De Scheepsjongen van "De Gouden Leeuw"

Part 2

Chapter 24,026 wordsPublic domain

Een Engelsch reiziger, die in den winter van 1592 op '93 in ons land vertoefde, vertelt, dat hier de vrouwen heel wat in de melk te brokken hadden en meestal niet alleen het gezin maar ook de kostwinning bestierden. Wat daarvan aan zij, zeker is het, dat hij in het gelijk gesteld zou zijn, wanneer hij op een Maandagmorgen van 't jaar 1615 een kijkje had kunnen nemen in de werkplaats van Jochum Stoffelsen, meester snijder in den Briel. De baas haalde met zulk een snelheid de naald door de stof, welke hij onderhanden had, alsof er zij leven van afhing. Zijn oogen sloeg hij niet op en knikte maar van ja of schudde van neen op al de vragen, die zijn waardige echtgenoote met groote radheid van tong stelde. Ongelukkig knikte hij door de verbouwereerdheid een keertje van ja, toen het neen had moeten wezen.

Moeder Stoffelsen, die tot nu toe de handen op de breede heupen had doen rusten, hief ze nu met een trilling van woede omhoog.

"Heb ik ooit van m'n levensdagen zoo'n man gezien! Daar vraag ik hem, of hij zijn beklagenswaardige vrouw op zulk een ongehoorde wijze mag laten verhabbezakken -- en daar knikt dat monster getroost van ja!"

"Goeie, beste vrouw...."

"Góéie, bèste vrouw," bauwde zij hem smalend na. "Ik bèn niet goed, en ik bèn niet best. Enkel en alleen maar een zondig mensch. Maar je vrouw bèn ik. En die moest door jou beschermd worden. Ze mogen jou met recht een ridder noemen.... van de naald altijd, bah!"

"Ho, ho, vrouwtje! Die naald...."

Hier stokte de meester. 't Speet hem, dat hij het maar niet bij ja en neen knikken gehouden had. Want bij ondervinding wist hij wel, dat gemeenlijk het eene woord het andere uitlokt. En omdat moeder de vrouw altijd het laatste moest hebben, bleef dat een gevaarlijke proef.

Zijn vrouw evenwel merkte wel, dat hij meer op de tong had.

"Wat wou-je zeggen?"

"Maar vrouwtje, vrouwtje...."

"Wàt wou-je zeggen?" herhaalde zij.

"Ja, zie-je.... begrijp-je.... vat-je.... Ik wou niets anders zeggen dan.... wat toch de waarheid is, zie-je.... begrijp-je.... vat-je...."

Zij stampvoette van ongeduld.

"Houd toch je mond met die onnoozelheden!.... Kort en bondig, wàt heb-je te zeggen?"

De naald vloog nu met reuzensnelheid door het werk des meesters.

"Niets anders.... dan dat de naald.... zie-je.... om zoo te zeggen het brood voor je verdient.... vat-je -- éh ja, ik bedoel, zie-je -- of neen, begrijp-je...."

De handen van moeder Stoffelsen kwamen weer op de heupen.

"Wel zoo!" smaalde ze, "wel zoo!"

Met zulke nadrukkelijke voetstappen, dat er het zand over de roode vloertegels van onder haar leeren muilen knarste, kwam zij tot vlak voor den baas, wiens naald, zouden wij in 20e-eeuwschen stijl zeggen, nu het record sloeg.

"Wat brengt meer op?" vroeg zij, elk woord op den armen man inhamerend, "de taveerne of de rommel, dien je hier dag aan dag zit te verknoeien?"

"Ho, ho, vrouwtje!.... Verknoeien is een hard woord.... Ik heb toch mijn meesterproef afgelegd!"

"Dat is ten minste het eenige goede, dat je in je leven uitgevoerd hebt!"

Hij knikte van neen.

"'k Heb nog iets beters gedaan!"

"???"

Hij zag haar aan als een onderdaan, die zijn vorst iets heel zoets heeft te vertellen.

"Toen ik mijn suikerdotje getrouwd heb," vleide hij.

Het suikerdotje liet zich deze vleierij genadig aanleunen.

"Malle vent!" zei ze.

Meester Stoffelsen was een en al lach van geluk. Hij werd er woordenrijk door.

"Zeker, vrouwtje; ik geef je toe, dat het een héél verstandige zet van je was, om een eet- en drinkgelegenheid voor de zeelui en de soldaten op te zetten...."

"Dat was het," bevestigde zijn vrouw.

"En dat aardig wat opbrengt."

"Dat brengt het."

"Maar.... maar.... maar..... Het gaat met de kleermakerij ook niet slecht. Ik krijg meer werk dan ik af kan. Alleen is het jammer, dat mijn hulp niet deugt."

"Je bedoelt dien leerjongen?.... Waar zit die luiwammes nu weer?"

"Op een boodschap, en dat duurt natuurlijk weer een eeuw voor hij terug komt.... Maar spreek-je over den vent, dan is hij bij je of omtrent.... Daar heb-je den guit.... Zeg eris, waar heb-jij al dien tijd gezeten?"

"Natuurlijk wat rond wezen slenteren!" antwoordde zijn vrouw voor den leerjongen, in wien wij den knaap herkennen, dien wij op het conventikel ontmoet hebben.

Hij gaf geen antwoord. Met een gelaat, waarop niets anders dan de gewone norschheid en onverschilligheid te lezen stonden, ging hij naar de kleermakerstafel.

De oogen van vrouw Stoffelsen begonnen te glanzen; maar de ondervinding, welke zij met dezen leerjongen had opgedaan, stemde haar eenigszins tot voorzichtigheid.

"Kun-je tegen je meester boeh noch bah zeggen, als hij je wat vraagt?" kwam het er eindelijk bij haar uit. En dat luchtte haar merkbaar.

Witte haalde de schouders op.

"Vroeg-t-ie wat?" klonk het norsch.

"Waar of je gezeten hebt, onbeschaamde jongen!"

"Dàt weet-je.... en daarom _is_ dat geen vraag, meester!"

De felle oogen gingen nu haar kant uit. "Geef hem een draai om de ooren!" raadde vrouw Stoffelsen.

[Illustratie: De felle oogen gingen nu haar kant uit.]

"Ik ben geen Menist meer!"

Moeder de vrouw, die wist wat die woorden in den mond van dezen zonderlingen knaap te beduiden hadden, stond te trillen op haar voeten.

"Je was waard, dat de meester je wegjoeg."

"Lààt hij me dan wegjagen!"

"Dat wou-je wel," zoo wond de vrouw zich op zonder te gevoelen, dat zij van Noord naar Zuid was gedraaid. "Dat wou-je wel, hé? Net als van de lijnbaan, toen je daar te lui was, om aan het wiel te draaien."

Witte haalde onverschillig-weg de schouders op en zette zich met gekruiste beenen naast meester Stoffelsen, die volgens zijn gewoonte de wijste partij gekozen en zich stilzwijgend aan den arbeid gezet had.

Maar moeder Stoffelsen liet den leerjongen zoo gemakkelijk niet schieten. Ze ging aan 't voorspellen, dat hij voor galg en rad opgroeide.

"Vrouw," kwam de patroon eindelijk op zijn gewone onderworpen wijze er weer tusschen, "wees toch wijzer en verspil je woorden niet aan.... aan dat sujet."

"Juist," triomfeerde zij. "Zeg maar: verloren sujet. Want dàt zal hij wezen, als hij ook hier vandaan wordt gejaagd...."

"Of wegloopt," vulde Witte droogjes aan.

"Hoor-je dat, man; hóór-je dat?"

De patroon glimlachte even.

"Hij zal 't wel uit zijn lijf laten.... Ja, als daar geen zware boete op stond!"

De vrouw maakte een gebaar van: wat kan hèm dat schelen!

"Zijn arme moeder is er goed voor."

Witte gaf daar geen antwoord op. Hij boog zich dieper over het wambuis, waaraan hij bezig was knoopen te zetten, maar boven zijn neuswortel werd weer die loodrechte rimpel zichtbaar.

De baas zag het.

"Vrouw, vrouw!" vermaande hij "laat z'n moeder buiten het spel!"

Wat zij op deze vermaning geantwoord zou hebben, is niet te zeggen. Erg vredelievend stond in elk geval haar gelaat niet. Gelukkig werd juist op dit oogenblik in het aangrenzende vertrekje eenig gestommel vernomen en een krachtige stem riep: "Hei daar!"

"Vrouw, ik geloof dat er volk is!"

Dadelijk kreeg haar gelaat een andere plooi.

"'t Wordt tijd," zei ze, "want ik heb vanmorgen nog geen handgeld ontvangen."

En met deze opmerking verdween ze van het tooneel.

In de werkplaats was het heel stil geworden. Daardoor hoorde men duidelijk uit het nevenvertrekje, dat als taveerne dienst deed, de stemmen van eenige mannen. Het waren meest vreemde klanken, maar dat verbaasde meester noch knechtje. Den Briel toch was in die jaren, n.l. van 1585--1616, een Engelsche pandstad, gelijk gij wel uit de vaderlandsche geschiedenis weet. In deze sterkte, evenals in Vlissingen en Rammekens, lag een Engelsche bezetting. Door veelvuldige aanraking waren de inwoners wat Engelsch gaan parlevinken en de Engelsche soldaten wat Hollandsch. Men kon elkaar, ten minste wat eten en drinken betreft, vrij goed verstaan. De Engelschen vonden het eten hier te lande best naar hun zin. Zelfs wat overdadig, omdat men op het brood niet alleen van die heerlijke goudgele boter smeerde, maar daarop weer flinke plakken kaas lei. Dat laatste mocht men zélf doen. Was men daarmee klaar, dan woog de hospes het stuk kaas, wist op die manier precies wat ervan afgesneden was en berekende daar den prijs naar.

Na wat meester Jochum Stoffelsen uit het stemgerucht kon opmaken, zou 't ook nu wel een kroes bier, en brood met boter en kaas zijn.

De baas kreeg er een kleur van plezier door. 't Had hem groote moeite gekost, om voor zijn vrouw de vergunning van klein-tapster te krijgen, en als zij nu maar geld verdiende, was zij thuis veel zachtzinniger. Haar booze bui van dezen morgen was enkel een gevolg geweest van te weinig nering in de laatste dagen en dat een buurvrouw haar zulks in de keel gestoken had. En blijde, dat bij moeder de vrouw voorloopig de muts weer goed zou staan, oordeelde hij het verstandig ook wat olie te storten over den toorn van zijn leerjongen.

"Je moet de vrouw niet zoo tegenspreken, Witte... Dat heb ik wel honderdmaal gezegd."

Witte zweeg.

"Hoor-je me niet?"

"Ja, meester."

"Waarom geef-je me dan geen antwoord?"

"Omdat ik dan tegenspreek," meester.

De patroon schudde het hoofd.

"Wat ben-je toch een rare jongen."

Zwijgen.

"Je wordt haast zeventien, is 't niet?"

Knik met het hoofd.

"Wanneer?"

"Komende jaar."

"Dat spreekt!... Maar wannéér?"

"Den 29en Maart."

"Zeventien is al een heele leeftijd, Witte!"

Zwijgen.

"Zou het zoetjesaan geen tijd worden, dat je veranderde?"

"Van vak?"

De patroon keek hem een beetje verbluft aan. Witte zag dat, en moest daar toch even om glimlachen.

"Dàt zal je niet gelukken, ventje!" voer zijn meester voort. "Je ben -- laat eens kijken, wat je zoo al geweest ben.... Lijndraaier, knoopenmaker, kalfsleerwerker... en wandsnijder, is't niet?"

"Ja, meester.... En toen zeilmaker en nu ben ik kleerenjutter!"

"Hoe? Je spot toch niet met dat mooie ambacht?"

"Neen, meester; ik ben blij, dat ik het een beetje versta. Daar zal ik profijt van hebben.... als ik op zee vaar."

"Jongen, stel toch die malligheid uit je hoofd! Leer je vak goed, dan word-je een man in de maatschappij. En denk er toch aan, dat als je van mij met schade en schande weggaat, je een verloren man ben."

"Dat zie ik nog niet in, meester."

"Hoe? Je weet toch, dat je zoo goed als in niet één gilde meer terecht kunt komen. Uit hoeveel gilden ben-je al niet weggestuurd! En dáár kom-je nooit meer in."

Zwijgen.

"En wat moet er dan van je terecht komen? M'n vrouw sprak daarstraks van een verloren sujet. Neen, kijk me niet zoo nijdig aan!.... Weet-je wel wat dat is?"

"Ja, zeker; als je nergens meer voor deugt en door de dienaars van den baljuw buiten de grenspalen wordt geleid."

"Of op een schip naar Oostinje," vulde de baas aan.

Witte liet zijn werk op zijn knie vallen.

"Doen ze dat óók met een verloren sujet?"

"Ho, ho! Zoo bedoelde ik het niet!"

"Neen, baas, nu moet-je er geen doekjes om winden."

De baas keek strak op zijn werk.

"Daar zijn ze pas bij het Gerecht mee begonnen... Maar (en hier sloeg hij zijn oogen op en keek Witte vlak in het gezicht) op _die_ manier zou-jij toch niet het zeegat willen uitvaren?"

De jongen gaf geen antwoord en vatte zijn werk weer op. Hij bromde wat, dat zoowel ja als neen kon beteekenen, en het gesprek verliep.

Na een half uurtje kwam de vrouw weer in de werkplaats. Zij was bijzonder in haar nopjes, dat zag de baas dadelijk. Zij telde op, wat de Engelsche krijgslieden verteerd hadden. Zooveel boterhammen, zooveel boter, maar in het gebruik van de kaas waren zij haar tegengevallen.

"Je schalen en gewichten zijn toch zuiver, vrouw?"

"Als de zon.... Maar wat zit die jongen te grijnzen?"

"Ze hebben je te pakken gehad, vrouw."

"Mij?.... De eerste, die mij te pakken neemt, moet nog opstaan.... Maar.... maar wat begint de jongen nu? Is hij dol geworden? Houd hem tegen, man!.... Hij gaat op den loop, of...."

Met de vlugheid zijner jaren was Witte van de kleermakerstafel gesprongen en ijlde naar de taveerne.

[Illustratie: O, die gauwdieven, die schurken!]

De vrouw als de drommel hem na, en daarachter de meester met zijn knipbeenen.

Toen hij in de taveerne gekomen was, zag hij, dat Witte het stuk kaas in handen genomen had, en hoorde zijn vrouw aangaan als een Noordwester: van dat de jongen er met zijn leelijke, vuile handen af moest blijven.

Maar Witte had zijn mes te voorschijn gehaald en sneed toen heel netjes de kleine, looden kogeltjes eruit, die de soldaten na het gebruik stiekem in de kaas gestopt hadden.

De vrouw hief haar handen omhoog.

"O, die gauwdieven, die schurken!"

"Hoe wist-jij dat?" vroeg de baas aan zijn leerjongen.

"Wel meester, wie veel langs de kaai loopt, hoort wel eens dingen, die hij in zijn ooren knoopt. Het kan altijd te pas komen, zooals je ziet."

IV.

EEN OASE IN DE WOESTIJN.

Dien avond wachtte zijn zuster hem op bij den ingang van de hofstede.

Ze wist, dat hij komen zou, want het was lichte maan.

Niettegenstaande de zwaar bewolkte lucht, kon men, wanneer men zich slechts een poosje buiten bevond, ten minste zien waar men liep. Bij donkeren winternacht was dat niet te doen, ja, zelfs gevaarlijk. Men had dan kans terzijde van den weg in de sloot te geraken, omdat men, om de vochtige wagensporen en de brijachtige modder te ontwijken, meestal op den glibberiger graskant langs het pad liep, vanwaar men licht naar den verkeerden kant uitgleed.

In den winter bracht Witte meestal den nacht in het huis van zijn patroon door, waar hij in den kost was. Met mooi weer en maneschijn trok zijn hart hem echter naar Nieuwenhoorn, al was het niet zoozeer naar de steê van zijn moeder, waar hij echter wel zijn slaapplaats vond.

Waarheen hij dan ging, eer hij zijn kooi opzocht?

Dat zullen we dadelijk wel vernemen. Catharina de With wist dus, dat haar broer zou aankomen, om te zeggen, dat hij vannacht thuis sliep, en wist ook wel omstreeks welken tijd dat zijn zou.

In het onzekere licht van dien winteravond zag zij hem toch al in de verte aankomen, eenzame figuur op den weg, die tegen de grauw-groene grasbanden afstak, zich als eindeloos verlengde en opging in het schijnsel, dat in de verte de stad afgaf, waar de olielantaarns aangestoken werden en een weerschijn wierpen op den zwaren toren, die in het groezelige licht van den door zware wolken verduisterden maan-avond toch nog duidelijk te onderscheiden was.

"Ben-jij daar, Witte?"

"Ja, Katrijn."

"Je komt zeker zeggen, dat je hier vannacht slaapt."

"Ja."

"En je gaat zeker naar nicht Maertje."

"Ja."

"Ga er dan maar dadelijk heen."

"Is er ginder zwarigheid?"

"Neen, dáár niet.... maar hier."

"Wat dan?.... Is Abram weer ziek?"

"Neen.... moeder."

"Erg?"

"Nou erg?.... Ze heeft zich kwaad gemaakt."

"Op wie nu alweer?"

"Da's ook een vraag! -- Op jou."

"Natuurlijk omdat ik gisteravond...."

Maar de rest van zijn woorden ging in een soort gegrom verloren.

"Gisteravond?.... O, Witte, ben-je soms weer bij de fijnen geweest?"

"Als je 't vragen moet, weet-je het niet.... En dus is moeder weer om iets anders nijdig op me."

Katrijn zweeg eenige oogenblikken.

"Wacht.... ik loop een eindje met je mee."

"Goed!" zei Witte kortaf.

Ze gingen samen voorbij de steê, den hoogen dijk af en het Hellevoetsche zandpad op.

"Ik begrijp uit alles, dat je me nou liever niet thuis wil hebben."

"Neen.... moeder zou er wakker van kunnen worden en dan krijgen jullie weer ruzie."

"Kan ik dat helpen?"

"Anders wel, Witte.... maar nu niet."

"Dus moeder weet niets van dat conventikel?"

Zijn zuster stond stil.

"Waarom doe-je moeder toch dàt verdriet?"

"Omdat men Gode meer moet gehoorzamen dan de menschen," klonk het dadelijk terug.

Katrijn zuchtte.

"Laten we daar maar geen ruzie over krijgen.... en ik wil dat ook niet."

"Nee, je màg niet."

"Juist!.... Omdat ik Menist ben."

"Of die niet strijdlustig zijn!" ging Witte op bitteren toon voort.

"Foei, je bedoelt moeder?"

"Ja."

"Hoe durf-je dat zeggen!"

"Omdat ik geen duivel op mijn hart smoor. Vandaag niet en morgen niet en nooit niet. Dàt heb ik tenminste nog van de Menisten overgehouden."

Katrijn zuchtte weer.

"Witte," riep zij eindelijk uit, "je ben zoo in het net van die fijnen verstrikt...."

"Wat zeg-je?" riep hij uit, stilstaande en zich dreigend voor haar plaatsend.

"Neen, neen," weerde ze af, "geen ruzie tusschen ons. Je weet, dat ik je help, waar ik kan.... Maar je gedachten zijn zoo van dat.... dat andere vervuld, dat je niet eens vraagt, waarom moeder ziek geworden is."

Witte haalde onverschillig de schouders op.

"Je hebt het al gezegd: van boosheid op mij. Oud nieuws. Ik heb het immers altijd gedaan?"

"Neen, Witte, nu is het _nieuw_ nieuws.... Er is iemand over je wezen praten."

"Dominee Leo?"

"Die kan komen, zooveel als hij wil; maar je weet, dat moeder dan als een stom beeld zit."

"Dat weet ik," merkte Witte bitter op. "Hij heeft me immers ongelukkig gemaakt, zooals moeder altijd gelieft te zeggen!"

Katrijn liet dat nu maar voor wat het was.

"Je raadt het nooit. Witte," zei ze.

"Láát me dan ook niet raden. Ik heb daar een hekel aan."

"Ik.... ik durf het haast niet zeggen."

"Is het dan zóó erg?"

"Erg?.... Neen, dat wel niet, maar als je het weet, is het weer voor weken en maanden mis met je."

Weer stond Witte stil.

"Zeg op, Katrijn!.... Dacht-je, dat op heel de wereld me één ding nog schelen kon?"

"Ja, Witte.... één. En 't is juist dáárover, dat het tusschen moeder en hem ging."

Witte haalde diep adem.

[Illustratie: "De zee?"]

"De zee?"

Hij stootte die ééne klank eruit.

Toen greep hij zijn zuster beet, maar deze rukte zich lachend los.

"Zie-je wel, dat één ding je toch nog wel schelen kan?"

Nu lachte hij ook.

"Toe, zusje.... zeg het me nou!"

Ze vertelde hem van het bezoek van den zeeman en stond er vreemd van op te kijken, toen ze hoorde, dat hij dien al kende.

"Op de oefening, gisteravond."

"Welzoo? Ik dacht, dat je daar...."

"Stil, zusje, toe, alsjeblieft nu niet daarover...."

Ze kreeg met hem te doen. Vooral, omdat ze hem moest mededeelen, dat moeder ook nu niet te bewegen was geweest.

Gelijk hij gewoon was, werd Witte er weer hard tegenin.

"Eens ga ik toch," sprak hij.

En zonder hem aan te zien, wist zijn zuster, hoe zijn gezicht stond.

Ze waren dicht bij een andere boerenhuizinge aangekomen, waarvan zij reeds geruimen tijd 't verlichte venster hadden gezien.

"Ik ga nu terug, Witte. Moeder sliep, toen ik heenging, maar kan wakker worden en naar mij vragen. Zonder noodzaak behoeft zij niet te weten, dat ik jou gesproken heb."

"Geen nood!.... Over mij spreekt ze toch nooit.... of...."

Katrijn sloot hem den mond.

"Je mag de Tien Geboden nog wel eens overleeren, Witte."

Dadelijk stond de jonge ijveraar pal.

"Ik eer mijne moeder.... Dáárom gehoorzaam ik haar en loop ik niet weg."

Na dit gezegd te hebben, keerde hij zich bruusk om, en liet het aan zijn zuster, die op haar schreden terugkeerde, over, om het onderscheid tusschen eeren en liefhebben, te overpeinzen.

Intusschen had het geblaf van den hofhond een meisje buiten doen komen.

"Ben-jij daar, Witte?"

"Ja, Marie."

"Malle, jongen, waarom zeg-je toch geen Maertje, zoo heet ik immers?"

Witte was reeds bij haar en ging met haar in huis.

"Maertje vind ik zoo, zoo.... net of je je moeder ben."

Hij leek wel heelemaal veranderd. Veel zachter, maar ook veel onbeslister in zijn woorden, die anders, precies als bij zijn moeder, gelijk hamerslagen neer konden vallen.

Het meisje, dat van zijn jaren was, lachte luid:

"Hoe kan dat nou?.... Mijn eigen moeder zijn!"

"Och, ik bedoel.... je moeder heet Maertje."

"En ik naar haar."

"Wat is er?" zoo kwam uit de boerenkeuken, waarin zij binnentraden, de stem van een nog jonge vrouw hen tegemoet.

"Goeien avond, nicht.... Waar is de baas?"

"Naar bed.... Hij gevoelde zich niet wel. En de jongens zijn verkouden.... dus ook naar de kooi. Je weet: de de With's zijn niet sterk... Nu, ja, Witte, jij en je moeder zijn een uitzondering."

"Hij is ten minste weer aan den gang, moeder!"

"Zoo.... heeft hij een pak kleeren bij zijn baas bedorven?"

Witte maakte een afwerend gebaar.

"Toe.... nicht Maertje, kom me daar nu alsjeblieft niet mee aan boord. Ik ben bang, dat die lucht van de kleermakerstafel nog aan m'n plunje hangt."

Plagend berook hem het jonge meisje.

"Ja waarlijk," riep ze uit. "Ik ruik.... baas Jochum Stoffelsen en zijn vrouw."

Daar begon Witte te lachen, eigenlijk heel vreemd voor dat anders zoo nijdige gelaat.

Hij vertelde van de loodjes in de kaas, en de twee vrouwen hadden daar wàt 'n schik in.

"Goed, dat ik het weet," riep nicht Maertje uit, "want die Engelschen zwerven tegenwoordig over het heele eiland.... 't Wordt tijd, dat ze weggaan."

Nu, Witte kon het gerucht meedeelen, dat het vermoedelijk niet lang meer duren zou. Er moesten onderhandelingen aan den gang zijn tusschen den landsadvocaat en den koning van Engeland over het inlossen van de pandsteden.

Dat gesprek werd te taai voor het jonge meisje en die begon nu maar gauw over de gekheid van daarstraks.

"Hoe kwam-je zoo mal?" vroeg nicht Maertje aan Witte. "Waarom moet Maertje nu Marie heeten?"

"Om den boel een beetje uit elkaar te houden, nicht."

Zij knikte toestemmend.

"Ja, onze familie zit ook op een wònderlijke wijze in elkaar."

"O, Witte," riep het jonge meisje uit, "wat bèn-je begonnen!.... Je weet, als moeder daarover begint...."

"Wel, jou nest," bestrafte haar d'r moeder; "Als ik dat boeltje niet telkens uit elkaar haalde, zou-jij later niet meer weten, of Witte een oom, een neef of een achterneef van je was...."

"Voor mij blijft hij Witte, hoor!"

"En jij, Marie!" zei hij dadelijk.

"Hóór-je 't, moeder?" vroeg het meisje.

Maar deze was al aan haar geslachtkundige uitlegging begonnen.

"Jou vader, Witte, was een broer van mijn vader."

"Ja, nicht Maertje."

"Jou vader heette Cornelis, en de mijne Leendert de With."

"En die waren broers," plaagde haar dochter, die we nu ook maar Marie zullen blijven noemen.

"Ssst!" deed haar moeder, "ik ben er nog niet!"

"Nog lang niet," plaagde nu ook Witte.

"En," aldus ging zij op zwaarwichtiger toon voort, "daarom heet ik voluit Maertgen Leenderts-dochter de With."

De beide jongelieden gaven elkaar een knipoogje maar durfden toch niet lachen.

"Ik, Maertgen Leendersdr. de With, trouwde weer met dien de With, die nu mijn man is."

"Ze vergeet den voornaam," dacht Witte, "dat schiet vast op."

"En uit die echt werd nu Maertje geboren, die net zoo oud is als jij, Witte, hoewel jou vaders broer haar grootvader is."

"Hè," zei Witte, "daar zou een mensch simpel van worden."

"Ssst," waarschuwde nu op haar beurt Marie, "moeder is er nog niet."

"Nu, ik was toch al zoover, dat Maertje geboren was."

"En die zit hier," kon Marie niet nalaten te schertsen.

"En die heet net als ik...."

[Illustratie: Moeder is er nog niet.]

"Ho, ho, nicht," kwam Witte tusschen beiden, "maak een beetje onderscheid alsjeblieft en noem haar Marie."

"Dus.... ze moet zich over haar moeder schamen?"

"Hoe kòm-je daaraan, nicht!.... Maar, zie-je, als ik later aan 't varen ben..."

"Altijd dat varen, Witte?"

"Altijd dat varen, nicht!.... Maar, wat ik zeggen wil, als ik ergens in een apenland zit en een brief wil schrijven aan.... aan die lachebek hier.... hoe moet ik dan de dochter van de moeder onderscheiden?...."

"O ja, dàt 's waar," riep Marie uit, "dáár had ik niet aan gedacht!"

"Net goed!" plaagde nicht Maertje, "dan krijg ik den brief in handen."

"En u kunt niet lezen!" plaagde haar dochter weerom.

"Daar vind ik wel iemand voor," dreigde haar moeder.

Maar toen hij naar huis ging, na een uurtje in dit gezin verkeerd te hebben, dat voor hem als 't ware een oase in de woestijn van zijn wanhopig eentonig leven was, -- fluisterde zijn achternicht hem toe; dat hij haar voortaan Marie mocht blijven noemen.

En dat is zoo gebleven, tot haar dood toe.

V.

WAAROM VROUW STOFFELSEN ALLEEN THUIS BLEEF.

Eenige dagen later stond het kleine huisgezin van den meester-snijder Jochum Stoffelsen héélemaal op stelten.