De Scheepsjongen van "De Gouden Leeuw"

Part 6

Chapter 64,036 wordsPublic domain

Men bevond zich toen pas aan het einde -- of van den Oceaan af gerekend aan het begin -- van het Kanaal, waaruit we kunnen opmaken, dat men bar-veel met tegenwind had moeten worstelen, want als men dat eindje op de kaart nagaat, moet men eerlijk bekennen, dat "de Gouden Leeuw" niet veel was opgeschoten in die tien dagen tijds.

Op die plaats dan trof men vier Hollandsche schepen aan, die ook naar Oostinje op weg waren en voor dezelfde Compagnie voeren. Het waren "de Eendracht" en "de Trouwe" van Amsterdam, "de Banthem" van Enkhuizen en "de Westvriesland" van Hoorn.

Het was geen toeval dat die schepen elkaar "bejegenden". Kapitein Schapenham was er natuurlijk van onderricht.

In deze tijden toch was het beter om er met z'n vijfjes goedgewapende oorlogsschepen op uit te zeilen, dan op z'n eigen houtje den tocht naar Oostinje te ondernemen.

Wel hadden wij met Spanje een wapenstilstand voor den tijd van twaalf jaren gesloten, maar dat strekte zich niet uit tot de Indiën.

Bovendien was juist door het Bestand de zeerooverij bijzonder toegenomen, gelijk we straks nader zullen hooren. En verder.... onze buren van over de zee, de Engelschen, volgden ons als onze schaduw naar de Indiën, in welk geweldig eilandenrijk beide Europeesche buurtjes er niet al te zeer tegen op zagen elkaar af en toe in de haren te vliegen of de inlandsche vorsten tegen elkaar en niet minder tegen de andere blanken op te stoken. Ja, die bleekgezichten hebben heel wat wonderlijke noten op hun zang gehad!

Welke noot onze joviale vriend Hans op _zijn_ zang had, weten we al: dolgraag zou hij op "de Westvriesland" overgeplaatst zijn, en daarom was het een hard gelag voor hem, toen hij het schip van zijn geboortestad Hoorn vlak voor zijn kluisgaten kreeg.

"Daar had ik nu als matroos den banjer op kunnen spelen," gromde -- in zooverre dat den immer opgeruimden knaap kon afgaan -- hij tegen Witte, aan wien hij, uit het want, de verschillende zeekasteelen aanduidde.

"Kom, Hans wie weet, wat er nog gebeuren kan!"

"Wel, heb ik van m'n leven! Sedert jij net als een slang je huid -- nou ja, je kleermakershuid dan! -- hebt afgestroopt, zie-jij nergens meer bezwaren in."

"Die zullen wel weer komen," glimlachte Witte. "Alles op z'n tijd, maat! Maar voorloopig ben ik veel te blij, dat ik uit al dat gezanik ben. O, wat een geluk, zeeman te zijn!"

"Jij?.... Wat een verbeelding!.... Zeeman van een blauwen Maandag, hoor! Je komt pas kijken.... weet op z'n best, hoe je een dweil in je knuisten moet houden, en al wist-je dat, dan doe-je het nog verkeerd, sukkel! De eene bootsman trapt je links, en de andere rechts, en dat wou nu al gaan praten van zeeman?"

[Illustratie: De verschillende zeekasteelen aanduidde.]

"Ben-je haast klaar?" vroeg Witte.

"Klaar?.... Ik begin pas!"

"Wacht dan even, want ik wou het even over dat trappen hebben. Laat ik me dat doen, Hans?"

Hans keek hem aan, zooals hij daar, blootshoofds, zijn rood-baaien trui los om den naakten hals, de mouwen hoog opgestroopt, in het want hing. Neen, die branie met zijn vurige oogen en zijn norsch gezicht, zag er niet naar uit, om zich door den eersten den besten in een hoekje te laten duwen.

"Nou?" vroeg Witte, die best snapte, wat die onderzoekende blik van zijn maat voor een beteekenis had en nu wel graag eens een goedkeurend en aanmoedigend woordje hoorde, waarmee hij trouwens nooit verwend was geworden in zijn leven aan wal.

Maar Hans snapte dat ook, en begon hem daarom ongenadig te plagen.

Daar kon Witte nog niet te best tegen, en terugplagen ging hem heelemaal nog niet goed af. Gelukkig, dat de drukte, veroorzaakt door het bij elkaar komen der schepen, of juister van de bevelhebbers, die nu heel wat met elkaar te bespreken kregen, genoeg bezigheid aan het scheepsvolk en daardoor voldoende afleiding zoowel aan Hans als aan Witte gaf, om hun gedachten een andere richting heen te voeren.

Toch nam Hans zich stellig voor om bij gelegenheid eens een balletje op te gooien, bijvoorbeeld wanneer hij eens op het achterdek geroepen werd, waar de plaats der officieren was, om op "de Westvriesland" overgeplaatst te worden. Licht viel daar door ongesteldheid of sterfgeval een matroos uit, en dan was het niet kwaad, als men zijn naam alvast in de gedachten had.

Nu, dat was niet dom geredeneerd van onzen Hans.

Alleen vergat hij, dat zulk een open plaats zich door dezelfde omstandigheden ook aan boord van "de Gouden Leeuw" kon voordoen. En, ach en wee voor onzen vriend, hij was al heelemaal vergeten, hoeveel de equipage daarvan bij die koude in het Goereesche Zeegat geleden had.

We hebben al verteld, hoe de gevolgen daarvan zich pas in de warmere streken begonnen te openbaren. En als ik daar het woordje "pas" gebruikte, wil dat nu niet zeggen, dat men ook al zulk een geruimen tijd over de reis moest doen als in het begin. Neen, men bevond zich reeds den 21sten Februari bij de Kaapverdische eilanden, en, gelijk wij reeds weten, werd een daarvan, namelijk het eiland Maio of wel Isle de Majo, uitgekozen tot herstellingsoord voor de zieken van "de Gouden Leeuw".

Men bleef daar tot den 3den Maart, waarna de overlevenden ingescheept werden, maar het spreekt vanzelf, dat die vooreerst nog geen zwaren dienst konden doen. En nu men er ook op dat eiland had moeten begraven, ligt het voor de hand, dat er aan boord van dit schip eer krachten noodig waren, dan dat er, gelijk Hans zoo vurig gehoopt had, gemist konden worden.

Gevolgelijk was het kapitein Schapenham, die aan zijn vriend, den gezagvoerder van "de Westvriesland", het verzoek richtte om hem eenige zijner onderhebbenden in bruikleen te geven. Daarvan telde de equipage 360 koppen, waaronder 60 jongens van Hoorn. Maar van die laatsten stond de gezagvoerder er niet een af.

"Op hen kan ik in alle omstandigheden rekenen," verklaarde hij eerlijk en openhartig aan kapitein Schapenham.

Die knipoogde eens.

"De rest is dus maar zoo.... zoo?.... En dáárvan krijg ik zeker nog het uitschot?" De gezagvoerder van "de Westvriesland" werd om deze opmerking niet boos, want hij zag wel, dat kapitein Schapenham hem een beetje plaagde.

"Wat zal ik je zeggen, Schapenham? Die rest --zooals je maar eventjes niet minder dan driehonderd man gelieft te noemen -- bestaat uit voortreffelijke zeelui, en daaronder veel van den Zaankant vandaan maar ze zijn eigenlijk van alles door elkaar."

"Ja, ja.... 't Is bij mij ook zoo! Door het Bestand zijn een massa oorlogsmatrozen ontslagen en die zoeken hun heil in de koopvaardij, in de Indiënvaart...."

"En in de zeerooverij!" viel zijn collega hem met een veelzeggend glimlachje in de rede.

"Juist wat ik zeggen wou," bekende kapitein Schapenham.

De gezagvoerder van "de Westvriesland" knikte.

"'t Zijn tegenwoordig rare streken, die onze zeelui op hun kompas gekregen hebben, Schapenham! Je bent ouder dan ik, en wie ouder is en niet met gesloten oogen geleefd heeft, is vanzelf ook wijzer. Maar of je in dit opzicht zulk een wonderlijken tijd beleefd hebt, kan ik haast niet gelooven."

"Och, vriend," gaf hierop onze kapitein ten antwoord, "ik geloof wel, dat het niet zoo heel erg is, als sommige schippers er sprookjes van vertellen. Je weet, die veel gereisd heeft en vooral die van verre komt, kan je veel verhaaltjes op de mouw spelden. Maar waar is het, dat de jongens onder mekaar er niet over uitgepraat komen, hoeveel er bij de vrije vaart te winnen valt."

"Te verliezen toch ook.... al was het maar hun leven. En als ik 'maar' zeg, is dat enkel bij wijze van spreken. Want 't is toch het kostelijkste, wat zoo'n jongen in zijn matrozenbaaitje heeft steken."

"Daar denkt zoo'n jonge losbol al evenmin aan als aan zijn onsterfelijke ziel!" voegde kapitein Schapenham er ernstig bij. "Er moet maar een slecht element aan boord zijn, een zwalker, die eigenlijk niets meer heeft te verliezen. Die begint de jongens, als ze des nachts op wacht zijn, of met mooi weer wat kunnen luieren, aan hun hoofd te praten van al de schatten, die met de vrije vaart te verdienen zijn. Hoe Simon de Danser, en wie heb-je tegenwoordig al niet meer, op eenzaam gelegen eilanden of bij de Ongeloovigen aan de Noordkust van Afrika, prachtige buitenverblijven hebben en verder al wat een jong zeemanshart bekoren kan. De jongens worden zoo gek op zulk een vrij, bandeloos zeerooversleven, dat ze in staat zouden zijn hun officieren te vermoorden en over boord te smijten, zich meester te maken van het schip en zoowaar ook al op zeeroof te gaan."

"Daarom," voegde de gezagvoerder van "de Westvriesland" hierbij, "ben ik zoo in mijn schik ten minste een vaste kern van vertrouwbare personen bij mij aan boord te hebben. Ik ken die Hoornsche jongens zoo goed als allemaal, en kan tot in den dood op hen rekenen."

"Dat kan ik op mijn equipage ook. En bovendien ik houd een oog in 't zeil. Daarom zal ik op het stelletje, dat je me op den hals schuift, extra goed, letten."

De kapitein van "de Westvriesland" lachte.

"Wie weet, of ik ze nog niet als brave borsten van je terugkrijg."

"Laat dat maar aan mij over, hoor! Ik zet er nog al den duim op, moet-je weten."

Nu, dat deed zijn collega werkelijk niet minder. Er heerschte in die dagen een strenge tucht aan boord van de oorlogsschepen, en wel een tucht, die aan ons onmenschelijk lijkt. Er werd geslagen, gegeeseld, van de ra geworpen, gekielhaald en wat al niet meer.

Geen wonder, dat als het te erg werd, er wel eens zoo'n geteisterde equipage in opstand kwam, de officieren gevangen nam, op een eenzaam eiland aan wal zette, indien men er al niet dadelijk een eind aan gemaakt had, of ze in een roeibootje de wijde, onbegrensde zee op stuurde.

Na zoo'n oproer was de equipage vogelvrij, kon tenminste nooit meer in een vaderlandsche haven komen, zonder met den strop kennis te maken. Welnu, dan sneed men alle banden met de beschaafde maatschappij door en was er een zeerooversschip meer op den oceaan.

Het is dan ook de onvergankelijke eer van een Maerten Harpertszoon Tromp geweest, om aan het ruwe volkje van de zee -- want ruw wàs het! -- een meer menschwaardig bestaan te verschaffen. In vergelding daarvoor gaf het hem den eerenaam van "bestevaer", en bleef hem trouw, ook onder de moeilijkste omstandigheden.

Doch wat de toekomst nog zou brengen, kon aan de beide gezagvoerders, wier onderhoud we bijwoonden, nog niet bekend zijn. Zij moesten roeien met de riemen, die zij hadden, dat wil zeggen: op een langdurige reis en door gevaarlijke streken en bezwaarlijke omstandigheden heen, den wind bij hun ondergeschikten, die lang niet van de gemakkelijksten waren, eronder houden.

En voor onze reizigers kwam er weldra een moeilijke tijd. Men naderde de linie, en daar kon het wel eens een getob van tegenwind, of, wat nog erger was, van windstilte geven.

Tot nu toe was de vaart, behalve in het Kanaal, vrij voorspoedig gegaan. Nu echter liep alles tegen, en niet minder dan drie-en-een-halve maand was men genoodzaakt om en bij de linie te blijven, wijl bijna voortdurend de wind uit den Zuidelijken hoek woei.

De eenige afwisseling in dit wanhopig eentonige leven was de ontmoeting met twee Portugeesche schepen. Men maakte er zich meester van en bevond, dat zij in hoofdzaak met wijn bevracht waren. Die vaten en alle verdere koopmanschappen bracht men over aan eigen boord en liet de Portugeezen vrij, al dan niet hun reis naar Brazilië te vervolgen.

Ook had, bij het passeeren der linie, het gewone inwijdingsfeest plaats voor de nieuwelingen. Neptunis kwam voor den dag met zijn vrouw en zijn "zeuntje"; de luidjes, die ingewijd werden, kregen hun stortbad, nadat zij ingezeept en met het blikken mes geschoren waren. Daarna behoorden zij tot de echte zeerobben, tot de bazen, die er voortaan zijn mochten. "Hij is de linie gepasseerd," zegt men nog van iemand, wien men geen knollen voor citroenen kan verkoopen.

Ook Witte, welk een lastig heer hij mocht zijn, was voor Neptunis heel kleintjes en nederigjes geweest, maar toen zijn doop achter den rug was, gevoelde hij zich als een echt zeeman, die wat te vertellen had aan de landkrabben, wanneer hij die na jaar en dag wederom ontmoeten zou.

Uitgenomen deze twee voorvallen, was het aan boord van de Oostinjevaarders een leven, dat men zoowaar niet aan zijn ergsten vijand gegund zou hebben.

Stel u voor: altijd een zwoele, vochtige warmte, waaraan men nacht noch dag ontkomen kon. En in die benauwde hitte.... altijd maar eten van gezouten vleesch of spek, van boonen en erwten en gort, terwijl al wat men dronk, zoowel het water dat naar het vat smaakte, als het scheepsbier, alle frischheid miste.

"Wat begint ons spek er geel uit te zien!" zei Witte op een van die drukkende, benauwde dagen tot Hans.

Deze glimlachte eens.

"Dukaten-goud!" schertste hij.

Witte, van eigen natuur prikkelbaar, was dit onder die voortdurende hitte en dat vervelende leven van maar afwachten en allerlei werkjes opzoeken om toch maar wat te doen te hebben, nog een haartje erger geworden.

"Jij steekt overal den gek mee!" gromde hij.

"Ik?.... Wel, als een mensch dàt onder de linie niet doet, zou hij tureluursch worden."

"Dat word ik van de kakkerlakken," ging Witte al maar voort te grommen.

"Vergeet toch alsjeblieft die lieve insecten in je beschuit niet," plaagde Hans.

[Illustratie: "Dukaten-goud!" schertste hij.]

Witte zette een vies gezicht en maakte een gebaar van afschuw.

Hans keek hem aan.

"Ben-jij een jongen, die de linie gepasseerd is?"

"Wat zou dat?"

"Wat dat zou? Wel die ziet nergens tegen op, of staat nergens voor."

"Maar die wormen en torretjes in je beschuit...."

"'t Mocht wat!.... Waar ter wereld zul-je dat kunstje kunnen vertoonen van aan je scheepskaak te fluiten?"

"Aan je scheepskaak te fluiten!...."

"Wel ja!.... In de mijne waren zooveel beesten met en zonder pooten, dat als ik m'n stuk op dek lei en ik floot, het vanzelf naar mij toe kwam wandelen."

"Loop!" zei Witte, een beetje boos, omdat Hans hem er zoo had doorgehaald.

"Loopen?.... We blijven stilletjes zitten.... Of liggen, al naar je 't neemt. Maar al ga-je staan of hangen, vergeet toch alsjeblieft één ding niet, en dat is, dat je hier niet voor je plezier ben."

"Voor mijn verdriet ben ik toch niet gaan varen zou ik denken?"

Hans maakte een gebaar, als wilde hij zeggen: "Hoor toch zoo'n kind eens!"

"Ga-je nou al piepen?" sprak hij. "Wacht maar een paar dagen en je zult nog heel wat anders beleven."

"Moeten er dan nog erger dingen gebeuren?"

Hans knikte.

"Wees maar blij, dat je niet gezouten bent."

"Gezouten?.... Ben-je heelemaal?"

"Nu ja, zoo noemen we de matrozen, die eigenlijk de beste zijn, omdat zij het langst gevaren hebben en zooveel achter den rug hebben. Dat soortje heeft van z'n levensdagen zooveel gezouten goedje door het keelgat verwerkt, dat ze er heelemaal van doortrokken zijn. 't Is door heel d'r lichaam gaan zitten."

"Maak dat een ander wijs!"

"'k Maak je niets wijs. 't Is de waarheid. En gauw genoeg zul-je de ellende daarvan zelf aanschouwen."

"Welke ellende?"

"De scheurbuik, maat!"

Witte voelde zich bij die op somberen toon geuite woorden een steek door het hart gaan. Hij had al meer van die wanhopig ellendige ziekte gehoord, welke veroorzaakt wordt door het gebrek aan versche spijzen, vooral van groente.

Arme zeeman, die er door bezocht wordt. Zijn tandvleesch zet zoo sterk op, dat het als een sponsachtig gezwel tusschen de lippen door uit den mond komt puilen. Armen en beenen worden loodkleurig en dik. Duwt men er met den vinger op, dan blijven de putten erin staan. Een gevoel van ontzaglijke moedeloosheid komt over den patiënt. Het leven is hem niets meer waard, de dood schijnt hem een uitkomst uit zijn lijden. En, gelijk Hans het opmerkte, het zijn juist de meest ervaren, de meest "gezouten" matrozen, die al de ellende van deze verschrikkelijke bezoeking moeten doorstaan.

Wel werd er ook Hans even door bezocht, maar het beduidde bij hem niet veel, en hij bleef met den schrik vrij. Witte, die als het ware nog geheel "versch" was, bleef ongedeerd.

Wel, wel, wat was dat verschrikkelijk, zoo te midden van den Oceaan, onder een heete, vochtige lucht en een zee, die ook een geduchte warmte van zich gaf, zonder eenige afwisseling, zonder op te kunnen schieten, al maar dat gekreun van de zieken te moeten aanhooren, of wat nog erger was, hun niet zelden stom lijden aan te zien.

Eindelijk toch kwam er uitkomst.

Na veel getob bereikte men het eiland Annabon, en het eerst, waar men daar navraag naar deed, was naar versche groenten en vruchten.

Het gebruik daarvan werkte op de zieken als een toovermiddel.

Nu, 't werd tijd ook, dat er uitkomst kwam. Van de bemanning waren er 47 gestorven en niet minder dan 150 ziek.

O, dat terugkeerend leven in die doffe oogen, toen men hun oranje-appelen kon plukken en hun die als triomf voorhield!

Om een denkbeeld te geven, hoe lang dat getob geduurd had, zij het voldoende mede te deelen, dat men den 3en Maart van Isle de Majo was vertrokken en eerst den 18en Juni het anker voor Annabon uitgeworpen had.

XI.

ER MOET IETS OP DE "WESTVRIESLAND" GEBEURD ZIJN.

Het lijkt zoo mooi, om, gelijk het versje zingt, heel de wereld rond te zwieren in het topje van den mast; maar als men dien dichter, van wien ik overigens geen kwaad zal spreken, omdat ik veel van zijn mooie liedjes houd, eens aan boord van "de Gouden Leeuw" had kunnen stoppen om al die tobberij rond de linie mee te maken, geloof ik, dat hij, ten minste in dit opzicht, wel tot andere gedachten gekomen zou zijn.

Daar was met die scheurbuik, met dat eeuwige menu van pekelvleesch, erwten en boonen, en niet het minst door die nooit aflatende zwoele warmte, een stemming onder de bemanningen der vijf schepen gekomen, die weinig op levenslust geleek.

Ook de gezagvoerders kon den neerdrukkenden invloed niet ontgaan. Evenals de matrozen waren zij humeurig en prikkelbaar geworden.

De matrozen uitten dit, door weinig van elkander te kunnen velen. Maar als dat tot ruzie oversloeg, dan waren hun bazen daar als de kippen bij, en moest de man met het stokje voor den dag komen, die een voor den grooten mast gebonden zeerob ongenadig op zijn ribbenkast kon geven.

Wie echter stond er boven de vijf gezagvoerders, om die tot reden te brengen, indien dit noodig mocht blijken?

Al lijkt het, dat het kapitein Schapenham was, die als de voornaamste werd aangezien, toch hadden drie van de vijf geen zin, om zich aan zijn oppergezag te onderwerpen. En zoo geschiedde het, dat nog op de reede van Annabon, waar men, gelijk men zich herinneren zal, den 18en Juni was aangekomen en een poos lang verbleef om de zieken wat te doen opknappen, er een scheuring kwam in de kleine vloot. De kapitein van de "Westvriesland" bleef kapitein Schapenham getrouw, maar de drie overige gezagvoerders besloten te zamen de reis op eigen gelegenheid te vervolgen.

Of daartoe medegewerkt had de ontmoeting van twee schepen, die van den kant van de kust van Guinea kwamen, even Annabon aandeden en toen op reis gingen naar het vaderland, vermag ik niet te zeggen.

Voor Witte anders was die eerste ontmoeting met zeekasteelen, die de vaderlandsche vlag langs de wijde wateren lieten zwieren, een heele gebeurtenis.

Zonder dat hij zeggen kon waarom, had het hem getroffen, toen hij, nadat de uitkijk al gerapporteerd had, dat het vaderlandsche schepen waren, ze, mooi over de zee, had zien komen aanzeilen. 't Leek hem een stukje van Holland, erg gezellig, al was het nu zoowaar heelemaal hierheen verdwaald. En het meest trof hem toch het denkbeeld, dat die afgedwaalde partjes weer naar hun oorsprong terugkeerden, of gelijk men dat nu eenmaal uitdrukte, dat de schepen op de terugreis waren naar Patria.

[Illustratie: Heimwee, maat?]

Hij schrok, toen Hans, die hem bij het uitkijken naar die naderende zeekasteelen had gadegeslagen, hem op den schouder sloeg.

"Heimwee, maat?"

Witte verzette zich, met al de zuurheid van zijn gelaat, tegen dàt denkbeeld.

"Je lijkt wel gek!" beet hij Hans toe.

"Mogelijk," gaf Hans kalm ten antwoord, "want ik heb op het oogenblik geen spiegeltje bij me, om m'n gezicht te bekijken. Maar dit zal je toch van me moeten aanhooren, dat na zoo'n reisje, als wij er een achter den rug hebben, er meer Jantjes zijn geweest, die graag op een naar Patria terugkeerend schip hadden over willen stappen."

"Om Jan Salie te worden?"

Hans keek hem een oogenblik strak aan.

Toen stak hij zijn breeden knuist uit.

"Kordaat gesproken, Witte.... Ik was al bang, dat...."

"Nu, waarvoor?"

"Dat.... nu ja, dat een kleermakersjongen voor goed na zoo'n vreeselijke reis van zijn waan genezen zou zijn."

"'t Wàs geen waan!.... Ik zou op die kleermakerstafel kapot zijn gegaan.... en dàt zou me gespeten hebben!"

"Nu.... dàt kun-je op deze schuit ook.... Zooals je aan onze arme maats gemerkt hebt, die we in het groote zeemansgraf lieten afglijden."

Witte haalde de schouders op.

"Dominee Leo heeft...."

"Hoho!.... Kom-je weer met dien op de proppen?"

"Ja, Hans.... En wat hij mij daarover geleerd heeft, geloof-je toch ook?"

"Dan moet ik toch eerst nog weten wat!"

"Stil, Hans, niet spotten!.... Want jij weet toch ook.... en dat is het wat ds. Leo me altijd heeft voorgehouden, dat het uurtje van onzen dood vastgesteld is, en niemand daar iets aan veranderen kan."

"O, meen-je dàt?.... Wel dat is natuurlijk."

Dat "natuurlijk" kwam er bij Hans van ganscher harte uit. 't Was ook het geheim, waarom onze 17de-eeuwsche varenslui nooit ofte nimmer vrees kenden, en, zooals zoo dikwijls in onze rijke geschiedenis neergeschreven zou moeten worden, in een simpel roeibootje op een vijandelijk zeekasteel af durfden gaan.

"Niemand kan zijn dood ontloopen," zeiden zij, "en als dat oogenblik gekomen is, moet men sterven; maar zoo niet, dan kan geen regen van kogels, geen orkaan of stortzee je deren."

Daarom gingen zij, zonder een spier op het gelaat te vertrekken, de grootste gevaren tegemoet.

Het was dan ook op het anders niet te vriendelijke gelaat van Witte te zien, dat die uitroep van Hans hem genoegen deed. Die wilde er nog wat bijvoegen, maar werd op dit oogenblik geroepen om met eenige andere matrozen een boot uit te zetten.

Indien hij had kunnen vermoeden, dat het geruimen tijd zou duren, voor en aleer hij met Witte weer een praatje zou kunnen maken, dan zou hij hem zeker de hand ten afscheid gereikt hebben.

Het geval toch lag ertoe, dat er aan boord van de "Westvriesland" meer patiënten aan de scheurbuik overleden waren dan op "de Gouden Leeuw". Zoo kwam het, dat nog denzelfden dag, na een bijeenkomst van de gezagvoerders dier twee bodems, er eenige manschappen van laatstgenoemd schip naar de "Westvriesland" werden overgeplaatst, waaronder, tot zijn groote vreugde, ook Hans behoorde, die aldus op een onverwacht oogenblik zijn lievelingswensch in vervulling zag overgaan.

't Ging alles zoo gauw, dat hij maar even tijd had om zijn bultzak en verdere spulletjes te halen, om die naar zijn nieuwe verblijfplaats over te brengen. Even nog keek hij rond naar Witte, om dien het blijde nieuws mede te deelen, maar deze was in de kajuit van kapitein Schapenham aan het werk, en in dit heiligdom kwam zeer zeker een lichtmatroos niet ongeroepen.

Witte hoorde eerst dien avond, dat zijn kameraad voorloopig niet meer een praatje met hem zou kunnen maken, hem plagen, maar ook van goeden raad dienen. Eerst speet hem dit erg, maar een zeeman moet zoo dikwijls en zoo herhaaldelijk afscheid nemen, dat hij wel leert, zich dat niet bijzonder aan te trekken, anders lag hij al heel gauw op zijn dooden rug.

Bovendien begon Witte er iets manlijks in te vinden, nu eigenlijk in waarheid geheel op eigen beenen te staan.

Hans was een bovenst beste jongen, vond hij, maar het begon hem toch al meer en meer te hinderen, dat hij door hem altijd nog op een soort beschermende wijze behandeld werd.

Een echt zeemansjong uit dien tijd, steunde, naast God, het liefst op zich zelven. En in Witte zat de echte zeemansnatuur.