De schat in het Zilvermeer

Chapter 53

Chapter 532,010 wordsPublic domain

"Den dood! Een tienvoudigen dood! Maar gij zijt mijn vriend en kameraad geweest, en die bleekgezichten hebben liever, dat ik u niet zal dooden. Gij zult dus blijven leven, maar alleen dan, wanneer gij doet wat ik van u verlang."

"Wat verlangt gij?"

"Ik zal u een eed, een duren eed afnemen, een eed, dat gij nooit of nimmer aan iemand ter wereld iets hoegenaamd zult zeggen van het eiland, of van hetgeen zich daarin bevindt."

"Ik ben bereid te zweren."

"Nu niet, doch later. En dan verlang ik van u, dat gij doen zult, wat Old Firehand van u hebben wil. Hij wenscht in het keteldal te komen wonen, en hij wil het van u koopen. Gij moet het voor een billijken prijs aan hem afstaan, en tevens den weg, die uit het dal naar het meer loopt."

"Wij hebben het keteldal niet noodig; want het is ons tot niets nut; wij kunnen er geen paard laten grazen."

"Nu, wat vraagt gij er voor?"

"Dat moet ik eerst met de andere Timbabatsjen bespreken."

"Die zullen u vragen wat zij er voor eischen moeten, en dat zult gij zelf dan moeten bepalen. Daarom zal _ik_ u nu maar zeggen, wat gij moogt eischen. Old Firehand zal u twintig geweren, twintig pond kruit, tien paardedekken, vijftig messen en dertig pond tabak geven. Dat is niet te weinig. Neemt gij daar genoegen mee?"

"Ja, en ik zal zorgen, dat ook de anderen er genoegen mee nemen."

"Gij zult met Old Firehand en eenige getuigen naar den dichtstbijzijnden hoofdman der bleekgezichten moeten gaan, om den koop daar geldig te laten verklaren. Daarvoor zult gij nog een bijzonder geschenk ontvangen, groot of klein, veel of weinig, naarmate gij verdient, of zooals Old Firehand zal goedvinden te geven. Gij ziet, dat ik bedacht ben geweest op uw belang; maar ik hoop, dat gij uw best zult doen, om mij uw verraad te doen vergeten. Roep nu eenigen van uw onderhebbenden hier, die de gevangen Utahs naar de overzijde moeten brengen, anders verdrinken die ook nog."

Het Lange Oor gehoorzaamde aan zijn bevel, en het was hoog tijd, dat de gevangenen in veiligheid gebracht werden. Toen de laatste van hen buiten voor het gebouw neergelegd was, hoorde men een borrelen en sissen; het water had den dunnen muur ingedrukt en was nu ook aan die zijde den kelder binnengedrongen. Het had geen tien minuten langer moeten duren, of de Utahs waren verdronken.

Zij werden in de kano's naar den overkant gebracht, en onder de bewaking gesteld van de Timbabatsjen, wier hoofdman echter niet bij hen gelaten werd, daar men hem toch nog niet geheel durfde vertrouwen. Hij moest mee naar den ingang, waar de blanken nog nauwlettend op hun post lagen, daar de Utahs tegenover hen stonden en zich nog niet terug hadden getrokken.

Die lieden wisten niet hoe zij het hadden. De meesten van hen, die naar het eiland hadden moeten gaan, waren de gang reeds binnengedrongen, toen deze plotseling door een kolossale steen- en aardmassa werd ingedrukt. Die massa had velen der mannen verpletterd en de gang zoo volkomen en vast versperd en verstopt, dat het water van het meer niet naar buiten kon wegloopen. En dat was juist de bedoeling van den Grooten Beer geweest. Het water mocht niet naar buiten in den canon wegvloeien, doch moest in het inwendige van het eiland binnendringen.

De achterste Utahs, die niet onder de steenen bedolven werden, waren verschrikt achteruit gevlucht naar de andere afdeeling, om daar te vertellen, wat er gebeurd was. Men wist niet of allen, die zich in de gang hadden bevonden verloren waren, dan wel of het misschien aan hen, die niet totaal verpletterd waren geworden, gelukt was, het eiland te bereiken. Was dit laatste het geval, dan moesten die krijgslieden de blanken in den rug aantasten. Men wachtte van minuut tot minuut, of dat zou geschieden, doch de tijd verstreek, zonder dat die hoop verwezenlijkt werd. Het stond nu zoogoed als vast, dat allen bij de ramp waren omgekomen.

Het werd dag, en nog bleven de Utahs met hun paarden op dezelfde plaats. Om niet door de bleekgezichten overrompeld te worden, hadden zij eenige posten uitgezet. Daar zagen zij eensklaps Old Shatterhand onder de boomen verschijnen. Hij riep hun toe, dat hij met hun aanvoerder wenschte te spreken. Deze was overtuigd, dat de jager geen verraad beoogde, en ging hem te gemoet. Toen zij dicht genoeg bij elkander waren, zei Old Shatterhand: "Weet gij, dat wij verscheiden van uw hoofdmannen en krijgslieden als gijzelaars bij ons hebben?"

"Dat weet ik. Het zijn de beroemdsten van onze mannen," antwoordde de aangesprokene somber.

"En weet gij, wat er met uw krijgslieden, die de onderaardsche gang binnengedrongen waren, gebeurd is?'

"Neen."

"De gang is ingestort en het water is er naar binnen gedrongen; zij zijn allen verdronken. Alleen het Lange Oor is den dans ontsprongen. Zooeven zijn de verwachte tweehonderd Navajos aangekomen. Wij zijn dus veel sterker dan gij, doch wij haken niet naar uw bloed, wij willen vrede met u sluiten. De gijzelaars gelooven niet, dat zoo velen der uwen in het meer hun dood hebben gevonden. Laat een uwer het hun vertellen, opdat zij overtuigd worden. Sluit gij geen vrede, dan moeten zij binnen een uur tijds sterven, en ulieden zullen wij zoo lang op de hielen zitten en achternajagen, tot gij er bij neervalt. Wees verstandig, en ga nu met mij mee! Ik zal u bij de hoofdmannen brengen, spreek met hen, en dan kunt gij naar hier terugkeeren."

De man keek eenige oogenblikken voor zich neer, en zei toen: "Old Shatterhand kent geen arglist. Gij zult woord houden en mij terug laten keeren. Ik vertrouw u en ga mee."

Hij deelde zijn voornemen aan zijn onderhebbenden mee, legde zijn wapenen af, en vergezelde toen den jager naar het meer. Daar heerschte leven en beweging, want de Navajos waren werkelijk aangekomen. Zij brandden van verlangen, om de nederlaag der hunnen op de Utahs te wreken; en er was meer dan gewone overredingskracht noodig geweest om hen tot vrede-sluiten over te halen.

De gijzelaars waren van hun boeien bevrijd; zij zaten onder voldoende bewaking bij elkander, toen Old Shatterhand hun kameraad bracht. Die ging bij hen zitten, en toen werd het Lange Oor naar hen toegestuurd, om hun de toedracht van de plaats gehad hebbende ramp mee te deelen. Verder mengde zich niemand in hun besprekingen; zij moesten nu toch eindelijk zelf inzien, dat zij van buitenaf geen hulp meer te wachten hadden.

Hun onderhoud duurde lang; daarop kwam het Lange Oor berichten, dat zij besloten hadden, de vredesvoorwaarden aan te nemen.

Dientengevolge werd er een plechtige vergadering gehouden, waaraan de voornaamste blanken en Roodhuiden deelnamen; de zitting duurde verscheiden uren; er werden vele redevoeringen gehouden, totdat ten slotte de vredespijp de ronde deed.

Het resultaat was een "eeuwige" vrede tusschen alle partijen; boetedoening werd van niemand verlangd:--de gevangenen werden op vrije voeten gesteld, en allen, Utahs, Navajos en Timbabatsjen aanvaardden de verplichting, om de bleekgezichten, die in het keteldal wenschten te wonen en te arbeiden, in alle opzichten behulpzaam te zijn.

Hierop volgde een groote jacht, die tot 's avonds duurde en een rijken buit opleverde, en daarna, zooals vanzelf spreekt, een feestmaal van wildbraad, waarbij de Roodhuiden schier het onmogelijke deden. Dit feestmaal duurde tot den vroegen morgen. De opgaande zon bescheen de helden van den vredebond, die zich in hun dekens wikkelden om in te slapen.

Wat de teekening betreft, die de roodharige kornel bezeten had, die was verdwenen; die zou trouwens nu ook tot niets nut geweest zijn.

Het viel den blanken zeer moeilijk, den Grooten Wolf nu vriendelijk te behandelen. Hij was de man, die het meest tegen hen misdaan had; hij was de oorzaak van alles, wat er gebeurd was; doch ook hem werd alles vergeven.

Het sprak vanzelf, dat men den geheelen volgenden dag doorsliep; pas den morgen daarna ging men van elkander af.

De Utahs gingen noord- en de Navajos zuidwaarts. Ook de Timbabatsjen keerden naar hun wigwams terug. Het Lange Oor beloofde over den verkoop van het keteldal te zullen beraadslagen en van den uitslag bericht te zullen brengen. Hij keerde reeds den derden dag terug met de tijding, dat de vergadering zich met zijn voorstel vereenigd had en met den door den Grooten Beer bepaalden prijs genoegen nam. Het eenige, dat nu nog gedaan moest worden, was den gesloten koop door de bevoegde overheid rechtsgeldig te laten bekrachtigen.

Van het uit te graven terrein was men dus zeker, en met den arbeid kon een begin gemaakt worden. Dit moest zoo spoedig mogelijk geschieden. Er werden heel wat luchtkasteelen gebouwd, heel wat schoone droomen gedroomd. Slechts een was er, die er niet veel mee op had, namelijk, de lord. Hij had Humply-Bill en den Gunstick-Uncle aangenomen om hem naar Frisco te brengen; maar onder de veranderde omstandigheden hadden die twee volstrekt geen trek, om verder met hem mee te gaan. Zij hadden reeds vrij groote sommen in zijn boek staan, en het was zeer waarschijnlijk, als zij met den Engelschman meegingen, dat zij nog een flink bedrag zouden verdienen voor menig nieuw avontuur; doch het goudveld, dat Old Firehand op het punt stond te ontginnen, beloofde veel meer. Daarom wilden zij blijven, en de lord was verstandig genoeg om hun dit niet kwalijk te nemen. Overigens zou het nog een heele poos duren, eer er met het werk in het keteldal een aanvang gemaakt kon worden. De lord had dus nog tijd genoeg om met zijn beide gidsen op avonturen in de bergen uit te gaan.

Om te beginnen reed Old Firehand met den Grooten Beer en het Lange Oor naar Fillmore City, waar de koopakte opgemaakt werd. Daar konden tegelijkertijd de noodige machines en gereedschappen besteld worden. Tante Droll was meegereden, om door getuigen voor den notaris te bewezen, dat de roodharige kornel overleden was. Met een notariƫele akte daarvan zou hij in het bezit kunnen komen van de premie, waarop hij aanspraak had.

Eindelijk, na verloop van bijna anderhalve maand, kwam de tijding, dat de machines afgehaald konden worden. Men brak tot dat doel op, en de lord maakte van de gelegenheid gebruik, om in hun gezelschap naar bewoonde plaatsen te komen, waar hij gemakkelijk andere gidsen zou kunnen vinden.

Toen het gezelschap in Fillmore City aankwam, verwekte het niet weinig opzien. Men begreep, dat het hier een groote mijnonderneming gold, en gaf zich alle moeite om iets naders daarvan te vernemen. Doch de personen, die er belang bij hadden, bewaarden het diepste stilzwijgen, daar het niet in hun plan kon liggen allerlei gespuis in hun nabijheid te krijgen.

Toen men alle machines boven aan het meer bijeen had, begon de ingenieur zijn werkkracht te ontwikkelen. De waterleiding werd aangelegd, en toen in de eerste plaats het zand op den bodem van het keteldal ontgonnen. Wat de voeding betrof, men had meel en andere benoodigdheden in groote hoeveelheden medegenomen. Voor vleesch zorgden iederen dag afwisselend drie personen, die uit jagen moesten gaan, terwijl de anderen in het dal werkten. Voor het toebereiden van de spijzen zorgde Ellen, wier tegenwoordigheid een ware weldaad was voor de geharde mannen.

De verwachting, die men van dit dal gehad had, bleek alleszins juist te zijn. Het zand was rijk aan goud, en men mocht veronderstellen, dat de vaste rotslagen niet minder zouden opleveren. De hoeveelheid stofgoud en nuggets werd elken dag grooter; iederen avond werd er opnieuw gewogen en getaxeerd, en wanneer het resultaat, zooals gewoonlijk, verblijdend was, fluisterde Droll vergenoegd tegen zijn neef: "Als het zoo voortgaat, zal ik de boerderij spoedig kunnen koopen. De dingen gaan zoo mooi als het maar behoeft."

En Hobble-Frank antwoordde: "En mijn villa is om zoo te zeggen al klaar, ten minste in mijn hoofd. Dat zal een composant gebouw worden aan het heerlijke strand van de Elbe; en de naam, dien ik er aan zal geven, zal nog veel composanter worden. Ik heb gezegd. Howgh!"

AANTEEKENINGEN

[1] Verkorte benaming voor San Francisco.

[2] _Eagle-tail_ = Adelaars-staart.

End of Project Gutenberg's De schat in het Zilvermeer, by Karl Friedrich May