Chapter 52
Het Lange Oor was jonger en sterker dan de Oude Donder. Hij rukte zich van hem los, en wierp hem met een krachtigen stoot op den grond. Doch nu vielen de andere Utahs op hem aan. Hij had geen wapen bij zich, en daarbij had hij slechts één hand vrij, om zich tegen hen te verweren. Reeds legde een hunner zijn geweer op hem aan, om hem dood te schieten; dat ziende riep hij uit: "Houdt op, want anders werp ik het licht in het water, en dan zijt gij verloren! Gij kunt niet zien, waar gij naar boven moet klimmen, en het water zal u inhalen." Dit hielp. Zij begrepen, dat zij zich slechts dan konden redden, wanneer zij licht hadden. Reeds stond hen het water tot aan hun middel.
"Behoud dan de fakkel en ga ons voor, hond!" antwoordde de Oude Donder. "Later zult gij er voor boeten!"
De Timbabatsj stond reeds op de treden en klom snel naar boven. Weer kwam hij door een smalle opening in een volgende verdieping. De bedreiging van den oude was ernstig gemeend. Het Lange Oor wist dat. Hij dacht, dat hij slechts dan niets te vreezen zou hebben, wanneer de Utahs in het water omkwamen. Daarom bleef hij staan toen hij door de opening geklommen was en keek om. Achter zich zag hij het hoofd Van den Ouden Donder.
"Gij hebt mij een hond genoemd, en wilt u op mij wreken," riep hij hem toe. "Gij zijt zelf een hond, en als een hond zult gij sterven. Terug in het water!"
Dit zeggende gaf hij hem een schop in het gezicht, zoodat de hoofdman achterovertuimelde en in de opening verdween. Een oogenblik later verscheen het hoofd van den volgenden Utah; ook deze kreeg een schop en viel achterover. De derde onderging hetzelfde lot; verder kwam er geen, want de vloed had hen bereikt en van de treden gesleurd; het water kwam nu reeds door de opening, de Timbabatsj was alleen overgebleven.
Hij klom nog eenige verdiepingen hooger, en het water volgde hem met dezelfde snelheid. Toen bemerkte hij, dat de atmosfeer beter werd. De opening naar boven was nu zeer klein geworden; er waren geen treden meer doch een hout met inkepingen was bij wijze van ladder tegen den muur geplaatst. Reeds wilde hij zijn voet in zulk een inkeping zetten, toen hij een stem boven zich hoorde: "Halt, blijf beneden, anders schiet ik u neer! De Utahs hebben ons willen verdelgen; nu zijn zij zelf allen verloren, en gij zult als de laatste van hen sterven!"
Het was de stem van den Grooten Beer. De Timbabatsj herkende hem.
"Ik ben immers geen Utah! Schiet niet!" antwoordde hij in doodsangst.
"Wie zijt gij dan?"
"Uw vriend, de hoofdman der Timbabatsjen."
"O, het Lange Oor! Dan hebt gij dubbel en dwars den dood verdiend, want gij zijt een afvallige, een verrader."
"Neen, neen! Gij vergist u!"
"Ik vergis mij niet. Gij hebt u op de een of andere wijze meester gemaakt van mijn geheim, en het aan de Utahs meegedeeld. Nu zult gij verdrinken juist zooals zij verdronken zijn."
"Ik heb niets verraden!" betuigde de Roodhuid wanhopig, want hij stond reeds tot aan zijn knieën in het water.
"Lieg niet!"
"Laat mij boven komen! Bedenk, dat ik altijd uw vriend geweest ben!"
"Neen, gij blijft beneden!"
Nu liet zich een andere stem hooren, namelijk die van Old Firehand: "Laat hem boven komen! Er is reeds genoeg verschrikkelijks gebeurd. Hij zal zijn schuld bekennen."
"Ja, ik beken het; ik zal u alles, alles zeggen!" verzekerde het Lange Oor, want het water reikte hem reeds tot aan zijn middel.
"Goed, ik wil u het leven schenken; en ik hoop, dat gij u daarvoor dankbaar zult betoonen."
"Mijn dankbaarheid zal grenzenloos zijn. Eisch van mij wat gij wilt, en ik zal het doen!"
"Ik houd u aan uw woord. Kom nu maar naar boven!"
De Roodhuid wierp de fakkel in het water, om met beide handen te kunnen klimmen, en klom naar boven. Daar aangekomen, zag hij, dat hij zich in dat gedeelte van het gebouw bevond, waar de haard stond. Voor de openstaande deur brandde een vuur, en bij het schijnsel daarvan, zag hij den Grooten Beer, Old Firehand en Old Shatterhand. Hij zeeg neer van vermoeidheid en ten gevolge van den doorgestanen angst, doch vlug weer op om naar buiten te snellen, roepende: "Voort, voort, naar buiten, anders komt het water, eer wij ons kunnen redden!"
"Blijf maar hier!" antwoordde de Groote Beer. "Gij hebt van het water niets meer te vreezen, want het kan binnen in het eiland niet hooger stijgen dan het buiten staat. Gij zijt gered; maar nu moet gij ons vertellen, hoe gij van uw post verdwenen en hier gekomen zijt."
Toen Old Shatterhand in den canon zijn gewaagde verkenning gedaan had, was hij bij zijn metgezellen teruggekeerd. Die en de Timbabatsjen lagen zwijgend in hun schuilhoeken, want allen moesten opletten op hetgeen er buiten voorviel, omdat het best mogelijk was, dat de Utahs naderbij zouden sluipen.
Er mocht ongeveer een uur verloopen zijn, toen Old Shatterhand op den inval kwam, om nogmaals de posten te gaan nazien. Hij sloop weer naar buiten en allereerst naar de plaats, waar hij het Lange Oor had gelaten; zijn plaats was ledig. Hij begaf zich naar den dichtstbij geposteerden Timbabatsj, en vernam van dezen, dat de hoofdman weggeslopen was.
"Waar naar toe?"
"Naar de Utahs. Hij is nog niet terug."
"Hoe lang is hij weg?"
"Sedert ongeveer een uur."
"Dan moet hem een ongeval overkomen zijn; ik zal er naar gaan zien."
De jager ging op den grond liggen, en kroop naar de plaats, waar hij vroeger de schildwachten van den vijand gezien had; die waren weg. Hij kroop verder. Daar waar de Utahs de geheele breedte van den canon bezet hadden gehouden, was nu niet één hunner te zien. Old Shatterhand zocht met de uiterste voorzichtigheid verder; maar Utahs ontdekte hij nergens, en den hoofdman evenmin. Dat kwam hem zeer verdacht voor. Hij keerde terug, om Winnetou en Old Firehand te halen, opdat die aan zijn opsporingstocht zouden deelnemen. Doch alle moeite was vergeefsch. De drie mannen drongen ver in den canon door, zonder op een vijand te stuiten, en keerden terug in de overtuiging, dat de Utahs verdwenen waren.
"Zij hebben hem stellig ingepakt," zei de Groote Beer; "hij heeft te veel gewaagd. Nu is het met hem gedaan."
"En misschien ook met ons," zei Old Shatterhand.
"Hoe zoo met ons?"
"Ik vind het vreemd, dat zij zich verwijderd hebben. Daar moet een zeer bijzondere reden voor bestaan. Dat de hoofdman in hun handen gevallen is, kan op zich zelf de reden niet zijn van hun plotselingen aftocht; er moet ongetwijfeld een geheel andere reden zijn, waarbij de hoofdman echter betrokken is."
"Welke reden kan dat zijn?'
"Hum! Ik vertrouw het Lange Oor niet. Ik heb het nooit op hem gehad."
"Ik weet niet waarom wij hem zouden wantrouwen. Hij heeft zich nooit vijandig jegens ons gedragen."
"Dat is wel mogelijk; maar toch is hij de man niet, op wien ik mij zou verlaten. Kent hij de plaatselijke gesteldheid hier goed?"
"Ja."
"Kent hij ook den weg, die door het keteldal naar het meer loopt?"
"Dien weg kent hij, want hij is met mij daar geweest."
"Dan weet ik genoeg. Wij moeten dadelijk opbreken, om naar het meer te komen."
"Waarom?"
"Omdat hij dien weg aan de Utahs verraden zal hebben."
"Daartoe acht ik hem niet in staat!"
"Maar ik wel. Het is mogelijk, dat ik mij vergis; misschien heeft hij niet uit eigen beweging, maar door dwang uit de school geklapt, maar dat doet er niets toe; ik ben overtuigd dat de Utahs sedert een uur weg zijn, en dat zij in twee uur tijds aan het meer zullen verschijnen."
"Dat denk ik ook," zei Old Firehand.
"Het Lange Oor heeft geen gunstig uiterlijk," merkte Winnetou op. "Mijn broeders moeten snel naar het meer gaan, anders zijn de Utahs daar eer dan wij, en nemen Butler en zijn dochter gevangen."
Daar de drie mannen van hetzelfde gevoelen waren, verloor de Groote Beer eenigszins zijn vertrouwen, en kantte zich niet verder aan tegen een onmiddellijk vertrek. Men steeg te paard en reed den canon op, zoogoed als het in de duisternis gaan wilde.
Er verliep nog een uur eer men den ingang van het dal bereikte, waarin zich het meer bevond. Die ingang werd bezet, en wel door blanken, daar men, nu hun hoofdman verdwenen was, de Timbabatsjen niet meer blindelings vertrouwen mocht.
Butler bevond zich niet meer op het eiland. Hij had met zijn dochter in het gebouw gezeten; onder hen lagen de gevangenen, die met elkander spraken. Men hoorde boven het doffe geluid van hun stemmen; dat klonk zoo spookachtig, dat Ellen bang begon te worden en aan haar vader verzocht, het eiland te verlaten en met haar naar den oever te gaan. Aan dit verzoek voldeed hij, en roeide naar wal. Toen het nacht werd, stak hij een vuur aan, doch was zoo voorzichtig, er niet vlak bij te gaan zitten; hij nam integendeel met Ellen in de schaduw plaats, van waar beiden den verlichten omtrek konden overzien, zonder zelf opgemerkt te worden. Het was voor hen niet bijzonder aangenaam zoo alleen op deze eenzame en gevaarlijke plaats te zijn; daarom waren zij blij, toen de blanken met de Timbabatsjen terugkeerden.
Daar de Utahs nog in geen uur verwacht konden worden, was het voldoende, de helft der Rafters vóór den ingang te posteeren. De overige blanken legerden zich om het vuur; de Timbabatsjen legden een tweede vuur aan, bij hetwelk zij plaats namen en zich over het verdwijnen van den hoofdman onderhielden. Zij hielden zich overtuigd, dat die zonder het te willen in handen van de Utahs was gevallen. Dat de blanken hem van verraad verdachten, was wijselijk voor hen verzwegen.
Sedert de aankomst bij het meer had Watson, de vroegere opzichter over de baanwerkers, geen gelegenheid gehad, om met den Grooten Beer te spreken, en deze had niet op hem gelet. Toen zij nu echter dicht bij elkander bij het vuur zaten, zei de blanke tegen den Roodhuid: "Mijn roode broeder heeft nog niet met mij gesproken. Hij moest mij eens goed aankijken en mij dan zeggen, of hij zich niet herinnert mij reeds vroeger gezien te hebben."
De Beer wierp een uitvorschenden blik op hem, en antwoordde toen: "Mijn blanke broeder draagt nu een langeren baard dan vroeger; maar ik herken hem toch."
"Welnu, wie ben ik dan?"
"Een van de twee bleekgezichten, die hierboven den geheelen winter doorgebracht hebben. Toen leefde Ikhatsji-tatli nog, de Groote Vader, die ziek was en die door u verpleegd werd, tot hij stierf."
"Ja, wij verpleegden hem en hij was ons zeer dankbaar daarvoor. Hij gaf ons een geschenk, zooals de Groote Beer zich misschien nog wel herinneren zal."
"Ik weet het," zei de Roodhuid, met zijn hoofd knikkende, doch op een manier, alsof hij liever niet daarvan hoorde.
"Het was een geheim, dat hij ons toevertrouwde, een geheim over een schat, die hier verborgen ligt."
"Ja, doch de Groote Vader deed zeer verkeerd, toen hij van dat geheim sprak. Hij was oud en zwak geworden, en de dankbaarheid was oorzaak, dat hij zich niet herinnerde een gelofte gedaan te hebben, om daarover ten allen tijde het stilzwijgen te bewaren. Hij mocht over dit geheim, dat zijn nakomelingen moesten erven, slechts met zijn zoon en zijn kleinzoon spreken. De voorwerpen, waarvan sprake is, waren zijn eigendom niet; hij mocht er niet het geringste van weggeven. In het bijzonder was het zijn plicht, tegen bleekgezichten te zwijgen."
"Dus denkt gij, dat ik het recht niet heb, over deze zaak te spreken?"
"Dat kan ik u niet verbieden."
"Wij hebben een teekening daarvan gehad."
"Daar hebt gij niets aan; want als gij u daarnaar richt, zult gij niets vinden. Ik heb de bewaarde voorwerpen op een andere plaats gebracht."
"En mag ik niet weten waar?"
"Neen."
"Dan zijt gij minder dankbaar, dan uw vader was?"
"Ik doe mijn plicht; doch ik zal het nimmer van u vergeten, dat gij bij zijn afsterven tegenwoordig zijt geweest. Gij behoeft er echter niet aan te denken, van het geheim partij te trekken; maar elken anderen wensch, dien gij mij te kennen zult geven, zal ik volgaarne vervullen."
"Is dat u ernst?" vroeg Old Firehand.
"Ja. Mijn woorden zijn altijd zoo gemeend, als ze door mij gesproken worden."
"Dan zal ik in plaats van hem een wensch te kennen geven."
"Doe dat! Indien het in mijn macht ligt, zal ik er gaarne aan voldoen."
"Wie is de eigenaar van het land, waar wij ons hier bevinden?"
"Dat ben ik. Ik heb het van de Timbabatsjen verworven, en hoop het eenmaal aan mijn zoon, den Jongen Beer, na te laten."
"Kunt gij uw recht daarop bewijzen?"
"Ja. Bij de roode mannen geldt het woord; doch blanke mannen verlangen een papier met zwarte letters er op. Ik heb zulk een papier laten maken, en het door de blanke hoofdmannen laten onderteekenen. Er is ook een groot zegel aan gehecht. Het land aan het Zilvermeer, zoo ver als het rondom door de bergen ingesloten wordt, is mijn eigendom. Ik kan er mee doen, wat mij goeddunkt."
"En aan wien behoort het keteldal toe, door hetwelk wij thans hier gekomen zijn?"
"Aan de Timbabatsjen. De blanke hoofdmannen hebben de geheele streek uitgemeten en in kaart gebracht: daarop heeft de blanke Vader in Washington het onderteekend, dat het het eigendom van de Timbabatsjen is."
"Die kunnen dus daarvan verkoopen, verpachten of weggeven, wat zij willen?"
"Ja, niemand kan daar iets tegen inbrengen."
"Dan zal ik u zeggen, dat ik het keteldal van hen wil koopen!"
"Doe het!"
"Hebt gij er niets tegen?"
"Neen. Ik kan hun niet verbieden te verkoopen en u niet, te koopen."
"Dat is eigenlijk de bedoeling niet, maar wel of het u aangenaam zou zijn, ja dan neen, ons in uw buurtschap te krijgen."
"Ons zegt gij, dus niet u alleen? Wilt gij dan allen in het keteldal wonen?"
"Natuurlijk. Ik wil ook het land koopen, waarin de rotsengte ligt tot aan uw grenzen."
Het gezicht van den Grooten Beer nam een uitdrukking van oolijkheid aan, toen hij vroeg: "Waarom wilt gijlieden juist op een plaats komen wonen, waar geen water is, en waar geen enkel grashalmpje groeit? De blanke koopt alleen zulk land, dat hem groot voordeel oplevert. Ik raad uw gedachten. De steenen, de rotsen hebben waarde voor u."
"Zoo is het. Doch de steen wordt eerst dan van waarde, wanneer wij water kunnen bekomen."
"Neemt dan water uit het meer!"
"Dat is juist hetgeen ik van u verzoeken wilde."
"Gij kunt zooveel water krijgen, als gij noodig hebt."
"Mag ik een waterleiding aanleggen?"
"Ja."
"Gij verkoopt aan mij het recht daartoe en ik betaal u er voor?"
"Als gij dit noodig vindt, heb ik er niets tegen. Gij kunt zelf den prijs bepalen, doch ik schenk het u. Gij hebt mij een grooten dienst bewezen, want zonder ulieden waren wij in handen van de Utahs gevallen; en daarom zal ik aan al uw wenschen te gemoet komen. De man, die het eerst met mij gesproken heeft, wilde de schatten van mijn geheim hebben; en daaraan valt niet te denken; maar daarentegen wil ik ulieden volgaarne behulpzaam zijn, om de schatten uit het keteldal op te graven. Gij hoort dat ik raad wat uw doel is. En het zal mij genoegen doen, als alles uitvalt naar uw verwachting."
"Ons karretje rijdt op een zandweg," fluisterde Hobble-Frank tegen zijn neef. "Het water hebben wij dus al, ten minste zoodra wij het hebben willen; als het goud dan ook zoo willig vloeit, kunnen wij spoedig Crassussen worden."
"Bedoelt gij bijgeval Cresussen? Cresus is immers die koning geweest, die zoo schatrijk was?"
"Begin nu ook maar niet zooals de dikke Jemmy, die altijd in de verkeerde conterpunctie vervalt! Crassus is de ware modulatie. Als gij mijn vriend en neef wilt blijven, dan.... hé luister!"
Vóór den ingang liet zich een fluitje hooren. Dat was het met de rafters afgesproken sein. De Roodhuiden bleven zitten, maar de blanken sprongen op, en snelden naar den ingang van het dal. Daar aangekomen, vernamen zij, dat men uit de richting van de rotsengte een gedruisch als van paardenhoeven vernomen had. Snel werden de noodige maatregelen genomen. De blanken waren onder en achter de boomen verscholen, en wachtten in spanning wat er komen zou.
Vóór hen stond het reeds vermelde kreupelbosch. De tusschenruimten werden door de maan voldoende verlicht. Hobble-Frank en Droll lagen naast elkander. Zij hadden een tamelijk ledige ruimte vóór zich, die zij met argus-oogen bespiedden.
"Zeg," fluisterde Frank, "beweegt zich niet iets daar links van het houtgewas?"
"Ja. Ik zie drie donkere stippen. Dat moeten Indianen zijn."
"Goed! Die zullen dadelijk gewaarworden, dat ik thans eigenaar ben van een puikpuik geweer."
Hij legde aan. Daar verrees een der Indianen, om de open ruimte ijlings over te steken. Hij was in den maneschijn duidelijk te herkennen. Het schot uit Frank's geweer ging af, en de Indiaan viel, in de borst getroffen, neer. Zijn beide kameraden snelden naar hem toe, om hem in veiligheid te brengen; een rafter mikte op hen, doch raakte hen niet; zij verdwenen met den doode.
Er verliep een poos, zonder dat men iets verder hoorde of zag. Dit was wel wat bevreemdend. Daarom kroop Winnetou voorwaarts, om de voor hen liggende open ruimte voorzichtig af te zoeken. Na verloop van ongeveer een kwartier kwam hij terug op de plaats, waar hij zich met Old Firehand, Shatterhand en den Grooten Beer bevonden had, en berichtte: "De krijgslieden der Utahs hebben zich in tweeën gesplitst. De eene helft van hen houdt met al de paarden de wacht, daar links, waar de weg uit het keteldal komt; de anderen zijn rechts geposteerd aan het begin van den canon; daar hebben zij een gat gemaakt, waarin zij verdwijnen."
"Een gat?" vroeg de Beer verschrikt. "Dan kennen zij de onderaardsche gang, en is mijn geheim verraden. Dat kan niemand anders gedaan hebben dan het Lange Oor. Maar hoe is die daarachter gekomen? Gaat met mij mee! Ik moet zien, of het waar is."
Hij snelde vooruit, op de hoogte van den dam aan, en de drie anderen volgden hem. Weldra zagen zij onder zich den ingang van den canon, onder de boomen verscholen, bloot liggen. De steenhoop was verwijderd, en in den maneschijn herkende men de Utahs, die de onderaardsche gang ingingen.
"Ja, zij kennen mijn geheim," zei de Groote Beer. "Zij willen naar het eiland, om ons in den rug te komen, en zij willen zich van mijn schatten meester maken. Maar dat zal hun niet gelukken. Ik moet vliegens naar het eiland. Laten Old Firehand en Old Shatterhand met mij meegaan; Winnetou kan hier blijven; ik moet hem iets laten zien."
Hij bracht den Apache eenige schreden voorwaarts, naar een punt, waar de dam loodrecht in het meer viel. Daar lag een groot, eenige centenaars zwaarte hebbend rotsblok op een onderlaag kleinere steenen, die zeer eigenaardig gerangschikt waren. De Groote Beer wees naar een dier steenen, en zeide: "Zoodra Winnetou van hier ziet, dat ik op het eiland een vuur aansteek, moet hij tegen dien steen stooten, waarop dit rotsblok in het water zal rollen. Mijn roode broeder moet echter snel achteruitspringen, en niet schrikken, als hij een groot gekraak hoort."
"Waarom moet het rotsblok het water in?" vroeg Winnetou.
"Dat zult gij later zien. Er is nu geen tijd om u dit op te helderen; ik moet weg. Gauw."
Hij snelde heen, en de twee jagers volgden hem. Bij het vuur aangekomen, rukte hij een brandend stuk hout er uit, en stapte in een der booten. Terwijl hij moest oppassen dat de vlam niet uitging, grepen Firehand en Shatterhand de roeiriemen; zij staken van wal, en roeiden op het eiland aan. Daar sprong de Groote Beer vlug uit de boot, en snelde het gebouw in. Op den grond lag kurkdroog rijshout; dat bracht hij naar buiten, en stak het in brand.
"Nu moeten mijn broeders luisteren!" zei hij, met de hand in de richting wijzende, waar Winnetou was achtergebleven.
Uit die richting hoorde men een kort, holklinkend gerommel; toen het sissen van het onder het neerstortende rotsblok opbruisende water, en daarop een gekraak en geraas alsof er een huis instortte.
"Het is gelukt!" riep de Groote Beer, diep adem scheppende. "De Utahs zijn verloren. Komt mee naar binnen!"
Hij ging weer het gebouw in, en wel naar het vertrek, waar zich de haard bevond. Deze stond bevestigd, zooals de beide jagers nu zagen, op een beweegbaar onderstel, want de Roodhuid schoof dat zonder de minste inspanning ter zijde. Daardoor werd er een opening zichtbaar, waarboven de Beer luisterde.
"Zij zijn er in; zij zijn beneden; ik hoor hen komen," zei hij. "Nu moet gauw het water er in!"
Hij snelde naar buiten, naar de achterzijde van het gebouw; wat hij daar uitvoerde, konden de twee anderen niet zien; doch toen hij terugkeerde, wees hij naar een dichtbijzijnde plek van het meer, en zei: "Ziet gij, dat dáár beweging in het water is? Het vormt daar een draaikolk, een trechter; want het wordt naar beneden getrokken, en het stroomt daar in de onderaardsche gang, die ik opengezet heb."
"Groote genade! Dan moeten de Utahs immers jammerlijk verdrinken!" riep Shatterhand.
"Ja, allen, allen! Niet één hunner zal het ontkomen!"
"Ontzettend! Ware dat niet te vermijden geweest?"
"Neen. Er mag er niet één ontkomen, om te vertellen, wat hij daarbeneden gezien heeft."
"Maar uw eigen gebouw hebt gij ook vernietigd!"
"Ja, het is vernietigd, en kan nooit opgebouwd worden. De schatten zijn voor de menschen verloren; geen sterveling zal ze naar boven kunnen brengen, want het eiland zal nu tot boven toe verdwijnen onder water. Komt even binnen!"
De beide blanken voelden een ijskoude rilling over al hun leden gaan. Het stijgende water onder hen joeg de duffe lucht uit de gang naar boven; men voelde die door de opening uit den grond komen. Dat beteekende den dood van ver, ver over de honderd menschen.
"Maar onze gevangenen, die zich hiernaast bevinden?" vroeg Old Shatterhand. "Die verdrinken immers ook!"
"Neen. Die muur kan eenigen tijd standhouden. Maar dan natuurlijk, moeten wij hen er uit halen. Luister!"
Men hoorde beneden een geruisch, en toen zag men een Roodhuid met een fakkel in de hand opduiken. Het was het Lange Oor. De Groote Beer wilde hem ook laten verdrinken, doch op Firehands verlangen zag hij van die wreedheid af. Nauwelijks bevond de Timbabatsj zich in veiligheid, of binnen in het eiland stond het water even hoog als daarbuiten, en de trechtervormige draaikolk was verdwenen.
Het Lange Oor was bij het vuur gaan zitten. Het was hem nu niet mogelijk op zijn beenen te staan. De Groote Beer nam plaats tegenover hem, haalde zijn revolver uit den gordel, en zei op dreigenden toon: "Nu kan de hoofdman der Timbabatsjen vertellen, hoe hij met de Utahs in de onderaardsche gang is gekomen. Als hij mij voorliegt, zal ik hem een kogel door den kop jagen. Kende hij het geheim van het eiland?"
"Ja," bekende de andere.
"Wie heeft dat aan u verraden?"
"Gij zelf."
"Dat is niet waar!"
"Het is wel waar. Ik zat ginds onder den ouden levenseik, toen u met uw zoon kwam. Gij beiden bleeft in mijn nabijheid stilstaan, en toen hoorde ik u spreken over het eiland, zijn schatten en de onderaardsche gang waardoor men het water in den canon kan laten loopen. Herinnert gij u dat?"
"Ja, dat is waar. Wij hebben daar over dat een en ander staan praten. Wij dachten dat wij alleen waren."
"Ik begreep uit uw woorden, dat de onderaardsche gang begon, waar die steenhoop lag. Den volgenden morgen hebt gij jacht gemaakt op een hert, en van die gelegenheid heb ik gebruik gemaakt om den steenhoop te verwijderen. Ik ben de gang ingegaan, en zag toen fakkels. Toen wist ik genoeg, en hoopte de steenen weer op hun plaats op elkander."
"En van daar zijt gij naar de Utahs gegaan, om het geheim aan hen te verraden!"
"Neen. Ik wilde hen beluisteren, maar ik werd gepakt. Louter om mij te redden heb ik toen over die onderaardsche gang en het eiland gesproken."
"Dat was lafhartig. Indien Old Shatterhand niet bemerkt had, dat u verdwenen was, zou het verraad gelukt zijn, en onze zielen hadden reeds morgen de eeuwige jachtgronden betreden. Hebt gij gezien, wat beneden in het eiland lag?"
"Ja."
"En hebt gij de pakketten geopend?"
"Maar één er van."
"En wat zat daarin?"
"Een god, van zuiver goud vervaardigd."
"Geen menschelijk oog zal het ooit weerzien, ook het uwe niet. Wat denkt gij wel dat gij verdiend hebt?"
De Timbabatsj zweeg.