De schat in het Zilvermeer

Chapter 7

Chapter 73,885 wordsPublic domain

Nu was nog wel niet alles, maar toch de hoofdzaak, duidelijk genoeg. Men zag de vluchtende boot op eenigen afstand. De tramps jubelden, en braakten allerlei spotternijen uit; de scheepsbemanning en een groot deel der passagiers antwoordden hen woedend. In de algemeene opgewondenheid lette men niet op de Indianen, die verdwenen waren. Eindelijk mocht de forsche stem van Old Firehand er in slagen, eenigszins het rumoer te doen bedaren, en nu hoorde men tevens een andere stem, die van beneden uit het water naar boven klonk: "De Oude Beer kleine boot geleend. Hij achterna den kornel, om te wreken. Kleine boot aan overzij laten en vastbinden, kapitein boot vinden zal. Hoofdman der Tonkawa niet laten ontkomen kornel. Groote Beer en Jonge Beer hebben moeten zijn bloed. Howgh!"--Beiden hadden de kleine voorboot genomen, en roeiden nu de vluchtenden achterna. De kapitein vloekte en schold geweldig, doch tevergeefs.

Terwijl nu de _deckhands_ (= de manschap op het dek) een begin maakten met het leegpompen van het stoomschip, werd de zwarte stoker in verhoor genomen. Old Firehand bracht hem met scherpe vragen zoo in het nauw, dat hij alles bekende, en ieder woord mededeelde, dat er gesproken was. Daardoor werd alles duidelijk. De kornel was de dief, en had het schip lek geboord om, nog voordat de diefstal ontdekt werd, met zijn bende aan wal te kunnen ontkomen. De neger moest voor zijn verraad gestraft worden, dit sprak vanzelf. Hij werd vastgebonden, opdat hij niet ontvluchten zou, maar den volgenden morgen het aantal slagen ontvangen, dat de kapitein hem had toegedacht. Een gerechtelijke vervolging kon natuurlijk niet tegen hem ingesteld worden.

Al spoedig bleek het, dat de pompen het water volkomen machtig werden, en dat de stoomboot volstrekt geen gevaar liep, maar na een kortstondig oponthoud de reis zou kunnen vervolgen. De passagiers kwamen dus van den onherbergzamen oever aan boord terug, en maakten het zich gemakkelijk. Over het ondervonden oponthoud bekommerde men zich niet, integendeel, verscheidenen waren blijde, dat er weer eens iets bijzonders gebeurd was, waardoor het vervelend eentonige van de lange reis was onderbroken.

Onder de laatstbedoelden behoorde de ingenieur natuurlijk niet. Men had hem een vrij aanzienlijke som gelds afhandig gemaakt, die hij moest vergoeden. Old Firehand troostte hem door te zeggen: "Er bestaat nog hoop, om het geld terug te krijgen. Vaar in 's hemelsnaam met vrouw en dochter verder. Bij uw broeder hoop ik u weer te zien."

"Hoe zoo? Wilt gij mij gaan verlaten?"

"Ja, ik wil den kornel achternagaan, om hem het gestolene te ontnemen."

"Maar dat is immers gevaarlijk!"

"_Pshaw!_ Old Firehand is er de man niet naar, om bang te zijn voor die tramps--want dat zijn ze stellig."

"En toch verzoek ik u, u niet daaraan te wagen. Ik wil veel liever die som voorgoed kwijt zijn."

"Neen, sir! Het betreft hier niet enkel uw negen duizend dollars, maar nog veel meer. De tramps hebben van den neger vernomen, dat ook Torn geld bij zich heeft, waarop zijn lieden aan de Blackbear-rivier wachten. Ik vergis mij bepaald niet als ik veronderstel, dat zij daarheen koers zetten, om een nieuwe misdaad te volvoeren, waarbij het verlies van menschenlevens zoogoed als zeker is. De twee Tonkawa vervolgen zijn spoor als een paar bloedhonden, en zoodra de dag aan den hemel komt volgen wij hen achterna, namelijk ik, Tom, Droll en zijn jongen Fred. Is het niet zoo, messieurs?"

"Ja," antwoordde Tom eenvoudig en ernstig.

"O ja," gaf ook Droll ten bescheid. "De kornel moet in onze handen vallen, ook reeds om andere redenen. Krijgen wij hem te pakken, dan mijnentwege lijfsgenade voor hem, als het noodig is!"

DERDE HOOFDSTUK.

NACHTELIJKE GEVECHTEN.

Op den hoogen oever van de Blackbear-rivier brandde een groot vuur. Wel stond de maan aan het uitspansel, doch haar licht was niet in staat, om door de dichtgebladerde toppen der boomen heen te dringen, waaronder, zonder dat vuur, volslagen duisternis geheerscht zou hebben. De vlammen van dat vuur verlichtten een soort van blokhuis, dat niet met horizontaal op elkander gestapelde boomstammen, maar op een andere wijze was opgetrokken. Van vier in de hoeken van een regelmatigen vierhoek staande boomen had men de toppen afgezaagd, en op de stammen dwarshouten gelegd, die het dak droegen. Dit laatste bestond uit zoogenaamde _clapboards_, planken die men ruw uit ongetakte cypressen- of ook wel roode-eikestammen klooft. In het voorfront waren drie openingen gelaten, een groote als deur, en ter weerszijde van deze twee kleinere als ramen. Voor dat huis brandde het zooeven genoemde vuur, en daar rondom zaten omstreeks twintig woest-uitziende mannen, wie men het kon aanzien, dat zij in langen tijd niet met de zoogenaamde beschaafde wereld in aanraking waren geweest. Hun kleederen waren geplukt en gescheurd, en hun gezichten door de zon en weer en wind niet slechts gebruind, maar letterlijk gelooid. Behalve de messen hadden zij geen ander wapentuig bij zich; misschien lag dat wel binnen in het blokhuis.

Over het vuur hing aan een dikken boomtak een groote, ijzeren ketel, waarin zware stukken vleesch kookten. Naast het vuur stonden twee uitgeholde, reusachtige pompoenschalen met gegist honigwater of mede. Wie trek daarin had schepte zich een dronk daaruit of een beker vol vleeschnat uit den kokenden ketel.

Daarbij werd een levendig gesprek gevoerd. Het gezelschap scheen zich volkomen veilig te wanen, want niet een hunner gaf zich de moeite om zacht te spreken. Hadden de lieden de nabijheid van een vijand mogelijk geacht dan zouden zij het vuur wel op Indiaansche wijze hebben aangehouden, dit wil zeggen, met een kleine vlam, die op eenigen afstand niet gezien kon worden. Tegen de buitenzijde van het blokhuis stonden bijlen van allerlei grootte, groote zagen en velerlei ander gereedschap, waaruit men kon opmaken, dat men een gezelschap rafters (houthakkers en houtvlotters) voor zich had.

Die rafters zijn een geheel eigenaardig soort van bewoners der achterbosschen.

Zij zijn te rangschikken zoowat tusschen de _farmers_ (= landbouwers) en de _trappers_ (= vallen-opzetters). Terwijl de farmer het dichtst nabij de beschaving staat en tot de lieden behoort, die een vaste woonplaats hebben, leidt de trapper nagenoeg het leven van een wilde, volkomen gelijk de Indianen. Ook de rafter is niet aan een plekje gronds gebonden, en leidt een vrij, bijna onafhankelijk leven. Hij trekt uit den eenen staat naar den anderen, en uit het eene _county_ (= graafschap) naar het andere. Menschen, en de woningen van dezen, zoekt hij niet gaarne op, omdat het vak, hetwelk hij uitoefent, eigenlijk een onwettig middel van bestaan is. De grond waar hij hout velt, is niet zijn eigendom. Het komt ook zelden of nooit in hem op, er naar te vragen aan wien die grond toebehoort. Vindt hij een goeden boomgroei en een tot houtvlotten geschikt water in de nabijheid, dan begint hij zijn werk, zonder zich er om te bekommeren of de plaats, waar hij zich bevindt, congres-land is, dan wel reeds aan een particulier in eigendom toebehoort. Hij velt de boomen, behakt en bewerkt die, zoekt daartoe de rechtste, gaafste, beste stammen uit, maakt daarvan een vlot, en drijft daarop de rivier af, ten einde het buitgemaakte goed hier of daar te verkoopen.

De rafter is een niet gaarne geziene gast. Wel heeft de nieuwe kolonist vrij wat moeite te doorworstelen met den dichten boschgroei dien hij vóór zich heeft, en zou het hem veel aangenamer zijn indien hij het bosch behoorlijk gedund vond. Doch de rafter dunt geen bosschen. Hij kiest, zooals reeds gezegd is, enkel de beste stammen uit, zaagt en kapt hun kruinen af, en laat die op den grond liggen. Onder en tusschen die boomtoppen schieten dan nieuwe spruiten op, die door wilde ranken en slingerplanten tot een vast geheel saamverbonden worden, waartegen geen hakbijl, en menigmaal zelfs geen vuur, veel vermag.

En toch laat men den rafter doorgaans ongehinderd zijn gang gaan; want hij is een gespierde en onvervaarde gast, met wien in de wildernis, ver verwijderd van alle hulp, niemand het geraden acht twist uit te lokken. Alleen kan hij natuurlijk niet werken, doch altijd zijn er verscheiden, meestal vier à acht of tien, die gezamenlijk werkzaam zijn. Somwijlen gebeurt het ook, dat het gezelschap uit een nog grooter aantal personen bestaat; dan voelt de rafter zich dubbel veilig; want met zulk een aantal menschen, die om het bezit van een boomstam hun leven op het spel zouden zetten, zal geen farmer of ander eigenaar een twist aanvangen.

Wel leiden zij een leven vol krachts-inspanning, vermoeienis en ontbering, maar toch, bij slot van rekening wordt hun arbeid ruim betaald. Daar de grondstof den rafter niets kost, verdient hij goed wat geld. Terwijl de anderen werken, is er één (of zijn er twee of drie, naar gelang het gezelschap talrijk is) belast met de zorg voor de voeding van allen. Dat zijn de jagers, die den ganschen dag en menigmaal zelfs des nachts druk in de weer zijn om "vleesch te maken". In streken waar overvloed van wild is, valt hun dat niet moeielijk. Doch waar het wild schaarsch is, hebben zij een moeielijke taak. De jagers hebben geen tijd over, om honig en andere versnaperingen te zoeken, en de rafters moeten dikwijls vleesch eten, waarvoor de bewoners der achterbosschen anders den neus zouden optrekken--zelfs ingewand.

Het gezelschap nu, dat hier aan de Zwartenbeer-rivier werkzaam was, scheen, zooals de volle vleeschketel bewees, geen gebrek te lijden. Zij waren dan ook allen in een zeer goede stemming en na het volbrachte zware dagwerk werd er druk geschertst en gelachen. Men vertelde elkander grappige of anderszins vermakelijke avonturen, die men indertijd zelf beleefd of bijgewoond had; men schilderde personen die men had aangetroffen, en die de een of andere eigenaardigheid hadden, geschikt om den lachlust gaande te maken.

"Zoo heb ik er eens een aangetroffen daarboven in Fort Niobrara," zei een oude grijsaard, "dien hadt ge moeten zien! Het was een man, natuurlijk, en toch werd hij door iedereen _tante_ genoemd."

"Was dat misschien Tante Droll?" vroeg er een.

"Ja, juist, dat hebt gij goed geraden. Hebt gij hem ook wel eens ontmoet?"

"Ja, eens. Dat was te Desmoines, in het logement, waar zijn verschijning de algemeene aandacht trok, en allen zich vroolijk over hem maakten. Inzonderheid was er een, die hem niet met rust liet, totdat Droll hem eindelijk bij zijn middel vatte en hem het raam uitsmeet. Die man kwam niet meer binnen."

"Dat is juist iets van Tante Droll. Hij houdt van een grapje, en heeft er niets tegen, dat men om hem lacht; maar als het niet binnen zekere perken blijft, laat hij zijn tanden zien. Overigens zou ik ieder, die het er op muntte om hem te beleedigen, zonder mij te bedenken, de hersens inslaan."

"He, Blenter! gij? Waarom dat?"

"Omdat ik aan hem mijn leven te danken heb. Ik ben met hem gevangen geweest bij de Sioux. Ik wil jelui wèl zeggen, dat die mij toen stellig en zeker naar de eeuwige jachtvelden gezonden zouden hebben. Ik ben er de man niet naar, om voor drie of vijf Indianen in mijn schulp te kruipen; ik hou er ook niet van, te jammeren en te weeklagen, zoodra het mij eens niet voor den wind gaat; maar bij die gelegenheid was er geen zweem van hoop meer, en ik was letterlijk radeloos. Maar die Tante Droll is een gewikste, zooals er geen tweede bestaat; hij heeft de Roodhuiden zóó ingezeept, dat zij niet meer uit hun oogen konden zien. Wij zijn den dans ontsprongen?"

"Hoe zoo? Hoe heeft hij dat aangelegd? Vertel ons dat eens."

"Als gij het mij niet kwalijk neemt, zal ik liever mijn mond daarover houden. Het doet een mensch geen plezier een voorval te vertellen, waarbij men zelf geen zeer snuggere rol heeft gespeeld, maar zich door de Roodhuiden heeft laten verschalken. Het is genoeg dat ik jelui dit zeg: dat ik op dit oogenblik hier zit en mij aan den reebok te goed kan doen, heb ik niet te danken aan mij zelf, maar aan Tante Droll."

"Dan moet de verknijping, waarin gij toen gezeten hebt, nog al erg geweest zijn. De oude Missouri-Blenter staat anders toch bekend als een Westman, die altijd een achterdeurtje weet te vinden, om uit de klem te komen."

"Bij die gelegenheid was er geen achterdeurtje te vinden. Ik stond reeds zoogoed als aan den martelpaal vastgebonden."

"Is het toch waar? Dat is inderdaad een toestand, waarin men niet veel kans meer heeft om te ontsnappen. Een verduivelde uitvinding, die martelpaal. Als ik het woord maar hoor, haat ik de schobberds dubbel."

"Dan weet gij niet wat gij doet en wat gij zegt. Wie de Indsmen haat, die beoordeelt hen verkeerd, die heeft er niet over nagedacht wat de Roodhuiden al hebben moeten verduren. Gesteld eens, dat er nu iemand kwam om ons van hier te verdrijven, wat zoudt gij dan doen?"

"Dan zou ik mij natuurlijk te weer stellen, al moest het zijn of mijn leven kosten."

"En is deze plaats dan uw eigendom?"

"Ik weet niet eens aan wien die toebehoort; maar ik heb er ten minste niets voor betaald."

"Welnu, deze gansche landstreek behoorde toe aan de Roodhuiden; wij hebben hun die gewelddadig ontnomen; en als zij zich nu daartegen verzetten, veroordeelt gij hen."

"Hum! Wat ge zegt is waar: maar de Roodhuiden moeten weg; ze moeten uitsterven! dat is nu eenmaal zoo en niet anders."

"Ja, zij sterven uit, doordien wij hen vermoorden. Het heet, dat zij niet vatbaar zijn voor de beschaving, en dat ze daarom moeten verdwijnen. Maar de beschaving schiet men maar niet zooals een kogel uit een geweer; daartoe is tijd noodig, veel tijd; ik heb geen verstand genoeg om te zeggen hoe lang wel, maar ik geloof zelfs verscheiden eeuwen. Doch geeft men den Roodhuiden wel tijd? Stuurt gij een _boy_ (= jongen) van zes jaar naar school, en geeft gij hem een pak slaag als hij een kwartier later nog geen professor is? Zóó doet men met de Indianen. Ik wil hen niet verdedigen, want ik heb er niets mee te maken, maar ik heb bij hen evenveel goede menschen aangetroffen als onder de blanken, ja eigenlijk nog wat meer. Aan wie heb ik het, om maar eens iets te noemen, te danken, dat ik mijn kostelijke boerderij en mijn goede vrouw en kinderen kwijt ben, en dat ik als een bijna afgeleefde grijsaard nog in het wilde Westen moet rondzwerven--aan de Roodhuiden of aan de Blanken?"

"Dat kan _ik_ toch niet weten. Gij hebt nooit daarover gesproken."

"Omdat een man van karakter zulke dingen liever in zijn binnenste begraaft dan ze aan de groote klok te hangen. Ik moet er nu nog maar één van hebben, den laatste, die mij ontsnapt is: dat is de eenige van de bende die overgebleven is, en juist de allerslechtste!"

De oude man vertelde dat tandenknarsend, langzaam, als wilde hij nadruk leggen op ieder woord. Dit verhoogde de aandacht der anderen; zij kwamen dichter om hem heen en zagen hem vragend aan, doch zonder iets te zeggen. Hij staarde eenige seconden lang in het vuur, schopte daarop met zijn voet het brandende hout beter in de vlam en vervolgde toen als iemand, die bij zich zelf spreekt: "Doodgeschoten of doodgestoken heb ik hen niet, maar doodgeranseld, den een voor en den ander na. Levend moest ik hen hebben, want ik wilde hen precies zóó zien sterven, als zij de mijnen hebben doen sterven, mijn vrouw en mijn twee zoons. Er waren er zes; vijf er van heb ik zoo den geest zien geven in een korten tijd, maar de zesde is het ontkomen. Ik heb hem op de hielen gezeten, al de staten der Unie door, totdat het hem eindelijk gelukt is mij zijn spoor te doen verliezen. Ik heb het nog niet terug kunnen vinden maar hij leeft nog, want hij was jonger dan ik, veel jonger, en daarom denk ik, dat ik mijn oude oogen niet voorgoed zal behoeven te sluiten, zonder dat ik hem nog eens één keer te zien zal krijgen."

Er volgde een diepe stilte. Allen gevoelden, dat het hier iets zeer buitengewoons gold. Eerst na een lange pauze waagde een hunner de vraag:

"Zeg Blenter, wie was die kerel?"

De oude ontwaakte uit zijn mijmering, en antwoordde: "Wie hij was? Het was geen Indiaan, maar een blanke, een monster, zooals er geen onder de Roodhuiden te vinden is. Ja, mannen! Ik wil u nog meer zeggen--ik wil u zeggen, dat hij was wat gij allen zijt, en wat ik tegenwoordig zelf ben: een rafter!"

"Wat? Waren het rafters, die uw vrouw en kinderen vermoord hebben?"

"Ja, dat waren rafters! Gij hebt volstrekt geen reden om trotsch te wezen op uw beroep, en u voor beter te houden, dan de Roodhuiden zijn. Zooals wij hier bij elkaar zitten, zijn wij allen gauwdieven en spitsboeven."

Deze bewering ontmoette natuurlijk de levendigste tegenspraak. Maar zonder zich daaraan te storen, ging Blenter voort: "Deze rivier, waaraan wij ons bevinden, dit bosch, waar wij de boomen vellen om die te verkoopen, zijn ons eigendom niet. Wij vergrijpen ons wederrechtelijk aan goed, dat òf aan den staat òf aan particulieren toebehoort. Wij zouden iedereen, zelfs den rechtmatigen eigenaar, overhoop schieten, als hij ons van hier wilde verdrijven? Is dat geen diefstal? Of, nog erger, is dat geen rooverij?"

Hij liet zijn oog vragend rondgaan over allen, en daar hij niet dadelijk antwoord kreeg, vervolgde hij: "En met zulke roovers kreeg ik het destijds te doen. Ik was mij uit Missouri hier komen neerzetten met een behoorlijken koopbrief in mijn hand. Mijn vrouw en zoons waren bij mij. Wij hadden runderen bij ons, eenige paarden, varkens en een grooten wagen vol huisraad, want ik was tamelijk wel in goeden doen, moet ik zeggen. Er was geen enkele kolonist in den omtrek; maar wij hadden ook niemand noodig, want onze acht armen waren sterk en vlijtig genoeg, om zelf alles in orde te brengen, en zeer spoedig ook. In een korten tijd was het blokhuis opgetrokken. Wij brandden een akkerland af en roeiden het uit, en begonnen te zaaien. Op een morgen vermiste ik een koe, en ik ging het bosch in, om die te zoeken. Daar hoorde ik bijlslagen en ging af op dien klank. Ik vond zes rafters, die bezig waren mijn boomen te vellen. Bij hen lag mijn koe; die hadden zij doodgeschoten, om het vleesch te verorberen. Zegt mij nu eens, messieurs! wat zoudt gij gedaan hebben, als gij in mijn plaats waart geweest?"

"Ik had de kerels overhoop geschoten," antwoordde er een. "En daartoe zou ik het volste recht hebben gehad; want volgens de hier in het Westen geldende wet, staat op het stelen van een paard of een rund de doodstraf."

"Dat is zoo; maar dat heb ik toch niet gedaan. Ik heb integendeel vriendelijk tegen hen gesproken, en hun verzocht zich van mijn grond te verwijderen, en mij mijn koe te betalen. Dat was toch niet te veel van hen gevergd, geloof ik?"

"Neen, allesbehalve?" riepen verscheiden stem men. "En deden zij dat niet?"

"O neen, zij lachten mij uit zoo hard als zij konden. Ik ging echter niet dadelijk naar huis terug, want ik wilde meteen zien of ik hier of daar iets onder schot kon krijgen voor ons avondeten. Toen ik vervolgens thuiskwam, vermiste ik ook de tweede koe. De rafters hadden die, terwijl ik afwezig was, insgelijks weggehaald, om mij te toonen, dat zij mij uitlachten. Toen ik hen den volgenden morgen opzocht, hadden zij de koe reeds afgehakt, en de stukken vleesch opgehangen om te drogen, ten einde pemmikan te maken. Mijn herhaalde en nu natuurlijk zooveel hoogere eisch om vergoeding werd wederom beantwoord met spottend gelach. Toen dreigde ik, dat ik geld moest hebben, en anders gebruik zou maken van mijn recht. Meteen legde ik aan met mijn geweer. Een kerel, die voor allen het woord deed en hun aanvoerder scheen, legde dadelijk ook zijn geweer aan. Ik zag duidelijk aan hem dat het meenens bij hem was, en ik schoot hem met mijn kogel zijn vuurwapen uit de hand. Mijn doel was niet geweest om hem te treffen, ik had enkel op zijn wapen gemikt. Toen snelde ik terug naar huis, om mijn zoons te halen. Met ons drieën waren wij volstrekt niet bang voor die zes; doch toen wij kwamen, waren zij reeds verdwenen. Nu was oppassen natuurlijk de boodschap, en gedurende de eerste drie dagen waagden wij ons niet buiten den onmiddellijken omtrek van ons blokhuis. Den vierden morgen was al onze mondvoorraad opgebruikt, en ging ik dus met mijn eenen zoon op de jacht om vleesch te maken. Wij waren natuurlijk op onze hoede, doch van de rafters was nergens een spoor te vinden. Toen wij dus langzaam en zonder gedruisch te maken onzen weg vervolgden in het bosch, misschien een twintigtal voetstappen van elkander af, zag ik eensklaps den aanvoerder van de bende achter een boom staan. Hij zag mij niet, maar mijn zoon, op wien hij dadelijk zijn geweer aanlegde. Had ik den kerel oogenblikkelijk neergeschoten, zooals mijn goed recht en zelfs mijn plicht was, dan zou ik stellig niet kinderloos en weduwnaar geworden zijn. Maar het is nooit mijn zoeken geweest, om zonder noodzaak een mensch te dooden, en ik sprong dus ijlings op hem aan, rukte het geweer uit zijn hand, het mes en het pistool uit zijn gordel en gaf hem een slag in het gezicht, die zóó duchtig raak was, dat hij op den grond tuimelde. Maar hij verloor zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik, en was misschien nog vlugger dan ik. In een ommezien sprong hij weer overeind, en zette het toen op een loopen, eer ik den tijd had om hem te grijpen."

"Verduiveld! Voor die domheid zult gij later hebben moeten boeten," riep er een. "Het lijdt geen twijfel, dat de kerel dien klap later gewroken heeft."

"Ja, hij heeft hem gewroken," knikte de oude, meteen opstaande om eenige keeren op en neer te loopen. De herinnering schokte zijn gemoed. Toen hij weer kwam zitten, vervolgde hij: "Wij waren gelukkig op onze jacht en deden een ruime vangst. Toen we thuiskwamen, ging ik achter de woning om daar onzen buit voorloopig neer te leggen. Het was mij alsof ik eensklaps een verschrikten gil van mijn zoon hoorde, doch ik ontgaf het mij weer ... tot mijn smart, want toen ik in ons woonvertrek kwam, zag ik mijn jongen zwaar gekneveld bij den haard op den vloer liggen, en op hetzelfde moment werd ik beetgepakt en ook op den grond gesmeten. De rafters waren, tijdens de afwezigheid van mij en mijn zoon, naar de boerderij gekomen, en hadden mijn vrouw en jongste zoon overvallen, om daarna ook ons op te wachten. Toen mijn oudste zoon binnenkwam vóór mij, hadden zij zich zoo snel op hem geworpen, dat hij niet eens tijd had om dien waarschuwenden gil, dien ik gehoord had, luid genoeg uit te brengen. Mij ging het niet beter dan mijn drie huisgenooten. Alles ging zoo overrompelend en schielijk in zijn werk, dat ik reeds stevig gekneveld was, eer ik aan tegenweer-bieden denken kon. Toen stopten ze ook mij een prop van ik weet niet wat in den mond, om mij het schreeuwen te beletten."

"Alles uw eigen schuld! Waarom zijt gij niet voorzichtiger geweest? Wie zich de rafters tot vijand maakt, en nog wel een hunner een klap in het gezicht geeft, moet van dat oogenblik af aan driedubbel op zijn hoede wezen."