De schat in het Zilvermeer

Chapter 8

Chapter 83,918 wordsPublic domain

"Dat is waar. Maar ik had toen nog niet de ondervinding, die ik later heb opgedaan. Als de rafters mij nu een koe afhandig maakten, schoot ik de kerels een voor een dood, zonder mij aan hen te vertoonen. Maar luister verder! Ik zal het kort maken; wat want er nu volgt is met geen woorden te vertellen. Er werd gericht over mij gehouden; dat ik geschoten had, werd mij aangerekend als een vergrijp, waarvoor ik den dood had verdiend. De schavuiten hadden zich intusschen meester gemaakt van mijn _brandy_ (= brandewijn); ze dronken zich zóó zat, dat ze geen menschen meer waren, geen redelooze dieren zelfs, maar letterlijk razende beesten. Zij besloten, dat wij allen moesten sterven. Als extra straf, voor den klap, dien de aanvoerder van mij gehad had, verlangde hij, dat ook wij geslagen zouden worden, hetgeen zeggen wilde doodgeranseld. Twee hunner stemden daarin toe, de drie anderen waren er tegen; maar toch liet hij zijn haan koning kraaien. Wij werden naar buiten gesleept, tot aan de omheining. Mijn vrouw was de eerste, die het doodvonnis ondergaan moest. Ze bonden haar aan een der palen van de omheining vast, en sloegen er toen meedoogenloos op los met knuppels. Een hunner scheen echter nog een soort van medelijden met haar te gevoelen en joeg haar een kogel door het hoofd, om aan het gemartel een einde te maken. Mijn twee zoons ging het nog erger: die werden letterlijk doodgeranseld. Ik lag daarbij, en moest dat alles aanzien, want ik moest de laatste zijn. Mannen! ik zeg u, dat dat kwartier voor mij een eeuwigheid is geworden. Ik ben niet in staat een poging te doen, om u mijn gedachten en gewaarwordingen te beschrijven. De woorden woede en razernij beteekenen daarbij niets, er is met geen mogelijkheid een woord voor te bedenken. Ik was als krankzinnig, en kon mij toch niet bewegen of verroeren. Zoo kwam ik zelf eindelijk aan de beurt. Ik werd overeind gezet en vastgebonden. De slagen, die ik toen ontving, heb ik niet eens gevoeld. Mijn ziel bevond zich in een toestand, waarin die op lichamelijke smarten geen acht kon slaan. Alleen weet ik, dat er eensklaps van den maïs-akker af een luid geroep weerklonk, en dat er, toen de rafters niet dadelijk gevolg daaraan gaven, een schot viel. Ik was bewusteloos geworden."

"O, er kwamen toevallig menschen, door wie gij gered werdt!"

"Menschen? Neen, want het was er maar één. Hij kende natuurlijk de omstandigheden niet; maar hij vermoedde, dat er een getuchtigd werd, die zich aan diefstal of aan eenige andere misdaad schuldig gemaakt had. Aan de houding van mijn hoofd had hij uit de verte reeds gezien, dat mijn leven geen _penny_(= stuiver) meer waard was. Daarom had hij geroepen en vervolgens een schot gelost. Het was slechts een schot geweest tot waarschuwing, want hij had in de lucht geschoten, niet denkend dat hij met moordenaars te doen had. Toen hij vervolgens ijlings naderbij kwam, werd hij herkend door een der kerels, die verschrikt zijn naam uitriep. Lafhartig moorden, dat hadden zij kunnen doen; maar om met hun zessen tegen dien eene te beginnen, daartoe ontbrak het hun aan moed. Zij zetten het eensklaps op een loopen, van mijn huis partij trekkende als dekking, om daarachter te ontkomen naar het bosch."

"Dan moet uw redder wel een beroemd en gevreesd Westman geweest zijn."

"Westman? _Pshaw!_ Het was een Indiaan. Ja, mannen! wat ik u zeg is de waarheid: ik ben gered door een Roodhuid!"

"Een Roodhuid? Die zoo gevreesd werd, dat zes rafters voor hem op den loop gingen? Dat is een onmogelijkheid!"

"Twijfelt maar niet langer. Gij allen, zooals gij hier zit, als gij een misdaad op uw geweten hadt, zoudt óók alles in den steek laten om hem te ontkomen; want het was niemand anders dan Winnetou."

"Winnetou, de Apache? _Good lack!_ Ja, dàn willen wij het wel gelooven! Maar was die dan toen al zoo bekend?"

"Hij was toen pas in het begin van zijn beroemdheid; maar de eene rafter, die zijn naam uitriep en dadelijk de plaat poetste, had hem stellig reeds vroeger leeren kennen op een manier, waardoor hij geen trek had hem een tweeden keer onder de oogen te komen. Buitendien, ieder die Winnetou slechts eens gezien heeft, weet, welk een indruk zijn verschijning alleen reeds maakt."

"Maar hij heeft dan toch die kerels laten ontsnappen?"

"Voorloopig, ja. Of zoudt gij het misschien anders gemaakt hebben? Uit hun overijlde vlucht begreep hij, dat zij slechte dingen op hun geweten hadden; maar de eigenlijke toedracht van de zaak kende hij natuurlijk niet. Daarbij zag hij mij hangen en de losgebonden lijken op den grond liggen, die hij aanvankelijk niet opgemerkt had. Daaruit begreep hij natuurlijk wel, dat er een gruweldaad gepleegd was; maar hij kon de vluchtenden niet achternazetten, daar hij allereerst mij te verlossen had. Overigens was daarmee niets verzuimd; want een Winnetou weet zijn menschen ook later wel te vinden. Toen ik weer bijkwam, zat hij op zijn knieën naast mij, juist als de barmhartige Samaritaan uit de Heilige Schrift. Hij had mij van de touwen, waarmee ik gebonden was, bevrijd, en verbood mij te spreken, op welk verbod ik echter geen acht sloeg. Ik voelde op dat oogenblik hoegenaamd geen pijn, en wilde dadelijk op pad om mij te wreken. Doch dat liet hij niet toe. Hij bracht mij en de lijken binnenshuis, waar ik, indien de rafters het in hun hoofd kregen om terug te komen, mij gemakkelijk verdedigen kon, en reed toen naar mijn dichtstbij wonenden buurman, om een verplegende en helpende hand te halen. Ik moet u zeggen, dat die dichtstbij wonende buurman toch over de dertig mijlen van mij af woonde, en dat Winnetou nog nooit in die landstreek geweest was. Maar hij vond hem toch, ofschoon hij pas in den avond daar aankwam; en den volgenden morgen bracht hij hem en een knecht bij mij. Toen verliet hij mij, om de moordenaars op te sporen. Ik moest hem heilig beloven, dat ik niets ondernemen zou op mijn eigen hand, daar dat geheel en al doelloos zou zijn. Het duurde een dag of tien eer ik hem terugzag. In dien tusschentijd had ik mijn dooden begraven, en aan mijn buurman last gegeven, om mijn eigendom te verkoopen. Mijn gemartelde ledematen waren nog niet volkomen geheeld; maar toch had ik al dien tijd met smart op de terugkomst van den Apache gewacht. Hij was de rafters gevolgd, had hen des avonds beluisterd, en gehoord, dat zij naar Smoky-hill-Fort gingen. Vertoond had hij zich niet aan hen, en hun ook niets gedaan, daar de wraak-oefening mij toekwam. Toen hij afscheid van mij genomen had, steeg ik te paard en reed weg. Het overige weet gij al, of gij kunt het ten minste wel raden."

"Neen, wij weten het nog niet, en wij kunnen er niet naar raden ook. Vertel maar verder, asjeblieft; vertel maar verder! Waarom is Winnetou niet met u meegegaan?"

"Stellig omdat hij nog iets anders en beters te doen had. Of had hij, naar uw idee, nog niet genoeg gedaan? En verder vertellen zal ik niet. Gij kunt wel denken, dat ik daar niet veel plezier in heb. Van de zes heb ik er vijf doodgeranseld, zoo achtereenvolgend den een na den ander; de zesde, en tevens de ergste van de bende, is mij ontkomen. Hij was destijds rafter, en is dat misschien op dit oogenblik nog; daarom ben ik ook rafter geworden, omdat ik mij verbeeld daardoor het best in de gelegenheid te zijn, om hem vroeg of laat aan te treffen. En nu...._behold_ (= ziet eens)! Wat zijn dat voor menschen?"

Hij sprong overeind, en de anderen volgden zijn voorbeeld; want juist waren er twee in bonte dekens gehulde personen uit de duisternis van het bosch in het lichtschijnsel van het vuur gekomen. Het waren Indianen, een oude en een jonge. Eerstgenoemde hief geruststellend zijn hand omhoog, en zei: "Niet vrees hebben, want wij niet vijanden zijn! Werken hier rafters, die Zwarten Tom kennen?"

"Ja, dien kennen wij," antwoordde de oude Blenter.

"Hij voor u weg, om te halen geld?"

"Ja, hij moet geld voor ons innen, en kan in een dag of acht weder bij ons zijn."

"Hij nog vroeger komen. Wij dus bij rechte lieden, bij rafters, die wij zoeken. Vuur klein maken, anders wijd zien. En ook zacht praten, anders wijd gehoord worden."

Hij wierp de bonte deken af, trad naar het vuur, haalde het brandende hout uit elkander, bluschte het, en liet slechts eenige takken brandende. De jonge Indiaan was hem daarbij behulpzaam. Toen dit gedaan was wierp hij een blik in den ketel, ging op den grond zitten, en zei: "Ons stuk vleesch geven, want wij ver gereden en niet gegeten; ergen honger hebben."

Dat wel wat vrije optreden wekte natuurlijk de bevreemding der rafters. De oude Missouriër gaf aan die bevreemding lucht door te zeggen: "Maar, man! wat denkt ge wel? Gij waagt het ons op te zoeken, zelfs in den nacht, en dat ofschoon gij Roodhuiden zijt! En gij doet precies alsof deze plaats aan u toebehoort."

"Wij niets wagen," luidde het antwoord. "Roode man moet niet zijn slechte man. Roode man zijn goede man. Bleekgezicht zal dat ondervinden."

"Maar wie zijt gij dan? Gij behoort in elk geval volstrekt niet tot een oeverlands- of een prairie-stam. Naar uw uiterlijk te oordeelen, vermoed ik veeleer, dat gij uit Nieuw-Mexico komt en misschien een Pueblo zijt."

"Kom uit Nieuw-Mexico, ja, maar geen Pueblo zijn. Zijn Tonkawa-hoofdman, heet Groote Beer, en dat mijn zoon."

"Wat, de Groote Beer," riepen verscheiden rafters verwonderd, en de Missouriër voegde er bij: "Is die jongen dan de Jonge Beer?"

"Juist geraden!" zei de Roodhuid met een bevestigend hoofdknikje.

"Dat maakt een onderscheid! De twee Tonkawa-Beren zijn overal welkom. Neemt zooveel vleesch en mede als gij lust en blijft bij ons zoolang als gij verkiest. Maar wat komt gij doen in deze streek?"

"Wij komen, om rafters waarschuwen."

"Waar voor? Is er dan gevaar voor ons?"

"Groot gevaar."

"Welk gevaar dan? Spreek!"

"Tonkawa eerst eten en paarden halen, dan spreken."

Hij gaf zijn zoon een wenk, waarop die zich verwijderde, en nam toen een stuk vleesch uit den ketel, waarop hij dat begon op te peuzelen zoo dood op zijn gemak, alsof hij zich thuis bevond in zijn veiligen wigwam.

"Hebt gij paarden bij u?" vroeg de oude Blenter. "En dat in den nacht hier in het bosch? En daarbij hebt gij ons gezocht, en gevonden ook! Ik moet zeggen, dat is een meesterstuk van u!'

"Tonkawa heeft oogen en ooren. Hij weet, dat rafters altijd wonen aan het water, aan de rivier. Gij zeer luid praten en groot vuur branden, dat wij zien zeer ver en ruiken nog verder. Rafters zeer onvoorzichtig, want voor vijanden gemakkelijk, hen vinden."

"Er zijn hier geen vijanden. Wij bevinden ons geheel alleen in deze streek en zijn in allen gevalle sterk genoeg, om ons tegen vijanden te verweren.'

"Missouri-Blenter zich vergissen."

"He, weet gij mijn naam?"

"Tonkawa lang daar staan achter boom en hooren, wat bleekgezicht praten; ook hooren uw naam. Als vijanden niet daar, dan nu toch komen. En als rafters onvoorzichtig, dan overwonnen worden, zelfs door weinig vijanden."

Nu hoorde men hoefslag op den weeken grond. De Jonge Beer bracht twee paarden, bond die aan een boom, nam een stuk vleesch uit den ketel, en ging naast zijn vader zitten, om te eten. Laatstgenoemde had zijn portie verorberd, stak het mes in zijn gordel, en zei: "Nu Tonkawa spreken, en dan rafters met hem wel vredespijp rooken. Zwarte Tom hebben veel geld. Tramps komen, om op hem loeren en hem afnemen geld."

"Tramps? Hier aan de Zwartenbeer-rivier? Dat zult ge stellig mis hebben."

"Tonkawa niet mis hebben, maar stellig weten, en het ook vertellen."

Hij vertelde in zijn gebroken taal wat er voorgevallen was op de stoomboot, maar was te hooghartig om van zijns zoons heldenmoed een enkel woord te reppen. Men luisterde natuurlijk met de grootste aandacht. Hij vertelde ook wat er na de vlucht van de tramps gebeurd was; hoe hij kort na hen met zijn zoon in de kleine boot den oever van den Arkansas bereikt had, en daar tot het eerste gloren van den dageraad was blijven liggen, omdat hij in den nacht hun spoor niet volgen kon. Bij het daglicht was dat spoor zeer duidelijk geweest en had, met vermijding van Fort Gibson, tusschen den Canadian en den Red-fork in westelijke richting geloopen, om vervolgens weer noordwaarts te gaan. In een der naastvolgende nachten hadden de tramps een dorp der Creek-Indianen overvallen, om zich de paarden te verschaffen. Des middags van den volgenden dag hadden de twee Tonkawa rondzwervende Choktow-krijgslieden ontmoet, van wie zij twee paarden gekocht hadden. Door de bij de paarden-negotie gebruikelijke formaliteiten hadden zij echter zooveel oponthoud gehad, dat de tramps hun een geheele dagreis vooruitgekomen waren. Toen waren zij den Red-fork overgestoken en vervolgens over de open prairie naar de Zwartenbeer-rivier gereden. Het was aan de Tonkawa gelukt, hen dicht op de hielen te komen. Nu bivakkeerden de tramps op een kleine open plek op den oever der rivier, en de Tonkawa hadden het noodzakelijk geacht allereerst de rafters op te zoeken, om aan die van een en ander mededeeling te doen.

"Hoe ver is het bivak van die tramps hier vandaan?" vroeg de oude Missouriër.

"Zoo ver als wat de bleekgezichten een half uur gaans noemen."

"Verduiveld! Dan kunnen zij ons vuur wel niet gezien, maar toch den rook er van geroken hebben. Wij hebben ons bepaald te veilig gewaand. En sedert wanneer liggen zij daar?"

"Sedert een goed uur voordat de avond gevallen is."

"Dan hebben zij stellig ook naar ons gezocht."

"Tonkawa niet durven bespieden tramps, terwijl nog klaar dag. Dadelijk doorrijden om rafters waarschuwen, want..."

Eensklaps zweeg hij en luisterde. Toen vervolgde hij, nog veel zachter fluisterend: "Groote Beer iets zien, iets bewegen aan hoek van huis. Stilzitten en niet praten! Tonkawa voortkruipen en onderzoeken."

Hij ging op den grond liggen en, zijn geweer achterlatende, kroop hij op het huis aan. De rafters spitsten hun ooren. Er verliepen wel tien minuten, toen hoorden zij een schellen, korten gil, een gil, dien iedere Westman kent--den doodsgil van een mensch. Kort daarop kwam de Tonkawa-hoofdman terug.

"Een spion van de tramps," zei hij. "Tonkawa hem gegeven het mes, van achteren in het hart getroffen. Zal niet meer vertellen kunnen wat hier gezien en gehoord. Maar misschien nog een tweede daar. Zal terugkeeren en melden. Daarom snel doen, als blanke mannen willen misschien beluisteren tramps."

"Dat is waar," fluisterde de Missouriër. "Ik zal meegaan en gij zult mij den weg wijzen, want gij weet waar zij zich bevinden. Zij hebben nog geen vermoeden, dat wij van hun tegenwoordigheid weten. Zij wanen zich dus veilig, en zullen stellig wel praten over hetgeen zij in hun schild voeren. Als wij er dadelijk op afgaan, komen wij allicht te weten wat zij van plan zijn te doen."

"Ja, maar zeer stil en heimelijk; misschien nog tweede spion hier dichtbij: die niet moet zien dat wij gaan. En niet geweer meenemen, maar enkel messen. Geweer ons in den weg zijn."

"En wat doen onderwijl de anderen hier?"

"In huis gaan en stil wachten tot wij terugkomen."

Die raad werd gevolgd. De rafters begaven zich naar binnen in het blokhuis, waar zij niet bespied konden worden; maar de Missouriër kroop met den Tonkawa-hoofdman een goed eind weegs ver over den grond voort; toen eerst richtten zij zich op om langs de rivier naar beneden te gaan en zoo mogelijk de tramps te beluisteren.

De Zwartenbeer-rivier kan de grens genoemd worden van dat eigenaardig bergachtige land, waaraan men den naam heeft gegeven van _Rolling-Prairie_ (= rollende prairie). Daar verheft zich berg aan berg, of juister gezegd heuvel aan heuvel, de een zoogoed als volkomen gelijk aan den ander, en alle van elkander gescheiden door valleien, die almede alle op elkander gelijken. Dat gaat door het gansche oosten van Kansas. Deze rollende prairie is goed bewaterd en rijk aan boschgroei. Uit vogelvlucht bezien zou men die in het oneindige op elkander volgende heuvelen en dalen kunnen vergelijken bij de rollende golven van een groen gekleurde zee. Vandaar de benaming, waaruit men ziet, dat het woord prairie niet altijd een vlak en effen gras- of weiland beteekent. In dit weeke, humus-rijke bergland hebben de wateren van de Zwartenbeer-rivier diep den grond weggekabbeld, zoodat haar oevers, tot daar, waar zij de rollende prairie verlaten, meestal steil en tot aan het water met dicht opeenstaande boomen begroeid is. Het is, of juister gezegd was, een overvloedig, echt wildland, want in den laatsten tijd is de rollende prairie betrekkelijkerwijze dicht bevolkt en door de zondags-jagers van al haar wild beroofd.

Daar, waar de rafters hun werkplaats opgeslagen hadden, viel de hooge oever, niet ver van het blokhuis af, steil in het water neer, hetgeen het groote voordeel aanbood, als het den aanleg van zoogenaamde sleep-hellingen mogelijk maakte, een soort van glijbanen, waarlangs de rafters de boomstammen en houtblokken zonder veel krachtsinspanning naar het water konden brengen. Gelukkigerwijze was de oever vrij van kreupelhout, maar toch was het niet gemakkelijk er in den donker te loopen. De Missouriër was een oud en zeer geoefend Westman van veel ondervinding; en toch verbaasde hem de bedrevenheid van den Tonkawa-hoofdman, die hem bij de hand genomen had en nu zonder geritsel en zoo ongehinderd tusschen de boomen voortschreed en de stammen zoo behendig wist te vermijden, als ware het klaar dag. Beneden hoorde men het ruischen der rivier; en ook dit was een gunstige bijzonderheid, want het maakte, dat het gedruisch, hetwelk hun voeten onvermijdelijk veroorzaakten nu en dan, in het geheel niet gehoord kon worden.

Blenter bevond zich hier al een geruimen tijd. Hij werkte niet als rafter, maar als jager en vleeschmaker, en kende de streek zeer nauwkeurig. Daardoor was hij, meer dan iemand anders, in staat om de behendigheid te erkennen, waarmee de Indiaan zich bewoog, die zich voor het eerst van zijn leven hier bevond, en dat nog wel pas sedert de duisternis van den nacht reeds begonnen was.

Toen er ruim een kwartier verstreken was, daalden onze twee af in een dal, dat doorsneden werd door de rivier. Ook dit dal was dicht begroeid met boomen, en werd besproeid door een zacht murmelende beek. In de nabijheid van de plaats, waar die beek zich in de rivier ontlastte, was een plek zonder boomen, slechts hier en daar bewassen met eenig kreupelhout. Daar hadden de tramps hun bivak opgeslagen en een vuur aangelegd, waarvan het schijnsel onzen twee verspieders reeds in het oog viel, terwijl zij zich nog onder het loofdak van het bosch bevonden.

"Tramps even onvoorzichtig als rafters," fluisterde de Tonkawa-hoofdman tegen zijn tochtgenoot. "Branden groot vuur, alsof zij braden wilden geheelen, grooten buffel-os. Roode krijgslieden nooit anders maken dan klein vuur. Vlam niet zien, en zeer weinig rook. Wij gemakkelijk daar zullen komen, en het zoo kunnen maken, dat zij ons niet zien."

"Ja, er komen kunnen wij," zei Blenter. "Maar of wij zoo dicht bij hen kunnen komen, dat wij kunnen hooren wat zij spreken, dat is nog de vraag."

"Wij zeer dichtbij; wij alles hooren zullen. Maar elkander bij staan, als tramps ons ontdekken. Aanvallen, doodsteken, en schielijk bosch in."

Zij gingen tot aan de laatste boomen voort, en zagen nu het vuur en de daaromheen liggende mannen. Hierbeneden waren meer steekmuggen, de gewone plaag van den loop der rivieren in die streken, dan hooger op in de legerplaats der rafters. Misschien was dit wel de reden, dat de tramps zulk een groot vuur aangelegd hadden. Ter zijde stonden de paarden. Men zag die niet, maar men hoorde hen. Ze werden zoo schrikkelijk door de muskieten geplaagd, dat ze, om die van zich af te weren, in aanhoudende beweging waren. De Missouriër hoorde het stampen van hun hoeven; ja, de Tonkawa-hoofdman kon zelfs het heen en weer slaan van hun staarten onderscheiden.

Nu gingen de twee verspieders op den grond liggen, en kropen nader en nader op het vuur aan. Daarbij trokken zij, tot dekking, partij van het kreupelgewas, dat hier en daar op de boomlooze plek stond. De tramps zaten dicht bij de beek, welker oever begroeid was met dicht opeengehoopte biezen, die zich uitstrekten tot de plek waar de tramps zaten.

De vooruitkruipende Indiaan nam de richting naar dat biesgewas, dat de beste gelegenheid aanbood om zich schuil te houden. Daarbij ontwikkelde hij een echt meesterschap in de kunst om dichter en dichterbij te sluipen. De groote moeielijkheid bestond hierin, dat men door de hooge, dorre halmen moest zien te komen, zonder in het biesgewas eenig schier onvermijdelijk gedruisch te veroorzaken. Ook mochten de toppen van de biezen zich niet bewegen, want daardoor zouden zij anders allicht terstond ontdekt geworden zijn. De Oude Beer vermeed dit gevaar, door zich eenvoudig den doortocht te banen met behulp van zijn scherp mes, waarmee hij het biesgewas van onderen doorsneed en hetgeen er zoodoende van onderen bleef staan onder zich plat te drukken; daarbij had hij bovendien nog oplettendheid voor den Missouriër over, ten einde dezen het volgen gemakkelijker te maken. Dat doorsnijden van de harde biezen ging zoo onhoorbaar in zijn werk, dat zelfs de oude Blenter er niets van hooren kon.

Zoo naderden zij het vuur, en bleven niet eer stil liggen, dan toen zij zich zoo dicht bij de tramps bevonden, dat zij duidelijk verstaan konden wat die zeiden, te meer daar die zich volstrekt de moeite niet gaven zacht te spreken. Blenter was niet achtergebleven, maar lag naast den Ouden Beer. Hij liet zijn oog over de zittende gestalte gaan, en vroeg toen zacht: "Wie is nu die kornel, van wien gij ons verteld hebt?"

"Kornel niet daar; hij weg!" fluisterde de Indiaan terug.

"Misschien óók wel om naar ons te zoeken."

"Ja; bijna niet anders kunnen zijn."

"Dan is hij stellig degene, dien gij doodgestoken hebt?"

"Neen, hij dat niet zijn."

"Maar dat hebt gij immers niet kunnen zien?"

"Bleekgezichten zien enkel met oogen; maar Indiaan ook zien met handen. Mijn vingers stellig herkend hadden kornel."

"Dan is hij niet alleen geweest, maar heeft er nog een bij zich gehad; en dien andere zult gij doodgestoken hebben."

"Dat zeer juist. Nu hier wachten, tot kornel terugkomen."

De tramps voerden een zeer levendig gesprek. Zij praatten over allerlei dingen, behalve over datgene, waarin de twee luisteraars het meest belanggesteld zouden hebben, totdat er een was, die zei: "Ik ben benieuwd, of het vermoeden van den kornel juist is geweest. Het zou jammer zijn, als de rafters niet meer hier waren."

"Ze zijn er nog, en dichtbij ook," antwoordde een ander. "De houtspaanders, die hier zijn komen aandrijven, zijn nog versch waarschijnlijk van gisteren, maar hoogstens van eergisteren."

"Als dat zoo is, zullen wij weer terug moeten; want dan zijn wij te dicht in de nabijheid van die kerels; ze zouden ons gewaarworden. En zien mogen ze ons niet. Met hen hebben we ook eigenlijk niets te maken; wij willen enkel zwarten Tom opvangen, en hem zijn geld afnemen."

"En dat zullen wij niet krijgen," merkte een ander op.

"Waarom niet?"

"Omdat wij het zoo dom aangelegd hebben, dat het onmogelijk gelukken kan. Denkt gij, dat de rafters ons niet gewaar zullen worden, al gaan wij een eind weegs terug? Dan zouden zij stekeblind moeten zijn. Wij laten hier sporen achter, die onmogelijk weg te maken zijn. En is onze aanwezigheid verraden, dan is het ook uit met ons plan."

"Volstrekt niet. Wij schieten de kerels doodeenvoudig overhoop!"