De schat in het Zilvermeer

Chapter 50

Chapter 503,975 wordsPublic domain

Dit voorstel werd dadelijk ten uitvoer gebracht. De vier blanken, met den flinken Jongen Beer aan het hoofd, en de Timbabatsjen liepen zoo hard als de slechte weg maar veroorloofde. Zij waren nog niet lang onderweg, of zij hoorden een schot, en daarop nog een tweede. Aangezien vriend en vijand uitsluitend met pijl en boog gewapend waren, konden dat geen geweerschoten zijn. Maar spoedig hoorden zij ook het geschreeuw der vechtenden en kregen zij die in het oog.

Ja, het stond hachelijk met de Navajos. Hun paarden waren meerendeels doodgeschoten; zij konden zich slechts achter hun gedoode viervoeters verdekt opstellen, want de wanden van den canon waren hier glad en zonder hoeken, zoodat die geen schuilplaats aanboden. Zij schenen gebrek te krijgen aan pijlen, want zij schoten er niet op los, doch enkel dan, wanneer zij zeker van hun schot waren. Eenigen van de koelbloedigsten raapten snel de pijlen der Utahs op, om die te gebruiken. De vijand was zoo talrijk, dat zij in verscheiden rijen achter elkander stonden en de geheele breedte van den canon innamen. Zij vochten te voet, en hadden hun paarden achtergelaten, opdat die niet neergeschoten zouden worden. Dit was een geluk voor de Navajos. Indien de Utahs te paard op hen losgestormd waren, zou er niet één hunner in leven gebleven zijn.

Nu hield het oorlogsgehuil een oogenblik op. Men zag dat er hulp opdaagde. De vier blanken bleven zonder bedekking midden in den canon staan; zoodra zij begrepen, dat de Utahs onder het bereik van hun kogels waren, legden zij hun geweren aan, mikten, en gaven vuur. Het gehuil der Utahs bewees, dat de kogels geraakt hadden. Nog vier schoten. En gehuil opnieuw. De Timbabatsjen doken neer, en kropen over den grond voorwaarts, om ook te kunnen schieten.

Humply-Bill was van meening, dat de vier blanken niet gelijktijdig meer moesten schieten, omdat er anders gedurende het laden een te groote pauze ontstond. Hij stelde daarom voor, dat er twee zouden laden, terwijl de twee anderen schoten, en allen vonden dit goed.

Het werd reeds spoedig merkbaar wat vier geoefende schutters met goede geweren vermogen. Ieder schot trof zijn man. De weinige Utahs, die geweren hadden, mikten nu niet meer op de Navajos, maar op de blanken. Daardoor kwamen de eersten eenigszins op hun verhaal.

Naast de jagers lag de "Jonge Beer", en gebruikte zijn geweer, dat het een lust was om te zien. Elk schot was raak. De Utahs weken terug. Slechts zij, die een geweer hadden, bleven staan; doch hun kogels droegen niet ver genoeg, en dichterbij durfden zij niet komen. Nu riep Hobble-Frank den Jongen Beer toe: "Wij met ons vijven blijven staan. De Navajos kunnen zich achter ons terugtrekken. Zeg hun dat!"

De zoon van den hoofdman deed wat hem verzocht werd, en dadelijk sprongen de Roodhuiden op, en snelden achteruit, om zich achter de blanken in veiligheid te stellen. Het was een treurig gezicht. Eerst nu kon men goed zien, hoe erg de Navajos geleden hadden. Er waren er hoogstens nog zestig van over, en slechts de helft van die weinigen had nog paarden. Gelukkig konden zij zich ongemoeid terugtrekken, daar de Timbabatsjen bleven liggen en de Utahs in bedwang hielden. Het was eigenlijk een schande voor de laatsten, dat zij niet een algemeenen snellen aanval waagden; doch dan zouden er verscheiden hunner gevallen zijn, en dit vermijdt de Indiaan steeds. Hij doet het liefst alleen dan een aanval, wanneer hij voor zich zelf niets te vreezen heeft.

Daardoor konden de Navajos achteruittrekken en ook de blanken met den Jongen Beer een eind weegs retireeren, zonder dat zij hierin verhinderd werden. De Utahs volgden hen eenvoudig op een afstand. Zij bewaarden hun pijlen, en zetten slechts met hun weinige geweren het gevecht voort. Op deze wijze trokken de Navajos en de blanken telkens verder achteruit, aanhoudend door de Utahs vervolgd, totdat de blanken en hun bondgenooten dicht bij de plaats kwamen, waar zij zich vroeger verborgen hadden gehouden. Hier gaven de blanken den raad om zich snel in de holen en gaten te verschuilen; de Jonge Beer vertolkte dat...... en in een oogwenk waren de tot dusver zoo hevig bestookte Roodhuiden verdwenen. Zij waren in veiligheid; want hier waren zij tegen alle geweervuur volkomen beschut, terwijl de Utahs hoegenaamd geen schuilplaats hadden. Zoodra de nu verwachte hulp kwam, kon men het verder verloop van den strijd gerust afwachten.

En de hulptroepen waren reeds in aantocht. Winnetou had den Grooten Beer met korte woorden verteld, wat er was voorgevallen. De laatste trok een zeer bedenkelijk gezicht, en zei: "Ik heb de Navajos nog gewaarschuwd. Ik gaf hun den raad om te wachten, tot al hun krijgslieden bijeen zouden zijn. Maar zij dachten, dat de Utahs zich óók nog niet vereenigd hadden, en wilden daarom de verschillende afdeelingen een voor een vernietigen. Nu hebben zij zelf het lot ondergaan, dat zij aan anderen dachten te bereiden."

"Volstrekt niet!" zei Old Shatterhand. "Zij zijn immers nog niet vernietigd?"

"Denkt gij dat? Ik denk er anders over. Ik ken de verzamelplaats der Utahs. Indien de Navajos uit het Hertendal achterwaarts vluchten, moeten zij verscheiden van die plaatsen voorbij, en kunnen zij gemakkelijk aan alle kanten ingesloten worden. En al gelukt het hun, in de bergen te ontkomen, zal het aantal der Utahs van plaats tot plaats grooter worden; en het is best mogelijk, dat wij een duizendtal van hun krijgslieden hier aan het Zilvermeer te zien zullen krijgen. Of de Navajos dat onder zulke omstandigheden wel zullen bereiken, is erg te betwijfelen."

"Hoe staat het dan met u? Zullen de Utahs u als vijand behandelen?'

"Ja."

"Dan verkeert gij in het grootste gevaar."

"O neen!"

"Omdat gij eenige Timbabatsjen hier hebt en ook nog eenige Navajos verwacht?"

"Neen; ik reken noch op den een, noch op den ander; ik verlaat mij louter en alleen op mij zelf."

"Dan begrijp ik u niet."

"Ik ben voor geen duizend Utahs bang."

"Daar heb ik geen hoogte van."

"Ik behoef mijn hand slechts op te heffen, dan zijn zij allen verloren. In één oogenblik dood ik hen allen."

"Hum! Allen?"

"Gelooft gij dat niet? Och, zoo iets kunt gijlieden ook niet begrijpen. Gij bleekgezichten, zijt zeer vernuftige mannen, doch op zulk een gedachte zou niet een der uwen komen."

Hij zei dit op een toon van trots. Old Shatterhands blik vloog even rond over het meer en over de bergen rondom, en toen antwoordde hij, terwijl er een glimlachje om zijn lippen speelde: "Maar gij, gij zelf, zijt ook niet op die gedachte gekomen."

"Niet? Wie zegt u dat?"

"Dat zeg ik. Wij blanken kunnen op zulke gedachten niet komen, omdat wij Christenen zijn, en van zulk een menschenslachting een afschuw hebben; maar toch zijn wij wijs genoeg om in uw ziel te kunnen lezen."

"Wilt gij daarmee zeggen, dat gij weet waarom ik voor geen duizend vijanden bang ben?"

"Ja, juist."

"Zeg het dan!"

"Moet ik daardoor uw geheim verraden?"

"Dat kunt gij onmogelijk verraden; want gij kent het niet. Er leven er nog maar twee, die het kennen: mijn zoon en ik."

"En ik!"

"Onmogelijk! Of bewijs het mij!"

"Goed! Gij doodt duizend Utahs zoogoed als in een oogenblik?"

"Ja."

"Wanneer zij zich in den canon bevinden?"

"Ja."

"Dat kan noch door messen, noch door geweren, noch door eenig ander wapentuig geschieden."

"Neen. En juist dat, waardoor en hoe het wel geschiedt, kunt gij niet weten."

"O, dat weet ik zeker! Het kan geschieden door een natuurkracht. Door luchtdrukking, dus door een storm? Neen. Door vuur? Ook niet. Dus door water?"

"Uw gedachten zijn goed en verstandig; maar verder komt gij niet!"

"Dat zullen wij zien! Waar vindt gij genoeg water, om zooveel menschen tegelijk te dooden? In het meer. Zullen die menschen naar het meer gaan? Neen. Dus moet het meer naar de menschen toe komen; het moet zijn wateren plotseling in den canon uitstorten. Hoe is het mogelijk? Er ligt toch een hooge, sterke dam tusschen! Welnu, die dam heeft in overoude tijden niet bestaan; men heeft hem gemaakt en hem zoodanig ingericht, dat hij plotseling opengezet kan worden, waardoor het droge ravijn oogenblikkelijk in een snelstroomende rivier verandert. Heb ik het geraden?"

In weerwil van de bedaardheid, die een Indiaan, en vooral een hoofdman, onder alle omstandigheden moet weten te bewaren, sprong de Groote Beer op, en riep: "Heer zijt gij alwetend?"

"Neen, maar ik denk na."

"Gij hebt het geraden; inderdaad, gij hebt het geraden! Maar hoe ben ik aan het geheim gekomen?"

"Door erfenis."

"En hoe wordt de dam geopend?"

"Als gij mij vergunt, dat ik dit ga onderzoeken, zal ik die vraag zeer spoedig beantwoorden."

"Neen, dat mag ik u niet vergunnen. Maar kunt gij ook raden, waarom die dam daar opgeworpen is?"

"Ja."

"Nu?"

"Om twee redenen. Ten eerste, ter verdediging. De veroveraars der zuidelijke streken kwamen allen uit het Noorden. Dit groote ravijn was voor hen een geliefkoosde weg. Daarom heeft men den dam opgeworpen, om hun den weg te versperren en het water plotseling te kunnen loslaten."

"En wat is de andere reden?"

"De schat."

"De schat?" vroeg de hoofdman, terwijl hij een stap achteruit deed. "Wat weet gij van een schat?"

"Niets; maar ik raad veel. Ik zie het meer, zijn oevers, den geheelen omtrek, en ik denk na. Toen er nog geen dam was, was er ook geen meer, maar een diep dal, door hetwelk de beken, die nu nog bestaan, zich in den canon ontlastten, welken uitweg zij zich zelf gebaand hadden. Er woonde hier een rijk volk; dat heeft langen tijd gestreden tegen de steeds voorwaarts dringende veroveraars; het zag eindelijk in, dat het 't onderspit zou moeten delven en vluchten, misschien slechts voor een korten tijd. Het begroef toen zijn schatten en al het geheiligde vaatwerk hier in het dal, en trok den dam hooger op, om een groot meer te doen ontstaan, welks wateren de onoverwinnelijke, stomme bewakers van dien schat zouden zijn."

"Zwijg, zwijg, anders brengt gij alles aan het daglicht, alles!" riep de Groote Beer verschrikt uit. "Laten wij niet verder over den schat, maar alleen over den dam spreken. Ja, ik kan hem openen; ik kan duizend en nog meer Utahs doen verdrinken, wanneer zij zich in den canon bevinden. Wil ik dat doen, als zij komen?"

"Om Godswil, neen! Er zijn nog andere middelen om hen in bedwang te houden!"

"Welke dan? Wapenen?"

"Ja, en bovendien de gijzelaars, die ginds in het gras liggen. Dat zijn de beroemdste hoofdmannen der Utahs. Om hun hoofdmannen te redden, zullen zij al onze eischen inwilligen. Daarom hebben wij hen gevangengenomen en meegebracht."

"Dan moeten wij die gevangenen in verzekerde bewaring brengen."

"Weet gij daartoe een geschikte plaats?"

"Ja; zij kunnen eerst eten en drinken; dan zullen wij hen daarheen brengen."

De handen der gevangenen werden losgemaakt; men gaf hun vleesch en water, en bond hen daarna weer. Nu werden zij met behulp van eenige Timbabatsjen in de kano's gebracht, die aan den oever van het meer lagen. Old Firehand, Shatterhand en Winnetou gingen ook naar het eilandje. Zij waren nieuwsgierig om het inwendige van dat gebouwtje te zien. Dit bestond boven den grond slechts uit één verdieping gelijkvloers, welke door een muur in twee vertrekken was afgedeeld. In het eene gedeelte bevond zich de stookhaard; het andere was het woonvertrek. Dit zag er zeer naakt en kaal uit. Meubelen waren er niet in; enkel een hangmat en een allerarmzaligste slaapstede, dat was alles.

"Moeten de gevangenen hier blijven?" vroeg Old Shatterhand.

"Neen, want hier zouden zij nog kunnen ontsnappen. Er is nog een veel betere plaats."

Hij schoof de slaapstede op zij. Die bestond uit een onderlaag van dwarshouten, met daaroverheen gespreide biezen-matten en dekken. Onder de slaapstede werd een vierkant gat zichtbaar, een boomstam met inkervingen deed dienst als ladder naar beneden. De hoofdman klom naar omlaag, Old Shatterhand volgde hem, en de overigen moesten nu de gevangenen een voor een neerlaten. Door de opening viel genoeg licht in de kelderachtige ruimte, zoodat Old Shatterhand zich spoedig kon oriënteeren. Het vertrek was grooter dan de woonkamer, en wel naar den tuinkant. De tegenovergestelde zijde was door een muur van tegels afgesloten waarin zich geen deur noch eenige andere opening bevond. Toen de jager er tegen klopte, klonk het ijl en hol. Daarachter was dus een tweede kelder, die onder den haard lag. En toch was daar geen toegang naar beneden te zien geweest.

De Utahs werden beneden in ontvangst genomen en naast elkander gelegd. Old Shatterhand was bang, dat het hen aan lucht zou ontbreken; toen hij dat te kennen gaf, antwoordde de Groote Beer: "Zij kunnen voldoende ademhalen. Van de zoldering af loopen gaten door de muren van het gebouw; er zijn dakpannen ingezet. De oude bewoners van deze streek wisten zeer goed wat zij deden."

Old Shatterhand zette, naar het scheen onwillekeurig, doch met opzet, zijn voeten wat hard op den grond neer. De vloer van den kelder klonk eveneens hol. Waarschijnlijk was dit eilandje in den vorm van een hol gebouw opgemetseld, eer men het meer liet ontstaan, en vervolgens met een voor het water ondoordringbaren aarden- en steenen mantel omringd. Zou wellicht op den bodem van dit eilandje de schat verborgen liggen?

Er was echter geen tijd tot verder in het oog loopende onderzoekingen, want de laatste gevangene was nedergelegd, en de hoofdman klom weer naar boven. Old Shatterhand moest hem volgen. Onder het dak van het gebouw hingen aan stokken groote stukken gedroogd en gerookt vleesch. Hiervan werd een gedeelte in de kano's gebracht, om op den oever te worden genuttigd. Op hetzelfde oogenblik dat men daar aankwam, verscheen op een met schuim bedekt paard de renbode, dien men om hulp had afgezonden. Zoo dichtbij hadden de Timbabatsjen en ook de Groote Beer hun vijanden nog niet verwacht. Allen grepen naar hun wapenen en snelden naar de paarden.

Ellen moest natuurlijk achterblijven, doch niet zonder bescherming. Maar niemand wilde zich gaarne het genoegen ontzeggen deel te nemen aan den rit, zoodat ten slotte haar vader bij haar bleef. De Groote Beer gaf hem den raad, om met haar naar het eiland te roeien en daar te blijven, omdat men daar het veiligst was. Buiten hen, bleef er namelijk niemand aan het meer achter. Er was wel niet veel gevaar te duchten, doch in zulke gevallen is voorzichtigheid altoos raadzaam. Hij stapte dus met Ellen in een kano, nam zijn wapenen mee, en stak van wal, toen de anderen wegreden.

Dezen vergden van hun paarden veel meer, dan het eerste detachement gedaan had. Het ging in galop bij manier van spreken door dik en dun, en in een kwartier tijds was de weg afgelegd, waartoe de eerste vijftig man drie kwartier noodig gehad hadden. Nu stieten zij op de paarden van die vijftig. En vóór hen vielen er schoten. Zij stegen af, lieten hun paarden insgelijks hier achter, splitsten zich zoo snel mogelijk in tweeën naar links en naar rechts, en bereikten, zonder door de Utahs opgemerkt te zijn, de vaneen gespleten rotspartijen, waar hun vrienden een schuilplaats hadden gevonden.

Dezen verheugden er zich natuurlijk zeer over, dat er zoo spoedig hulp kwam opdagen. Humply-Bill vertelde wat er was voorgevallen, en Hobble-Frank was niet weinig in zijn schik, dat men hem prees over hetgeen hij gedaan had.

De Utahs waren in de meening, het nog altoos alleen te doen te hebben met hen, die zij gezien hadden. Zij schenen te beseffen, dat zij door snel en doortastend op te treden, reeds lang aan den strijd een einde hadden kunnen maken, en wilden daarom het verzuimde herstellen. De verdedigers van den canon, die vooraan in de schuilhoeken lagen, zagen, dat de Utahs zich verzamelden, en deelden dit aan hun kameraden mede. Men maakte zich daarom gereed om hen te ontvangen.

Eensklaps weerklonk er een gehuil, alsof alle booze geesten uit de Onderwereld waren losgebroken, en de Utahs rukten voorwaarts. Nauwelijks twee minuten lang werd er van weerskanten verwoed geschoten, toen weken de Utahs terug, en lieten een menigte dooden en gekwetsten liggen. Old Shatterhand had achter een rotspijler gestaan en verscheiden malen geschoten, doch daarbij zóó gemikt, dat hij de getroffen personen niet doodde, maar slechts ongeschikt maakte om verder te vechten. Nu zag hij, dat de Timbabatsjen te voorschijn sprongen, om de gevallenen te scalpeeren; hun hoofdman was bij hen.

"Halt!" riep hij met zijn donderende stem. "Laat die menschen liggen."

"Waarom? Hun scalps komen ons toe!" antwoordde het Lange Oor.

Dit zeggende trok hij zijn mes, en bukte, om een gekwetste van zijn schedelhuid te berooven. In een oogwenk stond Old Shatterhand bij hem, hield hem de revolver voor, en zei dreigend: "Doe één snee, en ik schiet!"

Hij richtte zich op, en zei zoo vriendelijk mogelijk: "Wat kunt gij daar toch tegen hebben. De Utahs zouden ons immers ook scalpeeren."

"Als ik bij hen was, zouden zij het wel laten. Ik duld dat niet, ten minste niet bij de levenden."

"Dan kunnen zij hun scalps behouden; maar van de dooden zal ik die nemen."

"Met welk recht?"

"Ik begrijp u niet!" antwoordde de Roodhuid verbaasd. "Een verslagen vijand moet toch gescalpeerd worden!"

"Er liggen er hier velen. Hebt gij die dan allen overwonnen?"

"Neen. Ik heb er één geraakt."

"Welken?"

"Dat weet ik niet."

"Is hij dood?"

"Dat weet ik ook niet. Hij is weggeloopen."

"Wijs mij dan den doode aan, die door een kogel van u geraakt is; dan kunt gij hem scalpeeren, maar eer niet!"

De hoofdman trok zich brommend terug in zijn schuilplaats, en zijn volgelingen deden hetzelfde. Opeens weerklonk er beneden, waar de afgeslagen Utahs zich weer verzameld hadden, een geschreeuw. Terwijl de jager tusschen de Timbabatsjen stond, hadden zij hem niet goed kunnen zien; maar nu hij daar geheel alleen stond, herkenden zij hem, en hoorde men hen roepen: "Old Shatterhand! Het toovergeweer! Het toovergeweer!"

Dat die man zich hier kon bevinden, was voor hen onbegrijpelijk. Zijn tegenwoordigheid hier maakte een in waarheid ontmoedigenden indruk op hen. Des te meer moed legde hij aan den dag. Hij liep langzaam naar hen toe, en toen hij begreep, dat zij hem konden verstaan, riep hij: "Komt uw dooden en gekwetsten halen! Wij schenken u die."

Een der aanvoerders antwoordde: "Gij zult op ons schieten!"

"Neen."

"Spreekt gij waarheid?"

"Old Shatterhand liegt nooit."

Old Shatterhand draaide zich om, en keerde in zijn schuilplaats terug.

Hoe trouweloos deze Roodhuiden ook waren, bij dezen jager, bij dit bleekgezicht, behoefden zij geen woordbreuk, geen verraad te vreezen. Daarbij kwam nog, dat de Indianen het als een groote schande beschouwen, indien zij hun dooden of zelfs hun gekwetsten in den steek laten. Daarom zonden de Utahs, aanvankelijk eerst als proefneming, twee der hunnen, die langzaam naderbij kwamen, een gekwetste optilden en hem wegdroegen. Zij keerden terug en brachten een tweede weg. Toen ook nu nog niets vijandigs had plaats gehad, werden zij geruster, en kwamen er verscheiden tegelijk. Old Shatterhand trad weer naar buiten; zij schrikten, en wilden wegloopen. Maar hij riep hun toe: "Blijft! Er zal u niets geschieden." Zij bleven angstvallig staan; hij kwam nu geheel naderbij, en vroeg: "Hoeveel hoofdmannen zijn er nu bij u?"

"Vier."

"Wie is de voornaamste van hen?"

"Nanap varrenton (= de oude donder)."

"Zeg hem, dat ik met hem spreken wil! Hij kan de eene helft van den weg loopen, en ik de andere helft; dan ontmoeten wij elkaar in het midden; wapenen brengen wij niet mee!"

Zij gingen de boodschap overbrengen, en keerden terug met het antwoord: "Hij komt, en brengt de drie andere hoofdmannen mee."

"Ik breng slechts twee kameraden mee, die hij waarschijnlijk wel zal kennen. Zoodra gijlieden hier klaar zijt, kunnen de hoofdmannen komen."

Weldra naderden de vier personen van den eenen, en Old Shatterhand, Firehand en Winnetou van den anderen kant. In het midden van den afstand kwamen zij te zamen, begroetten elkander met een ernstige hoofdbuiging en namen tegenover elkander plaats op den grond. De hooghartigheid der Roodhuiden verbood hun dadelijk te spreken. Hun gelaatstrekken kon men niet herkennen door de klodders verf, die er opgesmeerd waren; doch uit hun blikken sprak de verbazing, dat zij naast Old Shatterhand de twee andere beroemde mannen zagen. Zoo keken beide partijen elkander een tijdlang aan, totdat de oudste der Roodhuiden, de Oude Donder, zijn geduld verloor en besloot te spreken. Hij stond op, nam een waardige houding aan, en begon: "Toen de geheele aarde nog aan de zonen van den grooten Manitou toebehoorde, en er bij ons nog geen bleekgezichten waren, toen...."

"Toen hebt gij redevoeringen kunnen houden, zoo lang gij maar wildet," viel Old Shatterhand hem in de rede. "Maar de bleekgezichten drukken zich liefst kort uit, en dat zullen wij nu ook doen."

Wanneer de Roodhuid een palaver houdt, is er geen einde aan zijn woordenvloed. Het onderhoud zou misschien verscheiden uren geduurd hebben, indien Old Shatterhand hem niet reeds bij de inleiding den pas daartoe had afgesneden. De Roodhuid keek hem half verwonderd, half gemelijk aan, nam weer plaats op den grond, en zei: "De Oude Donder is een beroemd hoofdman. Hij telt vele jaren meer dan Old Shatterhand, en is niet gewoon zich door jonge mannen in de rede te laten vallen. Indien de bleekgezichten mij willen beleedigen, hadden zij mij niet hier moeten laten komen. Ik heb gezegd. Howgh!"

"Ik ben niet voornemens geweest u te krenken. Een man kan veel jaren tellen, en toch minder ondervonden hebben, dan een jongere. U sprak van de tijden, toen er nog geen bleekgezichten waren, maar _wij_ willen over den dag van heden spreken. En daar _ik_ degene ben, die u heb laten roepen, zal ik ook het eerst spreken, en zeggen wat ik van u verlang. Ook ik heb nu gezegd. Howgh!"

Dat was een krasse terechtwijzing. Daardoor bracht hij de Roodhuiden aan het verstand, dat hij hier te bevelen had. Zij zwegen, en daarom vervolgde hij: "Gij hebt mijn naam genoemd, en dus kent gij mij. Kent gij ook de beide krijgslieden, die hier naast mij zitten?"

"Ja, dat zijn Old Firehand, en Winnetou, de hoofdman der Apachen."

"Dan zult gij ook weten, dat wij altijd vrienden van de roode mannen geweest zijn. Niet één Indiaan kan zeggen, dat wij hem, zonder dat hij er zelf aanleiding toe gegeven had, als vijand hebben behandeld; wat meer zegt, wij hebben dikwijls van onze rechtmatige wraakoefening afgezien en vergiffenis geschonken, waar wij hadden moeten straffen. Waarom vervolgt gij ons dan?"

"Omdat gij de vrienden van onze vijanden zijt."

"Dat is niet zoo! De Groote Wolf heeft ons gevangengenomen, zonder dat wij hem het minste in den weg hadden gelegd. Hij trachtte ons meermalen naar het leven, en heeft verscheiden malen zijn woord geschonden. Wij hebben ons tegen de Utahs moeten verdedigen, om ons leven te redden."

"Hebt gij niet, in het Woud des Waters, den ouden hoofdman neergeveld en andere hoofdmannen en krijgslieden meegenomen?"

"Weder louter, om ons eigen leven te redden."

"En nu bevindt gij u bij de Navajos en Timbabatsjen, die onze vijanden zijn."

"Dat is louter toeval. Wij wilden naar het Zilvermeer, en stieten hier op hen. Wij hoorden, dat het tot een gevecht tusschen u en hen zou komen, en wij doen ons best, om vrede te stichten."

"Wij willen wraak, en geen vrede; en uit uw handen het allerminst."

"Of gij al dan niet vrede wilt sluiten, dat is uw zaak; wij beschouwen het als onzen plicht, u vrede aan te bieden."

"Wij zijn de overwinnaars."

"Dat zijt gij geweest, vroeger; maar nu zijt gij dat niet meer. Gijlieden zijt bitter gekrenkt, dat weten wij; maar het is onrechtvaardig van u, u daarom op onschuldigen te willen wreken. Ons leven heeft herhaalde malen op het spel gestaan. Indien het van u had afgehangen, waren wij reeds lang aan den martelpaal gestorven, zooals de andere bleekgezichten in het Hertendal."

"Wat weet gij daarvan?"

"Alles. Wij hebben hun lijken begraven."

"Zijt gij dan daar geweest?"