De schat in het Zilvermeer

Chapter 51

Chapter 514,072 wordsPublic domain

"Ja. Wij zijn in uw midden geweest. Wij hebben gehoord wat de Utahs zeiden, en gezien wat zij deden. Wij stonden onder de boomen, toen de Navajos aanrukten, en wij hebben gezien dat gij hen teruggeworpen hebt."

"Dat is onmogelijk; dat is niet waar."

"Gij weet, dat ik niet lieg. Vraag het maar aan de hoofdmannen der Utahs, die er bij geweest zijn."

"Waar kunnen wij aan hen iets vragen? Zij zijn verdwenen."

"Waarheen?"

"Weten wij dat?"

"Zijn zij door de Navajos gedood?"

"Neen. Aanvankelijk dachten wij dat, maar wij hebben hun lijken niet gevonden. Toen vermoedden wij, dat zij gevangengenomen waren; maar wij hebben de Navajos dicht op de hielen gezeten, en niet één gevangene bij hen gezien, terwijl velen der hunnen in onze handen gevallen zijn. De hoofdmannen der Utahs zijn niet bij de Navajos."

"Maar verdwenen kunnen zij toch niet zijn!"

"De Groote Geest heeft hen tot zich genomen."

"Neen. De Groote Geest wil van zulke trouwelooze en verraderlijke mannen niets weten. Hij heeft hen in onze handen overgeleverd."

"In uw handen?"

"Ja, in de macht der bleekgezichten, die gij verdelgen wildet."

"Uw tong is valsch; zij spreekt zulke woorden, om ons den vrede af te dwingen."

"Ja, ik wil en zal u den vrede afdwingen. Ik zeg de waarheid. Toen wij dien avond in het Hertendal bij u waren, hebben wij de drie hoofdmannen gevangengenomen."

"Zonder dat hun krijgslieden het merkten?"

"Niemand kon het zien of hooren. Wij hebben hen neergeworpen, zonder dat zij een woord konden uiten. Niet voor niets word ik Old Shatterhand genoemd!"

"Het is niet waar. Men zou ulieden wel gezien hebben."

"Er is in het Hertendal een schuilplaats, die wij wel kennen, maar die gij niet kent. Ik zal u bewijzen, dat ik waarheid spreek. Wat is dat?"

Hij haalde uit zijn zak een smallen riem, die bezet was met ronde knoopen, vervaardigd uit de schaal der venus-schelp, en liet hem dien riem zien.

"Oef!" riep de Oude Donder verschrikt. "De wampoen van de Gele Zon. Ik ken hem goed."

"En dezen hier?"

Hij bracht een tweeden riem te voorschijn.

"De wampoen van de Vier Buffels! Dien ken ik ook."

"En dezen derden wampoen?"

Toen hij den derden riem vertoonde, bleven den oude de woorden bijna in de keel steken. Hij maakte een beweging van ontzetting, en uitte bijna stotterend: "Geen krijgsman geeft zijn wampoen over; die is hem heilig boven alles. Wie den wampoen van een ander bezit, heeft dien persoon gedood of hem gevangengenomen. Leven de drie hoofdmannen nog?"

"Ja."

"Waar zijn zij?"

"In onze macht, terdege opgesloten."

"Aan het Zilvermeer?"

"Gij vraagt te veel. Bedenk, wie zich buiten hen nog bij ons bevinden! Het zijn uitsluitend hoofdmannen en dappere krijgslieden, die later stellig ook hoofdmannen zullen worden."

"Wat zult gij met hen doen?"

"Leven om leven, bloed om bloed! Sluit vrede met de Navajos en de Timbabatsjen, dan laten wij de gevangenen vrij!"

"Wij hebben óók gevangenen. Laat ons die tegen elkander uitwisselen, man tegen man."

"Denkt gij met een onervaren knaap te doen te hebben? Verbeeldt gij u, dat ik niet weet, dat men een hoofdman tegen minstens dertig krijgslieden uitwisselt? Denk eens over mijn voorstel na, en bedenk dat het beter is, de vrijheid voor die aanvoerders te verkrijgen, dan nog honderd of tweehonderd vijanden om te brengen."

"En den buit rekent gij niet."

"Buit? Pshaw! Van buit is er geen sprake, want gijlieden zult geen buit maken, omdat gij niet nogmaals overwinnen zult. Nu staan wij tegenover u, vijftig blanke jagers. Wij zijn de gevangenen der Utahs geweest, en hebben hen toch belachen; zij moeten ons laten gaan, en ons zelfs hun hoofdmannen meegeven. Dat hebben wij gedaan, toen wij gekneveld en gebonden lagen. Wat zullen wij vermogen, nu wij vrij zijn en niets ons hindert! Ik zeg u, als gij geen vrede met ons sluit, zullen verreweg de meesten der uwen hun wigwams niet wederzien!"

Men kon het den Ouden Donder aanzien, dat deze toespraak niet nagelaten had indruk op hem te maken. Hij keek somber vóór zich op den grond. Old Shatterhand vervolgde, om aan hetgeen hij gezegd had nog meer kracht bij te zetten: "Uw hoofdmannen hebben ons naar het leven getracht; zij zijn in onze handen gevallen, en wij hadden dus niet alleen het recht, maar het was zelfs onze plicht, hen te dooden om hen onschadelijk te maken. Wij hebben dat niet gedaan, omdat wij het goed met hen en met u meenen. Wanneer wij u nu raden, vrede te sluiten, is dat óók goed met u gemeend, want wij weten zeer goed, dat wij u zullen verslaan. Neem dus een besluit, eer het te laat is."

Nu stond Old Firehand op, rekte van verveling zijn reusachtige gestalte uit: en zei: "Pshaw! Waartoe al die woorden--wij hebben immers wapenen! De Oude Donder dient gauw te zeggen, of hij oorlog of vrede wil. Dan weten wij waar wij ons aan te houden hebben en zullen hem geven, wat hem toekomt: Leven of dood!"

Dit werkte snel; althans dadelijk kwam er een antwoord: "Zoo spoedig kunnen wij geen besluit nemen."

"Waarom niet? Zijt gij mannen of squaws?"

"Wij zijn geen vrouwen, maar krijgslieden. Doch wij moeten eerst met onze onderhebbenden spreken."

"Wanneer gij werkelijk hoofdman zijt, is dat volstrekt niet noodig. Maar ik merk, dat gij tijd wilt winnen, om de een of andere list te bedenken, zooals dat uw gewoonte is; doch geen list zal u tegen onze vuisten helpen."

"Laat Old Firehand kalm spreken, zooals wij hem kalm antwoorden. Het betaamt den man niet, opvliegend te zijn. Wij zullen gaan overleggen, wat er zal moeten geschieden."

"Bedenk dan, dat het in een half uur nacht zal zijn!"

"Wij kunnen u ook in den nacht meedeelen, wat wij besloten hebben. Wie verlangt te spreken, gij of wij, kan een schot lossen, en dan luid roepen. Dan zal men hem antwoorden: Ik heb gezegd. Howgh!"

Hij stond op, knikte even met het hoofd, en verwijderde zich; de overigen volgden zijn voorbeeld.

"Nu zijn wij nog even wijs als tevoren!" bromde Old Firehand gemelijk.

"Mijn broeder heeft te driftig gesproken," zei Winnetou op zijn zachtzinnige manier. "Hij had Old Shatterhand verder moeten laten begaan. De Oude Donder was tot nadenken gekomen en reeds op het punt om toe te geven."

Firehand scheen in te zien, dat Winnetou gelijk had, want hij antwoordde niets. Toen zij bij de anderen terugkwamen, vroeg het Lange Oor hun: "Er waren vier Utahs. Waarom zijt gij slechts met uw drieën gegaan?"

"Omdat wij dat voldoende achtten," antwoordde Old Firehand norsch.

"Er waren nog andere mannen. Ik ben óók hoofdman; ik had het recht om bij de beraadslaging tegenwoordig te zijn, evengoed als gij."

"Er zijn genoeg onnoodige woorden verspild, wij hadden geen vierde er bij noodig."

Het Lange Oor zweeg; doch ware zijn gelaat niet met zulk een dikke laag verf besmeerd geweest, dan zou men het hem hebben kunnen aanzien, hoe hij zich ergerde. Hij was bovendien reeds in een kwade luim, Old Shatterhand had hem in het oog der zijnen zwaar beleedigd, door hem het scalpeeren te beletten. Deze hoofdman was een lafaard, die den moed niet bezat om openlijk te weerstreven; doch de wrok, dien hij niet liet blijken, zat des te vaster in zijn binnenste.

Het begon te schemeren, en al spoedig viel de nacht. Het was wel niet waarschijnlijk, dat de Utahs een aanval zouden durven wagen, maar er dienden toch maatregelen genomen te worden om een mogelijke overrompeling te verijdelen. Er moesten wachtposten uitgezet worden. Het Lange Oor bood uit eigen beweging aan, zich met eenigen der zijnen daarmee te belasten; dit kon men hem niet gevoeglijk weigeren. Maar voor alle zekerheid wees Old Shatterhand aan hem en aan de Timbabatsjen, die daartoe uitgekozen werden hun plaatsen aan, en drukte hen goed op het hart, zich vooral niet verder vooruit te wagen.

Er waren met den hoofdman vijf mannen, die een linie vormden dwars door den canon. Het Lange Oor bevond zich op den uitersten rechtervleugel. Old Shatterhand ging op den grond liggen en kroop vooruit, om zoo mogelijk de Utahs te beluisteren. Dat gelukte hem reeds spoedig en volkomen, ofschoon zij drie posten uitgezet hadden, die hem echter niet bemerkten. Hij waagde het zelfs tusschen hen door te kruipen, en zag toen, dat de vijanden zich daar, waar de canon eensklaps breeder werd, dwars er overheen dicht naast en achter elkander gelegerd hadden. Hij keerde voldaan terug.

Het Lange Oor had gezien, dat de jager op verkenning uitging. Het ergerde hem, dat men dit niet aan hem toevertrouwd had. Hij, de hoofdman van een rooden stam, verstond dit stellig beter dan zulk een bleekgezicht. Zijn inwendige wrevel werd hoe langer hoe erger. Hij zou zoo gaarne aan die bleekgezichten doen zien, dat hij een persoon van gewicht was, dien men niet mocht voorbijgaan. Als de Roodhuiden eens iets in hun schild voerden, en het hem gelukte dat te ontdekken! Deze gedachte liet hem geen rust, en ten slotte besloot hij haar ten uitvoer te brengen. Hij kroop vooruit, hoe langer hoe verder. Doch het was niet zoo gemakkelijk als hij zich had voorgesteld, want de afgebrokkelde steenen lagen niet vast; zij kantelden onder zijn lange gestalte. Daardoor moest hij meer letten op hetgeen onder, dan hetgeen vóór hem was. Weer rolde er een steen--naast hem dook iets donkers op, voor hem uit eveneens; twee sterke handen omklemden zijn keel als een schroef; twee andere handen drukten zijn armen tegen zijn lijf aan; hij kon geen adem halen, en werd bewusteloos.

Toen hij weer bijkwam, lag hij tusschen twee mannen, die de punten hunner messen op zijn ontbloote borst gericht hielden. Hij was geheel gekneveld, en in zijn mond stak een prop. Een derde Indiaan, die bij zijn hoofd zat, bemerkte, dat hij zich bewoog. Deze zei op zachten toon, terwijl hij de hand op zijn mond legde: "Wij hebben het Lange Oor herkend. Ik ben de Oude Donder. Indien het Lange Oor verstandig is, zal hem niets wedervaren; maar als hij niet verstandig is, zal hij het mes proeven, dat hij op zijn borst voelt. Laat hij mij door een hoofdknikje te kennen geven, of hij mijn woorden hoort!"

De gevangen hoofdman gaf het gewenschte teeken. Hij had hier te kiezen tusschen leven en dood; het sprak vanzelf, dat hij het leven koos. Het was een groote voldoening voor hem, te denken, dat hij zich nu op den waanwijzen blanke kon wreken voor de achterstelling en de beleediging, welke hij ondervonden had.

"Laat het Lange Oor mij kenbaar maken, of hij zacht wil spreken, wanneer ik hem de prop uit den mond neem," vervolgde de andere.

De aangesprokene knikte; onmiddellijk werd de prop verwijderd, doch de Oude Donder gaf hem de vermaning: "Als gij luid spreekt, zult gij sterven. Maar als gij u bij ons wilt aansluiten, zullen wij u alles vergeven, en zult gij deel hebben aan den buit. Antwoord mij!"

Buit! Bij dat woord kreeg de Timbabatsj een ingeving, een bijzonder gewichtige ingeving. Hij had een gesprek tusschen den Grooten en den Jongen Beer afgeluisterd, hetwelk hem nu woord voor woord te binnen schoot. Buit! Ja, buit zou er zijn, een buit, zoo groot, als er nog nooit na een gevecht verdeeld was geworden. Van dit oogenblik af was hij de zaak van de Utahs met hart en ziel toegedaan.

"Ik haat en veracht deze bleekgezichten," antwoordde hij. "Als gij mij behulpzaam zijt, zullen wij hen vernietigen."

"En de Beren ook?"

"Ja. Doch mijn krijgslieden moeten blijven leven."

"Dat beloof ik u. Maar waarom zijt gij vroeger mijn vijand geweest?"

"Omdat ik nog niet wist, hetgeen ik nu wel weet. Die bleekgezichten hebben mij zoo beleedigd, dat ik hun bloed moet hebben."

"Die wraak zult gij hebben. Ik zal spoedig zien, of gij het eerlijk met mij meent, dan wel of gij mij denkt te bedriegen."

"Ik ben u trouw, en zal het u bewijzen, beter en meer volkomen, dan gij nu kunt vermoeden."

"Zeg mij dan eerst, of het waar is, dat de bleekgezichten onze hoofdmannen gevangen houden!"

"Dat is waar. Ik heb hen gezien."

"Dan hebben die honden een verbond aangegaan met den boozen geest, want anders zou hun niet gelukt zijn, wat voor alle andere menschen een onmogelijkheid is! Waar zijn de hoofdmannen der Utahs?"

"In het huis op het eilandje, dat in het meer ligt."

"Door wie worden zij bewaakt?"

"Door een enkel bleekgezicht, en een meisje, dat zijn dochter is."

"Is dat waar? Een enkel man en een meisje bewaken zooveel dappere en beroemde krijgslieden! Gij liegt!"

"Ik zeg de waarheid. Gij moet bedenken, dat de gevangenen geboeid zijn."

"Dan wil ik u gelooven. Dus op het eiland. Maar hoeveel krijgslieden bevinden zich op den oever?"

"Niet één."

"Man! waar is uw verstand?"

"Niet een zeg ik u! De blanken en mijn Timbabatsjen zijn daar geweest, anders niemand. En die waren allen naar den canon gereden, om tegen ulieden te vechten."

"Welk een onvoorzichtigheid! En kan ik dat voor waarheid houden?"

"Het is geen onvoorzichtigheid, want die honden houden u voor onschadelijk, omdat zij denken, dat gij buiten hun weten onmogelijk naar het meer kunt komen."

"Is dat dan mogelijk?"

"Ja. Juist daardoor wil ik u bewijzen dat ik het eerlijk met u meen."

"Oef! Is de weg in dezen canon naar boven niet de eenige? Bestaat er nog een andere?"

"Ja. Als gij wilt, zal ik u dien weg wijzen."

"Waar is dat pad?"

"Een eind weegs zijwaarts van hier en tusschen twee rotspijlers een kloof, door welke men over een hoogte in een diep keteldal komt, waaruit een ravijn naar het meer loopt. Ik heb dien weg met den Grooten Beer gereden."

"En aan het meer, zijn daar werkelijk geen krijgslieden?"

"Neen, of de tweehonderd Navajos, die nog verwacht worden, moesten intusschen aangekomen zijn."

"Die zijn er nog niet, want anders zouden zij wel onmiddellijk hier naar den canon opgerukt zijn, om tegen ons te vechten. Hoeveel tijd gaat er mee heen, om hier vandaan langs dien anderen weg het meer te bereiken?"

"Drie uur."

"Dat is lang, zeer lang!"

"Maar het loon is groot; al de vijanden vallen in uw handen; gij bevrijdt uw hoofdmannen en krijgslieden, en....."

Hij bleef steken.

"En.... spreek verder!"

"En bovendien vindt gij daar een buit, zooals er nog nooit een gevonden is."

"Een buit? Bij de Navajos? Bedoelt gij hun paarden en wapenen? Verder is er toch niets bij hen te vinden?"

"Ik spreek niet van de Navajos, maar van de twee Beren en het Zilvermeer, op welks bodem verbazende schatten verborgen liggen, goud, zilver en edelgesteenten in groote menigte."

"Wie heeft u dat wijsgemaakt?"

"Niemand. Ik heb het van de twee Beren zelf gehoord. Ik lag op een avond in den donker onder de boomen. Zij kwamen naderbij, en bleven vlak bij mij staan, zonder te weten, dat ik daar lag. Toen spraken zij over die onmetelijke schatten."

"Hoe zijn die schatten daar in dat meer gekomen?"

"Een volk, dat lang geleden hier woonde en overwonnen werd, heeft ze daar in veiligheid gebracht."

"Dan zijn ze stellig al lang vergaan. En gesteld zij liggen er nog, hoe zou men ze naar boven krijgen? Zou men het meer dan moeten leegscheppen?"

"Neen. Waar nu het meer is, heeft vroeger een droog dal gelegen. Dat volk had een toren gebouwd, welks spits thans het eiland is. Van dezen toren af werd een onderaardsche gang gebouwd, die door al het dal liep, en eindigde, waar nu de canon begint. Daarna maakte men een stevigen breeden dam, opdat het water niet meer naar het Noorden zou kunnen afvloeien. Het dal liep vol water, en werd zoodoende in een meer herschapen, waarboven de spits van den toren nu als een eilandje uitsteekt. Toen het meer vol was, zocht het zijn afwatering naar het Zuiden. Maar het uiteinde van de onderaardsche gang werd met steenen volgestopt."

"Is dat alles waar?"

"Volkomen waar. Ik heb mij er van overtuigd. Ik heb de steenen heimelijk er uitgenomen en de gang gevonden. Waar die begint liggen fakkels, welke noodig zijn, om de gang te verlichten. Die gang loopt op den bodem van het meer naar het eilandje, naar den toren, in welks onderste verdiepingen de schatten liggen. Die gang kan tevens dienen, om het water weg te laten loopen en alle vijanden te verdelgen, die zich in den canon bevinden. Op een zeker punt wordt de gang geopend; dadelijk dringt het water naar binnen, stort zich in den canon, en alles, wat zich daarin bevindt, moet verzuipen."

"Oef! Dat zou juist iets voor ons zijn! Als wij die bleekgezichten eens konden laten verzuipen!"

"Dat mag ik niet toelaten, omdat mijn Timbabatsjen dan ook zouden omkomen."

"Dat is waar. Doch als alles werkelijk zoo is, als gij mij gezegd hebt, zijn de blanken toch verloren. Het zal wel blijken, of gij het eerlijk meent. Wilt gij ons nu maar naar het meer brengen?"

"Ja, daar ben ik volkomen bereid toe. Maar welk deel van den rijkdom zal _ik_ krijgen?"

"Dat zal ik bepalen, zoodra ik mij overtuigd heb, dat gij mij de waarheid hebt verteld. Ik zal u nu losmaken en u een paard laten geven. Doch bij de minste poging om te vluchten zijt gij verloren."

De hoofdman gaf met een zachte stem zijn bevelen. Spoedig zaten al de Utahs in den zadel en reden den canon terug, aanvankelijk natuurlijk zeer voorzichtig, om geen gedruisch te veroorzaken. Zij bereikten de plek, waar de blanken uit den canon zijwaarts naar het keteldal waren afgeslagen, en volgden dezelfde richting. De rit was nu in den nacht nog veel bezwaarlijker dan overdag; doch de Roodhuiden hadden bijna kattenoogen, en hun paarden vonden gemakkelijk den weg. Het ging tegen de schuine vlakte op, daar overheen en dan naar beneden in het keteldal, en vervolgens de rotsengte in, precies denzelfden weg, dien de blanken gegaan waren. De laatste helft van den rit leverde minder moeilijkheden op, daar de maan opgekomen was. De weg lag niet diep, en werd vrij helder beschenen.

Juist zooals het Lange Oor geraamd had, waren er drie uur verloopen, toen de Utahs de plaats bereikten waar de boomen begonnen. Zij hielden halt, en zonden eenige verspieders vooruit, die onderzoeken moesten of men verder kon gaan. Toen die ongeveer vijf minuten weg waren, viel er een schot, en onmiddellijk daarna nog een. Een oogenblik later keerden zij terug, terwijl een hunner gedragen werd. Hij was dood.

"De bleekgezichten zijn niet meer in den canon," rapporteerden zij. "Zij zijn aan den ingang naar het meer genesteld, en hebben op ons geschoten. Onze broeder is door een kogel in het hart getroffen. Hij was zoo onvoorzichtig, zich in den maneschijn op te richten."

Dit bericht wekte het wantrouwen van den Ouden Donder op. Hij dacht, dat hij door het Lange Oor bedrogen was, en dat deze met de blanken in verstandhouding stond en van hen de opdracht had ontvangen, zich opzettelijk te laten vatten, ten einde zoodoende de Utahs onder het bereik van hun geweren te brengen. Het Lange Oor slaagde er echter in, dit wantrouwen weg te nemen. Hij toonde aan, dat hij dit voornemen niet kon koesteren, en voegde er bij: "De bleekgezichten, die veel zwakker zijn dan wij, hebben zich niet veilig geacht in de duisternis van den canon en zijn naar het meer opgerukt, waar zij dachten niet door u overvallen te kunnen worden. De ingang tot het dal is zoo smal, dat zij dien gemakkelijk tegen u kunnen verdedigen; het is u dus, vooral nu in den nacht, niet mogelijk dien ingang te forceeren; doch gij zult hen in den rug aanvallen.

"Hoe is dat mogelijk?"

"Door de gang, waarover ik u gesproken heb. Die loopt uit slechts enkele voetstappen van hier. Wij openen haar door de steenen er uit te halen, en gaan er dan in. Als wij de fakkels aansteken, kunnen wij door die gang gemakkelijk in den toren komen, en klimmen dan daarin naar boven om op het eiland te komen. Daar liggen altijd eenige kano's, waarin wij naar den wal kunnen roeien. Dan zijn wij in den rug van den vijand, en zullen hem zonder moeite overwinnen, te meer daar mijn Timbabatsjen naar u zullen overloopen, zoodra ik het hun beveel."

"Goed! De helft van de Utahs blijft hier, en de andere helft volgt ons in de gang. Wijs ons den weg!"

De Utahs waren van hun paarden gestegen. Het Lange Oor bracht hen zijwaarts, tot daar waar de canon begon. Daar stond een hoop steenen tegen de rots.

"Die steenen moeten weg," zei de Timbabatsj, "dan zult gij de opening zien."

De steenhoop werd opgeruimd, en nu vertoonde zich een donker gat van vijf el breed en drie el hoog. De hoofdmannen gingen er in, en vonden, toen zij rondtastten, een grooten voorraad fakkels, die alle van herten- of buffelvet gemaakt waren. Met behulp van punks (= prairie-zwam) werd er licht gemaakt. Men verdeelde de fakkels en stak die aan. Daarop begaf men zich de gang in.

De atmosfeer was er bedompt, maar vochtig was het er niet. De gang moest bijzonder sterk gebouwd en daarop met een dikke laag aarde bedekt zijn, dat hij zoo langen tijd weerstand geboden had aan het water van het meer.

Om niet al te lang blootgesteld te wezen aan deze atmosfeer, die nog slechter gemaakt werd door den walm der fakkels, ging men zoo snel mogelijk voorwaarts, totdat men eindelijk in een groote ruimte kwam, waar verscheiden in matten gewikkelde pakken langs de wanden lagen.

"Dit moet de onderste verdieping van den toren, dus het eiland zijn," zei het Lange Oor. "Misschien bevinden zich in deze pakken de schatten, waarover ik u gesproken heb. Willen wij dat even onderzoeken?"

"Ja," antwoordde de Oude Donder. "Maar lang moeten wij ons daarmee niet ophouden; want wij moeten ons haasten, om naar het eiland te komen. Later zullen wij tijd genoeg daartoe hebben."

Toen men een der pakken van het omhulsel ontdeed, zag men bij het schijnsel der fakkels een afgodsbeeld schitteren als goud. Dat eene beeld vertegenwoordigde alleen reeds een aanzienlijk vermogen. Een beschaafd Europeaan zou bijna dronken geworden zijn van verrukking; deze Roodhuiden bleven er koud bij. De mat werd weer over het afgodsbeeld gespreid, en men begon naar boven te klimmen. Er waren, eenigszins in den vorm van onze trappen, smalle treden gemetseld, die naar boven leidden; zij gaven slechts plaatsruimte voor één persoon; daarom moesten de Roodhuiden als ganzen achter elkander gaan.

Het Lange Oor ging met een fakkel in de hand voorop. Hij had de bovenste trede nog niet bereikt, of hij hoorde onder zich een kreet, gevolgd door het angstgeschreeuw uit verscheiden monden. Hij bleef staan, en keek om. Wat hij zag, was wel in staat om hem te doen ontstellen. Uit de gang, waarin zich nog vele Utahs bevonden, stroomde het water over de geheele breedte en hoogte, naar binnen. De fakkels wierpen haar licht op het donkere, woeste water, dat reeds bijna ter halver manshoogte stond en met ontzettende snelheid steeg. Degenen, die zich nog in de gang bevonden, waren verloren; zij waren terstond in het water gestikt. En zij, die nog op de treden stonden, waren eveneens verloren. Zij drongen vooruit; ieder wilde zich naar boven redden; de een drong den ander voorbij. Men wierp de fakkels weg, om zich met beide handen te kunnen verweren. Zoodoende kon niemand vasten grond vatten op de treden. Daarbij steeg het water zoo snel, dat de Roodhuiden een minuut nadat de eerste kreet weerklonken had, er reeds tot aan hun nek in stonden. Zij werden door het water opgenomen; zij zwommen, zij vochten tegen den dood en tegen elkander--tevergeefs.

Slechts vijf of zes hunner waren reeds zoo hoog geklommen, dat zij nog konden ontkomen. De Oude Donder bevond zich onder hen; zij hadden slechts een enkele fakkel, die door den Timbabatsj gedragen werd. Door een smalle opening in het plafond kwamen zij op de volgende verdieping, waaruit weer dergelijke treden verder naar boven leidden.

"Geef mij het licht, en laat mij voorgaan!" gebood de hoofdman der Utahs aan den Timbabatsj.

Hij greep naar de fakkel, doch het Lange Oor wilde die niet afgeven. Er ontspon zich een korte strijd, die echter lang genoeg duurde, om het water intusschen weer hooger te laten rijzen. Het drong reeds door de opening heen in deze verdieping, die veel kleiner was dan de vorige, zoodat het water ook dubbel zoo snel langs de wanden omhoogsteeg.