De Scheepsjongen van "De Gouden Leeuw"
Part 1
[Illustratie: kaft]
JOH.H. BEEN DE SCHEEPSJONGEN VAN "DE GOUDEN LEEUW"
DE SCHEEPSJONGEN VAN "DE GOUDEN LEEUW"
JONG HOLLAND I
[Illustratie: logo Meulenhoff]
H. MEULENHOFF -- AMSTERDAM -- 1920
DE SCHEEPSJONGEN VAN "DE GOUDEN LEEUW" JOH. H. BEEN GEÏLLUSTREERD DOOR JAN WIEGMAN
[Illustratie: logo Meulenhoff]
H. MEULENHOFF -- AMSTERDAM -- 1920
[Illustratie: Akelig klonk hem het ketengerammel in de ooren.]
Inhoudsopgave
I. DE BAZINNE VAN "LAGERWOUDE". II. IN DE GEHEIME BIJEENKOMST. III. OP DE KLEERMAKERSTAFEL. IV. EEN OASE IN DE WOESTIJN. V. WAAROM VROUW STOFFELSEN ALLEEN THUIS BLEEF. VI. OP DEN WAGEN. VII. HET PLANNETJE VAN HANS. VIII. HET DEURTJE VAN EEN VOGELKOOI GAAT OPEN. IX. MET IJSGANG UIT HET GOEREESCHE ZEEGAT. X. ONDER DE LINIE. XI. ER MOET IETS OP DE "WESTVRIESLAND" GEBEURD ZIJN. XII. HET LAATSTE GEDEELTE VAN DE REIS. XIII. 'T WAS IN DE MEI.... XIV. TOT ZIENS!
I.
DE BAZINNE VAN "LAGERWOUDE".
Op een grauwen namiddag in de maand December van 't jaar onzes Heeren 1615, zat in de groote keuken van een hofstede, die, een half uurtje buiten den Briel, dicht bij het wagenveer naar Hellevoetsluis gelegen was, een vrouw druk aan het verstelwerk.
Hoewel het niet later dan half drie geweest zal zijn, heerschte er toch al een soort van schemering in het vertrek, dat tegelijk tot woonkamer diende, en door de kleine, in het lood gezette ruitjes van de twee ramen het daglicht moest ontvangen.
"Moeder," zei een deerne, die aan den gootsteen, met het wasschen van vaatwerk bezig was, maar even ophield om naar de vrouw te kijken, die zich àl dieper over haar naaiwerk heen boog, "moeder je bederft nog je oogen."
"Zei-je iets Katrijn?" riep een ongeveer vijftienjarige knaap, die in de aangrenzende schuur bij de koeien bezig was.
En zijn hoofd door de openstaande deur stekende, waardoor de reuk van den stal in de keuken drong, zag hij vragend zijn zuster aan. Moeder hief het hoofd op.
[Illustratie: Ga jij maar aan je werk, Andries.]
"Ga jij maar aan je werk, Andries. Je zuster heeft het niet tegen jou."
Dat kwam er niet vriendelijk bij haar uit. En toch was Andries van haar drie zoons de meest geliefde, omdat hij naar haar vader heette.
Trouwens, die boerenvrouw hàd iets norsch, iets stugs over zich, en, door een loodrechten rimpel tusschen de wenkbrauwen, zelfs iets strengs. Zij was niet jong meer, maar toch droeg zij haar zeven-en-vijftig jaren met eere. Wat vooral uitkwam, als men haar vergeleek bij haar dochter en bij haar zoon, die in gestalte en gelaat iets zwaks en ziekelijks over zich hadden. En zoo boersch als zij gekleed was, met het eenvoudige gladde mutsje, dat haar nog niet grijzende haren alleen bij de slapen zichtbaar liet, zag zij er uit als een heerscheres; en dat was zij ook, de bazinne van deze hofstede. "Och, Andries," zoo lichtte de deerne, die wij Katrijn noemden, maar als Catharina gedoopt was, haar broeder in, "moeder zit haar oogen te bederven, en nu wou ik, dat ze zich een beetje rust gunde."
"Rust?" sprak de oude vrouw bitter, "rust zal: ik hebben, als ik bij je vader in de Groote Kerk van den Briel begraven lig!"
Katrijn wenkte met de oogen en het hoofd, dat Andries maar aan zijn werk blijven en moeder stil moest laten zitten.
Of hij die teekenen niet opmerkte, dan wel dat niet wilde, durven wij niet beslissen. Zeker is het, dat hij uit den stal in de keuken kwam, en zich naar zijn moeder begaf.
Snel had die opgekeken, toen zij hem de holsblokken van de voeten hoorde gooien, om op de kousenvoeten binnen te komen.
Afwerend strekte zij de hand uit; maar reeds was Andries bij haar en sloeg de armen om haar heen.
"Toe, moeder; u moet niet zulke akelige dingen zeggen!"
Met bovenlijf en armen maakte zij zich los uit de omhelzing. Wel niet ruw of afstootend, maar toch met een zekere beslistheid.
"Dwaasheid, Andries! Wij moeten elk uur van ons leven bereid zijn om rekenschap af te leggen!"
"Dat weet ik wel, moeder, maar...."
"Ga aan je werk, Andries," kwam Katrijn tusschen beiden, niet zonder eenige spijtigheid in haar toon van spreken, "je weet, dat moeder niet tegengesproken wil worden."
De rimpel tusschen de wenkbrauwen van moeder verdiepte zich en haar felle oogen gingen den kant van haar dochter uit.
"Andries heeft je raad niet noodig, Katrijn. Bewaar dien.... voor je oudsten broer!"
't Was, alsof Andries bij die woorden wederom behoefte gevoelde zijn armen om moeders hals te slaan; maar omdat hij dit niet aandurfde, vielen zij slap neer, en vouwde hij de handen.
"Is.... is er alweer iets met Witte?" vroeg hij angstig.
"Alweer?" gaf moeder schouderophalend ten antwoord, terwijl zij haar verstelwerk, dat in haar schoot gegleden was, weer opvatte. "Vraag liever, wanneer er niet wat met hem aan het handje is!"
En plotseling van onderwerp veranderende:
"Waar zit toch heel den middag broer!"
Broer was de jongste zoon, die Abraham heette, en ongeveer den leeftijd van veertien jaar bereikt had.
"O, moeder," gaf Katrijn dadelijk ten antwoord, blijde, dat zij over iets anders kon spreken, "broer is met den speelwagen naar den Briel, voor de boodschap bij burgemeester Lenaert Jans 1), u weet wel...."
"Dat kon de knecht toch alleen wel af!" merkte moeder op, die weer met haar verstelwerk begonnen was. "'t Was beter, als broer met dien hoest thuis gebleven was; de lucht is vandaag te guur voor hem."
"Kom, moeder," waagde zij luchtigjes tegen te spreken, "de jongen is toch geen papkindje. Wat jij, Andries!"
Andries gaf haar gelijk. 't Was buiten niet zoo guur als moeder dacht.
Moeder gaf geen antwoord. Een Doopsgezinde spreekt nooit onwaarheid, maar behoeft daarom toch niet altijd al de gedachten, die er in een menschenhoofd omgaan, te vertolken!
Zij wist, welke zwakke vaten het waren, die kinderen van haar.
Dat wil zeggen, haar kinderen op één na.
En die eene!....
Even was er iets als van bezorgdheid over haar streng gelaat gegaan. Nu verdiepte zich wederom die steile rimpel.
En in den toenemenden schemer stond haar lievelingszoon voor haar, het hart vol vragen en naar het gelaat starende, dat, door het hagelwitte mutsje omlijst, heel eigenaardig hoe langer hoe meer uit die schemering leek te komen. Angstig keek ook Katrijn dien kant uit, vreezende, dat een ondoordacht woord moeders gedachten weer op dien eenen zou terugbrengen, en ze wist niet, dat moeders hoofd en hart er thans meer dan vol van waren.
En zoo kwam het, dat zij niet hadden opgemerkt, hoe een kloek manspersoon, die op het voetpad van den Brielschen kant kwam aangestapt, even, als onderzoekend, was stil blijven staan, en toen vastbesloten op de boerenwoning af stevende.
Ja maar, dat gaat bij een boerensteê, waar de hofhond het erf bewaakt, niet zoo gemakkelijk! Het beest ging verschrikkelijk aan, rukte aan zijn ketting, dat het knarste en het duurde een heel poosje, eer de vreemdeling, en niet anders dan door tusschenkomst van Andries, die den hond in bedwang hield, de keuken binnenstapte.
"Hé daar! Ben ik hier bij de weduwe de With?"
Bij dat onverwachte lawaai van den hond hadden zij allen verschrikt opgezien, maar moeder de With had zich het eerst hersteld, en wijl de vreemdeling, die wat haastig gebakerd scheen, zijn vraag herhaalde, gaf zij rustig ten antwoord:
"Ja, sinjeur, als je de weduwe de With moet hebben, ben-je terecht."
Hij trad nu binnen.
"'t Is vroeg donker, vrouw de With!"
"Ja, sinjeur.... En wat was er van je dienst?"
"Nou.... dat is in één woord niet te zeggen...."
Zij gaf geen antwoord, maar haar felle oogen keken hem strak aan.
"Bij alle blauwtjes uit de Indiën!" dacht de vreemdeling in zichzelf, "precies de oogen van dien jongen."
En luide voegde hij erbij:
"Mag ik even gaan zitten, vrouw de With? Ik heb een heelen tippel achter me. Je moet weten, ik kom heelemaal uit den Briel."
"Dat 's toch op zijn best een half uurtje!" lachte Katrijn.
"Zwijg, Katrijn, en ga aan je werk!"
Maar de vreemdeling had zich met een gezicht vol jool tot de bestrafte gewend.
"Wel, moeder de With.... ja, is dat je dochter?"
Zij knikte.
"Nu, die schijnt niet te weten, dat een half uur loopen voor een zeeman een heele torn is."
Het gelaat van de weduwe werd opeens minder hard en norsch.
"O, ben-je zeeman, sinjeur."
"Zeker.... en zeg daarom liever maar schipper."
"Wel, heel graag. En nu weet ik meteen, waarom je hier ben gekomen."
"Te deksel.... doe-je een beetje aan de zwarte kunst, vrouw de With?"
"Ik had liever, dat-je niet zoo ijdel sprak, schipper!" kreeg hij vermanend tot bescheid.
"Kom, kom, vrouw de With, voor een zeeman moet-je een beetje toegeefelijk zijn!"
"Dat mag ik op die dingen niet zijn!"
Even gleed er een schaduw over zijn door weer en wind gebruind gezicht.
"'t Zal een strijd op leven en dood zijn!" dacht hij.
Maar met een gebaar als wilde hij zeggen: "Kom, kom, 't is niet het eerste vuur, waarvoor ik sta!" wierp hij zijn hoed op een bank, maakte den haak van zijn mantel los, zoodat die langs zijn schouders afgleed tot op den stoel, waarop hij zich hoorbaar had neergezet.
[Illustratie: Wel, moeder de With.... ja, is dat je dochter?]
"We zullen daar niet over twisten, vrouw de With," begon hij op jovialen toon. "Toch mag-je het me niet kwalijk nemen, dat ik graag zou willen weten, wat je denkt, waarvoor ik hier bij je gekomen ben."
"Als je 't weten wil, schipper, moet ik eerst je vraag met een wedervraag beantwoorden."
"Die vraag is....?"
"Ligt je schip zeilree?"
"Dat is te zeggen.... half Januari hoop ik er vandoor te gaan."
"Een lange reis?"
"Een paar jaartjes."
"Naar.... naar de Indiën zeker?"
"Je slaat den spijker op den kop. Maar, moedertje, nu heb-je in plaats van één mij drie vragen gedaan."
Ze glimlachte: doch heel even.
"Ik wou juist mijn vierde doen."
"Nu, ga dan in vredesnaam je gang maar! Wat had-je dan nog meer op je geweten?"
"Schipper," sprak ze nu weer vermanend, "wat ben-je toch los in je mond. Wat heeft eens menschen geweten nu met victualie te maken!"
"Hé?" riep hij verwonderd uit, "victualie?"
"Wel, je komt toch zeker om tonne-boter voor de reis? Eigenlijk is dat het werk van je vrouw, maar jullie zeelui zijn zulk een veranderlijk slag van lieden!"
Nu begreep de zeeman haar.
Er dreigde een misverstand, dat hij gauw uit de wereld moest helpen.
Om dit te begrijpen, diene hier de toelichting, dat als de oorlogsschepen een reis zouden ondernemen, de vrouw van den kapitein -- of zooals hij toen meestdeels genoemd werd: van den schipper -- de eetwaren insloeg, zooals gezouten vleesch en spek, stokvisch, haring, erwten en boonen, brood en boter. Voor die boter-leverantie zagen de boeren zoo'n kapiteinsvrouw gaarne een bezoek aan de hofstede brengen, en niet minder voor de erwten, gort en boonen, en de varkens, die gekuipt moesten worden.
Doch kapitein Geen Huyghen Schapenham, gezagvoerder van den reusachtigen Oostinjevaarder, die op de reede van Hellevoetsluis zeilree werd gemaakt, liet insgelijks al die dingstigheden aan zijn vrouw over, die daarvan, zooals gewoonlijk, de boekhouding hield, en er wel voor zorgde, dat er voor haar man nog een aardig winstje uit geslagen werd.
Hoe dom, dat hij zijn vrouw ook niet naar deze boerenhoeve gezonden had, hoewel zij daarvoor maar eventjes van Rotterdam had moeten komen.
Hij glimlachte om dit denkbeeld.
En met dienzelfden glimlach op het gelaat sprak hij:
"Neen, vrouw de With, ik kom om een varken, zooals je nog nooit aan iemand geleverd hebt."
Vragend zag zij hem aan.
"Ik wou...."
Plotseling voelde en begreep zij het.
"Andries!" zei ze kort en snijdend, "ga naar den stal.... En jij, Katrijn...."
Ze zocht naar een voorwendsel, maar kon die niet zoo gauw vinden.
"Weg!" beval zij toen met een gebiedend handgebaar.
Broeder en zuster verwijderden zich dadelijk.
[Illustratie: Je komt om Witte?]
Nu waren de weduwe de With en kapitein Geen Huyghen Schapenham alleen in de toenemende schemering van het vertrek, langzamerhand gevuld met het roodachtige licht, dat van het turfvuurtje onder den grooten schouw kwam. En in dat eigenaardige licht nu, zag de zeeman aldoor die felle oogen, dien grooten, spitsen neus en heel dat strakke, koude, gebiedende gelaat.
"Je komt om Witte?"
Het klonk kort en beslist, en de oogen lieten hem niet los.
"Ja, vrouw de With."
Hij wilde er nog iets bijvoegen, maar met een handbeweging lei ze hem het zwijgen op.
"Nooit!"
Ze sprak dat ééne woord niet luide uit, maar tóch met een nadruk, alsof zij het met een vuistslag er had in willen hameren.
1) Den 1sten October 1615 waren (voor een jaar) tot burgemeesteren gekozen Jakob Allert van Couwenhoven en Lenaert Jans.
II.
IN DE GEHEIME BIJEENKOMST.
Hoe het kwam, dat kapitein Geen Huyghen Schapenham geheel onverwacht een bezoek bracht aan de hofstede, om zich met de huiselijke aangelegenheden van vrouw de With te bemoeien, was eigenlijk een erg ingewikkelde geschiedenis.
Den dag tevoren had hij in den Briel doorgebracht, waar men betere gelegenheid vond om te overnachten dan in het pas opkomende Hellevoetsluis. En er was nog iets anders geweest, dat hem naar den Briel getrokken had. Hij had dien Zondag, die voor hem, gelijk voor het meerendeel der menschen uit dien tijd, een volstrekte rustdag was, de gaven willen hooren van dominee Willem Crijnsze, die de ochtendbeurt had in de Groote Kerk.
Ik mag mijn lezers niet vermoeien met een verhaal over de geloofstwisten uit die dagen tusschen de Remonstranten en Contra-Remonstranten. In December van het jaar 1615 waren althans in den Briel de eersten de meest bevoorrechten en hadden twee predikanten naar hun zin. Het meerendeel der gemeente echter hield het bij den derden, n.l. ds. Willem Crijnsze, een man van wonderlijken levensloop en groote welsprekendheid. Dien Zondagavond nu waren de Contra-Remonstranten bij elkaar gekomen om zich te oefenen en een preek te hooren. Dat was door de overheid verboden, en op de bijwoning van die conventikels, gelijk dergelijke bijeenkomsten geheeten werden, stond straf. Dat waagde men erop, en zoo waren er velen samengekomen om ds. Leo te hooren, die predikant te Nieuwenhoorn was.
Al had hij 't met z'n leven moeten betalen, kapitein Schapenham moest en zou dit conventikel bijwonen. Een goede oefening was hem ook daarom zooveel waard, omdat een gezagvoerder op de wijde wateren meer dan eens zelf daarin de leider en voorganger moest zijn, of zoo hij dit aan den ziekentrooster overliet, althans er zeker van wilde wezen, of die wel "goed in de leer was".
Dat laatste leek hem zelfs zoo gewichtig, dat hij na afloop van het conventikel nog graag den als zeer ijverig bekend staanden predikant van Nieuwenhoorn over een gebedenboek voor den zeeman wilde raadplegen.
Zoodanig nu vervulde dit alles zijn gedachten, dat hij onder de oefening zoowaar aan het afdwalen ging.
Zijn blik gleed van den voorganger af, en, eigenlijk zonder veel op te merken, langs de gemeente, die het slecht verlichte vertrek tot berstens toe vulde.
Uit het half-duister kwam het blanke van de gezichten nog sterker naar voren, doordat mannen zoowel als vrouwen voor den Zondag in stemmig zwart gekleed waren.
De kapitein kende die eigenschap van onze blanke gelaatskleur, zoo gevaarlijk in een nachtelijken scheepsstrijd, omdat men in de verte den bleekgezicht in het duister onderscheiden kon. Waarom vóór een expeditie in het donker van den nacht de matrozen meestal het bevel kregen, zich het gelaat zwart te maken.
Toen onze zeerob zich op deze en dergelijke gedachten betrapte, kwam een gevoel van ergernis bij hem op. Hoe zaten, als een beschamend voorbeeld voor hem, al die menschen aandachtig te luisteren! Daar had-je nu dien jongen vooraan, wel, die scheen geheel en al in het woord van den voorganger op te gaan!
Het was geen vriendelijke verschijning, die knaap, die naar schatting zestien of zeventien jaar kon tellen. Er sprak norschheid uit dat gelaat. De neus was groot en scherp, de kin vierkant en de kaken stevig. De mondhoeken gingen naar omlaag. Maar vooral waren het die felle, als het ware stekende en priemende oogen, welke aan dit jeugdige gelaat iets bijzonders verleenden.
Met die oogen verslond hij als het ware de woorden van ds. Leo, die nu sprak van niet bevreesd zijn of moedeloos, al behoorde men tot de verdrukten der wereld, van sterk zijn, opdat het woord vervuld werd, dat men dan gesterkt zou worden.
"Wel, wel," dacht de kapitein onwillekeurig, "wat zit me dat baasje te luisteren!"
En nu geschiedde het, wat meer plaats heeft, waneer men strak naar iemand zit te kijken: de oogen gingen plotseling den kant uit van den persoon, die hem zoo aankeek.
Daar lag iets als van uittarting en vijandschap in dien fellen blik, en op het nog ondoorploegde voorhoofd vertoonde zich plotseling een steile, loodrechte rimpel vlak boven den neuswortel.
Dat alles was op zijn best het werk van een seconde geweest, want dadelijk wendde de kapitein den blik naar den voorganger; maar in zichzelf kon hij toch niet nalaten te mompelen:
"Daar groeit een maat uit, waarmee zijn vijanden rekening zullen hebben te houden!"
Eenige oogenblikken later was onze zeerob, die alweer spoedig gansch en al door den voorganger geboeid werd, heel dit kleine voorval vergeten.
De oefening liep gelukkig zonder stoornis of inmenging van politie of justitie af. Uit voorzichtigheid en om op straat geen opzien te verwekken, verlieten de bezoekers een voor een of slechts bij enkele paren tegelijk langs verschillende uitgangen het gebouw. Kapitein Schapenham maakte volstrekt geen haast om te vertrekken. Hij zocht zich juist deze gelegenheid ten nutte te maken, om den predikant te kunnen spreken over de onderwerpen, welke hem zoo na aan het hart gingen.
"'t Zal moeilijk zijn om hem te praaien," gromde de kapitein, toen hij op zijn best ds. Leo in het oog kon krijgen, omdat die bijna voortdurend omringd was van lieden, die een druk onderhoud met hem schenen te hebben. Maar gedachtig aan de spreuk, dat geduld alles overwint, bleef hij maar wat treuzelen, om op het juiste oogenblik hem aan den haak te pikken, gelijk de brave zeerob zich uitdrukte.
Dat oogenblik scheen eindelijk gekomen.
Ds. Leo wond zich uit een plokje menschen los en richtte zijn schreden naar het achtergedeelte van het vertrek. De kapitein hem achterna en zou juist "beet gekregen hebben", toen hij uit het duister van den achtergrond zoowaar denzelfden jongen zag opduiken, die daarstraks zijn aandacht getrokken had, omdat hij zoo aandachtig luisterde. Ds. Leo scheen wel expres op weg om hem te ontmoeten. Want de hand op den schouder van den knaap leggend, sprak hij vriendelijk:
"Wat deed mij dat goed, Witte, je hier te zien!"
De jongen hakkelde verlegen eenige woorden, maar er was een kleur van genoegen op zijn gezicht gekomen en zijn felle oogen zagen als in dankbaarheid tot den predikant op.
"Hoor eens," dacht de kapitein, "nu de dominee daar zoo apart staat, is het voor mij net een goede gelegenheid hem bij den tabbaard te krijgen. Dien nijdigen jongen boegseer ik wel weg."
En met zeemansrondheid stevende hij recht op den predikant aan.
"Ik ben kapitein van een Oostinjevaarder, dominee, en had u, voor ik uitvaar, graag eens wat te vragen."
Daar ging een schok door den knaap heen.
"Kapitein van een Oostinjevaarder?" kwam het hem onwillekeurig over de lippen.
De dominee verstond het en moest er onwillekeurig om glimlachen.
"Spreekt weer je zeemanshart, Witte?"
"Zeemanshart?"
Het was kapitein Schapenham, die dit uitriep, terwijl hij met een gezicht van niet begrijpen nu eens den predikant, dan weer dien zonderlingen jongen aankeek.
[Illustratie: Spreekt weer je zeemanshart, Witte?]
"Ik zoek naar volk," ging hij voort. "Is soms die knaap....?"
Een gloeiend roode blos kwam nu over het gelaat van Witte. Vast klemde hij de kaken op elkaar, dat de spierbundels bij zijn slapen zichtbaar werden. En 't was, alsof er iets vochtigs in zijn oogen trachtte te komen. Wat onmogelijk leek, omdat _die_ knaap zelfs van spijt niet schreien kon.
Het gelaat van den predikant teekende een ongewonen ernst.
"Schipper," sprak hij, "ik wenschte wel, dat mijn doopkind u niet ontmoet had."
"Uw doopkind?.... Niet ontmoet?.... Vergeef me, dominee, ik begrijp u niet goed."
De predikant schudde het hoofd.
"De oogenblikken zijn te kostbaar voor me om u alles te vertellen, wat over dit jonge hoofd gegaan is. En 't zou niet passend zijn, als mijn doopkind daar bij bleef en dat alles aanhoorde. Maar heel het hart van dezen knaap is vervuld van het geruisch der wijde wateren."
Er kwam een glans als van begrijpen op het gelaat van den kapitein.
"En de ouders verzetten zich ertegen?" riep hij uit. "De moeder.... Witte heeft geen vader meer."
"Een moeder alleen? Daar is het leelijk vechten mee!" gaf de zeeman met een bedenkelijk gezicht te kennen.
"Met deze moeder vooral!" lichtte ds. Leo toe.
"Hoe zoo?"
"Ze behoort tot de Menisten."
"Wat nu?.... Dan màg deze jongen niet vechten! En op zee moet-je met handen en tanden van je afweren, gezwegen van kartouwen, sabels en kortjan..."
"Hij.... is mijn doopkind."
"Dus?"
Ds. Leo maakte een gebaar, als wilde hij aan het gesprek een einde maken.
"Ik moet nog naar Nieuwenhoorn terugloopen, schipper. Witte zou zeker anders wel met me meegegaan zijn tot Lagerwoude, waar de hofstede zijner moeder gelegen is, maar moet het nu maar alleen doen. Indien u me ten minste een eind vergezellen wilt."
"Eerlijk gezegd, ik heb aan 't loopen een broertje dood, dominee; maar u hebt me zoo nieuwsgierig gemaakt.... En dan heb ik u ook nog wat te vragen."
Nu nam Witte, die den wenk van zijn doopvader begrepen had, afscheid.
"Een stevige lans!" oordeelde de kapitein, die hem nakeek, "en een paar knuisten om aan te pakken."
Ds. Leo glimlachte.
"Dat hebben de Brielsche jongens ondervonden, die hem eerst zoo plaagden, toen hij nog Menist was!"
Daar dook plotseling een herinnering bij den zeeman op.
"Wel heb ik van mijn leven, dominee.... Is dat die Voornsche boerenjongen, waarvan ik wel heb hooren vertellen, dat hij zich liet doopen om zijn bloedzuigers op d'r tabernakel te slaan?"
Ds. Leo schudde het hoofd over deze ongezouten uitdrukking van den zeeman.
"Ik zal u alles vertellen," sprak hij, "maar laten we nu heengaan."
Bij dat gesprek op den weg naar Hellevoet, waaraan het bloeiende dorp Nieuwenhoorn gelegen was behoeven wij niet tegenwoordig te zijn om onze nieuwsgierigheid te bevredigen. Wij weten uit de vaderlandsche geschiedenis, hoe de latere vice-admiraal Witte Corneliszoon de With zich als elfjarig kind tot ds. Leo van Nieuwenhoorn gewend had, om zich te laten doopen, omdat de jongens van den Briel hem zoo plaagden en tergden en hij, als Doopsgezinde of Menist, niet mocht terugslaan.
Doch óók vertelde ds. Leo aan den zeekapitein van den grooten strijd om de beroepskeuze. Zijn moeder wilde maar niet hebben, dat hij naar zee ging, en daarom moest Witte aan wal een rustig en vreedzaam vak leeren.
Men kent het spreekwoord van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Op het oogenblik, dat wij met dien zonderlingen knaap kennis maakten, had hij precies de helft van dat dozijntje achter den rug. Of eigenlijk was hij met het zesde vak nog bezig, hoewel hij net op het punt stond door zijn baas weggejaagd te worden.
Maar daar zullen we in het vervolg van dit verhaal vanzelf op moeten terugkomen.
III.
OP DE KLEERMAKERSTAFEL.