December 1880.

Aan den bevelhebbenden Officier van Harer Majesteits troepen, op weg tusschen Lijdenburg en Pretoria.

Mijnheer! Wij hebben de eer u te berichten, dat de Regeering van de Zuid-Afrikaansche Republiek haar zetel heeft gevestigd te Heidelberg, dat een diplomatieke afgezant met dépèches is gezonden aan Z. Exc. Sir Owen Lanyon, dat vóór de terugkomst van Z. Excs. antwoord wij niet weten, of wij in oorlog zijn of niet; dat wij gevolgelijk niet kunnen toelaten eenige beweging van troepen uwerzijds en begeeren, dat gij blijft waar gij zijt.... Wij nemen eenvoudig de onafhankelijkheid van ons land terug, en berichten u derhalve, dat eenige beweging van uwe troepen door ons zal worden opgevat als eene _oorlogsverklaring_, de verantwoordelijkheid waarvan wij op uwe schouders werpen, wel wetende, wat wij te doen zullen hebben in _zelfverdediging_. PIETER J. JOUBERT, _Kommandant-Generaal._

Op 300 meter afstands van de Engelsche troepen had Frans Joubert zijn 300 Boeren achter de heuvelen in hinderlaag geplaatst, en gaf, nu de zending van den parlementair zonder vrucht was gebleven, het sein tot den aanval.

Hun paarden de sporen gevend, naderden de Boeren nu tot op 200 meter afstand, sprongen uit het zadel, en de paarden achterlatend, liepen zij storm tot op 100 pas afstand.

In der haast trachtten de soldaten de ossenwagens tot een verschansing saam te trekken, maar de kogels floten door de huiven, kletterden tegen de ijzeren wielbanden en sloegen de soldaten bij de disselboomen dood.

Doch de kolonel was een man met een dapper, moedig hart, en zelfs in dit hachelijke oogenblik verloor hij zijn koelbloedigheid niet, en hij gaf zijn bevelen even kalm en bedaard alsof hij op het excercitieveld stond.

Maar -- wat baatte het? Tegen het huiveringwekkend juiste schot der Boeren was moed noch dapperheid bestand. Als rijpe korenaren voor den sikkel van den maaier -- zóó vielen de Engelschen. Het was geen _slagveld_, waar zij stonden, maar een _slachtbank_. Hun gelederen werden verscheurd, vóór zij in orde waren opgesteld, en met de doodelijke kogel in de borst, stortte de wakkere kolonel van zijn paard.

Zelf wenkte hij zijn soldaten, om het sein van overgave te doen. Dat was geen daad van lafheid, maar van barmhartigheid tegenover zijn ondergeschikten, want in dezen strijd was geen verweer.

Honderd Engelsche soldaten lagen dood bij de wagens, en 28 wagens met ammunitie en krijgsbehoeften, benevens een groot aantal geweren en andere wapenen vielen den overwinnaars in de handen.

De dappere aanvoerder der Boeren, Frans Joubert, zocht intusschen een weg tusschen de dooden en stervenden door, om zijn tegenstander, die hem wenschte te spreken, te ontmoeten.

"Zie," zeide de kolonel met zwakker wordende stem, "ik ben diep getroffen door de edelmoedigheid, waarmede uw volk mijn gewonde en gekwetste soldaten behandelt."

"Zij doen slechts hun christenplicht, kolonel," zeide Frans Joubert bedaard.

"Ja," zeide de kolonel, "zij handelen als christenen."

"Neem dit aan tot een herinnering en als een bewijs van mijn hoogachting," zeide hij na een pauze, en hij liet generaal Joubert een prachtige verzameling wapenen aanbieden.

Eerbiedig en vol weemoed aanvaardde Joubert dit kostbaar geschenk.

Nu reikte de kolonel Joubert de hand tot afscheid. En diep ontroerd drukte deze de hand van zijn vijand.

Zij staarden elkander in de oogen -- twee helden!

Zoo scheidden zij.

Maar de tijding der zegepraal van Bronkhorstspruit verspreidde zich door geheel Zuid-Afrika, bemoedigde de vreesachtigen, sterkte de zwakken, verwakkerde de twijfelmoedigen, en klonk als een donderslag in de ooren der vijandelijke, door de Engelschen opgezette Kafferstammen!

HOOFDSTUK XVI. ------

Dáár tusschen dat geboomte, dáár ligt het dorp.

Dáár moeten we zijn.

Ge ziet den rook langzaam omhoog kronkelen boven de toppen der boomen.

Sla niet dat voetpad links in, want dan komt ge langs het kamp, waar eenige honderden Engelsche soldaten liggen.

We moeten rechts houden.

Wees toch voorzichtig; kijk voor uw voeten. Daar ligt al zoo'n zwart ding.

Ge zoudt het voor een gebogen stok houden, maar 't is geen gebogen stok.

't Is een slang; een vergiftige slang; een echte cobra. Zij ligt zich te koesteren in de zonnestralen en loert op den argeloozen wandelaar.

Er zijn veel vergiftige slangen hier in de Transvaal. Ze geven u een beet, vóór ge 't weet, en die beet is doodelijk, want hij vergiftigt uw bloed.

De slang is gevaarlijker dan de leeuw.

Den leeuw hoort ge aankomen, en hij brult, dat het merg in uw gebeente ontroert, maar hij komt niet als een sluipmoordenaar.

Daarom heb ik liever met een leeuw te doen dan met een slang.

Daar zijn we reeds aan de voorste huizen van het dorp.

Pas op; houd je langs den muur!

Dichter langs den muur, onvoorzichtige! Hoort ge dan de kogels niet fluiten?

Die kogels komen uit het kamp. Het kamp wordt bedreigd door de Boeren, die zich in en bij het dorp hebben vastgezet. En de Engelschen schieten zoo hard als zij kunnen, om zich die Boeren van het lijf te houden.

't Is toch wonderlijk.

Daar hebt ge de onmetelijke wildernis, waar bloem en plant en bosch en stroom slechts vrede ademen.

En midden in die onmetelijke wildernis ligt, als een klein eiland in den grooten Oceaan, een nietig plekje gronds, waarop zich eenige honderden menschen bevinden, die elkander bekampen op leven en dood.

't Is wonderlijk; neen -- 't is vreeselijk.

Maar we hebben geen tijd, om bespiegelingen te maken.

Hier moeten we den hoek om, en ginds, even buiten het dorp, in de richting van het kamp, waar dat bruinroode schild uithangt met het gele opschrift: "In den altoos vroolijken Olifant," daar moeten we zijn.

Het huis staat daar eenzaam, als een vooruitgeschoven voorpost, stil en ernstig. Nu zijn we er. Licht maar gauw de klink op van de bovendeur! 't Is veiliger in huis dan buiten.

Het schemert je, zoo van den vollen middag in de duisternis, die slechts getemperd wordt door het helder opvlammende vuur aan den grooten haard in de ruime keuken, die tegen de straat uitkomt, en door de lichtstralen, die door spleten en kleine openingen binnendringen.

Van waar die duisternis toch?

Hebt ge dan van buiten de zandzakken niet gezien, waarmede de vensterramen gebarricadeerd zijn?

Maar er zijn tusschen de zandzakken eenige openingen gelaten, schietgaten, waardoor het daglicht naar binnen dringt. Ook wordt uw oog aan de duisternis meer gewend, en kunt ge in de ruime keuken allengs alles beter onderscheiden.

't Is druk in de keuken. Er zitten en liggen zeker een tiental Boeren rondom den haard, en zij voeren levendige gesprekken. Terwijl drinken zij koffie, en dampen ze zoo geweldig, dat ge den rook wel kunt snijden.

In den hoek staan de geweren.

Telkens als er een blok hout, op den haard geworpen, vuur vat, schitteren de loopen als gepolijst staal.

Kijk nu eens goed rond; ge zult hier kennissen ontmoeten. Die kleurling daar, dat is Columbus. Het wit van zijn oogen steekt spookachtig af bij de zwarte huid. Hij lijkt nog zwarter dan gewoonlijk.

Hij houdt een eind telegraafdraad in de hand, rijgt er een stuk rauw vleesch aan en roostert het boven het knappende vuur.

De Boeren hebben de telegraafpalen omgehakt, om de gemeenschap der Engelschen met de buitenwereld te verbreken. En terwijl zij de palen gebruiken, om er hun vuren mee te onderhouden, gebruiken zij den draad tot allerlei huiselijke bezigheden.

Zóó wordt het aangename aan het nuttige verbonden, maar de Engelschen hadden het zóó niet bedoeld.

De jonge Arie is er ook; hij zit dicht bij Columbus.

Maar hoe komt hij toch hier? Ge zoudt hem bij de Passen van het Drakengebergte hebben gezocht; bij zijn Grootvader.

Nu, hij is er ook geweest; met Columbus. Grootmoeder had Columbus meegegeven uit bezorgdheid.

Ze hadden verschrikkelijk weer gehad op reis. Alle dagen regen. En de uitgedroogde spruiten 1) waren in diepe, schuimende stroomen veranderd, waar zij door heen moesten. Maar hun paarden waren taai en sterk, en zij waren, met de ruiters op hun rug, er door heen gezwommen.

Druipnat, hongerig en half ziek van de doorgestane vermoeienissen, waren onze reizigers in het kamp der Boeren aan het Drakengebergte aangekomen, maar 't was toch een dag van glorie geweest voor Arie.

Niemand had verbaasder gekeken dan de oude Dirk Kloppers, toen men hem uit de tent kwam roepen, om zijn kleinzoon te ontmoeten.

Langzaam was hij naar zijn kleinzoon toe gegaan, en hij had op gestrengen toon gezegd: "Arie, ben je de conditie vergeten?"

En er was een donderwolk over zijn breed voorhoofd heengetrokken. Maar Arie had triomfantelijk geantwoord: "Neen, Grootvader, ik ben de conditie niet vergeten," en tot den Kaffer zich wendend, die er bij stond, had hij gezegd: "Toe, ouwe Columbus, doe je mond nu eens open, en vertel op, wat je baassie heeft gedaan."

En Columbus _had_ het verteld; op zijn manier; in kinderlijke bewoordingen. En de Boeren hadden er bij gestaan, en hadden opmerkzaam geluisterd, tot het verhaal ten einde was. En toen hadden zij den ouden Kloppers om strijd geluk gewenscht met zoo'n dapperen, kranigen jongen.

"Wel," zeide een boer, "mijn Tijs, dien ik nog thuis heb, is _heel_ wat mans, al zeg ik het zelf; maar zoo'n stuk te bestaan -- ik weet niet, of hij _dat_ wel aandurft."

"Die jongen kan nog wel generaal worden," meende een andere omstander, die bedachtzaam zijn pijp stopte.

"Laat ons die wapens toch eens zien," zeide een derde, naar de Engelsche karabijnen wijzend, die als de krachtige bewijzen der heldendaad nog op de natte ruggen onzer ruiters hingen.

"'t Zijn beste geweren," zeide hij, na ze met kennersblik te hebben opgenomen, "en fonkelnieuw. Maar ik heb toch liever mijn oud voorlaadgeweer. Doch dat doet er niet toe. 't Is een stout stuk geweest -- 't is bijna niet te gelooven!"

"En toch is het waar," had Columbus met waardigheid verklaard; "O, mijn baassie is zoo'n knap scherpschutter!"

En zóó had het door elkaar gepraat, gewoeld en gegonsd.

Slechts één man mengde zich niet in die gesprekken; dat was de oude Kloppers. Maar de donderwolk was verdwenen van zijn voorhoofd, en in die oogen schitterden trots en vreugde.

"Kom, mijn jongen," had hij eindelijk gezegd, "kom mee in de tent, en vertel me dan, hoe het thuis gaat. En het lekkerste kop koffie en het fijnste stuk biltong van het heele lager is van daag voor jou. Jij bent een wakkere jongen. En Columbus moet ook mee komen."

Inderdaad had Arie de koffie nog nooit zoo lekker en de biltong nog nooit zoo fijn gevonden als hier in de tent van zijn grootvader.

Was de koffie werkelijk zoo lekker en de biltong zoo fijn geweest, of had het woord van zijn grootvader: "Jij bent een wakkere jongen," spijs en drank zoo heerlijk gekruid?

Twee dagen had Arie bij zijn grootvader vertoefd, zonder dat er iets bijzonders op de grenzen had plaats gegrepen.

Toen zeide de oude Kloppers: "Arie, jij en Herman Hoogerhuis gaat met Columbus naar het dorp, dat ik je nader zal aanduiden. Onze burgers zijn daar te weinig in aantal, om het nabijgelegen kamp der Engelschen voldoende in toom te houden, en jullie hebt de eervolle opdracht, om onze burgers daarin te helpen. Ge zult er ook verscheidene leden onzer familie aantreffen."

Zoo zijn ze dan alle drie hier aangekomen: Arie, Columbus en Herman Hoogerhuis.

Ge ziet Herman niet? Pas maar op, anders val je nog over zijn groote laarzen en zijn breede sporen!

Hij ligt vlak voor je voeten, in een kombaars van schapevachten gerold, en niet rustiger heeft hij vijfentwintig jaar geleden in de Hollandsche schommelwieg geslapen, dan hier op den steenharden grond, bij het gegons en gedruisch der stemmen.

Hij heeft nachtdienst gehad, en zoo'n heele nacht buiten in de frissche, fijne berglucht maakt slaperig.

En die lange schaduw, die aan zijn voeten zit, met dat lange sluike haar en die veldschoenen van ongelooid buffelleer is niemand anders dan Leen Blok.

Leen Blok heeft reeds lidteekenen opgedaan uit dezen oorlog. Als hij zijn rechterarm opstroopt, dan kunt ge ze zien. Maar ze zijn niet toe te schrijven aan den houw van een Engelschen sabel, maar aan een venijnigen knauw van zijn poney, die rebelscher is dan ooit.

Tegen den avond slenterde Leen, het roer over den schouder, naar zijn post, waar hij gedurende den nacht de wacht moest betrekken.

Er viel een zachte regen, en de lange Leen keek melancholiek voor zich heen.

Hij dacht aan Mieke zijn vrouw en aan zijn hond en aan zijn schapen en aan den Engelschen wolkoopman, die misschien in dat kamp daar ginds zat opgesloten en aan de smakelijke pap, die hij thuis elken avond volop kreeg.

Hij tastte weer naar zijn mageren hals en slofte zwijgend verder, totdat hij zijn post, een kleinen heuvel, met een paar wilgeboomen beplant, had bereikt.

Vóór hem lag nu het kamp, dat hij niet meer kon zien, want de avond viel snel, maar duidelijk vernam hij de Engelsche hoornsignalen.

In de richting van het kamp, doch dicht bij den heuvel, lag een boschje, en op dit boschje hield Leen reeds eenige oogenblikken zijn doezerige oogen gevestigd, want hij meende er een verdacht geluid te hebben gehoord.

Hij nam het geweer in de hand en legde aan, maar zijn hand beefde, en het liep hem ijskoud over den rug, toen plotseling een vreeselijke gedaante met uitgespreide armen uit het boschje op hem af stoof.

Zijn geweer weg te werpen, was zijn éérste werk, en zijn tweede werk was, om hals over kop de vlucht te nemen. Hij had nog nooit zoo hard geloopen.

"Wat is er gebeurd?" vraagden de verwonderde Boeren, toen hij hijgend binnen kwam stormen.

"Waar is je geweer?" vraagde Barend, de zoon van Lodewijk Jansen.

"Een monsterachtig Engelsch gedrocht, een helsche machine zat mij op de hielen. Lacht niet, menschen, want het was vreeselijk."

"Hoe zag het ding er uit?" vraagde Herman.

"Ik weet het niet; het had de armen uitgespreid, om mij de keel toe te knijpen," zeide Leen, en hij greep krampachtig naar zijn mageren hals.

Met één werd echter aan de voordeur getrapt.

"Daar heb je 't al," riep Leen Blok, bleek van schrik, maar Barend Jansen stapte bedaard naar de voordeur. Hij wierp de bovendeur open, en Teun, de makke struisvogel, die hier thuis behoorde, strekte den lompen kop over de onderdeur nieuwsgierig naar binnen.

"Hier is de helsche machine!" riep Barend.

De jonge Boeren schaterlachten.

"Ik zal 't aan jou vrouw vertellen," plaagde Herman Hoogerhuis.

"Als de Engelschen je te pakken krijgen, dan hangen ze jou op aan je mageren hals," schertste Arie.

"Och wat," zeide Barend Jansen met een ernstig gelaat, "de Engelschen zullen hem voor een slingeraap aanzien, en hem opzenden naar den dierentuin te Londen, wat ik je zeg."

Maar Leen liet ze praten, en toen hij op zijn verhaal was gekomen, stak hij doodbedaard een pijp tabak aan en zeide: "Voor je vaderland _dood_ te gaan, dat is het eiereten niet, maar je leven voor het vaderland te _sparen_, dat is het ware." En hij blaasde weltevreden dikke rookwolken uit.

Maar deze heerlijkheid duurde niet lang.

De snelle hoefslag van een paard werd vernomen, die vlak voor "den vroolijken Olifant" stopte.

Een oogenblik later werd bij het schijnsel der walmende vetkaarsen het zwaargebaarde gelaat van den veldkornet 2) zichtbaar.

"Leen Blok!" riep hij.

De geroepene stond langzaam op.

"Wat is 't oom?" vraagde hij.

"Je hebt je post lafhartig verlaten, en _hier_ is je geweer. Je deugt niet voor veldwacht; morgen vroeg ga je mee aan de loopgraven werken. Neen, maak geen praatjes. Je post bij den heuvel is reeds door een dapperder man bezet."

En zonder het antwoord van den aangesprokene af te wachten, maakte de veldkornet rechtsomkeert, en diep verslagen stak Leen Blok zijn pijp in den zak.

1) Kleine rivieren. 2) Boerenofficier.

HOOFDSTUK XVII. ------

't Is de laatste dagen heel stil geweest in het kamp der Engelschen. Ze hebben hun vuren zoo goed als geheel gestaakt.

't Is immers een nuttelooze kruitverspilling, want de Boeren zijn in hun loopgraven en achter hun muren voortreffelijk gedekt. En bovendien, wanneer de Engelschen schieten, dan moeten zij zich zelve bloot geven, en op het kleine kerkhof, achter in het kamp, ligt reeds menig dapper Engelsch soldaat begraven, wiens jeugdig leven door een onverhoedschen kogel werd afgesneden.

Had men kanonnen, dan was 't iets anders. Dan zou men eenvoudig het dorp platschieten, en de sterkten der Boeren met granaten overstelpen.

Maar men heeft helaas geen kanonnen in het kamp.

Enfin, dat is bij slot van rekening toch nog zoo erg niet. De ijzeren gordel waarin de Boeren het kamp hebben besloten, zal gauw genoeg als spinrag uiteenscheuren.

't Is veertien dagen geleden, dat een spion door de linie der Boeren is heengeslopen, en in het kamp het verblijdend bericht heeft gebracht, dat generaal Colley, een der kundigste hoofdofficieren, met een flinke troepenmacht in snelmarschen naar de Transvaal oprukt. De generaal had gezegd, dat hij het leven der Boeren zooveel mogelijk zou sparen, maar indien zij het waagden, om hem den doortocht door de Passen van het Drakengebergte te versperren, dan zouden zijn zware kanonnen er een onbarmhartige bres door heen schieten.

Ja, generaal Colley zal helpen; er is geen twijfel aan, al vertraagt zijn komst.

Want zijn komst _is_ vertraagd; dat is waar. Hij had volgens de mededeeling van zijn spion reeds hier kunnen zijn, ja eigentlijk al hier _moeten_ zijn. Maar de hooggezwollen rivieren zullen hem en zijn troepen hebben opgehouden.

Wel zeker, waarom niet?

Arie begrijpt het niet. Een schietend kamp kan hij verstaan, maar een zwijgend kamp is hem een raadsel.

Zijn nieuwsgierigheid wordt geprikkeld, en op zekeren morgen gaat hij op kondschap uit. Hij sluipt met de noodige voorzichtigheid, het geweer in de hand, het golvende terrein door, maakt een grooten boog en komt tegenover den achterkant van het kamp uit.

Met den buik plat op den grond, heeft hij zich op een tamelijk hoogen heuvel neergevleid.

Hij heeft van uit dezen observatiepost een duidelijk gezicht op het kamp. Trouwens, hij is er niet ver van verwijderd.

Hij ziet de aarden wallen, die het kamp omringen, de zandzakken waarmee ze zijn verzwaard en verhoogd, de eenvoudige tenten der soldaten en de grootere der officieren. Hij ziet het golven van het witte linnen der tenten in den frisschen morgenwind, het blinken van het staal der in rotten geplaatste geweren en den eentonigen stap van den schildwacht.

Maar dat een der officieren hem door den verrekijker heeft bespied, en dat reeds een tiental soldaten, door het struikgewas gedekt, snel en behoedzaam naderen, neen, dat ziet hij niet.

Als hij den blik maar één oogenblik links laat gaan, dan zal hij den dans misschien nog ontspringen, maar hij doet het niet. Hij vergeet de voorzichtigheid; zijn oog is bekoord door het voor hem ongewone, militaire schouwspel, daar vóór hem.

Doch nu merkt hij onraad -- hij grijpt naar het geweer.

't Is te laat.

De sergeant heeft er zijn grooten voet op gezet, en zes, tien handen grijpen den jongen.

Hij verweert zich wanhopig. Hij rukt, schopt en trapt, maar de sergeant, een ware reus, zegt heel bedaard: "Houd je maar koest, ventje, anders zal je een muilpeer van mij hebben, die je lang zal heugen."

Dat begrijpt Arie ook en hij geeft het op.

Hij zit in de knip.

"Rechtsomkeert, marsch!" beveelt de sergeant. "Vlug! Anders krijgen we de Boeren nog op ons lijf!"

"Ja, als dat eens waar was," denkt Arie. "Als Barend Jansen het bijvoorbeeld eens wist! Hij zou zich liever dood vechten, dan Arie in de handen der Engelschen te laten!"

Helaas, hij ziet niemand.

Als hij eens begon te roepen -- reeds begint hij uit alle macht te roepen.

"Stop hem een prop in den mond!" beveelt de sergeant.

't Is reeds gebeurd: Arie doet geen kik meer.

En de Boeren komen niet opdagen; trouwens, men is aan den achterkant van het kamp.

Binnen een paar minuten zijn de Engelschen met hun gevangene nu binnen het kamp, en de prop wordt den jongen onmiddelijk uit den mond genomen.

De sergeant brengt hem bij den kolonel, die voor zijne tent op en neder wandelt.

"Zóó," zegt de kolonel op monteren toon tot den sergeant, "heb je daar dien jongen, dien ik op den heuvel ontdekte? Ja, ik zie het al, 't is dezelfde," en zich tot den jongen wendend, gaat hij voort: "Ik heb jou den tijd gegund, om ons kamp op je gemak op te nemen, maar de ééne dienst is de andere waard. Vertel mij nu eens, hoeveel Boeren hier in den omtrek liggen?"

"Dat zeg ik niet, kolonel," antwoordt de aangesprokene, die van den eersten schrik is bekomen.

"Zóó -- zeg je dat niet? Waarom zeg je dat niet?"

"Omdat ik geen spion ben van de Engelschen."

"Hoe oud ben je? Vijftien jaar?"

"Ik ben er dertien, kolonel."

"Zoo -- dertien jaar. Je bent brutaal genoeg voor je leeftijd, maar met dezen stok kan ik er de brutaliteit wel uitranselen."

Er volgde een kleine pauze, en Arie liet den blik onderzoekend over den omtrek gaan.

In één, twee, drie sprongen kon hij boven op de zandzakken en over den muur zijn. Dáár, tien passen achter den kolonel, daar was een heele mooie gelegenheid.