De schat in het Zilvermeer

Chapter 6

Chapter 63,975 wordsPublic domain

Dit zeggende haalde hij twee nieuwe, mooi bewerkte revolvers, waarvan de kolven met parelmoer ingelegd waren, uit zijn zak, en bood hem die aan. De jonge Indiaan behoefde zich geen oogenblik te bedenken wat hij doen zou. Hij trad een schrede achteruit, richtte zich op zoo recht als een kaars, en zeide: "De blanke man biedt mij wapenen aan. Dat groote, zeer groote eer voor mij, want alleen mannen ontvangen wapenen. Ik die aannemen, en die slechts gebruiken, wanneer verdedigen goede menschen en schieten op slechte menschen. Howgh!"

Hij nam de revolvers, en stak die onder zijn kleed in zijn gordel. Nu kon zijn vader zich niet langer inhouden. Men kon het aan zijn gezicht zien, dat hij moeite had om zijn aandoening meester te blijven. Hij zei tegen Butler:

"Ook ik blanken man danken, dat niet geven geld als aan slaven of menschen, die geen eer hebben. Zoo zijn het grooter loon, dat wij nooit vergeten. Wij zijn altijd vrienden van den blanken man, diens squaw en diens dochter. Hij goed bewaren totem van Jongen Beer; het zijn ook het mijne. De Groote Geest hem steeds zenden zon en vreugde!"

Het dankbezoek was ten einde, en zij drukten elkander nogmaals de hand. De beide Indianen gingen weer op hun kist zitten.

"Toea enokh (= goede menschen)!" zeide de vader.

"Toea-toea enokh (= zeer goede menschen)!" bevestigde de zoon. Dat waren de eenige ontboezemingen, welke hun Indiaansche woordkarigheid hun nu nog veroorloofde. De vader voelde er zich bijzonder door vereerd, dat men niet ook hem, maar alleen zijn zoon, op wien hij zoo trotsch was, een geschenk had gegeven.

Dat de dankbetuiging van den ingenieur, volgens Indiaansche begrippen, zoo kiesch was uitgevallen, was niet toe te schrijven aan hem zelf. Hij was met de zienswijzen en gebruiken der Roodhuiden te weinig bekend, dan dat hij geweten zou hebben hoe hij zich in het gegeven geval gedragen moest. Daarom had hij Old Firehand om raad gevraagd; en die had hem de noodige voorlichting verstrekt. Nu keerde hij terug naar zijn raadsman, die met Tom en Droll voor de kajuit zat, en deelde hem mee hoe de geschenken ontvangen waren. Toen hij van het totem gewag maakte, kon men aan zijn toon hooren, dat hij aangaande de beteekenis van dat voorwerp geen juist begrip had. Daarom vroeg Old Firehand hem: "Gij weet zeker wel wat een totem is, sir?"

"O ja. Het is het handmerk van een Indiaan, ongeveer zooals bij ons iemands zegel of cachet, en kan in de meest uiteenloopende verscheidenheid van voorwerpen en uit alle mogelijke grondstoffen bestaan."

"Die verklaring is wel juist, maar niet volledig. Niet ieder Indiaan mag een totem voeren, maar slechts beroemde hoofdlieden hebben daartoe het recht. Dat die jongen er reeds een heeft, ongerekend dat het tevens dat van zijn vader is, is een bewijs, dat hij reeds daden volbracht heeft, die zelfs door de Roodhuiden voor buitengewone daden worden gehouden. Dienovereenkomstig zijn de totems naar gelang van hun doel zeer verschillend. Een zeker soort nu dient louter ter legitimatie en bekrachtiging, en is dus ongeveer hetzelfde als bij ons het zegel of de handteekening. Maar de soort, die voor ons blanken de gewichtigste is, geldt als een aanbeveling voor hem, die het ontvangen heeft. Die aanbeveling nu kan zeer verschillend wezen, naar gelang van de wijze waarop, dat wil zeggen de warmte waarmee, die is uitgedrukt. Laat mij het leer maar eens even zien."

Het meisje gaf het hem, en hij bekeek het met de grootste aandacht.

"Kunt gij dan die teekens ontraadselen, sir?" vroeg Butler.

"O ja," knikte Old Firehand. "Ik ben zoo dikwijls en zoo lang bij de meest verschillende stammen geweest, dat ik niet slechts hun dialecten spreek, maar ook hun schrijfteekens versta. Dit totem is er een van de hoogste waarde, zooals er maar zelden een geschonken wordt. Het is in de Tonkawa-taal geschreven, en luidt aldus: Sjakhe-i-kauvan-eelatan, hensjoon-sjakien hen-sjoon-sjakien sjakhe-i-kauvan-eelatan, he-el, ni-ya. Die woorden, goed overgezet, beteekenen: Zijn schaduw, en zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder. Die woorden 'oudere broeder' zijn nog vereerender dan 'broeder'. Het totem bevat een aanbeveling, die niet warmer uitgedrukt kan worden. Wie den drager er van eenigerlei leed aandoet, heeft de felste wraak te verwachten van den Ouden Beer en van den Jongen Beer en van al hun vrienden. Wikkel het totem zorgvuldig in, sir! opdat de roode kleur der teekens niet verwelke. Men weet niet welke groote diensten het u bewijzen kan, daar wij de landstreek gaan bezoeken, die bewoond is door bondgenooten van den Tonkawa. Van dit kleine stukje leer kan het leven van verscheidene menschen afhangen."

De stoomboot was gedurende den namiddag Ozark, Fort Smith en Van Buren voorbij gevaren, en bereikte nu den hoek, waar het stroombed van den Arkansas merkbaar noordwaarts gaat. De kapitein had aangekondigd dat men omstreeks twee uur na middernacht Fort Gibson bereiken zou, waar hij tot morgen moest blijven liggen, ten einde de noodige inlichtingen in te winnen aangaande den verderen waterstand. Om bij de aankomst aldaar frisch en opgewekt te zijn, begaven de meeste passagiers zich weer vroeg naar de kooi daar men niet anders kon, dan dat men te Fort Gibson tot aan den morgenstond wel wakker zou blijven. Van het dek verdwenen al de kajuit-passagiers, en ook in het salon bleven er slechts weinigen zitten, sommigen aan het schaakbord, anderen met het een of ander spel den tijd kortende. In het daaraan grenzende rooksalon zaten slechts drie personen, namelijk Old Firehand, Tom en Droll, die daar, door niemand gestoord, elkander een en ander vertelden van wat zij zoo al beleefd hadden. Eerstgenoemde werd door de twee anderen met een aan eerbied grenzende hoogachting behandeld, hetgeen echter niet belette, dat hij aangaande de betrekkingen en plannen van Tante Droll nog niets bepaalds te weten had kunnen komen. Nu deed hij de vraag, hoe Droll aan den zonderlingen naam "Tante" gekomen was. De gevraagde antwoordde: "Zooals gij weet, hebben de Westmannen de gewoonte, om aan iedereen een bijnaam te geven, die gegrond is op de een of andere bijzonder de aandacht trekkende eigenaardigheid van den persoon. Ik zie er in mijn nachtjapon wel eenigszins uit als een vrouw, en daarbij komt nog mijn fijn stemmetje. Voorheen had ik een diepe basstem; maar ik heb eens een ijselijk zware verkoudheid opgeloopen, en daardoor heb ik mijn zwaar stemgeluid verloren. Daar ik bovendien de gewoonte heb mij het lot van elken ongelukkigen braven kerel aan te trekken met een soort van moederachtige of tanteliefachtige bezorgdheid, hebben ze mij den naam gegeven van Tante Droll."

"Maar Droll is toch stellig niet uw familienaam?"

"O neen. Maar ik ben nog al vroolijk uitgevallen; misschien ben ik nu en dan wel eens koddig, grappig, kluchtig, vermakelijk, lollig zelfs, en dat noemen ze in het Engelsch droll (spreekt uit 'drool'), zooals ge weet. Vandaar die naam."

"En uw ware naam--is die misschien een geheim? Ik heet Winter, en Tom heet Grosser; gij hebt reeds gehoord dat wij eigenlijk Duitschers zijn. Maar gij schijnt uw afkomst in een ondoordringbaar duister gehuld te willen houden?"

"Ik heb inderdaad redenen om nooit daarvan te spreken; niet dat ik mij over iets hoegenaamd behoef te schamen: maar het zijn redenen, die meer..... hoogere belangen raken."

"Hoogere belangen? Hoe bedoelt gij dat?"

"Daarover misschien later. Ik begrijp wel, dat gij graag zoudt willen weten, wat ik nu in het Westen uit te voeren heb, en waarom ik op dien tocht een zestienjarigen jongen meesleep. Er zal wel eens een tijd komen, dat ik u dat vertel. Wat nu mijn familienaam aangaat, een dichter zou er van schrikken: want hij klinkt ijselijk onpoëtisch."

"Dat hindert niet. Geen mensch kan helpen, dat hij zus of zoo heet. Dus, kom er gerust mee voor den dag."

Droll deed zijn eene oog dicht, slikte en slokte alsof hem iets in de keel bleef steken, en uitte toen met moeite deze drie woorden: "Ik heet.... Pampel."

"Wat, Pampel?" lachte Old Firehand. "Poëtisch klinkt het woord natuurlijk niet; maar dat ik lach is niet zoozeer om dien naam, als wel om het gezicht dat gij daarbij trekt. Het was alsof er een stoommachine noodig was, om het woord uit uw keel te krijgen. Overigens is die naam volstrekt niet zeldzaam. Ik heb een geheimraad Pampel gekend, die zijn naam met zeer veel eer droeg. Doch de naam is Duitsch; zijt gij bijgeval óók van Duitsche afkomst?"

"Ja."

"En in de Vereenigde Staten geboren?"

Nu zette Droll zijn oolijkste en grappigste gezicht, en antwoordde: "Neen, dat is destijds niet in mij opgekomen; ik heb een Duitsch echtpaar als vader en moeder voor mij uitgezocht!"

"Wat? Dus een geboren Duitscher, een landsman?" riep Old Firehand. "Wie zou dàt gedacht hebben!"

"Hebt gij dat niet kunnen denken? En ik heb mij verbeeld dat iedereen dadelijk aan mij zien kon, dat ik als klein-achter-kleinzoon van de oude Germanen geboren ben. Kunt gij misschien raden waar ik mijn eerste kinderlaarzen aangetrokken en versleten heb?"

"Natuurlijk! Uw dialect zegt het mij."

"Doet het dat werkelijk nog? Dat doet mij bijzonder genoegen; want juist op ons mooie dialect ben ik altijd trotsch geweest, hetgeen later mijn gansche carrière bedorven heeft, als het noodig is. Dus, zeg mij dan eens waar ik geboren ben?"

"In het schoone hertogdom Altenburg, waar de beste Quark-kaas (=wrongelkaas, kaas van taptemelk) gemaakt wordt."

"Juist, in het Altenburgsche; gij hebt het ineens geraden. En wat gij van de kaas gezegd hebt, is óók waar; die kaasjes worden Quarkers genoemd en ze hebben huns gelijken in heel Duitschland niet. Weet gij, ik heb u eens willen verrassen, en daarom heb ik niet dadelijk gezegd, dat ik óók een landsman van u ben. Maar nu, nu wij zoo prettig in ons onder-onsje bij elkander zitten, heb ik het niet langer binnen kunnen houden, en nu willen wij over ons schoone vaderland spreken, dat ik maar niet uit mijn hoofd kan zetten, in weerwil dat ik reeds zoo lang hier in het land ben."

Het had er allen schijn van, dat zich nu een zeer geanimeerd gesprek zou ontspinnen; doch ongelukkigerwijze was dat het geval niet, want eenigen der in het salon geweest zijnde heeren waren het spelen moe geworden, en kwamen nu binnen, om hun hart nog eens op te halen aan een fermen _smoke_(= rookgenot). Zij wikkelden de aanwezigen in hun gesprek, en hadden het al spoedig zoo druk met hen, dat ons drietal geen kans meer zag om hun onderwerp vast te houden. Toen het eindelijk tijd werd om naar kooi te gaan, nam Droll afscheid van Old Firehand met de woorden: "Het speet mij geweldig, dat wij niet verder konden babbelen; maar morgen komt er weer een dag, dan zullen wij ons gesprek kunnen voortzetten. Goedennacht, heer landsman! wel te rusten, en tracht maar een beetje gauw in slaap te komen, want kort na middernacht moeten wij weer op!"

Nu waren al de slaapkajuiten bezet, en in het salon werden de lichten uitgedaan. Op het dek brandden slechts de twee voorgeschreven lantaarns, de een voor aan de punt van den boeg, en de andere achter. De eerstgenoemde verlichtte de rivier zoo helder en zoo ver vooruit, dat een op den uitkijk staande matroos eenige hier en daar in het water liggende hindernissen intijds zien kon en er voor waarschuwen. Die man en de stuurman en de op het dek op en neer wandelende officier waren de eenige menschen, die wakker schenen te zijn (de mannen, die dienst hadden in de machinekamer, natuurlijk niet meegerekend).

Ook de tramps lagen daar, alsof zij sliepen, op een tamelijken afstand van de matrozen, die wegens de beneden heerschende hitte, insgelijks boven lagen. Met sluw overleg had de kornel zijn volgelingen rondom het luik geplaatst, dat toegang naar beneden gaf, zoodat niemand daar kon afdalen zonder gezien te worden. Dat niet een hunner sliep spreekt vanzelf.

"Een verduivelde geschiedenis!" fluisterde hij tegen dengene, die naast hem lag. "Ik ben er niet verdacht op geweest, dat hier vóór een man staat om des nachts op het vaarwater te letten. Die kerel staat ons in den weg."

"Niet zoo erg als gij denkt. In deze duisternis kan hij niet hier tot aan het luik zien. Het is pikdonker; er staat geen enkele ster aan den hemel. Bovendien moet hij scherp in den lichtkring der lantaarn zien, zoodat hij verblind is als hij zich omdraait. Wanneer beginnen wij?".

"Dadelijk. Wij hebben geen tijd te verliezen, want eer wij aan Fort Gibson komen moeten we klaar zijn."

"Eerst haalt gij het geld natuurlijk."

"Neen, dat zou een domme streek zijn. Als de ingenieur wakker wordt en ontdekt dat hij bestolen is, voordat de boot aanleggen moet, kan alles mislukken. Als wij daarentegen aanleggen moeten eer ik het geld heb, is er toch nog niets verloren, want in het drukke gewoel van het aan den wal komen kunnen wij hem gemakkelijk het mes ontrollen en er mede verdwijnen. De boor heb ik al bij mij; ik ga nu naar beneden. Mocht gij mij moeten waarschuwen, dan hoest gij maar hard. Dat zal ik wel hooren."

Begunstigd door de dikke duisternis kroop hij naar het luik, en zette zijn voeten op het smalle trapje, dat naar beneden leidde. De tien treden van dat trapje waren spoedig afgeklauterd. Nu betastte hij den vloer links en rechts, totdat hij het luik vond om nog verder naar beneden te komen, en klom toen ook die tweede trap af, die verscheiden treden meer had dan de eerste. Geheel beneden gekomen, stak hij een lucifertje aan, en keek eens goed rond. Om zich behoorlijk te oriënteeren moest hij verder gaan en nog verscheidene lucifers verbranden.

De ruimte, waarin hij zich bevond, was meer dan manshoogte, en liep tot bijna in het midden van het schip. Door geen tusschenschot gescheiden, was de gansche breedte van de scheepskiel te overzien van de eene zijde naar de andere. Eenige kleine colli's vrachtgoed lagen ordeloos hier en daar.

Nu trad de kornel naar bakboordszij, en zette de boor, natuurlijk onder de waterlijn, in den scheepswand. Onder den forschen druk van zijn hand, pakte het werktuig dadelijk, en drong met snelheid dieper in het hout. Toen ontmoette het een sterken tegenstand--het blik, waarmede het onder water zijnde gedeelte van het schip bekleed was. Dit moest met de boor doorgeslagen worden. Maar om het water sneller in te krijgen, dienden er op zijn minst twee gaten geboord te worden. De kornel boorde dus allereerst zoo ver mogelijk achter het eerste gat een tweede, ook weder tot hij op het blik stiet. Toen nam hij een der harde stukken steen, die daar als ballast lagen, en sloeg daarmede zoolang op het handvatsel van de boor, totdat die door het blik heendrong. Terstond kwam het water binnen en maakte zijn hand nat: maar toen hij de boor met eenige krachtinspanning terugtrok, ontving hij een fermen waterstraal, zoodat hij schielijk ter zijde moest wijken. Bij het geraas, dat de machine maakte, was dat kloppen onmogelijk te hooren geweest op het dek. Nu sloeg hij ook het blik door van het eerste gat dat dichter bij de trap was, en spoedde zich toen naar boven. Hij had de boor in zijn hand gehouden, en wierp die pas weg, toen hij voor de bovenste trap stond. Waarom zou hij die eerst nog medenemen naar boven!

Toen hij bij de zijnen terugkwam, vroegen zij hem zacht fluisterend of het gelukt was. Hij antwoordde bevestigend, en verklaarde, dat hij nu dadelijk naar de slaapkajuit nommer één ging.

Het salon en de daaraangrenzende rookkamer lagen op het achterdek aan weerszijden de slaapkajuiten, die elk een tot het salon toegang gevend eigen deur hadden. De buitenwanden, uit dunne beschotplanken bestaande, waren van tamelijk groote ramen voorzien, waarvan de openingen nu slechts met gaas gesloten waren. Tusschen elke slaapkajuitszijde en het daartegenover liggende scheepsboord liep een smalle gang, ten einde het heen en weerloopen gemakkelijker te maken.

Naar de gang aan de linkerhand, dus naar de stuurboordszijde, had de kornel zich te wenden. De slaapkajuit nommer één was de eerste; die lag dus op den hoek. Hij ging op den grond liggen en kroop voorwaarts vlak langs den scheepsrand, om door den op en neer loopenden officier niet opgemerkt te worden. Hij bereikte zonder tegenspoed het doel van zijn tocht. Door het gaas van het eerste raam kwam een flauw lichtschijnsel. Er brandde dus licht in de slaapkajuit. Zou Butler nog wakker zijn, bezig met lezen misschien?

Maar de kornel vergewiste zich, dat er ook in de andere slaapkajuiten licht brandde, en dit stelde hem eenigszins gerust. Misschien werd juist door dat licht de volvoering van zijn plan vergemakkelijkt, terwijl zulks in den donker nog al moeielijk geweest zou zijn. Hij trok zijn mes en sneed het gaas van boven tot onder door midden zonder het minste gedruisch; doch een gordijntje belette hem in de kajuit te zien. Hij schoof dat behoedzaam op zij, en had van blijdschap over hetgeen hij toen zag wel willen jubelen.

Aan den linkerwand hing boven het bed een brandend nachtlampje, van onderen bedekt, opdat het den slapende niet zou hinderen. Daaronder lag de ingenieur in een diepen slaap, met zijn gezicht naar den wand gekeerd. Op een stoel lagen zijn kleedingstukken. Tegen den rechterwand stond een klaptafeltje, en daarop lagen het horloge, de geldbeurs en ... het mes van den slapende, alles zeer gemakkelijk te grijpen, als de kornel slechts de hand er naar uitstak. En hij stak de hand er naar uit; het horloge en de beurs liet hij liggen, maar hij greep het mes. Hij nam het uit het foedraal, en probeerde het heft; dat liet zich opendraaien als een goed werkende schroef. Dit was hem voldoende.

"Verduiveld!" dacht de dief: "dat is veel gemakkelijker gegaan, dan ik had durven denken. Het kon noodig geweest zijn, dat ik naar binnen had moeten gaan, en dat ik hem had moeten wurgen."

Niemand had dit bedrijf gezien; het raampje lag naar stuurboordszij, uitziende op het water. De kornel wierp het foedraal over boord, stak het mes in zijn gordel, en ging weer op zijn buik liggen, om naar de zijnen terug te kruipen. Hij kwam gelukkig den wachthebbenden luitenant voorbij. Eenige ellen verder liet hij zijn oogen links gaan; daar verbeeldde hij zich twee flauw phosphoresceerende stippen te zien, die terstond weer verdwenen. Dat waren twee oogen; dit begreep hij. Met inspanning van al zijn krachten, doch zonder eenig gedruisch te maken, schoof hij sneller voorwaarts en rolde toen even snel zijwaarts, om uit de richting te komen, waarin hij zich tot nu toe bewogen had. En ja wel! Op de plaats, waar hij de twee oogen gezien had, deed zich een plotselinge beweging hooren, juist als van iemand die een sprong doet om een of ander voorwerp te ontwijken of te grijpen. De wachthebbende officier hoorde dat ook, en snelde er op aan.

"Wie is daar?" riep hij.

"Ik, Nientropan-hawi!" luidde het antwoord.

"O, de Indiaan! Ga toch slapen!"

"Hier een man geslopen! Heeft kwaad gedaan. Ik hem gezien; maar hij te gauw weg!"

"Waarheen?"

"Naar voren, waar kornel liggen; hij misschien zelf geweest."

"_Pshaw!_ Wat zou die, of iemand anders, hier rond te sluipen hebben. Ga maar gauw slapen, en stoor de andere menschen niet!"

"Ik gaan slapen; maar ik dan ook geen schuld, als kwaad gedaan is."

De officier luisterde naar voren, waar zich echter niet het minste geritsel liet vernemen, zoodat hij er zich niet verder ongerust over maakte. Hij hield zich overtuigd, dat de Roodhuid zich vergist had.

Er verliep een geruime, zeer geruime tijd; toen werd hij door den man, die op den uitkijk stond, naar den boeg geroepen.

"Sir!" zeide deze, "ik weet niet wat er aan scheelt; maar het water komt hoe langer hoe hooger; het schip zinkt."

"Onzin!" lachte de officier.

"Kom dan even hier, en overtuig u."

De officier keek eens goed, zei niets, maar spoedde zich terstond naar de kajuit van den kapitein. In een paar minuten verscheen hij met dezen weer op het dek. Zij brachten een lantaarn mede, en keken bij dat schijnsel over boord. Er werd een tweede lantaarn gehaald. De luitenant ging door het achter- en de kapitein door het voorluik naar beneden, om het kielruim te onderzoeken. De tramps lagen nu niet meer rondom het luik. Reeds spoedig kwam de kapitein weder boven en ging met haastige schreden naar achteren, naar den stuurman.

"Hij wil geen alarm slaan," fluisterde de kornel tegen de zijnen. "Maar kijkt eens na, wat ik zeg: de stoomboot zal naar wal gestuurd worden om aan te leggen."

Zijn vermoeden bleek juist. De matrozen en de werklieden werden in alle stilte gewekt, en het vaartuig veranderde van koers. Dit een en ander, hoe stil ook ten uitvoer gebracht, veroorzaakte toch eenige beweging, eenig gedruisch: de dekpassagiers werden er wakker van, en zelfs eenige kajuitpassagiers kwamen uit hun slaapplaatsen naar boven, om te zien wat er gaande was.

"Het is niets messieurs! Er is volstrekt geen gevaar!" riep de kapitein hun toe. "Wij hebben een beetje water in het ruim, en moeten dat er uitpompen. Wij zullen aanleggen, en wie bang is kan zoolang aan wal gaan."

Hij wilde geruststellen, maar zijn woorden hadden juist een tegenovergestelde uitwerking. Men schreeuwde; men riep om redding-gordels; de slaapkajuiten waren al spoedig ontvolkt. Alles draafde door elkander. Daar viel het schijnsel van de voorste lantaarn op den hoogen oever. Het schip zwenkte, ten einde met den oever parallel te komen, en liet het anker vallen. De twee landingsbruggen bleken een voldoende lengte te hebben; ze werden aan wal gesjord, en de bangsten verdrongen elkander om aan land te komen. Geheel vooraan bevonden zich natuurlijk al de tramps, die spoedig in de duisternis van den nacht verdwenen.

Aan boord gebleven waren, behalve het scheepsvolk, slechts Old Firehand, Torn, Droll en de Oude Beer. Eerstgenoemde was naar beneden in het ruim gegaan, om het water te zien. Met het licht in de rechter- en de boor in de linkerhand kwam hij weder boven, en vroeg aan den kapitein, die zelf op het in werking brengen van de pompen het oog hield: "Waar is de plaats van deze boor, sir?"

"Daar in de gereedschapskist," antwoordde een matroos. "En van middag lag die er nog in."

"Maar nu lag die in het tusschendek. De punt is omgebogen, vermoedelijk op de scheepsplaten. Ik wil wedden, dat het schip lek geboord is."

Men kan zich voorstellen welk een indruk deze woorden teweegbrachten. Maar er volgde nòg iets. De ingenieur had in allerijl vrouw en dochter aan wal gebracht, en was toen teruggekeerd aan boord, om zijn overige kleederen aan te trekken. Nu kwam hij uit zijn slaapkajuit, en riep zoo, dat allen het hoorden: "Ik ben bestolen! Negen duizend dollars. Ze hebben het gazen raampje door midden gesneden, en het geld van mijn tafeltje afgenomen!"

En nu riep de Oude Beer, veel harder nog: "Ik weten, kornel heeft gestolen en schip lek geboord. Ik hem zien; maar officier niet gelooven. Vragen zwarten vuurman. Die drinken met kornel; die gaan in salon, en ramen schoonmaken; die weerom komen bij kornel en weer drinken; en alles vertellen moeten."

Dadelijk schaarden zich de kapitein, de officier, de stuurman en de Duitschers om den Indiaan en den ingenieur heen, ten einde alles nauwkeuriger van hen te vernemen. Daar klonk opeens van den wal, een eind ver lager dan de plaats waar de stoomboot lag, een luide schreeuw.

"Dat zijn Jonge Beer," riep de Indiaan. "Ik hem achterna gestuurd kornel, die zoo gejaagd aan wal; hij zeggen zal waar kornel zijn."

En daar kwam de Jonge Beer in vliegenden draf de landingsbrug over, en op de rivier wijzende, die nu door de vele lichten, welke aan boord ontstoken waren helder beschenen werd, riep hij: "Daar wegroeien zij! Ik niet dadelijk vinden kornel, maar toen zien groote boot, die afgesneden achter van vuurschip en allen daarin, om overroeien naar overzijde."