De Scheepsjongen van "De Gouden Leeuw"
Part 8
"O, Witte," ging deze voort, "wat heb ik daar dagen mee rondgeloopen! Nu eens was ik op weg naar het achterdek, maar, of het werk zoo sprak, dan kwam ik telkens een van de samenzweerders tegen en was het me, of ik de beulsknecht was, die voor zijn meester een strop ging halen, om die om den hals van m'n maats te wringen.... Dat heeft weken en weken geduurd. Ik ben er wel tien jaren van m'n leven ouder door geworden. Want ook in 't volkslogies moest ik aldoor maar doen, of ik van niets afwist."
De jonge matroos veegde zich met den rug van zijn hand het angstzweet van zijn gezicht, waarin de twee wijd geopende oogen in het licht van den tropennacht spookachtig uitkwamen.
Hoe ook getroffen door wat zijn vriend zeide, bleef Witte zijn kalmte behouden. Geen wonder! Heel zijn leven door heeft hij nooit geaarzeld in de keuze, welken weg hij zou inslaan. Aan den eenen kant lag zijn plicht, en aan den anderen kant de verzaking daarvan. Middenwegen kende hij niet.
[Illustratie: Ik ben er tien jaren ouder door geworden.]
Hij bewaarde nu het stilzwijgen, en om het schip hoorde men den zang der zee, die nooit sliep.
Met een zware zucht vatte Hans zijn verhaal weer op.
"Ik zou niet weten, hoe dat met me afgeloopen zou zijn, als er eindelijk niet een uitkomst was gekomen."
"En die uitkomst?"
"Er was een matroos, dien we eigenlijk geen van allen graag lijden mochten. Ook de officieren waren niet op hem gesteld. Telkens had hij straf. Eens werd hem, met een langen ketting, een blok hout aan zijn been vastgebonden, zoodat hij, als hij op 't dek was of in 't want moest, altijd een gerinkkink met zich voerde, dat we er eigenlijk allen om moesten lachen, tot den kleinsten kajuitsjongen toe. Nu, dán moest-je hem hooren aangaan!"
"Ik begrijp het al," viel Witte hem in de rede, "de samengezworenen dachten, dat die matroos graag bij gelegenheid wraak zou willen, nemen op den schipper."
"Juist.... Ze wisten hem apart te krijgen en maakten hem stukje voor beetje met het plan bekend. Hij gaf er zijn hand op, dat hij niets zou verraden, en zei nog nadrukkelijk, dat ze van hem geen zwarigheid te wachten zouden hebben.... en ging toen regelrecht naar den schipper om alles te verraden. Hij heeft er van den schipper twee honderd stukken van achten voor gekregen."
"En aangepakt?"
Hans knikte van ja.
"Dat 's gemeen!"
Hans was dit volkomen met hem eens, maar liet toch uitkomen, hoe dat verraad voor hem een ware verluchting was geweest.
"Nu was het uit met altijd dat gezeur in m'n kop. De kogel was door de kerk."
"En waarom kon-je dan toch niet tot rust komen?"
Weer zuchtte Hans en vertelde, hoe hij na een poos alweer zich ongerust was begonnen te maken, dat een van de samenzweerders ook zijn naam mocht noemen.
"En ze wisten niet, dat jij alles gehoord had!" merkte Witte op.
"Dat is zoo; maar onder de folteringen noemt men allicht een naam, om maar van de pijn af te komen. En ik had er goede kameraads onder."
"O zoo! En jij was bang, dat als ze jou ook eens lieten komen, je dadelijk door de mand zou vallen?"
Hans knikte bevestigend.
Toen stak hij, als hulpzoekende, zijn beide handen naar zijn vriend uit.
"Witte, geef me toch raad! Ik durf zelfs niet rustig slapen, bang, dat het geheim over mijn lippen zal komen. 't Is voor mij geen leven meer om uit te houden.... Zeg me toch, wat ik moet doen!"
"Geen dag langer zóó'n leven leiden."
"Hoe bedoel-je dat?"
"Als ik jou was, ging ik al bij het krieken van den dag bij onzen schipper en zei hem alles.... Den verrader speel-je niet meer, want heel de samenzweering is toch al op de flesch; maar misschien kun-je nog enkele goede inlichtingen geven, en, vergeet het niet, daardoor wel veroorzaken, dat het met de folteringen uit is. Die zijn heusch niet voor de poes, hoor!"
Hans rilde.
"Misschien.... misschien willen ze meer uit me persen, dan ik zeggen kan!"
"Best mogelijk! Maar zoo'n leven als jij nu leidt, is ééne foltering."
Nu greep Hans met beide handen Witte's arm.
[Illustratie: Hans kreeg nog een héél leelijke priem op z'n neus.]
"Zeg-jij het, jij!.... Je hebt een wit voetje bij den schipper, dat weten we allemaal. Misschien zal het dan zoo erg niet voor me worden, als de schipper me eens alleen bij hem laat roepen. O, Witte, wat zou ik blij zijn, als ik weer eens gerust slapen kon!"
Witte dacht eenige oogenblikken na.
"'t Is goed," gaf hij toen eenvoudig ten antwoord.
En zoo geschiedde het, dat Witte dien morgen heel wat aan zijn beschermer mede te deelen had.
Ja, het gelaat van kapitein Schapenham ging toen ernstig staan en Witte moest wel hard vechten voor zijn vriend, maar gelukkig kwam alles in orde. 't Ging wel op 't kantje af en Hans kreeg nog een héél leelijke priem op z'n neus, maar daar bleef het dan ook bij. Ze wisten, dat het volstrekt geen kwaaie jongen was, en in de verste verte niet aan muiterij dacht. Enfin, het een bij het ander genomen, niet te vergeten het goede woordje, dat zijn vader bij den gezagvoerder van de "Westvriesland" voor zijn zoon sprak, liep het nogal met een sisser voor Hans af.
Toen begon hij eerst zachtjes en zoetjesaan hoe langer hoe harder te neuriën en te fluiten, en omdat hij nog in zijn jonge jaren verkeerde, ging spoediger dan Witte wel had kunnen denken dat oude-mannenachtige van Hans z'n gezicht en van heel z'n doen en laten en was hij spoedig weer de oude. En als Witte over hetgeen gebeurd was nog wel een apartje met z'n vriend wou hebben, had die daar in 't geheel geen ooren meer naar.
Met de samenzweerders liep het zoo goed niet af. Nadat ze genoeg, of eigenlijk meer dan genoeg uitgevraagd en afgemarteld waren, werden de dertien belhamels ter dood veroordeeld en de overigen tot een levenslange verbanning op de Oost-Indische schepen, waardoor hun lot niet veel van galeislaven verschilde. Nadat men den 10en November de Straat Soenda gepasseerd was, ging men den 13en aan wal om het vonnis aan de veroordeelden te voltrekken. Die executie was even ongenadig als heel die tijd was.
Niet lang vertoefde "de Gouden Leeuw" op de kust van Bantam, maar kreeg reeds den 27en November order om naar de kust van Coromandel in Voor-Indië te zeilen, en jaren achter elkander heeft het in die Indische wateren gevaren.
We zullen het op die tochten niet vergezellen. Ook niet melden, wat er in dien tijd met onzen scheepsjongen gebeurd is, om de eenvoudige reden, dat hij door zijn vlijt, zijn kundigheden en kloek gedrag al spoedig tot licht- en daarna tot volmatroos opklom. Hij steeg zoodanig in de gunst van zijn meerderen -- werkelijk niet door oogendienerij, want daar heeft men zijn heele leven door niet bij Witte mee moeten aankomen! -- dat toen twee jaren later, toevallig ook in de maand November, de machtigste man in de Indiën, namelijk de Gouverneur-Generaal, aan kapitein Schapenham vroeg, hem een vertrouwd en alleszins bekwaam persoon te zenden, onze kapitein niemand beter wist aan te bevelen dan Witte de With.
Van dat oogenblik af werd hij, met den rang van korporaal, lijfknecht bij den Toewan-Bezaar, den Grooten Heer, die met meer dan koninklijke macht in deze streken heerschte.
Die Gouverneur-Generaal was... Jan Pieterszoon Coen, de stichter van Batavia, maar die laatste eere-titel moest de ijzeren Coen toen nog verwerven. Onder heel wat avonturen heeft die stichting plaats gehad en Witte heeft daar trouw bij geholpen, gelijk in de geschiedenis van Insulinde vermeld staat.
XIII.
'T WAS IN DE MEI....
Het was in de maand Mei 1620 en wel den 23sten, dat een Oostinje-vaarder een knap stuk volbracht, doordat het zonder hulp van een loodsman het Goereesche Zeegat binnenzeilde.
De loodslieden uit Hellevoetsluis waren er wel niet te best over te spreken. Zij waren er nu eenmaal voor, om de vaartuigen veilig uit de zee te brengen.
"'t Is een gelukkie," gromden zij, "dat hij 't er zoo goed heeft afgebracht; maar verdienen deed hij 't eigenlijk niet. Want op die maneer neemt hij iemand het brood uit den mond. Wat in 't geheel niet is, zooals het hoort, wanneer je kersversch uit rijk-Oostinje komt."
Doch de meeste lieden, die er van den wal af getuigen van waren geweest, vonden het kranig gedaan, en hun aangezichten blonken blijde die der equipage tegemoet, in de volle zekerheid, dat binnen korten tijd de geeltjes en witjes uit den vollen buidel der matroosjes door Hellevoet zouden rollen.
Ja maar -- alsof zij op twee uur afstands er al de lucht van te pakken hadden gekregen -- ook uit der stede van den Brielle waren heel wat lieden op marsch gegaan, om aandeel in den buit te krijgen. Onze goede bekende, vrouw Stoffelsen, had het al heel gauw vernomen, en dies haar man de deur uitgedreven.
"Dat zeevolk zal haast geen vodden meer aan d'r lijf hebben, en dus valt er voor jou wat te verdienen."
Mr. Jochum had iets gemompeld van een wagen te nemen, maar zijn vrouw had zeer terecht beweerd, dat als hij liep, dit het eerst verdiend was.
"En eer ze aan de bel getrokken en een wagen klaar hebben, is er haast net zooveel tijd naar de maan, als jij noodig hebt, om er op je apostelpaarden te komen. In dien tijd is licht een ander je voor."
Op zijn knipbeenen was mr. Jochum dus naar de forteresse gegaan, en over gebrek aan gezelschap onderweg had hij niet te klagen. En toen hij er gekomen was en hoorde en zag, hoe de Oostinjevaarder den naam van "de Gouden Leeuw" droeg, kwam het dadelijk bij hem op, dat daar nog eens een leerjongen van hem mee uitgevaren was. Nu, diens tegenwoordigheid zou thans voor zijn ouden baas geen schade zijn!
In al die jaren had hij niet veel van hem vernomen. Er moesten wel brieven bij zijn moeder gekomen zijn, maar die was toch zoo dicht als een pot en sprak liefst niet over dezen zoon. Enfin, als hij gestorven was, zou mr. Jochum daar wel van gehoord hebben. Wat niet wegnam, dat hij tòch wel dood kon zijn. Want als men in die dagen een familie-lid in de Oost had, kon die ginder al begraven en vergeten zijn, eer men er hier kennis van kreeg.
Hij moest er nu toch haring of kuit van hebben, de brave kleermaker. Hetgeen hij doen kon, zonder zijn eigenlijk doel uit het oog te verliezen. En zoo klampte hij daarover een leuken maat aan, die er erg verfonfaaid in de kleeren uitzag en met wien hij natuurlijk eerst gezorgd had zaken te doen.
Bij de vraag, of er ook een zekere Witte de With aan boord was, liet de aangesprokene zijn prettige, bruine kijkers ineens onderzoekend over mr. Jochum en zijn knipbeenen gaan. Even kwam er een groote jool in die kijkers, maar dadelijk weer stond dat guitige gezicht zoo strak, als maar eenigszins mogelijk was.
"Laat me 's denken... Ja, nou je 't zegt... Ik heb een stuk kerel gekend, die zoo heette... En die heeft in Oostinje wàt een rare schaats geslagen!"
"Kom!..."
"Secuur, hoor!... Maar 't is er hem naar vergaan... Of ze 'm aan de ra opgeknoopt of een kop kleiner gemaakt hebben, ben ik gladweg vergeten, maar..."
Hij kon niet verder gaan van den lach, want mr. Jochum was er bleek van geworden.
"Hoe ~kun~-je om zoo iets ijselijke nog staan lachen!"
"Loop man! In de Oost word-je zoo hard als een spijker. Dacht-je soms, dat we daar de kindertjes van de blauwtjes bakerden of in slaap wiegden?"
"Nee, dat nu wel niet... Maar dat die jongen zoo ongelukkig aan z'n eindje is gekomen, die nog bij mij op de kleermakerstafel gezeten heeft..."
[Illustratie: "Hoe kun-je om zoo iets ijselijks nog staan lachen!"]
"Nou, meester, dan mag-je wel van geluk spreken! Want dan heb-je een adder vlak bij je gehad, een tijger, een verscheurend beest... Eén ding druk ik je op het hart: dat je van dat alles geen stom woord over je lippen laat komen, omdat er politie en justitie mee gemoeid zijn."
"Ik wou, dat ik 't niet wist!" weeklaagde mr. Jochum.
Weer lachte de zeeman. Hij sloeg den meester op den schouder, dat die zijn geheele geraamte voelde sidderen.
"Over een paar dagen, als ik voor mijn lorren bij je moet zijn, zal ik onzen stuur meebrengen, die er alles van weet, omdat hij bij den moord en het doodvonnis tegenwoordig is geweest... Kijk, die daar!..."
Hij wees hem naar een grooten, stevigen baas, die van het schip naar den wal keek, een gebruinden kop met knevel en puntbaardje.
Het was Witte, maar mr. Jochum herkende zijn vroegeren leerling in dien gezouten zeebonk niet.
In diepe gedachten ging mr. Jochum, die anders goede zaken gemaakt had, naar den Briel terug.
"Wat zal m'n vrouw dààrvan staan kijken!" herhaalde hij telkens hoofdschuddend.
Eerst had hij 't voor haar verborgen willen houden, maar hij rekende er terecht op, dat, hoe graag zijn vrouw de tekortkomingen van anderen in de buurt rondblaakte, zij toch den noodigen angst voor alles had, wat in verband stond met "'s heeren gevanckenis." Zij konden er nu samen over praten. Voor ieder apart zou dit geheim te groot zijn geweest.
Wat Witte betrof, die schudde onwillig het hoofd, toen Hans hem de grap vertelde.
"Waar was dat nu voor noodig?"
"Noodig?... Waarvoor is alles noodig!... Zeker niet om een zuur gezicht te zetten, als je in Patria terug ben!"
"Als je over een paar dagen in Hoorn komt, wat zal dan je eerste gedachte zijn, Hans?"
"Te duiker, ja, Witte! Zoo diep heb ik alweer niet doorgedacht."
"Dàt zal je ongeluk worden," voorspelde Witte.
En zijn gezicht versomberde zoodanig, dat Hans erom begon te lachen.
"Kom, Witte!... Als je moeder je zóó terugziet..."
"Zàl ik ze weerzien?"
Even verbouwereerd keek Hans hem aan, maar tegen zulk een somber voorgevoel kwam heel zijn opgeruimde natuur op.
"'t Zal best schikken, hoor! Vanavond of morgen zit-jij bij moeders pappot, en ik over een paar dagen."
"We hopen er het beste van, Hans."
"En naar je ouwen meester ga-je toch ook?"
"Zeker. Ik heb wat voor die luidjes meegebracht."
"En maken we daar dan een grap van?"
"Nou.... dat zullen we zien."
En in de herinnering, hoe hij in zijn jongensjaren vrouw Stoffelsen geturkt had, kwam er een schijn van een glimlach over het stugge gelaat van Witte. Waaruit Hans, die hem zoo goed kende, opmaakte, dat het plannetje wel zou doorgaan. De volvoering daarvan zou echter afhangen.... van dat ééne!
Ach, dat ééne omvatte voor Witte zoo véél èn.... zoo velen!
Zou thuis alles in orde zijn?
En, of hij er zich al dan niet tegen verzette, zijn gedachten gingen óók uit naar een andere hofstede....
Het was in de Mei, in het laatst al, wanneer die over zal gaan in de koninklijke maand van Juni. Het midden, -- wanneer de IJsheiligen 4) even om het hoekje komen kijken, -- was een kaap, die al omgezeild was. De wind, die weken lang bijna voortdurend in den Noord-Oostelijken hoek gezeten had, was verzuidelijkt, en droeg de geuren van Meidoorn, seringen en bloesem, ja, van heel de vernieuwde, jonge aarde. Droomerig telde de koekoek, hoeveel jaren men nog leven zou, of, voor een stiekem toeluisterende deerne, op welken leeftijd zij de bruid zou zijn. 't Was àl leven en geluk, en voor den jeugdigen zeeman, die langs de bloeiende akkers en doornhagen ging, om het plaatsje op te zoeken, waar hij geboren was, het vaderland, dat hij nooit vergeten had.
Vergeten? Hoe zou dat in ~die~ dagen, hoe zou dat voor hèm ooit mogelijk zijn geweest? Waren het niet de dagen van bloeitijd, van uitzetting voor de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden, welker vlag door Barendts en Heemskerck boven het barre Nova-Zembla, en door Jan Pieterszoon Coen in de weelderige tropen-wereld van een wordend Nederlandsch wereldrijk gehandhaafd was? En was niet een van de verdedigers van het fort bij Jacatra, een der medestichters van het Kasteel van Batavia, diezelfde een-en-twintigjarige jonkman?
En nu voelde hij, die de wijdheid van de wereld ervaren had, zich heel klein en nietig, zooals wij allen, wanneer we tegenover het verleden onzer kinderjaren staan. De vogels sjierpten en tierelierden tegen elkaar van drukte, om hun wijfjes het dagelijksch onderhoud te bezorgen. Want in de maand Mei legt ieder vogeltje z'n ei, behalve de koekoek en de spriet, die leggen in de Meimaand niet. De zwaluwen, evenals hij van heel verre gekomen, scheerden hoog in de lucht. Zij hàdden al teruggevonden het nestje, over welks rand zij voor het eerst de wereld hadden ingekeken.
En toch, hoe ook zijn gedachten van dat nestje vervuld waren.... den naasten weg erheen volgde hij niet!
O ja, zoo paaide hij zich -- en dat kunnen wij menschen toch zoo handig! -- het was, om eerst van nicht Maertje te hooren, of het alles wel was aan boord, daar in Lagerwoude.
En, hoe hij er zich tegen verzetten mocht, hij kòn niet anders. Hoe langer hoe sterker trok zijn hart naar die andere hofstede, waar een meisje leefde, die eens voor hem een oase geschapen had in de droeve jaren zijner dorre jeugd.
Hoe zou Marie er uitzien, nu, in die blonde heerlijkheid van Mei, zijzelf met haar glanzend blonde haren, en die oogen, welker glans voor hem niet overstraald was door de vlammende zon van Indië.
Of.... of.... Ja, ook jonge menschen kunnen sterven. Vier jaren is zulk een lange tijd!
Of.... als zij eens verloofd, misschien wel reeds gehuwd was!
O ja, ze had beloofd aan hem te blijven denken. Maar hij, de zeeman, wist wel de beteekenis van het spreekwoord "Uit het oog, uit het hart!"
Nu was het, alsof over dien schoonen Meidag een waas kwam, gelijk dat geschieden kan, plotseling, door heibrand.
't Was, of er lood aan zijn voeten hing, of hij, die de muren van Jacatra bestormd had, geen moed meer bezat verder te gaan.
Nog een pad langs, een dijk over, een paadje, dat zich tusschen de bloeiende Meidoorns slingerde....
Daar opeens, bij een wending, ziet hij, nog in de verte, een menschelijke gestalte. Van een meisje, omglansd door het zonnelicht, waartegen zij de oogen beschut door de uitgestrekte hand erboven te houden. Alsof zij uitkijkt, den kant van Hellevoet op.
Weg wijkt de heibrand. Alles wordt vol leven en glans. Zijn hooge gestalte schijnt zich nog uit te rekken. Zal hij.... zal hij doen, alsof hij een vreemde is, eens onderzoeken, of zij hem na al die jaren nog herkent?
Maar reeds is hem de hoed in de hand gevlogen en hij wuift, wuift zoo wijd en breed als hij kan, en hij jubelt: "Marie, Marie!" en stormt vooruit, alsof er weer een kasteel te veroveren is, en daar heeft hij al haar twee handen in de zijne, en hij ziet haar aan, zoo blijde en gelukkig, dat zij dadelijk zijn oogen herkent, de oogen in dat bruingebrande gelaat van den stoeren, uiterlijk haar wildvreemden zeeman.
"Witte!"
"Marie, Marie!"
"Domme jongen.... is me dat doen schrikken!"
"Ik?.... En naar wien keek-je dan uit?"
"Naar.... naar een geit, die weggeloopen is...."
"Zeggen, zèggen.... de waarheid!"
"Heusch, dàt is de waarheid!"
"Jij, Meniste, durf-je dat volhouden?"
Toen lachte zij met heel haar wezen, en blozend verborg zij haar hoofd tegen hem aan.
4) 13, 14 en 15 Mei.
XIV.
TOT ZIENS!
't Was eigenlijk maar gelukkig, dat hij eerst de steê van nicht Maertje had opgezocht, die hem in dezelfde keuken ontving, waar Witte in de treurige jaren van zijn jeugd toch de hartelijkheid van medemenschen had mogen ondervinden. Het mansvolk was met dit mooie weer op het veld, en zoo zaten zij daar weer als vanouds met hun drietjes. En toen de eerste begroetingen waren afgeloopen en men weer een weinig aan de wel wat veranderde gezichten gewoon raakte, deelde Marie's moeder hem mede, dat er iets akeligs op de steê in Lagerwoude geschied was.
Zijn jongste broer was gestorven, Abram, even achttien jaar oud. 't Was altijd een zwak vat geweest, eigenlijk zooals al de kinderen van zijn moeder, behalve hij. Toch trof het hem diep, vooral toen hij hoorde, hoe de jonge teringlijder nog dikwijls over hem gesproken had. Het was den 20sten Maart van dit jaar gebeurd, en Witte, stipt en secuur gelijk hij in alles was, rekende uit, dat hij zich toen juist op het eiland Sint-Helena bevonden had, een mijlpaal op de terugreis naar huis. Zijn zuster was ook niet heel gezond en Andries zag er zelfs slecht uit.
En moeder?
Nicht Maertje maakte een gebaar, alsof zij zeggen wilde:
"Altijd dezelfde!"
Donker keek Witte voor zich.
"Nu zie ik nog meer tegen die ontmoeting op.... En toch heb ik met haar te doen, nicht. Wat zal zij inwendig bedroefd zijn om broer."
Met groot medelijden keek Marie hem van terzijde aan.
Haar moeder zag dat.
Zij legde haar hand op den gebruinden knuist van den jongen zeeman.
"Witte.... Marie zal met je meegaan."
Beide jongemenschen zagen haar, en toen elkander aan.
"Ik, moeder?" vroeg Marie ietwat verlegen.
"Ja!" gaf Witte, in plaats van de aangesprokene, ten antwoord.
Met een heftige beweging stond hij op.
"Kom mee, Marie!..."
Doch toen zij bij de hofstede in Lagerwoude gekomen waren, kwam over hem, die niet gewoon was voor iets terug te deinzen, een groote aarzeling.
"Marie.... ik ben bang, dat ik haar zal doen schrikken. Ze is oud en men kan nooit weten..."
"Wat wil-je dan, Witte?"
"Dat jij vooruit gaat en haar erop voorbereidt."
Waren dat nu de felle oogen van den stuurschen knaap van weleer, die haar thans zoo smeekend aanzagen?
"Goed," antwoordde zij.
En terwijl Witte zich in het glanzende gras terzijde van het voetpad neerzette, ving zij den zwaren gang aan naar de bazinne van Lagerwoude.
Hij zag haar na, en zijn hart bad, dat haar gang gezegend mocht zijn.
Toen.... o, eindeloos scheen de tijd voorbij te gaan. Zijn blik werd als vanzelf getrokken tot den geweldigen reus in dit Far West der Nederlanden, den Brielschen toren. Al de donkere herinneringen uit zijn kinderjaren doken voor hem op. En verbeeldde hij 't zich?.... Trilden daar door de voorjaarsweelde niet de zware klanken van de Catharina, de groote klok, die negentien jaren later triomf zou luiden over de zege bij Duins, waarin hij, terwijl bestevaêr Tromp aan Spanje den heerschersstaf ter zee ontwrong, met zijn felle oogen de Engelsche zeemacht in bedwang zou houden? Thans luidde zij, gelijk hij verstond, ter uitvaart van een doode, en hij dacht aan zijn vroeg gestorven broer. Maar toen ook gevoelde hij, de doopeling van Ds. Leo, tot Wien die sombere klanken opstegen, en een groote rust en stil vertrouwen kwamen over hem.
Daar zag hij Marie op 't pad verschijnen; zij wenkte hem. Reeds was hij opgesprongen, en niet zonder eenige verbazing ervoer het jonge meisje, hoe rustig die kloeke mannengestalte op haar toetrad.
"Je moeder wacht je, Witte."
Hij gaf geen antwoord. Met heel zijn innerlijk was hij al in die groote, zelfs nu nog halfduistere keuken, waarin zij troonde, de bazinne van Lagerwoude.
Twee paar oogen van dezelfde felheid ontmoetten elkaar, maar in beide school dezelfde uitdrukking van verlangen.
Zij zat op haar oude plaatsje; Katrien, een weinig angstig en als om dadelijk tusschen beiden te treden, naast haar. Achter hem trad Marie binnen. Geen verdere getuigen waren er van deze ontmoeting na jaren-lange scheiding.
"Moeder!"
Ze antwoordde niet, maar keek hem aldoor aan.
Hij greep haar hand, sloeg zijn krachtigen arm heel teertjes om haar heen, en boog zich over haar; maar zèlf verlangde hij het eerst gekust te worden.
Ze weerde hem af. Niet heftig, maar hoewel zacht, toch zeer beslist.
Het bloed vloeide hem naar het hart. Zelfs onder zijn bronskleur zag men, hoe bleek hij werd.
Toen sprak ze:
"Ik heb een boodschap aan je, Witte.... Van broer."
Hij wrong zich de vuisten, dat men het hoorde.
"Ik moest je groeten van hem.... als je ooit terugkwam."
Er bewoog zich iets in de gelaatstrekken van de harde, oude vrouw, dat akelig was om aan te zien. De nooit geheelde smart om het verlies van dàt kind.
Marie kon het niet langer aanzien.
Ze plaatste zich vlak naast Witte.
De oude vrouw zag dat, maar met een uitdrukking, alsof zij het niet begreep, alsof haar gedachten alleen bij den doode waren.
[Illustratie: "Omdat God het zoo heeft verordonneerd, moeder!"]
"Hij hield zooveel van je, Witte. Waarom moest hij sterven, zonder dat hij afscheid van je nemen kon?"
"Omdat God het zoo heeft verordonneerd, moeder!"
Het kwam er bijna koninklijk vroom bij Witte uit.