De Scheepsjongen van "De Gouden Leeuw"

Part 4

Chapter 44,096 wordsPublic domain

"En dat is?"

"Dat hij naar Hellevoet is, waar zoo'n verloopen kerel een schip uitrust naar Oostinje."

"Dank je!.... Die verloopen kerel ben ik."

"Pak ze maar aan!" riep de voerman.

Mr. Jochum keek vreemd op.

Daar zag hij een lachje in de oogen van den zeeman, die kwasi een heel boos gezicht zette.

Toen stak hij eerlijk zijn hand uit.

"Dank je," zei de zeeman eenvoudig.

Maar mr. Jochum riep van aai en van aau.

Want zoo'n zeemanspootje was niet geschapen voor het blanke kunstenaarshandje van een meestersnijder.

De zeeman had hier heel wat pret over en de voerman ook, en daarvan maakte mr. Jochum gebruik, om even handig van den wagen te knippen, als hij dat thuis van de kleermakerstafel deed.

"Hé daar!" riep kapitein Schapenham uit.

Ook de voerman liet een uitroep van ontsteltenis hooren, want op een haartje na was een der wielen van den wagen over den voet van den meestersnijder gegaan.

Die schudde lachend het hoofd.

"Doe me dat eens na!"

"Niet graag!" bekende de kapitein.

Intusschen had de voerman het paard tot stilstaan gebracht, en nu boog zich kapitein Schapenham uit den wagen, om mr. Jochum de hand tot afscheid toe te reiken.

[Illustratie: En beiden waren zoo druk in gesprek.]

"Je gaat dus niet verder mee?"

"Neen, hoor. Daar is de stêe, en ik heb eenmaal gezegd, dat.... Maar wat is er?"

Hij vroeg dit op verwonderden toon, want eensklaps had de kapitein hem door een gebaar het zwijgen opgelegd.

Tot eenig antwoord wees de kapitein op den Peltsersdijk, welke zich achter de huizinge van moeder de With uitstrekte.

Bij de laatste woorden van den kleermaker had de zeeman onwillekeurig den blik daarheen gewend, en wat hij toen op den Peltsersdijk aanschouwde, had zoodanig zijn aandacht in beslag genomen, dat hij mr. Jochum het zwijgen meende te moeten opleggen.

Want daar zag hij zoowaar den vermisten leerjongen aan komen wandelen en dat wel op zijn dooie gemak.

Witte was niet alleen. Naast hem liep een blond meisje van zijn jaren, in wie wij zijn nichtje Marie herkennen, en beiden waren zoo druk in gesprek, dat zij geen erg hadden in den wagen, die aan den Brielschen kant van de hofstede zoo plotseling was blijven stilstaan.

VII.

HET PLANNETJE VAN HANS.

Het schip, waarmede kapitein Schapenham een reis naar de Indiën ondernemen zou, zag er nog allesbehalve zeilree uit. En toch stal het, gelijk het daar met zijn hoogen achtersteven reeds van verre zichtbaar was, het hart van Witte, die, liever dan naar zijn baas te gaan, op een vroegen Decembermorgen het zandpad naar Hellevoetsluis was opgewandeld, om met open oogen het vaartuig te aanschouwen, waarvan hij met gesloten oogen tegenwoordig elken nacht droomde.

Al had hij in den Briel waarlijk schepen genoeg gezien, niet een kon natuurlijk zulk een aantrekkelijkheid voor hem hebben als dit.

En wat een aangroeiende levendigheid om deze schuit, die vele jaren weg zou blijven en daarom als het ware tot een drijvend dorp werd ingericht!

Zeilmakers, scheepstimmerlieden, schilders, smeden, touwslagers, om de leveranciers van allerlei eet- en drinkwaren niet te vergeten, zwermden als nijvere bijen om dien drijvenden korf. Dieren kwamen er ook al bij te pas, maar die zouden zooveel plaats niet innemen als in de arke Noachs, want ze werden geslacht en ingezouten, en de weinige, die levend mee zouden gaan, behoefden heusch niet op een lange zeereis te rekenen. Heel veel zin hadden ze er in geen geval in, ten minste de varkens niet, die spectakel genoeg maakten.

Witte kon eerst maar niet genoeg van dit schip krijgen. Toen echter kwam zijn vit-achtige natuur, een gevolg van het zanikachtige leven dat hij thuis had, weer boven, en viel hem hier en daar iets in het oog, dat volgens zijn waanwijsheid beter had kunnen zijn. Als _hij_ maar eens kapitein van dat prachtschip geweest was!....

"Wel, maat!" kwam daar plotseling een jongensstem, waaruit men den baard in de keel al hoorde, tot hem, "kijk-je het mooi er al af?"

Wittens felle, nooit vriendelijke oogen, gingen den kant uit van den spreker, die niet zonder eenige spotzucht deze onverwachte vraag tot hem gericht had, een jongen, ongeveer van zijn leeftijd en in zeemans-werkpak.

Die kleeding bespaarde hem een dier bitse antwoorden, waarmede Witte anders niet zuinig was. Toch, hoe welwillend ook bedoeld, er bleef norschheid te over in zijn wedervraag:

"Hoor-jij erop?"

"Of ik erop hoor?.... Nagelvast zou ik haast zeggen."

"Heb-je er dan het land aan?"

"Nou.... als ik de koeien erbij had, was ik een boer in den polder."

"Zeg-je dat op mij?"

"Ben-jij dan een boer?"

"Neen."

"Wat trek-je je 't dan aan?"

"Dat is mijn zaak."

"Je lijkt nog al onverschillig."

Witte trok zijn schouders op en onwillekeurig dwaalden zijn blikken weer naar "de Gouden Leeuw" waarop alles vol leven en beweging was. Neen, dáár was hij zeker niet onverschillig voor.

De andere jongen, een knaap met een bruinen krullekop en levendige, donkere kijkers in het vroolijke gelaat, zag dit.

"Ik laat me driemaal van de ra dansen, als jij ook geen zeemansjongen ben!"

Een zucht.

"En dat jij precies zoekt, wat ik verliezen wil."

Witte keek hem vragend aan.

"Ruilen?" stelde de vroolijke krullebol voor.

Ineens zag Witte hem met zijn felle oogen vlak in het gezicht.

"Ho, ho," spotte deze, "je zet een gezicht als een jeugdige menscheneter.... Maar weet-je wat? Loop eens met me naar de taveerne ginds.... Een kroes bier...."

"Heb ik van jou niet noodig."

"Nog beter!.... Dan tracteer jij."

Dat kwam er zoo vlot uit, dat er, even slechts, een glimlach over het gelaat van Witte vloog.

Zijn maat knikte tevree.

"Te duiker, ik dacht, dat je een steenen snuit had. Net als het varken van mijn spaarpot.... waaraan ik zoo'n hekel had."

"Aan dat varken?" spotte Witte.

"Ben-je wel zestig? Net zoo min als aan jou, al hèb-je een steenen bakkes.... Neen, aan het sparen. Welke zeemansjongen heeft daar verstand van?"

Witte keek hem verbaasd aan.

[Illustratie: Heb ik van jou niet noodig.]

"Jij een echte zeemansjongen?... En je wil van de schuit af?"

"Wis en zeker,... van déze!"

"Dus?"

"Ga mee.... Bij een kroes bier kan ik je dat veel duidelijker uitleggen."

Witte schudde het hoofd.

"Zeg 't zoo maar."

"Mij goed dan, sinjeur Isegrim.... Weet dan, dat ik Hans Lievensz. ben uit Hoorn, dat ik van m'n tiende jaar al af de zeelucht opsnuif en in dit opzicht een aardje naar m'n vaartje heb, die, geloof ik, op zee geboren is."

"En je wou van de schuit!"

"Zeker.... Niet om bij moeders pappot te blijven, hoor, maar omdat ik gisteren de tijding kreeg, dat mijn vader als eerste stuurman ook naar Oostinje gaat en wel met een schip uit Hoorn. Daar kon ik denkelijk wel al als matroos met mee, maar nu zit ik aan deze kast vast, waarvoor ik als lichtmatroos gemonsterd ben."

"En je wou met mij ruilen!" gaf Witte ten antwoord, in de bitterheid zijns harten een sterken nadruk op dat woordje "mij" leggend.

"Wis en drie!"

"Omdat je denkt, dat ik een zeemansjongen ben?"

"Ga-je me voor den gek houden?.... Je heele facie wijst het immers uit!"

"Toch heb-je het mis.... Ik ben snijdersleerling!"

"Kom, maak dat een ander wijs!"

"Ik.... lieg nooit."

"Maar.... wat kom-je dan eigenlijk hier doen?"

Witte gaf geen antwoord. Weer keek hij naar "de Gouden Leeuw", en nu kwam er zulk een smartelijke uitdrukking op zijn gelaat, dat er voor Hans een licht opging.

Vertrouwelijk legde hij de hand op Wittens schouder.

"Kameraad.... ik vroeg je om hulp...."

Witte schudde zijn hand af.

"En nu valt het je leelijk tegen, hè?" sprak hij op zijn bitse, afstootende wijze.

Even lichtte er iets joligs door de glanzende oogen van den jeugdigen licht-matroos.

"Als ik neen zei, zou.... zou ik op mijn beurt liegen, en daar zie ik net zoo min heil in als jij."

"Wat wou-je dan?"

"Ik?.... Een beetje.... en toch veel."

"Wat dan?"

"Wel.... kan ik je soms helpen?"

Witte glimlachte op haast beleedigende wijze.

"Dat zal zeker niet lukken aan een lichtmatroos van 'de Gouden Leeuw?'...."

"Bij dit en dat.... waarom niet?"

"Omdat het zelfs den gezagvoerder ervan mislukt is."

"Wat zeg-je daar?.... Kapitein Schepenham...."

"Is zelf bij m'n moeder geweest."

Hans floot tusschen de tanden.

"Sta-je bij d'n ouwe in zoo'n goed blaadje?"

"Heeft-ie dan zooveel leelijke blaadjes in z'n boekje?"

Hans wreef zich met een kwasi-pijnlijk gezicht over den rug, wat, bij de oolijkheid van zijn tronie, allerkluchtigst aandeed.

"Een zeeman van het bovenste plankje, maar een beetje kort aangebonden, en.... het eindje touw is ook niet lang."

"De spanriem van een leertouwer en de el van een kleermaker zijn ook niet van zoete koek gebakken."

"O, zoo!" riep Hans uit, "jij weet dus ook, wat een blauwe plek is."

Beiden schoten om deze opmerking in den lach. "Dat moet-je maar veel doen," meende Hans.

"Wat?"

"Lachen!"

"Ik heb daar niet veel reden toe."

"Nu, ik zou zoo denken!.... een lief kindje van d'n ouwe!"...

"Wat helpt me dat? Ik mag toch niet naar zee."

Hans keek hem strak aan.

"Moederskindje?" vroeg hij.

De blik, dien Witte hem toewierp, overtuigde, hem, meer dan een heel verhaal dat doen kon, van het tegenovergestelde.

"Een harde vrouw?"

"Ja!" klonk het kort en bondig.

"En je vader?"

"Is dood.... allang."

"Broers en zusters?"

"Eén zus. De rest broers, en allen ziekelijk."

"Jij ziet er toch gezond uit."

"Wat heb ik daaraan?.... Ik knies me dood!"

"Moet-je niet doen."

"Jij hebt goed praten: jij vaart op zee!"

"Daar kom-jij ook op.... Als je 't maar goed aanpakt."

"En als nu kapitein Schapenham.... en zelfs twee dominees, ds. Leo en Willem Crijnze...."

Nu schudde Hans heel zijn lache-kop.

"Heelemaal verkeerd aangepakt!"

"Doe-jij het dan beter," snauwde Witte.

"Neen, dat zou moeilijk gaan, want.... ook ik hoor op mijn manier tot het manvolk, en... dàt krijgt geen moeder-de-vrouw klein."

Witte werd opeens vol belangstelling.

"Hoe bedoel-je dat?" vroeg hij.

"Geef liever mij eens antwoord.... Houdt je zus erg veel van je?"

"Ja."

"Kan die het het dan niet van je moeder gedaan krijgen?"

Daar kwam de rimpel weer op het voorhoofd van Witte. Iets bits lag op zijn lippen; maar eer hij wat zeggen kon, lei Hans hem door een afwerend gebaar het zwijgen op.

"Begrepen! Jullie zijn allebei bang voor moeder... Neen, kijk me niet zoo venijnig aan. Ik wil geen ruzie met je zoeken, maar helpen wil ik je, en daarom zeg ik nu precies maar, wat ik denk. En als jij dat nu ook wil doen, geef me dan eens eerlijk antwoord op deze vraag: Is er niet een vrouwelijk wezen in je familie, dat zóóveel van je houdt, om...."

Maar Hans voleindigde dezen zin niet. Hoe haastig ook Witte het hoofd omwendde, de oolijke zeemansjongen had gezien, hoe hij kleurde.

Nu lei Hans beide zijn handen op de schouders van den snijders-leerling en dwong dien aldus hem in de oogen te zien.

"Ik weet nog niet eens, hoe je heet.... Ik zal maar Jan tegen je zeggen, want zoowat al de Hollandsche jongens van de zee heeten zoo.... O, heet-je Witte?.... Goed!.... Dan heb ik jou, Witte, te zeggen, dat, als dat meisje veel van je houdt, ze nog vandaag naar je moeder zal gaan.... of, bijlo! haar eigen moeder erop uit zal sturen. Vrouwen weten van volhouden; dàt zie-je maar eens aan je eigen moeder! Daar kunnen geen dominees en geen zeekapiteins en in 't geheel niet zulke kwajongens als wij nog zijn, tegen op. Ik verzeker je, Witte, dat, als je er maar eenmaal de vrouwlui voor weet te spannen, mijn naam geen Hans Lievensz is, of je gooit binnenkort schaar en naald zoover weg, als zij vliegen willen."

[Illustratie: Kijk nu naar je voorland.]

Toen, hem aldoor bij de schouders vasthoudend, keerde hij hem met zijn forsche knuisten in één ruk om, zoodat Witte met het gelaat naar den Oostinjevaarder gewend stond.

"Kijk nu naar je voorland.... scheepsjongen van 'de Gouden Leeuw'!"

Witte had zich te weer willen stellen, maar nu vielen zijn armen slap neer. Er was over zijn gelaat zulk een geluk gekomen, dat hij in dat eene oogenblik een heel andere jongen scheen geworden. Zijn oogen, lichtstralend van blijdschap, zagen eerst het schip en toen Hans aan.

"O, Hans, als dàt waar was...."

"Het wòrdt waar, Witte.... maar dan nu ook als de drommel aan het werk. Geen oogenblik kun-je meer verliezen. Denk eens aan: we zouden half Januari uitzeilen, en vóór dien tijd zou nog je heele uitrusting in orde gebracht moeten zijn, wat voor een Oostinjesche reis om den dood geen gekheid is. Hoe je de vechtpartij nu aan moet pakken.... is jou zaak, maar hooren doe ik er zeker van!"

"Morgenochtend ben ik weer hier."

"Kun-je dan altijd maar van je vak wegloopen, als je er lust in hebt?"

"Dat vak.... hèb ik niet meer," klonk het vastberaden.

"Jij maakt dáár korte metten mee, Witte!"

"Dat zullen we nu met het andere ook probeeren," kwam het er even resoluut bij Witte uit.

Hij stak de hand ten afscheid uit.

"Kan ik voor jou ook wat doen, Hans!"

"Heel veel!"

"Dat is?"

"Den schipper, bij wien jij een potje schijnt te kunnen breken, onze ruiling voorstellen, als het jou lukt."

"Kan niet."

"Hoe zoo?"

"Wie ruilt er een licht-matroos voor een onbevaren scheepsjongen?"

"Ja, dat is voor den drommel waar ook!"

Op zijn beurt nu lei Witte de hand op den schouder van zijn kameraad.

"Ik zal in elk geval mijn best doen, om ook jou te verlossen, Hans!"

"Top!... Tot ziens dan, Witte."

"Tot ziens, Hans."

Zonder er een woord meer bij te voegen, spoedde Witte zich den weg naar Nieuwenhoorn op.

Geen seconde liet hij verloren gaan. Dadelijk begaf hij zich naar de hofstede van zijn nicht. Eerst Marie en toen haar moeder werden in het plan van aanval gewikkeld. En nu Witte maar handelen kon, die trouwens toch van commandeeren hield en van vechten niet minder, wist hij er bij moeder en dochter, hoeveel bezwaren zij eerst hadden, den strijdlust wel in te brengen. Dát heeft de latere admiraal Vechtgraag, zooals de matrozen hem gedoopt hebben, schier altijd weten te bewerkstelligen, als het erop aan kwam. En omdat Witte en Marie, hoeveel zij zich al mochten verbeelden, toch eigenlijk nog maar kinderen waren, moest haar moeder het eerst den aanval beginnen. De gebeden en tranen van Marie hield de jeugdige commandeur voorloopig in de reserve.

Eigenlijk had hij haar moeder in zijn stevige knuisten wel mee willen sleuren, om den veldtocht maar dadelijk te openen, doch die verklaarde, dat zij ook haar huishouden had en het nog te vroeg was. Vanmiddag was het tijd genoeg. Marie evenwel liep, al babbelende over het groote plan, met Witte mee, en zoo kwam het, dat zij door den kapitein gezien werden, gelijk wij aan het slot van het vorige hoofdstuk verteld hebben.

Dat die al heel gauw op de hoogte van het plan gesteld werd en er verbazend veel schik in had, behoeven wij wel niet mede te deelen. Maar meester Jochum hielden zij er als bij afspraak buiten. Die wou wel beginnen, om Witte met een heel standje mee te troonen, maar dat gelukte hem niet.

"Daar zullen we nog wel een woordje over te wisselen hebben," dreigde hij, en Witte gaf daarop ten antwoord, dat het goed was.

"Ja," sprak nu meester Jochum Stoffelsen tot zichzelven, terwijl hij den weg naar den Briel insloeg, "hoe zal ik dat nu aan mijn vrouw te vertellen hebben, zonder dat zij mij tòch van alles de schuld geeft?"

VIII.

HET DEURTJE VAN EEN VOGELKOOI GAAT OPEN.

Wat zal ik u, die nog jong zijt, getuigen maken van de worstelingen eener oude vrouw tegen het onvermijdelijke!

Het was de vaste overtuiging van moeder de With, dat haar jongen ongelukkig zou worden op de zee, minder naar het lichaam dan wel naar de ziel. Ginder op den wijden plas een schier voortdurend kampen met allerlei vijanden, en háár innige overtuiging was het, dat het voeren van het zwaard ontwijfelbaar zeker ten verderve voert.

Toch had Witte het in die voortdurende worsteling met zijn moeder in zijn voordeel, dat zij elk jaar ouder en hij daarentegen krachtiger werd. Wat zij verloor bij het afwinden van haar levensdraad, won hij bij het sterker, grooter, kloeker worden. Het einde was te voorzien. En toen zij nu, zwak en zich doodmoede gevoelende, nog den aanval moest weerstaan van allen, die maar eenigen invloed op haar meenden te kunnen uitoefenen, terwijl zij allen uitwendigen steun miste, kwam over haar een groote walging.

De moeder van Marie meende haar overtuigd te hebben, dat alleen een toegeven Witte kon redden van een leven, dat onder zou gaan in nutteloosheid. De tranen van zijn speelmakkertje bevochtigden haar oude, van ontroering bevende handen, maar de warmte ervan drong niet door tot haar hart.

Zij gevoelde zich een van God gestrafte, omdat zij in de opvoeding van haar kind te kort geschoten was, omdat zij hem niet had kunnen redden of terugbrengen van zijn afval. Nu liet zij moedeloos het hoofd op het kussen nederzinken, en haar gevouwen handen wonden zich lusteloos van elkaar. Háár kracht was gebroken; die van Witte had gezegevierd.

Zóó.... was dat geen triomf! Al het blijde en gelukkige van eindelijk zijn levensdoel gevonden te hebben, werd op dat eigen oogenblik voor den knaap bedorven.

Hij hoorde de jubeltijding van Marie; maar toen hij dadelijk daarop naar het bed van zijn moeder snelde om haar gelaat en haar handen met kussen van dankbaarheid te bedekken, wendde zij zich van hem af en keerde hem den rug toe. Toen vielen zijn armen slap neer, en de rimpel, die thans bij zijn moeder zelfs in de halve duisternis van haar legerstede zichtbaar was, groef zich nu ook diep in zijn voorhoofd.

"Moeder.... heeft Marie gelogen?"

"Een Doopsgezinde liegt nooit!" klonk het dof achter uit de donkere bedstede.

O, wederom golfde een bloedstroom van vreugde door de aderen van den knaap. Het wàs dan toch waar! Over zijn leven ging het licht van zijn geluk op.

Waarom bedierf moeder dat nu?

Eén hartelijk woordje slechts!

Hij vroeg erom:

"Moeder.... Ik ben zoo blij!"

Altijd bleef het hoofd afgewend; maar hard en zonder eenig mededoogen kwam het er in afgebeten bewoordingen bij de vrouw uit:

"Ook de Verloren Zoon was blij, toen hij het verderf tegemoet ging."

"Moeder!...."

Maar de moeder van Marie, die zich wat achteraf gehouden had bij het onderhoud tusschen de oude vrouw en haar opbloeienden zoon, kwam nu bij het bed, trok Witte aan de mouw en beduidde hem door allerlei teekenen, dat hij beter deed zijn moeder met haar groot verdriet alleen te laten.

Witte was er kapot van, toen hij zich met Marie naar haar huis begaf.

"O, Marie, ik kon toch niet anders; heusch, ik kòn niet anders!"

Marie troostte hem, zooals een meisje dat kan doen, en dat deed hem goed, maar altijd bleef er nog iets aan zijn innerlijk knagen, dat hij maar niet tot rust kon brengen.

Dien aanblik van zijn moeder, het hoofd van hem afwendend, meende hij wel nooit te kunnen vergeten. De troostredenen van ds. Leo, die hem als elfjarigen knaap gedoopt had, de luchtigere beschouwingen op dat punt van kapitein Schapenham, en het geterg van de eerbare vrouw Stoffelsen, die er heel gauw achter gekomen was, hoe eigenlijk de vork aan den steel zat en daar nu geducht gebruik van maakte, om Witte tijdens de enkele keeren, dat hij nog haar huis bezoeken moest, het leven zoo zuur mogelijk te maken.... dat alles vermohct niet het bittere gevoel te doen verminderen.

[Illustratie: Witte was er kapot van.]

Dat deed alleen een opmerking van Hans.

Die scheen de wereld te rijk, toen Witte hem de vreugde-mare verkondigde. Want, zie-je, Hàns was het toch maar geweest, die den raad gegeven had, welke ten slotte zoo uitstekend bleek te zijn.

Heel zijn vroolijke facie was een en al lach, en dat werkte zoo aanstekelijk, dat de nevel, welke nog als bij voortduring voor Witte tusschen zichzelf en het geluk van zijn leven lag, voor een wijlen optrok.

O, nu zou hij de wijde wereld ingaan, vreemde landen en vreemde volken zien, en toonen, wat er voor flinks en kordaats in hem zat. Het schip "de Gouden Leeuw" keek hij aan met een uitdrukking op het gelaat, alsof hij er zelf de eigenaar van was. Voor hem omvatte dit stevige, hooge vaartuig een toekomst vol welbehagen.

Hij ademde zoo diep, alsof er iets drukkends van zijn borst was afgenomen. En al maar om hem heen dat vroolijke gekeuvel van Hans, die van dat zijn oogen 's morgens open gingen, tot hij 's avonds in slaap viel, aldoor maar schik in zijn leven scheen te hebben.

"Hans, wat bèn-je toch eigenlijk een gelukkige vent!"

"Ik?.... Nou, daar mankeert anders op 't oogenblik een heeleboel aan."

"Nee, daar mankeert niemendal aan, zeg ik je."

"Wat?.... Noem-je 't niemendal, als ik graag matroos op dat Hoornsche schip had willen worden en dat kansje nu m'n neus voorbij zal gaan? Zeg, zooveel gage meer in de maand is voor den drommel toch geen gekheid!"

"Dat is het zeker niet!.... Maar daarom zul-je er toch niet het heimwee van krijgen?"

"Heimwee?" spotte Hans; "pas maar op, dat die...."

Hij wilde zeggen: "jou niet te pakken krijgt," maar, als viel hem iets in, slikte hij deze woorden in, terwijl er iets verlegens over zijn gelaat kwam, als bij iemand, die op het punt is een onhandigheid te begaan.

Die overgang was te plotseling, dan dat het niet de aandacht van Witte getrokken zou hebben.

Trouwens diens aard was altijd min of meer kwaaddenkend, gevolg van het leven tegen zijn zin, dat hij zooveel jaren had moeten leiden.

Hij keek Hans met zijn felle oogen aan.

"Waarom verberg-je wat voor mij?"

"Ik?"

"Ja, je spreekt niet schoon uit."

Hans haalde een beetje onverschillig de schouders op.

"Ik zeg niet graag onprettige dingen aan een maat, met wien ik anders wel op kan schieten."

Witte knikte, en zijn gelaat stond weer heel somber.

"'k Begrijp je anders best, Hans."

"Vraag er dan ook niet verder naar."

"Neen, vragen doe ik je daar niet meer naar, omdat ikzelf je het antwoord wel geven kan."

"Houd dat antwoord dan maar voor je eigen.... En, wat drommel! laten we jool in ons leven hebben en houden erbij.... Denk eens aan, Witte: je gaat nu heusch naar zee!"

"Zonder heimwee," hield deze koppig vol.

"Begin-je daar weer mee?"

"Ja, want je wou te kennen geven, dat zeker ik niet die ziekte onder de leden had."

"Nu, en wat zou dat?"

"Omdat je verzweeg, dat alleen moederskindertjes daar aanleg voor hebben en mijn moeder...."

Heel donker zag hij weer voor zich uit.

Hans schudde het hoofd.

"Witte, Witte, als je dáár over blijft zeuren, krijg-je zoo zeker het heimwee als tweemaal twee vier is."

"'t Is ook zoo'n ellendige geschiedenis, Hans!"

"Nou, voor jou zoo heel erg niet!"

Witte maakte een beweging met het hoofd, als wilde hij zeggen: "Hoor die eens!"

"Daar weet-je niets van, Hans!"

"Dat denk-je, Witte; maar ik verzeker je, dat ik er een heel klein beetje over kan oordeelen."

"Wat Zaterdag.... was jou moeder er dan ook zoo tegen?"

"Heelemaal niet. In onze familie spreekt het vanzelf, dat de jongens oprukken, zoo vroeg mogelijk naar zee. En 't is, omdat ze op 'n schuit nu eenmaal geen meisjes varen, dat m'n zusjes niet op gezouten vleesch onder de linie hebben gekauwd, en.... ja, dat m'n moeder geen marsgast geworden is."

"Jij.... spot met alles. En mij houd-je ook voor den gek. Want hoe zou-jij er nu over kunnen oordeelen, hoe ellendig het met mij geschapen staat, omdat moeder.... nu ja, je weet het wel."

"Toch spot ik niet, Witte, en ik zou daar ook wel zalig voor oppassen. Daar ben-jij geen jongen voor. En al durf ik je best staan, je vuisten lijken me niet van zoete koek gebakken. Neen, maat, ik bedoel het heel anders dan jij wel denkt."

"Leg het me dan eens uit.... en dat heel gauw alsjeblieft."

"Toe maar! Ik zou me aanvliegen als ik jou was. Kalm wat, kameraad."

"Neen, niet kalm. Ik moet weten, wat je op het oogenblik denkt."

"Dát 's gauw genoeg gezegd: ik denk op het oogenblik, dat je een razend opgewonden standje bent.... Ho, ho....

[Illustratie: Ik heb eens een vogeltje gehad, Witte...]

Wou-jij, scheepsjongen van 'de Gouden Leeuw', nu al rebellie plegen tegen een meerdere van je?.... Denk eens aan: tegen een lichtmatroos."

"Spot niet, Hans.... Ik kàn dat niet verdragen!"