Chapter 9
"Denkt gij dan, dat zij zoo maar zoetsappig op zich zullen laten schieten. Ik heb den kornel den besten raad gegeven; maar hij heeft er niet naar willen luisteren. In het oosten, in de groote steden, gaat de bestolene naar de Politie, en laat die er voor opdraaien, om den dief op te sporen; maar hier in het westen neemt ieder zijn eigen zaak zelf ter hand. Ik ben overtuigd, dat men ons althans een goed eind weegs achtervolgd heeft. En wie zijn het geweest, die ons op de hielen gezeten hebben? In elk geval alleen diegenen van de passagiers, die van zoo iets verstand hebben, dus Old Firehand, Zwarte Tom, en misschien ook die zonderlinge Tante Droll. Op hen hadden wij moeten wachten, dan hadden wij gemakkelijk Tom zijn geld kunnen afnemen. In plaats van dat te doen, hebben wij dezen verren rit gemaakt, en zitten nu hier aan de Beer-rivier, zonder te weten of wij het wel machtig zullen worden. En dat de kornel nu in den nacht in het bosch ronddwaalt, om de rafters te zoeken, is ook al even dom. Hij had best tot morgenochtend kunnen wachten, en...."
Eensklaps zweeg hij; want degene, over wien hij sprak, kwam op dit oogenblik van onder de boomen te voorschijn, en trad op het vuur aan. Hij zag dat aller oogen nieuwsgierig op hem gericht waren, nam den hoed van zijn hoofd, wierp dien op den grond, en zei: "Ik breng geen goede tijding mee, mannen! Ik heb ongeluk gehad."
"Hoe zoo dat? Wat dan? In welk opzicht?" kwamen de vragen uit aller mond. "Waar is Bruns? Waarom is die niet weerom gekomen?"
"Bruns?" antwoordde de kornel, terwijl hij ging zitten. "Die komt in het geheel niet weerom; die is dood!"
"Dood? Zijt gij bezeten of dol! Hoe is hij dan verongelukt? Want dood kan geen mensch hem gemaakt hebben."
"Wat zijt gij een snuggere piet!" hernam de kornel, zich tot den laatsten spreker wendende. "Verongelukt is de arme drommel--dat hebt gij bij het rechte eind. Maar hij is verongelukt door een mes, dat een ander hem in zijn hart heeft gestoken."
Deze mededeeling bracht een groote opschudding teweeg. Ieder vroeg naar het hoe en waarom, en de kornel werd zoo met vragen overstelpt, dat hij niet in staat was aan het woord te komen. Daarom gebood hij stilte; en toen het rumoer bedaard was, deed hij de volgende mededeeling: "Ik had juist Bruns en geen ander met mij meegenomen, omdat hij de knapste opspoorder is, of nu moet ik zeggen was. Hij heeft ook bij deze gelegenheid weer getoond, dat hij zijn roem verdiende, want zijn neus bracht ons bij de rafters."
"Zijn neus?" vroeg er een, die gewoon scheen het woord te doen voor al de anderen.
"Ja, zijn neus. Wij dachten het gezelschap natuurlijk hooger op te vinden, en sloegen dus die richting in. Daarbij moesten wij zeer voorzichtig zijn, daar wij anders allicht gezien konden worden. Om die reden kwamen wij slechts zeer langzaam vooruit en het werd donker. Ik wilde terugkeeren, maar Bruns verzette zich daartegen. Wij hadden verscheiden voetsporen gezien, waaruit hij de gevolgtrekking maakte, dat wij dicht bij het water der houtvlotterij waren. Hij vooronderstelde, dat wij de rafters zouden ruiken, daar zij alleen reeds vanwege de steekvliegen een vuur moesten hebben.
"Die vooronderstelling bleek juist te zijn, want het rook eindelijk naar rook, en op de hoogte van den oever zagen wij een flauw licht als van een brandend vuur, welks schijnsel door kreupelbosch en geboomte dringt. Wij klauterden naar boven en zagen nu het vuur vóór ons. Het brandde voor een blokhuis, en om de vlam heen zaten de rafters, een twintigtal, juist zoowat als wij. Om hen te kunnen beluisteren slopen wij naderbij. Ik bleef onder een boom liggen, en Bruns verschool zich achter het huis. Wij hadden nog geen tijd gehad, om acht te geven op hun gesprek, toen eensklaps twee kerels kwamen, geen rafters, maar vreemden. Raadt eens wie dat waren! Maar neen, dat kunt gij onmogelijk raden. Het waren die twee Indianen, de Groote en de Jonge Beer van den Dogfish."
De tramps hoorden zeer verwonderd op van dit nieuws; zij wilden het niet gelooven. Doch zij schrikten, toen zij hoorden wat de Roodhuid aan de rafters verteld had. Toen vervolgde de kornel: "Ik zag dat de Roodhuid het vuur geheel en al uitbluschte, en toen werd er zoo zacht gesproken, dat ik niets meer verstaan kon. Ik wilde nu gaarne weg, doch moest natuurlijk op Bruns wachten. Eensklaps hoorde ik een gil zoo ontzettend, zoo verschrikkelijk, dat hij mij door merg en been ging. Hij kwam uit de richting van het blokhuis, waarachter Bruns zich verscholen had. Ik begon mij ongerust over hem te maken, en sloop dus daarheen. Het was zoo donker, dat ik mij op den tast voortbewegen moest. Weldra taste ik met mijn hand op een menschelijk lichaam, dat in een poel van bloed lag. Ik voelde aan de kleeren, dat het Bruns was, en schrikte geweldig. Hij had een steek in zijn rug, die doorgedrongen moest zijn juist in zijn hart; hij was dood. Wat kon ik doen? Ik haalde alles uit zijn zakken, nam zijn mes en zijn revolver, en liet hem liggen. Toen ik weer naar voren kwam bespeurde ik, dat de rafters zich in het blokhuis teruggetrokken hadden, en nu maakte ik mij ijlings uit de voeten."
De tramps gaven in ruwe uitdrukkingen lucht aan hun deernis met het lot van hun kameraad; doch de kornel maakte een einde daaraan door te zeggen: "Nu is het mooi genoeg! Wij hebben geen tijd om ons langer daarmede bezig te houden, want wij moeten maken dat wij wegkomen!'
"Waarom dat?" werd er gevraagd.
"Waarom? Hebt gij dan niet gehoord, dat die Roodhuiden ons bivak kennen? Zij zullen ons natuurlijk willen overvallen, waarschijnlijk morgenochtend vroeg. Maar aangezien zij begrijpen zullen, dat wij den doode moeten vermissen en dus achterdocht zullen krijgen, is het best mogelijk, dat zij nog eer zullen komen. Als wij ons laten overrompelen, zijn wij verloren. Wij moeten dus dadelijk verder."
"Maar waarnaar toe?"
"Naar Eagle-tail."
"O, om de spoorweg-kas te halen. Het geld van de rafters zullen wij dus in den steek moeten laten."
"Jammer genoeg, maar het is het verstandigste dat wij doen kunnen, en...."
Hier zweeg hij plotseling, en maakte met de hand een beweging van verwondering, die de anderen niet begrepen.
"Wat is het? Wat scheelt u?" vroeg er een. "Spreek verder!"
De kornel stond op, zonder te antwoorden. Hij had dicht bij de plek gezeten, waar de twee luisteraars lagen. Dezen bevonden zich niet meer naast elkander zooals vroeger. Toen namelijk de oude Missouriër de kornel in het oog had gekregen, had zich van zijn gemoed een geheel ongewone beroering meester gemaakt, die nog aangrijpender werd, toen hij het stemgeluid van den kornel hoorde. Hij bleef niet stil liggen, maar schoof verder en telkens verder vooruit door het biesgewas heen. Zijn oogen schoten vlammen en dreigden uit hun kassen te puilen. In dien opgewonden toestand vergat hij de noodige voorzichtigheid; hij lette er niet op, dat bijna zijn gansche hoofd uit de biezen omhoogstak.
"Niet zien laten!" fluisterde de Tonkawa hem toe, en trok hem meteen achteruit.
Maar het was reeds te laat, want de kornel had het hoofd gezien. Daarom had hij eensklaps zijn gesprek afgebroken, en was schielijk opgestaan, om den bespieder onschadelijk te maken. Hij ging daarbij te werk met groote sluwheid, want hij zei: "Ik herinner mij daar, dat ik bij de paarden nog.... maar, gaat gij beiden even met mij mee!"
Dit zeggende wenkte hij de twee mannen, die aan zijn rechter- en linkerzijde gezeten hadden. Zij stonden dadelijk op, en nu fluisterde hij hun toe: "Wat ik zei is larie; want daarachter in de biezen ligt een kerel, stellig een rafter. Merkt hij, dat ik het op hem gemunt heb, dan maakt hij zich uit de voeten. Zoodra ik mij op hem werp, pakt ook gij beiden hem beet. Zoodoende hebben wij hem in een oogwenk zoo goed vast, dat hij zich niet verweren en mij niet verwonden kan.... Dus vooruit maar!"
Bij deze woorden "vooruit maar!", die hij zoo luid mogelijk uitsprak, draaide hij zich snel als een weerlicht om, en deed een sprong naar de plek, waar hij het hoofd gezien had.
De Tonkawa-hoofdman was een uiterst voorzichtig, ervaren en scherpzinnig man. Hij zag den kornel opstaan en met de twee anderen fluisteren; hij zag, dat een van die twee een onwillekeurige beweging achterwaarts maakte. Hoe gering en schier onmerkbaar die beweging ook was, aan den Grooten Beer verried die toch wat er gaande was. Hij stiet met zijn hand den ouden Bender aan, en fluisterde hem toe: "Gauw weg! Kornel u gezien en u vangen. Gauw, gauw!"
Tegelijk keerde hij zich om zonder van den grond op te staan, en kroop schielijk weg achter het dichtstbij zijnde plekje kreupelhout. Dat alles was het werk van hoogstens twee seconden; maar toen hoorde hij achter zich reeds het "vooruit maar!" van den kornel, en omkijkende zag hij, hoe die zich op den Missouriër wierp, welk voorbeeld de twee andere tramps dadelijk volgden.
De oude Blenter werd, in spijt van zijn hooggeroemde tegenwoordigheid van geest, volkomen overrompeld. De drie lagen of knielden op zijn lijf, en hielden zijn armen en beenen vast, en de overige tramps sprongen van het vuur op en haastten zich ter hulp. De Indiaan had zijn mes getrokken, om den oude bij te staan; maar hij begreep terstond, dat hij tegen zulk een overmacht niet veel zou kunnen uitrichten. Hij kon niets anders doen dan afkijken wat er met den Missouriër gebeuren zou, en dan aan de rafters daarvan kennis geven. Om echter niet ook zelf ontdekt te worden, kroop hij van de in de biezen gesneden opening weg, ver ter zijde, waar hij zich achter eenig kreupelhout verborg.
Toen de tramps den gevangene zagen wilden zij lawaai maken, doch de kornel legde hun het zwijgen op. "Stil!" gebood hij; "wij weten niet of er nog meer zijn. Houdt hem goed vast. Ik zal zelf eens gaan kijken."
Hij onderzocht den omtrek van het vuur, en ontdekte tot zijn geruststelling geen mensch. Toen gebood hij den man bij het vuur te brengen. De gevangene had al zijn krachten ingespannen om zich los te worstelen, doch tevergeefs. Hij begreep, dat hij zich in zijn lot zou moeten schikken. Al te erg, dacht hij, zou het toch niet kunnen worden, daar hij tot nu toe de tramps geen kwaad gedaan had. Overigens stelde ook de gedachte aan den Indiaan hem eenigszins gerust. Die was stellig gauw weggegaan, om hulp te halen.
Terwijl vier man den gevangene op den grond vasthielden, boog de kornel over hem heen, om hem in zijn gezicht te zien. Met een langen, langen, scherp en peinzend uitvorschenden blik deed hij dat. Toen zei hij: "Kerel! ik ken je maar ik kan je niet thuis brengen! Waar kan ik je vroeger al eens gezien hebben?"
De oude wachtte zich wel het hem te zeggen; want in dat geval was hij stellig en zeker een verloren man geweest. Gloeiende haat kookte in zijn binnenste; maar hij deed zich geweld aan, om een zeer onverschillig gezicht te zetten.
"Ja, ik moet je ergens gezien hebben," herhaalde de kornel. "Wie zijt gij? Behoort gij tot de rafters, die hooger op aan het werk zijn?"
"Ja," antwoordde de gevraagde.
"Wat doet gij hier rond te sluipen? Waarom beluistert gij ons?"
"Zonderlinge vraag! Is het hier in het Westen dan verboden de menschen goed te bekijken? Ik geloof veel meer, dat het een gebod der noodzakelijkheid is, dat te doen. Er zijn hier lieden in overvloed, voor wie men zich in acht dient te nemen."
"Rekent gij ook ons daaronder?"
"Tot welke klasse van menschen gij behoort, zal eerst moeten blijken. Want ik ken u niet."
"Dat liegt ge. Gij hebt gehoord wat wij gesproken hebben, en gij weet dus zeer goed wie en wat wij zijn."
"Ik heb niets gehoord. Ik was onder aan de rivier, en wilde naar ons bivak. Toen ik uw vuur gewaarwerd, sloop ik natuurlijk dichterbij, om te zien wie zich hier neergezet hadden. Ik had volstrekt geen tijd om te hooren wat er gesproken werd, want ik was te onvoorzichtig, en juist op het oogenblik toen ik dacht te kunnen luisteren werd ik ontdekt."
Hij hoopte, dat alleen de gedoode tramp hem hooger op bij het blokhuis gezien had, daar hij zijn gelaat naar dezen had toegekeerd, doch hij vergiste zich, want de roodharige kornel antwoordde:
"Allemaal leugenachtige praatjes; want ik had je te voren al bij de rafters zien zitten, en ook je stem gehoord: daaraan herken ik je. Wilt gij dat bekennen?"
"Dat kan niet in mij opkomen! Wat ik zeg is de waarheid. Gij ziet mij voor een ander aan."
"Dus zijt gij werkelijk alleen hier geweest?"
"Ja."
"En houdt gij vol, dat gij werkelijk niets van ons gesprek gehoord hebt?"
"Ja, geen woord!"
"Hoe is uw naam?"
"Adams--ik heet Adams," loog de Missouriër, die alle reden meende te hebben, om zijn waren naam niet te noemen.
"Adams," zei de kornel hem peinzend na. "Adams! ... Ik heb nooit een Adams gekend, die uw gezicht had. En toch blijf ik mij overtuigd houden, dat wij elkander reeds meer gezien hebben! Kent gij mij? Weet gij hoe ik heet?"
"Neen," verzekerde de oude, ook weer in strijd met de waarheid. "Maar laat mij nu maar los! Ik heb u niets gedaan, en hoop, dat gij eerlijke Westmannen zijt, die andere eerlijke menschen ongemoeid laten."
"Ja, eerlijke mannen zijn wij, zeer eerlijke mannen," lachte de roodbaard. "Maar gij hebt kort geleden een der onzen doodgestoken, en volgens de wetten van het Westen schreit dat om wraak. Bloed om bloed, en leven om leven. Gij moogt zijn wie gij wilt, maar het is gedaan met u!"
"Wat? Wilt gij mij vermoorden?"
"Ja, zooals gij onzen kameraad vermoord hebt. Het eenige, dat nog beslist moet worden, is: of gij, juist als hij, door het mes zult sterven, dan wel of wij u daar in de rivier zullen verzuipen. Veel morgenspraak zal er niet met u gemaakt worden." En zich tot de zijnen wendende: "Wij hebben geen tijd te verliezen. De meerderheid van stemmen moet maar beslissen. Stopt hem een prop in zijn mond; hij moet niet kunnen schreeuwen. Wie uwer het beter vindt, dat wij hem in het water smijten, steke den arm in de hoogte."
Verreweg de meesten staken dadelijk een arm in de hoogte.
"Verzuipen dus!" zeide de kornel. "Bindt zijn armen en zijn beenen stevig aaneen: hij moet niet kunnen zwemmen. Dan maar gauw in het water, dan kunnen wij oprukken, eer zijn kameraden komen!"
Terwijl de oude Missouriër het bovenstaande verhoor onderging werd hij door verscheiden kerels stevig vastgehouden. Nu moest hem allereerst een prop in den mond gestopt worden. Hij wist dat de Indiaan onmogelijk reeds de rafters bereikt kon hebben; op hulp viel er dus volstrekt niet te hopen. En toch deed hij, wat ieder ander in zijn plaats gedaan zou hebben: hij verweerde zich met inspanning van al zijn krachten, en schreeuwde om hulp. Zijn geroep kon gehoord worden ver, zeer ver weg, in de doodsche stilte van den nacht.
"_All lightnings_!" vloekte de roodbaard. "Laat hem toch niet zoo hard schreeuwen. Als gij het met u allen niet met hem klaren kunt, zal ik zelf het alleen met hem klaarspelen. Gaat maar even op zij!"
Hij greep zijn geweer, en hief het op, om den oude met de kolf de hersens in te slaan; maar hij had den tijd niet om dat te volvoeren, want....
Kort voor den avond waren vier ruiters, die het spoor der tramps scherp in het oog hielden, den oever der rivier bovenwaarts gevolgd, namelijk Old Firehand, Zwarte Tom, en Tante Droll met haar jongeling. Het spoor liep onder de boomen door: het was erg duidelijk te herkennen, maar het was moeilijk te zeggen hoe oud het reeds was. Eerst toen het over een met gras begroeide boomlooze plek liep, steeg Old Firehand van zijn paard af, om het te onderzoeken, daar de grashalmen dienaangaande beter opheldering konden geven, dan het lage woud-mos. Toen hij de indrukken nauwlettend bekeken had, zeide hij: "De kerels zijn ons ongeveer een Engelsche mijl vooruit, want het spoor is op zijn hoogst een halfuur oud. Wij moeten onze paarden dus een beetje harder laten loopen."
"Waarom dat?" vroeg Tom.
"Om nog vóór den nacht zóó dicht bij de tramps te komen, dat wij ontdekken waar zij hun bivak opgeslagen hebben."
"Is dat niet gevaarlijk voor ons?"
"Voor zoover ik weet volstrekt niet."
"Ik verzeker u van ja. Zij zullen in elk geval voor het donker wordt hun bivak betrekken; en als wij ons te veel haasten zullen wij hen precies in den mond loopen."
"Daar ben ik in het geheel niet bang voor. Gesteld dat uw vermoeden juist is, dan kunnen wij hen toch niet bereiken, voordat de donker valt. Uit verscheiden kleinigheden, die ik opgemerkt heb, maak ik de gevolgtrekking, dat wij ons in de nabijheid bevinden van de rafters, die wij allereerst dienen te waarschuwen. Het is dus van belang, de plaats te kennen, waar de tramps bivakkeeren. En daartoe moeten wij spoed maken, hoe meer spoed hoe beter. Anders overvalt ons de nacht, waarin, eer het weer ochtend wordt, heel wat gebeuren kan, dat wij dan niet zouden kunnen verhinderen. Hoe denkt gij daarover, Droll?"
Beiden hadden Duitsch gesproken. Droll antwoordde dus in zijn plat-Duitsch: "Gij hebt daar precies mijn gevoelen uitgesproken. Als wij ferm doorrijden, hebben wij hen des te eerder: als wij daarentegen langzamer rijden, dan krijgen wij hen zooveel te later, en kunnen dan allicht eer en erger in het nauw geraken, dan hen, die wij willen redden. Dus, mijne heeren! laat ons zoo hard rijden als wij kunnen, dat de boomen er van beginnen te waggelen."
Daar de boomen niet zeer dicht op elkander stonden, kon aan dit voorstel gevolg gegeven worden in het bosch zelfs. Doch ook de tramps hadden tot het uiterste oogenblik partij getrokken van het daglicht, en niet eer halt gehouden, dan toen zij daartoe gedwongen werden door de duisternis. Had Old Firehand niet zoo bepaald hun spoor gevolgd, maar een weinig meer in de nabijheid van den oever gehouden, dan zou hij op het spoor zijn gekomen van de twee Tonkawa-Indianen, die slechts een zeer geringen afstand hem vooruit waren.
Toen het zoo donker werd, dat de indrukken der paardenhoeven niet meer te herkennen waren, steeg hij nogmaals uit den zadel, om die nauwlettend op te nemen. Het resultaat was: "Wij hebben ruim een mijl afgelegd; maar ook de tramps hebben goed doorgereden. Toch zullen wij ons best doen om hen in te halen. Stijgt af; wij moeten nu verder te voet, en de paarden bij den toom leiden."
Ongelukkigerwijze was de afstand, dien zij op die manier nog konden afleggen, van weinig beteekenis, daar het, om zoo te zeggen plotseling, zoo donker werd, dat zij geen hand meer voor oogen konden zien. Het viertal hield dus halt.
"Wat nu?" vroeg Tom. "Wij zijn bijna genoodzaakt hier te bivakkeeren."
"Neen," antwoordde Droll. "Ik bivakkeer niet; maar wij loopen netjes door, totdat wij hen vinden."
"Maar dan zullen zij ons immers hooren aankomen!"
"Dan moeten wij zacht loopen. Mij, ten minste, zullen ze niet hooren, en krijgen zullen ze mij ook niet. Zijt gij óók niet van mijn idee, mijnheer Firehand?"
"Ja, ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen," luidde zijn antwoord. "Maar de voorzichtigheid verbiedt ons, nog langer de richting van hun spoor te volgen. Als wij dat deden, zou Tom gelijk hebben; dan zouden de tramps ons stellig hooren aankomen. Doch als wij wat meer rechts afhouden, van de rivier af, dan hebben wij hen tusschen ons en het water en moeten hun vuur te zien krijgen, zonder dat zij ons gewaarworden."
"En als zij geen vuur hebben?" wierp Tom tegen.
"Dan ruiken wij hun paarden," zeide Droll. "In het bosch ruikt men de paarden veel gauwer dan buiten in het open veld. Mijn neus heeft mij nog nooit in den steek gelaten. Laat ons dus voortmarcheeren naar rechts."
Old Firehand, zijn paard aan den teugel leidende, ging vooruit, en de overige drie volgden, achter elkander. Het was echter jammer, dat de rivier hier een vrij grooten boog beschreef naar links. Het gevolg daarvan was, dat zij te ver van de rivier verwijderd geraakten. Old Firehand bespeurde dit aan de verminderde vochtigheid van den grond in den omtrek, en liep daarom meer naar links. Doch de gemaakte omweg was niet meer ongedaan te maken, te minder, daar men in het donkere bosch slechts zeer langzaam kon gaan.
Het viertal kwam tot het besef, dat zij een verkeerde richting hadden ingeslagen, en oordeelden het raadzaam allereerst naar de rivier terug te keeren. Zij wisten niet, dat zij om het bivak der tramps heen getrokken waren en dat zij zich op dit oogenblik tusschen dat kamp en het kamp der rafters bevonden. Gelukkigerwijze bespeurde Old Firehand den reuk van den rook, en bleef even stilstaan, om zich te vergewissen uit welke richting die rook kwam. Achter hem snoof Droll naar links en rechts in de lucht; en zei toen: "Dat is rook; die komt van daarginder; wij moeten dus daar naar de laagte. Maar laat ons voorzichtig zijn; want het is juist, verbeeld ik mij, of het daar lichter wil worden. Dat kan van niets anders wezen dan van het vuur."
Hij meende zijn voet te verzetten, doch deed het niet, want zijn scherp gehoor vernam naderende voetstappen. Ook Old Firehand hoorde die, en tevens het gejaagde ademhalen van dengene die naderde. Hij liet den teugel van zijn paard los, en deed eenige schreden voorwaarts. Zijn fijn gehoor zei hem, dat de naderende man daar voorbij zou komen. In de duisternis van den nacht en van het bosch, zelfs voor het oog van den beroemden jager nauwelijks te ontwaren, dook daar eensklaps een gedaante voor hem op, die ijlings voorbij dacht te glijden. Old Firehand greep toe, met beide handen.
"Halt!" gebood hij, doch met een onderdrukte stem, om niet te ver gehoord te worden. "Wie zijt gij?"
"Sjaj nek-enokh, sjaj kopeia (= ik weet niet, niemand)," antwoordde de gevraagde, terwijl hij zich trachtte los te worstelen.
Zelfs de onvervaardste man zal schrikken, wanneer hij, zich des nachts in een bosch alleen wanende, eensklaps door twee ijzersterke handen wordt aangegrepen. In zulke oogenblikken van schrik zal iedereen, zelfs al spreekt hij verscheiden talen, zich onwillekeurig van zijn moedertaal bedienen. Zoo ook de man, die door Firehand vastgehouden werd. Deze verstond die woorden, en zei verrast: "Dat is Tonkawa! Voor ons uit is de Groote Beer met zijn zoon. Gij zijt toch niet.... spreek! zeg wie gij zijt."
De man had de stem van den grooten jager herkend, en antwoordde schielijk in zijn gebroken Engelsch: "ik Nientropan-hawi; gij Old Firehand. Dat zeer goed, zeer goed! Nog meer mannen bij u?"
"Wel, wel! De Groote Beer! Dat is meer geluk dan wijsheid. Ja, ik ben Old Firehand. Ik heb nog drie mannen bij mij, en wij hebben paarden ook. Wat hebt gij hier uit te voeren? De tramps zijn dicht in de nabijheid; neem u dus in acht!"
"Ik gezien hen. Zij gevangen nemen ouden Missouriër Blenter. Willen doodmaken hem. Ik loopen naar rafters om hulp, toen Old Firehand mij vasthouden."
"Willen zij een rafter doodmaken? Dat moeten wij hun beletten. Waar zijn zij?"
"Daarachter mij, waar tusschen boomen licht worden."
"Is de roodharige kornel bij hen?"
"Ja, hij daar zijn."
"Waar hebben zij hun paarden?"
"Als Old Firehand naar hen toe, dan paarden staan rechts, eer aan vuur komen."
"En waar zijn de rafters?"
"Boven op berg. Groote Beer al bij hen geweest, en met hen gesproken."
Hij vertelde in enkele woorden wat er gebeurd was, waarop Old Firehand antwoordde: "Als er een tramp doodgestoken is, zullen zij uit weerwraak den ouden Missouriër willen vermoorden, en wel dadelijk, om geen tijd te verliezen, daar zij moeten vluchten, nu hun aanwezigheid verraden is. Wij met ons vieren zullen onze paarden hier vastbinden, en ons naar het vuur spoeden, om den moord te verhinderen. Spoed gij u naar de rafters, opdat die terstond hier komen. Wij zijn met ons vieren wel niet bang voor die tramps; maar het is toch in elk geval maar beter, dat de houtvlotters onverwijld hier komen."
De Indiaan spoedde zich weg. Ons viertal bond de teugels van hun paarden aan boomen vast, en haastte zich nu, om zoo snel mogelijk het bivak der tramps te bereiken. Reeds zeer spoedig begon het lichter voor hun oogen te worden, en weldra werden zij, door de boomen heen, de vlammen van het vuur gewaar. Rechts op de open plek zagen zij de paarden staan.