De schat in het Zilvermeer

Chapter 5

Chapter 54,140 wordsPublic domain

"Zal dat geen argwaan geven?"

"Volstrekt niet. Daar het salon altijd bezet is, kan dat werk niet gedaan worden op een oogenblik als er geen mensch in is."

"Maar dat is immers _uw_ werk niet?"

"Dat hindert niet. Het is eigenlijk het werk van den steward; maar die zal blij wezen als een ander het voor hem doet."

"Maar kan die niet denken, dat daar iets achter schuilt?"

"O, neen! Hij weet dat ik geen geld heb, en dat ik graag een borrel drink. Ik zal naar hem toe gaan, en zeggen, dat ik dorst heb, en dat ik de ramen voor hem schoon wil maken, als hij mij een glas brandy geeft. Dat zal hij zeer natuurlijk vinden. Maak u dus volstrekt niet ongerust, sir! ik zal het er wel goed afbrengen. Zeg mij nu maar hoeveel dollars ik er mee verdienen zal?"

"Dat zal er van afhangen welke berichten gij mij brengt. Maar op drie dollars kunt gij in elk geval rekenen."

"_All right!_ Dat is afgesproken! Schenk mij nu nog maar eens in, dan ga ik er dadelijk op uit."

Toen de neger zich verwijderd had, werd aan den kornel gevraagd wat hij eigenlijk met die opdracht beoogde. Hij antwoordde: "Wij zijn arme tramps, die zien moeten hoe wij door de wereld rollen. Wij hebben hier de vracht moeten betalen, en nu wil ik ten minste een poging doen om te weten te komen, of wij dat geld niet op een of andere manier terug kunnen krijgen. Voor den verren tocht, dien wij te doen hebben, dienen wij toebereidselen te maken, die veel geld zullen kosten, en gij weet evengoed als ik, dat onze beurzen tamelijk lens geworden zijn."

"Wij zullen ze immers uit de spoorwegkas weer vullen!"

"Weet gij dan zóó zeker, dat ons plan gelukken zal? Als wij reeds hier geld kunnen maken, zou het de grootste dwaasheid wezen van die gelegenheid geen partij te trekken."

"Dus om het ding bij zijn waren naam te noemen, diefstal hier aan boord? Dat is gevaarlijk. Men kan zich hier niet terstond uit de voeten maken; en als den bestolene den diefstal ontdekt, zal het stellig en zeker een heisasa wezen van sinjeur den duivel, en zullen alle aan boord zijnde personen gevisiteerd en alle hoeken en gaten doorsnuffeld worden. Juist op ons zal allereerst de verdenking vallen."

"Gij zijt het grootste uilskuiken, dat ik ooit gezien heb. Zoo iets is gevaarlijk, ja, maar ook niet gevaarlijk: dat hangt er geheel van af hoe het ding aangepakt wordt. En ik ben er de man niet naar, om het bij het verkeerde eind aan te vatten. Als gij in alles mijn raad volgt, moet ons alles, zelfs de laatste groote slag, gelukken."

"Bedoelt gij daarboven aan het Zilvermeer? Hum! Als ze u daarmee maar niet iets op de mouw gespeld hebben."

"_Pshaw!_ Ik weet wat ik weet. Ik ben volstrekt niet van plan u nu reeds uitvoerig alles mede te deelen. Als we eenmaal ter plaatse zijn waar wij wezen moeten, zal ik u behoorlijk inlichten. Tot zoolang moet gij mij vertrouwen en mij gelooven als ik u zeg, dat daar schatten te halen zijn, die ons rijk kunnen maken voor ons geheele leven. Doch wij willen nu alle noodeloos gewauwel vermijden en liever bedaard afwachten wat voor nieuws de domme neger ons brengen zal."

Dit gezegd hebbende leunde hij achterover tegen de schansbekleeding en deed zijn oogen dicht, ten teeken, dat hij nu niets meer hooren wilde en niets meer zeggen zou. Ook de anderen maakten het zich zoo gemakkelijk als zij slechts konden. Enkelen deden hun best om den slaap te vatten, doch zonder dat het hun gelukken wilde; de overigen fluisterden zacht met elkander over het groote plan, tot welks volvoering zij zich verbonden hadden op leven en dood.

De "domme neger" scheen intusschen voor zijn taak berekend. Als hij een onoverkomelijk struikelblok ontmoet had, zou hij stellig teruggekomen zijn, om dat te zeggen. Hij was dus eerst naar den steward gegaan om met dezen te spreken, en toen aan den ingang van het salon verdwenen, zonder weer te voorschijn te komen. Er verliep een groot uur eer hij weer op het dek kwam. Hij had verscheiden wrijfdoeken in de hand, bracht die weg en kwam toen naar het dadelijk in een blijde stemming komende gezelschap, bij hetwelk hij zich neerzette, zonder de vier oogen te zien, waarmede hij en de tramps nauwlettend werden gadegeslagen. Het waren de vier oogen van de twee Indianen, den Ouden en den Jongen Beer.

"Wel," vroeg de kornel met gespannen ongeduld, "hoe hebt gij het er afgebracht?"

De gevraagde antwoordde mismoedig: "Ik heb mij alle moeite gegeven; maar ik geloof niet, dat ik, voor hetgeen ik gehoord heb, meer van u zal krijgen dan de bedongen drie dollars."

"Hoe zoo dat?"

"Wel, omdat mijn luisteren tevergeefs is geweest. Gij hebt u schromelijk vergist, sir!"

"Waarin dan?"

"Die reus heet wel Old Firehand, maar is volstrekt geen landbouwer, en kan dus dien Tom en die Tante Droll volstrekt niet te logeeren gevraagd hebben op zijn boerderij."

"Wel nu nog mooier!" viel de kornel uit, op den toon van iemand, die niet gelooven kan dat hij zich vergist heeft.

"Het is zooals ik u zeg," verzekerde de neger. "De reus is een beroemd jager en wil ver het gebergte in."

"Waarnaar toe?"

"Dat heeft hij niet gezegd. Ik heb alles goed gehoord: er is mij van het gansche gesprek geen woord ontsnapt. De drie mannen zaten apart met den vader van het meisje, dat de panter zoo graag had willen opvreten."

"Wil hij alleen het gebergte in?"

"Neen. Die vader heet Butler en is een ingenieur; die wil met hem meegaan."

"Een ingenieur? Wat kunnen die twee in het gebergte uit te voeren hebben?"

"Misschien is er een mijn ontdekt, die Butler eens wil gaan opnemen."

"Neen daartoe is Old Firehand zelf best in staat, vrij wat beter dan de knapste ingenieur."

"Zij willen eerst een bezoek brengen aan Butler's broeder, die een prachtige boerderij in Kansas bezit. Die broeder moet schatrijk zijn. Hij heeft vee en graan naar Nieuw-Orleans geleverd, en de ingenieur heeft het geld daarvoor geïncasseerd, en gaat hem dat brengen."

De oogen van de kornel vlamden op; maar noch hij noch een der tramps liet een zweem van verrassing blijken bij deze voor hen zoo gewichtige ontdekking.

"Ja, in Kansas zijn schatrijke landbouwers," merkte de kornel aan, op een onverschilligen toon. "Maar die ingenieur is een zeer onvoorzichtig mensch. Is het veel dat hij ontvangen heeft?"

"Negen duizend dollars aan bankpapier fluisterde hij zacht; maar toch heb ik het verstaan."

"Zulk een som draagt men toch maar niet zoo in zijn zak, dunkt mij. Waartoe zijn anders de bankierskantoren in de wereld? Als hij in handen van de tramps valt, is al zijn geld verloren."

"Neen, neen, want ze zouden het niet vinden."

"Jongen het zijn zulke gewikste kerels."

"Dat zal ik niet tegenspreken; maar waar de ingenieur zijn geld weggemoffeld heeft, zullen zij het stellig niet zoeken."

"Weet gij dan waar?"

"Ja. Hij heeft het aan de anderen laten zien. Dat ging echter zeer geheimzinnig en bedekt, opdat _ik_ het niet zien zou. Zoodra ik dat merkte, keerde ik mij om, en ging met mijn rug naar hen toe staan. Toen dachten ze, dat ik niet meer zien kon wat er gebeurde; maar ze hadden geen erg in den spiegel, waarin ik alles zoo duidelijk zag alsof ik er bij zat."

"Hum, op een spiegel is niet veel af te gaan. Als men er voor staat--dat is algemeen bekend--ziet men zijn rechterzijde links en zijn linkerzijde rechts."

"Daar heb ik nog nooit opgelet, en het kan mij ook niet schelen; maar wat ik gezien heb, dat heb ik gezien. De ingenieur heeft namelijk een oud bowie-mes, met een heft, dat hol is; en daarin heeft hij de banknoten geborgen. Gesteld nu dat de tramps, als hij in hun handen viel, hem alles afnamen, dan zouden ze in zulk een oud ellendig mes geen erg hebben; dat zouden ze hem wel laten houden, eerstens omdat ze het de moeite niet waard zouden vinden hem dat af te nemen, en ten andere omdat de ergste roover, dunkt mij, zijn slachtoffer toch niet zijn mes zou ontnemen, wetende, dat ieder, die geheel ongewapend is, in het Westen een verloren man zou zijn."

"Dat is wezenlijk zoo dom niet geredeneerd. Maar waar heeft hij dan dat mes, want een jagers-kostuum of een gordelriem draagt hij niet?"

"Hij heeft een gordelriem onder zijn kamizool; daaraan hangt de leeren zak, waarin het mes zit, onder het linker-voorpand van zijn jas."

"O zoo! Nu, dat kan ons ook eigenlijk niet schelen. Wij zijn geen tramps, maar eerlijke daggelders, die tijdens den oogst ons brood hopen te verdienen. Het spijt me echter dat ik mij in dien reus vergist heb. Hij gelijkt sprekend op dien landbouwer, dien ik bedoel, en draagt ook denzelfden naam."

"Dat zal misschien een broeder van hem zijn. Overigens is de ingenieur de eenige niet, die zooveel geld bij zich heeft. De Zwartbaard sprak van een aanzienlijke som gelds, die hij ontvangen heeft, en die hij verdeelen moet onder zijn kameraden, die rafters zijn."

"Waar zijn die dan?"

"Die zijn bezig boomen te rooien aan de Blackbear-rivier--maar waar dat is, weet ik niet."

"Ik wel. Die rivier ontlast zich beneden Tuloi in den Arkansas. Hoeveel rafters zijn daar bijeen?"

"Zoo wat twintig, allen flinke kerels, zeide hij. En dat koddige ventje in die leeren nachtjurk, heeft een vracht nuggets bij zich. Die gaat óók naar het Westen. Ik zou wel eens willen weten met welk inzicht hij al dat goud meesleept. Dat is maar ballast, dunkt mij, als men in de wildernis gaat reizen."

"Dat ben ik niet met u eens. Ook in het Westen heeft de mensch behoeften. Daar zijn forten, zomer-magazijnen en rondtrekkende kramen, waar men geld genoeg en nuggets genoeg kwijtraken kan. Overigens zijn die menschen mij nu volkomen onverschillig. Het eenige, dat ik niet begrijp, is: dat die ingenieur het rotsgebergte in wil, en toch zulk een jong meisje bij zich heeft."

"Het is zijn eenig kind. Dat dochtertje houdt zielsveel van hem, en heeft niet van hem willen scheiden. Daar hij nu van plan is, om een buitengewoon langen tijd in de bergen te blijven, zoodat hij er zelfs blokhuizen zal dienen te bouwen, heeft hij ten laatste maar besloten zijn vrouw en kind mee te nemen."

"Blok_huizen_? Heeft hij dat gezegd?"

"Ja."

"Voor hem en zijn vrouw en dochter zou één blokhuis voldoende zijn, dunkt mij. Het is dus waarschijnlijk, dat zij daar niet alléén zullen zijn, maar dat zij gezelschap zullen hebben. Ik zou wel eens willen weten wat eigenlijk hun doel daarmede is."

"Daar was de Zwartbaard óók nieuwsgierig naar; maar Old Firehand zei hem, dat hij dat later wel vernemen zou."

"Dus dat wordt geheimgehouden. Dan zal het er toch wel op uitdraaien, dat het doel van hun tocht een bonanza, een rijke erts-ader is, die zij eerst in het geheim willen onderzoeken, en die zij, als het onderzoek goed uitvalt, hopen uit te graven. Het spijt mij, dat gij de plaats niet weet, waar zij naar toe willen."

"Die hebben zij niet genoemd. Maar het schijnt dat zij den Zwartbaard en ook die Tante Droll willen meenemen. Die twee zijn dikke vrienden met hen geworden, zoo dik, dat ze hun slaapkajuiten, hun kooien, naast elkander hebben."

"Welke kajuiten zijn dat? Weet gij dat?"

"Ja, want daar spraken zij hardop over. In nommer één slaapt de ingenieur; nommer twee heeft Old Firehand; nommer drie Tom, nommer vier Tante Droll, en nommer vijf de kleine Fred."

"Wie is dat?"

"De jongen, die de Tante meegebracht heeft."

"Is dat een zoon van Droll?"

"Neen, voor zoover ik vermoeden kan."

"Hoe is zijn 'van', en wat is de reden dat hij met Droll meereist?"

"Daar is geen woord over gesproken."

"Die kajuiten één tot vijf liggen die rechts of links?"

"Aan stuurboordzijde, van hier af dus links. Het meisje van den ingenieur slaapt natuurlijk met haar moeder in een dames-kajuit. Doch over al die dingen behoef ik niet verder te spreken, die zijn voor u natuurlijk van geen belang."

"Neen, dat spreekt vanzelf. Daar ik mij in die menschen vergist heb, is het mij natuurlijk geheel onverschillig waar zij slapen. Ik benijd hun overigens hun enge, benauwde kooien niet, waar zij bijna moeten stikken, terwijl wij hierboven op het dek zooveel versche lucht hebben als wij maar verlangen kunnen."

"Nu! Versche lucht hebben de kajuitsheeren ook genoeg; want de raampjes zijn er uitgenomen en vervangen door gazen horretjes. Wie er het slechts aan toe zijn, zijn _wij_ natuurlijk. Wij moeten, als wij 's nachts niet te werken hebben, eigenlijk daarbeneden slapen,"--hij wees op een luik in hun nabijheid, door hetwelk men moest afdalen onder het dek--"nu het is een zeer bijzondere gunst, als de officier ons veroorlooft hier op dek te komen liggen bij de passagiers. Door dat nauwe luik komt er volstrekt geen lucht naar beneden, en uit het onderste ruim stijgt een vunzige, duffe stank naar boven. Dáár is het nu, op warme dagen, letterlijk om te stikken."

"Dus, uw slaapplaats staat in gemeenschap met het ruim van de scheepskiel?" vroeg de kornel, alsof het iets was waarin hij bijzonder belangstelde.

"Ja, daar is óók weer een luik, met een trap naar beneden."

"Kunt gij dat luik dan niet dichtdoen?"

"Och neen! Het zou eigenlijk wel kunnen; maar dat is veel te moeielijk."

"Nu, dan vind ik u wel te beklagen; maar dat baat u niet veel. Gelukkig hebben we nog brandy in de flesch; dat is beter."

"Juist, sir! Ook van het praten wordt de keel droog. Ik zal nog even drinken, en zoek dan een plaatsje in de schaduw, om een dutje te doen. Als mijn zes uur om zijn, moet ik weer aan den ketel. Maar hoe staat het nu met mijn dollars?"

"Ik houd mijn woord, in weerwil dat ik u eigenlijk voor niemendal betaal. Maar dat is geheel en al de schuld van mijn vergissing, en dáárvoor wil ik _u_ niet laten boeten. Hier zijn dus de drie dollars. Meer kunt gij niet verlangen, daar uw dienstvaardigheid ons volstrekt niet gebaat heeft."

"Ik verlang ook niet meer, sir! Voor deze drie dollars krijg ik zóóveel brandy dat ik er mij wel dood aan zou kunnen drinken. Gij zijt een nobel gentleman. En mocht gij weer eens iets willen weten, kom dan asjeblieft bij mij, en ga niet bij een ander. Op mij kunt gij rekenen."

Hij sloeg nog een vol glas naar binnen, en ging toen een eind verder in de schaduw van een groote baal liggen.

De tramps zagen hun aanvoerder nieuwsgierig aan. In hoofdzaak wisten zij waaraan zij zich te houden hadden; maar zij konden van eenige zijner vragen en nasporingen de eigenlijke strekking niet vatten.

"Gij kijkt mij nu aan om opheldering," zei hij, terwijl er over zijn tronie een welgevallig lachje van sluwheid gleed. "Negenduizend dollars aan banknoten, dus contant geld, en geen checks (= kassiersbriefjes) of wissels, waarbij men, als men die ter betaling aanbiedt, gevaar kan loopen gepakt te worden. Dat is een aardig sommetje, dat ons zeer welkom zal zijn."

"Als wij het hebben," zei degeen, die gewoon was voor de anderen het woord te doen.

"Wij hebben het!"

"Vooreerst nog in lang niet!"

"Tut, tut! Als _ik_ zeg, dat wij het hebben, dan is het zoo!"

"Welnu, hoe krijgen wij het dan? Hoe zullen wij het mes machtig worden?"

"Ik zal het gaan halen."

"Uit de slaapkajuit?"

"Ja."

"Gij zelf?"

"Natuurlijk. Een werkje waar zooveel van afhangt, laat ik niet aan een ander over."

"En als gij gesnapt wordt?"

"Dat is onmogelijk. Mijn plan is goed doordacht, en het zal gelukken."

"Als het waar is, zal het mij pleizier doen. Maar als de ingenieur wakker wordt, zal hij dadelijk zijn mes missen. En dan gaan de poppen aan het dansen."

"Ja, dat is waar: dan gaan de poppen aan het dansen, maar dan hebben wij de plaat gepoetst."

"Hoe dat?"

"Welk een onnoozele vraag! Aan wal natuurlijk."

"Moeten wij dan naar den wal zwemmen?"

"Neen. Dat zou te veel van u gevergd zijn, en van mij zelf ook. Ik ben een goed zwemmer, al zeg ik het zelf; maar in den nacht zou ik het toch niet wagen op deze breede rivier, waarvan men den oever bijna niet zien kan."

"O! Dan moeten wij ons zeker meester zien te maken van een der twee booten? Is dat de bedoeling?"

"Ook niet. Het zou wel geen heksenwerk zijn dat te doen, zonder dat het gezien werd; maar ik wil liever rekening houden met omstandigheden, die mij bekend zijn, veel liever dan met omstandigheden, die onverwacht kunnen plaats grijpen, en die de uitvoering van mijn plan onmogelijk zouden maken."

"Dan begrijp ik niet hoe wij aan wal zullen komen, eer de diefstal ontdekt is."

"Dat is juist een bewijs, dat gij een ezelskop zijt. Waarom heb ik dan zoo nauwkeurig gevraagd naar alle bijzonderheden van het scheepskiel-ruim?"

"Dat kan ik niet weten."

"Weten, neen! maar gij moest het kunnen raden. Kijk eens goed uit uw oogen! Wat staat daar naast het opgeschoten ankertouw?"

"Dat schijnt een gereedschapskist te zijn."

"Juist, dat is het. In die kist, heb ik hamers, vijlen, tangen en verscheidene boren gezien, onder andere een, waarvan het boorijzer een middellijn heeft van anderhalven duim. Breng nu die twee--de boor en het scheepskiel-ruim--eens met elkaar in verband?'

"_Thunder-storm!_ Gij zult toch het schip niet lek willen boren?" riep de andere verbaasd.

"Ja dat is juist wat ik van plan ben."

"En maken, dat wij allen verzuipen!"

"_Pshaw!_ Maak u toch niet belachelijk. Van verdrinken hebben wij hoegenaamd geen nood. Ik wil den kapitein eenvoudig noodzaken aan wal aan te leggen."

"O, zeg mij zoo! Maar zal dat gelukken?"

"Zeer zeker. Als het schip water inkrijgt, moet er een lek zijn; en als er een lek is, legt men aan wal aan, om het gevaar te ontwijken, en op zijn gemak te onderzoeken wat er aan hapert."

"Maar als men het te laat pas ontdekt?"

"Wees toch niet zoo kinderachtig bang. Als het schip zinkt, hetgeen zeer langzaam gaat, stijgt aan de buitenzijde de waterlijn. Dat moet door den officier of door den stuurman opgemerkt worden, als die niet blind zijn. Dat zal zooveel ontsteltenis en opschudding teweegbrengen, dat de ingenieur in de eerste oogenblikken den tijd niet zal hebben om zijn mes te denken. En als hij dan zijn verlies ontdekt, zijn _wij_ al lang geblazen."

"Maar gesteld eens, dat hij dadelijk om zijn mes denkt, en dat de kapitein wel laat aanleggen, maar geen mensch van boord laat gaan? Men dient op alles bedacht te zijn."

"Dan zullen zij óók niets vinden. Wij binden het mes aan een lange lijn, laten het daaraan in het water neer, en binden het andere einde van de lijn buiten aan het schip vast. Wie het dáár vindt, zou alwetend zijn.'

"Dat idee is wezenlijk niet kwaad. Maar als wij eenmaal van het schip af zijn, wat dan? Wij wilden toch eigenlijk zoo ver mogelijk meevaren."

"Voor negen duizend dollars zal men zich gaarne een poos loopen kunnen getroosten. Als wij den buit deelen, ontvangt ieder ruim vierhonderd dollars. Overigens zullen wij niet te veel van onze beenen behoeven te vergen. Ik denk, dat wij spoedig een boerderij of een Indianen-kamp aantreffen, waar wij paarden zullen kunnen koopen, zonder die te betalen."

"Dat ben ik met u eens. Maar waar rijden wij dan naar toe?"

"Allereerst naar de Blackbear-rivier!"

"Bedoelt gij naar de rafters, van wie de neger gesproken heeft?"

"Ja; het is zeer gemakkelijk, op te sporen waar zij zich ophouden. Natuurlijk laten wij ons daar niet zien, maar loeren op den Zwartbaard, wiens geld wij óók zullen zien in te pakken. Is dat gelukt, dan hebben wij genoeg, om ons voor onzen verren rit te kunnen uitrusten."

"Van de spoorwegkas zullen wij dus moeten afzien?"

"Volstrekt niet. Daar moeten vele, vele duizenden op den kop te tikken zijn, en dat geld zullen wij natuurlijk gaan halen. Maar het zou dwaas wezen, als wij iets lieten glippen, dat wij reeds voor dien tijd machtig kunnen worden. En nu weet gij, waaraan gij u te houden hebt. Van avond is er werk aan den winkel, en aan slapen valt niet te denken. Gaat daarom nu op één oor liggen, dan zijt ge van avond weer frisch en in staat om goed te marcheeren!"

Aan dat commando werd gevolg gegeven. Ten gevolge van de hitte heerschte er op het geheele schip een zeer buitengewone stilte en rust. Het landschap rechts en links van de rivier bood niets aan, dat de belangstelling der passagiers tot zich kon trekken, zoodat men den tijd doorbracht met slapen, of althans in een staat van dommeling, die het midden houdt tusschen slapen en waken, en die noch aan het lichaam noch aan den geest een wezenlijke verkwikking verschaft.

Eerst tegen den avond, toen de zon den gezicht-einder begon te naderen, kwam er weer beweging op het dek. De felle hitte had opgehouden, en er was een niet al te frisch windje beginnen te waaien. De ladies en gentlemen kwamen uit hun slaapkajuiten te voorschijn, om die verkwikkende koelte te genieten. Ook de ingenieur bevond zich onder hen. Hij had zijn vrouw en dochter bij zich, welke laatste van haar schrik en van het onvrijwillige koudwaterbad thans geheel was bekomen. Deze drie personen zochten de Indianen op, daar de beide dames hen nog niet bedankt hadden.

De Oude en Jonge Beer hadden den ganschen namiddag met echt Indiaansche rust en onbewegelijkheid op denzelfde kist doorgebracht, waar zij reeds zaten toen Tante Droll hun goedendag was komen zeggen. Zij zaten ook nu nog daar, toen de ingenieur met vrouw en dochter naar hen toe kwam.

"He--el bakh sjaj--bakh mateloe makiek (= nu zullen ze ons geld geven)," zei de vader in de Tonkawa-taal tegen zijn zoon, toen hij hen aan zag komen.

Zijn gezicht betrok; want de door hem genoemde manier van dankbaarheid is voor een Indiaan een beleediging. De zoon strekte zijn rechterhand, met den rug er van naar boven gekeerd, voor zich uit, en liet die toen snel naar beneden gaan, hetgeen zooveel beteekende, dat hij met zijn vader van gevoelen verschilde. Zijn oog rustte met welgevallen op het meisje dat hij gered had. Zij kwam met vlugge schreden naar hem toe, nam zijn hand tusschen haar twee handjes, drukte die hartelijk, en zei: "Gij zijt een goede en moedige jongen. Het is jammer dat wij niet dicht bij elkaar wonen: ik zou u liefhebben."

Hij keek haar ernstig in haar blozend gezichtje, en antwoordde: "Mijn leven zou u toebehooren. De Groote Geest deze woorden hooren; hij weten, dat ze waar zijn."

"Maar ik wil u ten minste een aandenken geven, opdat gij u mij herinnert. Mag ik dat doen?"

Hij knikte slechts. Zij trok een dunnen gouden ring van haar vinger af, en stak dien aan zijn linkerpink, waaraan die juist paste. Hij keek naar den ring; toen zag hij haar aan, greep onder zijn tsoeni-kleed, maakte iets los, dat om zijn hals hing, en gaf het haar. Het was een klein, dik vierkant stuk leder, als zeemleer gelooid en gladgeperst, met ettelijke teekens er op.

"Ik u ook geven aandenken," zeide hij. "Het is totem van Nientropan-homosj, slechts leer, geen goud. Maar als gij in gevaar komen bij Indianen, en dit maar laat zien, dan gevaar terstond ten eind. Alle Indianen kennen Nientropan-homosj, en houden veel van hem, en gehoorzamen zijn totem."

Zij begreep niet wat een totem was, en welk een groote waarde dat in sommige omstandigheden hebben kan. Zij wist slechts, dat hij haar voor den ring een stuk leder als tegengeschenk gaf: maar zij liet niets blijken, dat naar teleurstelling geleek. Zij was te fijngevoelig en te goedhartig, dan dat zij het van zich zou hebben kunnen verkrijgen, hem door afwijzing van zijn schijnbaar armzalig geschenk te grieven. Zij bond dus het totem om haar hals, waarbij de oogen van den jongen Indiaan fonkelden van vergenoegdheid, en antwoordde: "Ik dank u! Nu bezit ik iets van u, en gij hebt iets van mij. Dat verheugt ons beiden, ofschoon wij toch ook zonder die geschenken elkaar niet vergeten zouden." Nu bedankte hem ook de moeder van het meisje en wel eenvoudig met een handdruk. Daarop zei de vader: "Hoe moet ik nu de daad van den Jongen Beer beloonen? Ik ben niet arm; maar alles, wat ik bezit, zou nog veel te weinig zijn, voor hetgeen hij voor mij gered heeft. Ik moet dus zijn schuldenaar blijven, maar ook zijn vriend bovendien. Slechts een aandenken kan ik hem geven, waarmede hij zich tegen zijn vijanden verdedigen kan, zooals hij mijn dochter tegen den panter heeft verdedigd. Zal hij deze wapenen aannemen? Ik verzoek hem dat."