De Scheepsjongen van "De Gouden Leeuw"
Part 3
Den vorigen avond was Witte wederom naar de hofstede gegaan om daar den nacht door te brengen; nu liep het al naar noen en nog was hij niet teruggekeerd.
Al voor den opgank der zonne -- wat in de maand December nu juist niet zoo bijzonder vroeg beteekent! -- had hij reeds terug moeten zijn.
Dies schetterde als een krijgstrompet de stem van vrouw Stoffelsen door het huiske, en de eenige afwisseling daarin was de plaats der handeling.
Want nu eens lawaaide het in de werkplaats van den eerzamen meester, maar het meest toch in de taveerne, waar de pot voor het middageten te vuur stond.
Ook dàn vermocht meester Jochum Stoffelsen er geen woord van te verliezen, omdat -- tot het doorlaten van de warmte -- de deur tusschen beide gelegenheden wijd geopend bleef.
"Die lamme jongen...."
"Ho, ho, vrouwtje! Bezondig-je niet aan zulke verwenschingen."
"Dàcht ik het niet, dat ik het alweer op m'n kop kreeg?.... Is dàt nou een verwensching?"
"Zeker! Want -- als dat nu juist eens gebeurde en hij met lamheid geslagen was...."
"Dan.... dan zou het nog een zegen voor zijn moeder en voor mij en jou zijn."
Ontzet zag meester Stoffelsen haar aan.
"Zeker! Dan zou hij wat vaster zitten aan de kleermakerstafel en stellig liep hij niet weg om het zeegat uit te gaan. Want -- al moest ik er mij voor laten geeselen en brandmerken -- ik ben er zoo zeker van als.... als.... ja, 't kan me niet schelen als wat, dat hij er nu vandoor is gegaan."
De kleermaker had te midden dezer ontboezeming vermanend zijn hand, waarin hij de naald hield, opwaarts geheven.
"Geeselen en brandmerken?.... Vrouwtje vrouwtje, waar moet dat heen!"
"Waar het heen moet?" snauwde ze terug. "Vraag dàt liever aan het goed, dat die zaterdagsche kwâjongen naar de klanten moet brengen. Zou-je denken, dat ik met m'n rampzalige eksteroogen soms het vuur uit m'n sloffen ging loopen, om dien rommel weg te brengen?"
"Ik zal het zelf wel doen, moeder."
"Een mooie meester, die zelf voor loopjongen speelt!"
"Kom, kom, suikerpoesje," vleide de meester, die er hard naar ging verlangen om eens een poosje buiten dat geraas te zijn, "dan schep ik meteen eens een luchtje!"
Het suikerpoesje bromde iets onverstaanbaars terug, maar vond het ten slotte goed dat haar heer en meester er na het noenmaal op uit zou gaan. Minder om die kleeren weg te brengen -- als men die lorren noodig had, zou men er zelf wel om sturen, decreteerde vrouw Stoffelsen -- dan wel om even naar de hofstede van vrouw de With over te wippen en daar te hooren, of men iets wist van het wegblijven van den leerjongen.
"Dat geloof ik nu wel niet," meende de practische vrouw Stoffelsen, "want anders had men ons wel een boodschap gestuurd. Ze hebben daar volk genoeg op de steê. Maar het is toch vrouw de With in de eerste plaats, die er van op de hoogte moet gebracht worden, als er soms iets met haar zoon niet en is, zooals 't wezen moet."
"Verstandig geredeneerd, vrouw!" prees haar meester Stoffelsen, die inwendig al heelemaal opgefleurd was, dat hij nu voor een geruimen tijd uit dat gezeur zou zijn, maar wel oppaste van dat gevoel iets, zelfs niet door de uitdrukking in zijn gelaatstrekken, te doen verraden.
Na het middagmaal ging de baas er met zijn knipbeenen van door, terwijl moeder de vrouw het voorloopig druk genoeg had met het wasschen der vaten.
Ze was daarmede nog niet gereed, toen er "volk" geroepen werd in de taveerne.
Haastig streek ze haar voorschoot glad, en, een proper mondje zettende, begaf zij zich naar het afgeschoten hokje.
Ze stond ineens voor een grooten, stevigen baas. "Ben ik hier bij den kleermaker Jochum Stoffelsen."
"Ja, sinjeur."
"Is hij thuis?"
"Neen, maar kan ik de boodschap niet overbrengen?"
De vreemdeling aarzelde even.
"Weet-je wat?" besloot hij, "geef me maar vast een kroes bier." En zijn breedgeranden hoed op het tafeltje werpende, dat dicht bij den haard stond, liet hij zijn zwaar lichaam nedervallen op een der houten banken.
"Die zit," dacht vrouw Stoffelsen, zich beijverend om aan de opdracht te voldoen, "en ik zal wel zorgen, dat hij vooreerst niet opstaat."
Nu, dat scheen ook zonder haar medewerking te zullen gelukken, want toen zij hem het bestelde bracht, zat de gast voorovergebogen naar het vuur, de handen ernaar uitgestrekt om die te warmen, de houding dus van iemand, die niet van plan is dadelijk te vertrekken.
"Guur weertje, sinjeur!"
"De tijd van het jaar, moedertje!"
"Kwam er maar een beetje vorst...."
"Zal wel komen; misschien meer dan je lief is."
"Ja, en misschien meer dan jou lief is, sinjeur," lachte ze.
O, ze was nu heelemaal een ander mensch. Als ze maar een klant had in haar taveerne. De vreemdeling haalde de schouders op.
"'t Kan zijn.... Maar einde Januari is het voor mij: 'adé, lief vaderland'."
"Waar gaat de reis heen, sinjeur?"
"De Indiën."
"Lange reis?"
"Een jaartje of vier denk ik."
"Jonge," dacht vrouw Stoffelsen, "z'n laatste duiten dansen in z'n zak; dien baas moet ik in de gaten houden, hoor, en aan den praat erbij!"
"Mijn man zal wel niet lang wegblijven, hoop ik."
"Dat hoop ik ook, vrouwtje!"
"Ja, 't is singulier: hij is zoo goed als nooit uit, en nu er een goeie klant voor hem komt...." De zeeman hief zich uit zijn voorovergebogen houding op.
"Een klant?.... Hij is toch geen wantsnijder?" Want zoo werden de kleermakers geheeten, die aan de zeelui gemaakte kleederen verkochten.
"Neen, maar ik denk...."
"Dat een zeeman zoo nauw niet kijkt, meen-je. Is 't niet?"
"Dat kon-je wel eens geraden hebben," lachte vrouw Stoffelsen.
Even dacht hij na. Toen hij opkeek, zag hij haar blikken strak op zich gevestigd. Toen schoten ze beiden in den lach.
"Je bent niet van gisteren, moeder!"
"En jij ook niet, sinjeur!"
Hij maakte een geruststellend gebaar.
"Als 't lukt, loop ik nog wel eens bij je man aan, hoor."
"Als wat lukt?"
Nu keek hij haar op een manier aan, die zelfs op haar indruk maakte.
"Je bent zeker de baas van de schuit?" onderstelde zij.
"Juist."
"Geen gemakkelijke, geloof ik."
Hij glimlachte.
"Waarom denk-je dat?"
"Omdat.... ja, omdat je me daar aankeek, alsof je me koejeneeren wou."
"Dat laat ik aan je man over," plaagde hij.
In de oogen van vrouw Stoffelsen vlamde iets op, dat niet onopgemerkt aan den zeeman voorbij ging.
"Ik geloof, dat ik tóch terecht ben," verklaarde hij opeens.
"Hoe bedoel-je dat?"
"Ik denk, dat ik best de boodschap aan jou op kan dragen."
"Dat zou ik ook denken," merkte zij snibbig op.
Hij liet die opmerking aan zich voorbij gaan.
"Ik wou het eens met je man hebben over z'n leerjongen."
Daar rezen de handen van vrouw Stoffelsen omhoog.
"Van.... van...."
Zooveel woorden tegelijk kwamen er van binnen bij haar aanzetten, dat ze die eigenlijk alle ineens eruit had willen smijten. Omdat zulks onmogelijk was, vermocht ze op dit oogenblik niet anders dan er die twee klanken uit te krijschen.
Niet zonder eenige grappige verbazing zag de zeeman haar aan.
"Eens op je rug kloppen, moeder?" vroeg hij heel gemoedelijk.
[Illustratie: Daar rezen de handen van vrouw Stoffelsen omhoog.]
"Op m'n rug?"
Ze hapte naar adem.
Maar nu kwamen haar handen met de rugzijde op haar heupen, en toen ze eenmaal daar goed en wel beland waren, vond vrouw Stoffelsen zichzelve terug.
Nu, kapitein Geen Huyghen Schapenham -- want men zal in den bezoeker dezer taveerne wel reeds lang den gezagvoerder van "de Gouden Leeuw" herkend hebben -- behoefde in den eersten tijd om geen nadere inlichtingen aangaande den beschermeling van dominee Leo te vragen. Hij kreeg ze zoo ongezouten mogelijk, zelfs meer dan hem lief was. En gerust kan getuigd worden, dat ze van een geheel anderen aard waren, dan die, welke hij van den Nieuwenhoornschen predikant ontvangen had.
Een paar maal poogde hij den wild bruisenden stroom door een vraag of een opmerking in een gelijkmatiger bedding te leiden, maar op 't laatst gaf hij daartoe den moed op, en zich wederom met de handen naar het vuur wendende, liet hij den woordenvloed kalmweg over zijn breeden rug gaan.
"Geduld overwint alles," dacht hij, "maar nu ga ik er toch spijt van krijgen, dat ik me met het lot van dien jongen bemoeid heb."
Toch -- hij had het ds. Leo beloofd, en belofte maakt schuld.
Maar dat geschetter van vrouw Stoffelsen!....
Zij meende nu voor eens en voor goed het doopceel van den leerjongen gelicht te hebben! Ze had eens moeten weten, hoe elk van haar grievende scheldwoorden en beleedigingen, den zeekapitein ervan overtuigde, dat een boy, wiens hart in de baren der zee lag, nooit het bedorven kindje van vrouw Stoffelsen kon wezen.
Wijselijk hield hij die opmerking voor zich, maar hij kon niet nalaten even te glimlachen.
Vrouw Stoffelsen zag dat, en evenals zij dat bij haar man gewoon was, kwam het er meer of minder dreigend uit:
"Hoe _kun-je_ daar nu nog om lachen, sinjeur!" Wijl zij door deze opmerking voor een wijle zelf haar woordenstroom onderbrak, kreeg eindelijk kapitein Schapenham gelegenheid er een woordje tusschen te plaatsen.
"Is die jongen thuis, moeder?"
Ze keek hem zoo oprecht verbaasd aan, dat hij in zichzelven mompelde: "Ik verwed er m'n nieuwe bramzeilen onder, dat ze me al verteld heeft, waar die snuiter zit. Hoe jammer, dat ik maar niet wat beter naar dat gerei geluisterd heb!"
Intusschen had vrouw Stoffelsen de macht over haar spraak weer teruggekregen.
"Wel, heb ik van m'n leven, sinjeur.... Zóó vertel ik je, dat die luie slungel maar kalmpjes-weg thuisgebleven is en...."
Doch nu viel de kapitein haar in de rede met een stem, die, als het wezen moest, zich boven het gerumoer van den zwaarsten storm wist verstaanbaar te maken:
"Wàt zeg-je?.... Weggebleven?"
Toch een weinigje overstuur van dat krachtige geluid, knikte zij alleen van ja.
"Sedert wanneer?"
"Sedert vanmorgen."
"Hoe komt dat?"
Ze haalde de schouders op.
"Weet ik het?.... Weggeloopen, denk ik."
Kapitein Schapenham stond op.
"Weggeloopen?.... Waarheen?"
"Wel natuurlijk naar Hellevoet!"
"Naar Hellevoet?"
"Welja! Daar ligt immers een Oostinjevaarder, waar ze zooveel volk voor moeten hebben!"
En ineens de oogen wijd openende, alsof haar een gedachte inviel: "Jou schip?!"
Maar kapitein Schapenham had al zijn hoed gegrepen, zich dien op het hoofd geplakt en snelde de deur uit.
"M'n gelag!" schreeuwde vrouw Stoffelsen, die heelemaal in beweging kwam, zonder hem dadelijk na te kunnen zetten.
Dat kwam, omdat zij een paar leelijke likdoorns onder haar voeten had, voor haar heel pijnlijk en voor de rest van de menschheid heel vervelend, omdat zij aan ieder, die er maar naar luisterden wilde -- of luisteren moest! -- er een klaaglied over aanhief.
Wanneer zij niet liep, schopte zij altijd haar muilen uit, met het gevolg, dat op het oogenblik, waarop zij er een vaartje achter moest zetten, die sloffen links lagen, als zij ze rechts zocht.
Ongelukkig waren zij door haar driftig geredeneer van daarstraks, waarbij ze armen en beenen bewogen had om toch meer nadruk aan haar betoog te geven, zoo raar in haar nabuurschap weggescharreld, dat zij op haar zeere voeten over den met scherp zand bestrooiden tegelen vloer onder een gejammer van "Houdt den dief!" heen en weer schoof, zonder eigenlijk op te schieten.
Juist had zij onder gekreun, geklaag en geroep hare voeten in de muilen gekregen en in haar lichaam een vaartje gebracht, toen de deur door een krachtige mannenhand opengeworpen werd, ten minste het bovengedeelte daarvan, zoodat moeder Stoffelsen een tik beetkreeg, dien zij voelde.
Kapitein Schapenham was het, die zich nu hoofdschuddend en glimlachend over de onderdeur heenboog, waar, als ze soms niets te doen hadden, de vrouwkens uit dien tijd zoo gezellig overheen konden leunen voor een buurpraatje, bij welke gelegenheid zoowat heel de buurt over de tong ging.
"Goeie vrouw, ik zou daar haast vergeten zoowaar mijn gelag te betalen."
De "goeie vrouw," die juist van plan was door haar alarmkreet desnoods heel de stad in rep en roer te brengen, wou eerst nog veel vijven en zessen eruit gooien, omdat ze zulk een bons tegen haar hoofd gekregen had, welk lichaamsdeel zij volijverig stond te wrijven, toen zij iets tusschen duim en wijsvinger van zijn rechterhand zag blinken. Dadelijk sloot zich haar mond en verzoette zich in een suikerzoet lachje.
"Wel, sinjeur, moet-je daarvoor nog terugkomen? Dàt was toch wel vanzelf...."
Hij liet ze niet uitpraten.
"Daar, moeder."
Ze voelde zich het geldstuk in de hand stoppen.
"Zooveel kleingeld heb ik op het oogenblik niet terug, sinjeur."
Al in de haast, waarin hij scheen te verkeeren, maakte hij een gebaar van "laat dat maar blijven, hoor!" en verdween opnieuw uit haar gezichtskring.
[Illustratie: Sloot zich haar mond en verzoette zich in een suikerzoet lachje]
Met lichtende oogen van geluk bekeek vrouw Stoffelsen het geldstuk, dat in het midden van haar rechterhand lag.
Zij schudde het hoofd.
"Die varenslui toch...."
Nog een wijle van stil genot.
Toen kwamen in éénen al de rimpels en rimpeltjes op haar gelaat terug:
"Als m'n vent toch zóó z'n penningen verslingerde...."
Ze voleindigde haar zin niet, maar slofte naar de echtelijke slaapplaats, waar ze, nu alweer met een gelaat vol stille, inwendige tevredenheid, van de bedsteê-plank een oude kous langde, en daarin het geldstuk bij de andere soortgenooten veilig wegborg.
VI.
OP DEN WAGEN.
Het verloop der geschiedenis beviel in het geheel niet aan kapitein Schapenham.
Voor ds. Leo wilde hij veel doen, maar om nu door zoo'n kwâjongen de kans te loopen met de justitie of de politie in aanraking te komen, dáár had hij niet veel lust in.
Als zoo'n deugniet verdwenen was en zijn moeder lawaai begon te maken -- en daar leek zij hem net een vrouw voor! -- zouden de gerechtsdienaars door al wat er gesproken en gebeurd was, het eerst erg in zijn schuit krijgen.
Stel je nu voor, dat de jongen zich bijvoorbeeld in het ruim verborgen had! En al was het niet daar, dan op een andere plaats, waar natuurlijk de gerechtsdienaars hem wel opduikelen zouden, en zoo niet, voor het minst heel den boel door elkaar zouden halen of overal hun neus in steken.
Wel, kapitein Schapenham, die dit alles in zichzelf liep te bedenken, had er wel een lief ding voor over gehad, indien hij voor een wijle buitengaats was geweest en dan met dien snijdersleerling onder zijn bereik. Buitengaats toch was een schipper onbeperkt heer en meester, zelfs over leven en dood van zijn onderhoorigen. En zeker zou hij, voor al het gezanik, den branie eens even voor den mast hebben laten binden, om hem er een dozijn of anderhalf te doen toetellen door den man met het stokje, gelijk de matrozen gewoon waren den provoost te noemen, al was bij zulk een strafoefening een eindje touw met een paar flinke knoopen erin meestal diens wapen.
Hij moest nu zoo gauw mogelijk naar Hellevoetsluis zien te komen, om desnoods de politie voor te zijn.
Om daarheen te wandelen, had hij twee uren noodig, maar, gelijk wij weten, had hij daaraan een broertje dood!
't Snelst had hij dien afstand kunnen afleggen door een paard te nemen, maar al had hij -- omdat van jongs af aan zijn heele lichaam gegroeid was naar het klimmen in het want en het zich voortbewegen op het scheepsdek -- kromme beenen genoeg om op een paard te zitten,.... een ruiter was hij niet.
Het zou dus per as moeten gaan, maar men kon in dien tijd niet eens eventjes bij een huurkoetsier aanloopen, om een rijtuig te bestellen!
Men had het Voermansgilde, waarmede men geducht rekening had te houden.
De zeeman moest zich eerst naar den Commissaris van dit gilde begeven, die ging dan aan een bel trekken, van verschillende kanten daagden de voerlieden op -- wie na het luiden van de bel verscheen had zijn recht verloren -- en nu moesten de aanwezigen erom dobbelen, of gelijk men dat noemde: erom smakken, wie het vrachtje had.
Eindelijk dan zat onze zeekapitein op den wagen, die in een sukkeldrafje over den weg hotste. Gelukkig hadden de toenmalige menschen sterke hersenen, en toen men nu eenmaal van het gedaver over de stads-keien af was, kon op den zachteren landweg een gemoedelijk praatje aangeknoopt worden, hetgeen de zeeman ook niet naliet.
Ze waren nog maar kort op pad, toen hij iemand stadswaarts zag komen, die door de eigenaardige wijze van zich voortbewegen zijn aandacht trok.
"'t Is, of die vent met z'n beenen aan 't knippen is!" gromde hij met zijn zware stem tegen den voerman.
Die grijnsde.
"Dat komt, omdat z'n geweten op die beenen aan 't werk is."
"Hè??!"
De voerman genoot van zijn verbazing.
"Och," legde hij uit, "bij dien meestersnijder is, denk ik, zóóveel door het oog van de naald gegaan, dat hij voor zijn straf knipbeenen gekregen heeft."
"Wàt zeg-je?.... Een snijder?.... Soms meester Jochum Stoffelsen?"
"Krek d'n eigenste."
De zeeman sloeg van opgetogenheid den voerman een blauwe plek op den schouder.
"Je kunt stil houden, als die knip-sinjeur vlak bij is."
De voerman wreef zich den schouder.
"Je hebt gezegende handjes, schipper!"
Kapitein Schapenham knikte.
"Dat gaat wel, vrind! En ik zal dat aan dien lappenbederver doen ondervinden, als hij niet mee wil."
"Mee wil? Wat is je plan?"
"Hij moet mee naar Hellevoet."
De voerman zette een bedenkelijk gezicht.
"Volgens ons privilegie mag ik niemand onderweg opladen, of anders moet ik boete betalen."
"Malligheid! Jij laadt niet op, maar ik. En ik ben je passagier!.... Dacht-je, dat ik, die al zoo dikwijls in zoo'n verwenschte kar heen en weer naar Hellevoet ben gesukkeld, artikel zus en zoo van je reglement niet kende?.... Maar, ho!.... daar is hij al vlak bij...."
De voerman voldeed aan het bevel, en bruusk wendde zich de kapitein tot den voetganger, die bij dit plotseling stilstaan van het rijtuig haastig op zij geweken was.
"Jij bent de meester-snijder Jochum Stoffelsen?"
De aangesprokene deed een knip met zijn beenen en bevond zich toen weer op het pad.
"Die ben ik, sinjeur."
"Ik zou graag een woordje met je wisselen."
"Tot je dienst, sinjeur."
"Toe, stap dan op den wagen.... want ik kan geen minuut verloren laten gaan."
Onwillekeurig keek meester Jochum naar den toren van den Briel, die in het Noordwesten boven het landschap uitstak, en toen stootte de voerman met zijn elleboog den kapitein aan.
"Hijsch-je maar naar boven," glimlachte deze, "ik kom zoo regelrecht van je vrouw vandaan."
De ronde oogen van meester Jochum keken hem vragend aan.
"Kom, vrind, een toertje zal je geen kwaad doen, en, intusschen zullen we elkaar heel wat te vertellen hebben."
"Nou.... tot de steê in Lagerwoude dan," gaf meester Jochum toe, en mèt knipte hij op den wagen.
[Illustratie: De ronde oogen van meester Jochum keken hem vragend aan.]
"Dat 's niet ver," bracht de kapitein daartegen in.
"Och," gaf de nieuwe passagier glimlachend te kennen, "ik heb twee omstandigheden in mijn voordeel."
"Die zijn?"
"Ten eerste.... dat het paard een knol is."
"Hé, zeg. Jij, leelijke lappenbederver...."
"En," ging mr. Jochum voort, alsof hij den voerman niet hoorde, "en in de tweede plaats, dat een zeeman gewoonlijk niet lang van draad is."
"Van draad heb-jij verstand," riep de kapitein uit, "maar hoe te duiker zie-je, dat ik een varensman ben?"
Meester Jochum maakte een beweging met het hoofd, als wilde hij zeggen:
"Nou.... die is ook goed!"
"Dat ziet een half blind mensch aan je heele doen en laten, en een meester-snijder aan je kleeren."
Kapitein Schapenham bezorgde ook hem een blauwe plek op den schouder.
"Jij bevalt me beter als je vrouw, meester!"
Het gezicht van den aangesprokene betrok.
"Laat die nu alsjeblieft buiten het spel, en zeg me nu maar gauw, wat je van me hebben wil.... Want de knol loopt zoo waar gauwer dan ik gedacht had. Zeker pas gesmeerd, voerman?"
De voerman dreigde hem met de zweep, en liet alweer een aardigheid los, welke op het gilde van mr. Jochum betrekking had. Maar diens aandacht was ineens heelemaal van de andere zijde in beslag genomen, doordat de kapitein hem vroeg:
"Je hebt een leerjongen, die Witte heet; is 't niet?"
De kleermaker zuchtte.
"Begint de bui nu ook nog van dien kant op te komen?"
Doch alsof hem iets als een uitredding inviel, wendde hij zich met heel zijn gelaat tot den zeekapitein:
"Je bent bij m'n vrouw geweest, zeg-je?"
"Heb-je ook haar naar dien satanschen kwâjongen gevraagd?"
"Ja.... En wat zou dat?"
De kleermaker slaakte een zucht van verlichting.
"Wat dat zou?.... Wel, dat ik je dan niets meer over dien galgestrop te vertellen heb!"
"Neen maar, die is goed!" riep de kapitein luid lachend uit.
Mr. Jochum knikte tevreden.
"Je zult het met me eens zijn, schipper, dat ik er geen woordje meer bij hoef te voegen."
"Dat is te zeggen.... ik wou juist, dat je er een woordje -- en voor mijn part nog een paar dozijn woordjes -- bij voegde."
"Wat is dat?.... Je weet nu alles, en misschien meer dan ik je had kunnen vertellen."
"Toch niet!"
"Wel, goeie help.... dat begrijp ik niet!"
"En toch is het heel begrijpelijk."
"Nu, maar dan moet-je me dàt mirakel eens uitleggen!"
"Dat 's heel gauw gebeurd.... Je vrouw heeft een zee van woorden over m'n hoofd doen rumoeren."
"Dat zal wel waar zijn!"
"En.... kijk.... toen ging het wat van zoem-zoem in m'n hoofd."
"Dus?"
"Ik heb niet geluisterd, goeie vrind!"
De kleermaker schudde van het lachen.
"Waarom lach-je zoo, jij, oolijke ridder van de naald?"
"Omdat ik ook nooit luister, als het zoo van zoem-zoem gaat."
Boem! Daar kreeg hij er een tweede blauwe plek op zijn schouder bij.
"Je bevalt me, meester Jochum."
"En jij mij ook, schipper."
"Rijd dan mee naar Hellevoet."
"Ho, ho, schipper," viel hem hier de voerman in de rede, "denk alsjeblieft aan artikel zus en zoo van het privilegie op het Voermansgilde!"
"Loop.... jij met je privilegie," bromde de kapitein. "Ik houd het bij de ordonnantie door baljuw, burgemeesteren en regierders der Stede van den Briele voor jullie in elkaar geflanst, en daarin lees ik...."
"Lees ik?" vroeg de voerman, zich half omwendende en verbaasd naar zijn passagier kijkende, die, met een hoog-rood gelaat van inspanning een klein boekje uit een zijner vele zakken had opgeschommeld.
"Daarin lees ik," ging de kapitein voort, na even in het boekje gebladerd te hebben, "dat je onderweg niemand op mag nemen, dan met expres believen ende consent van de Luiden, die den wagen gehuurd hebben.... Hier lees zelf maar!"
"'k Wil het best gelooven, sinjeur.... Want zoo geletterd ben ik niet."
"Dus geen bezwaar, dat ik mr. Jochum meeneem?"
De voerman schudde ontkennend het hoofd.
"Dat dacht ik ook wel!" gaf de zeeman te kennen, die graag gelijk had, en evenmin graag opgaf, wat hij zich voorgenomen had.
Intusschen had mr. Jochum dit kleine twistgesprek aangehoord met een gelaat, dat nu juist niet van groote opgewektheid getuigde. De zeeman zag het.
"Ik heb toch naar je hart gesproken, vader?"
"Neen, hoor!"
"Ga-je dan niet mee naar Hellevoetsluis."
"Voor geen geld van de wereld!"
"Waarom niet?"
"Wel... ik kan toch zoo lang niet van mijn werkplaats blijven."
"En als ik je de schade vergoed!"
"Dan blijft nog zijn vrouw over!" wierp de voerman er spottend tusschen.
Kapitein Schapenham zag hem even in de oogen.
"Ik geloof, dat de voerman de streken van 't kompas kent," glimlachte hij.
Mr. Jochum werd een beetje kregel.
"Geen kwaad van mijn vrouw!" zeide hij.
"Niet graag!" gaf de kapitein van ganscher harte toe. "Ik wil alleen maar zeggen, dat het voor alle partijen beter is, als jij op tijd thuis ben. Alleen dan nog maar deze vraag, want ik zie zoowaar ginder de steê van Lagerwoude al achter dien haag oprijzen...."
"En die vraag?"
"Betreft je leerjongen. Weet-je, waar die op 't oogenblik uithangt?"
Het goedige gelaat van mr. Jochum werd heel gestreng.
"Ik wou.... ik wou...."
"Hoho, mr. Jochum, bederf alsjeblieft je goed humeur niet.... Wat je wou.... kan me nu niet schelen. Ik verlang kort en bondig het antwoord op deze vraag: Waar is Witte?"
"'k Weet het niet!"
"Hebben ze op de steê geen vermoeden, waar hij zitten kan?"
"Ja -- ze meenen 't zelfde als ik."