Chapter 49
De gevangen Roodhuiden hadden met hun bewakers in een soort van ravijn gewacht, zijnde een engte met veel bochten en krommingen, minstens tien en hoogstens twintig voet breed, welke eertijds door het water was uitgegraven, en thans den weg naar boven vormde. Ook hier heerschte een volslagen ontstentenis van plantengroei. De vroegere waterloop was geheel verdroogd, en bracht slechts in het voorjaar wellicht een weinig vochtigheid aan, doch niet voldoende om plantenleven te voorschijn te brengen.
De twee uur waren nagenoeg verstreken, toen het vroegere stroombed plotseling breeder werd en den vorm aannam van een rondom door de rotsen omringd vlak, waarin zich een stilstaand water bevond. Hier zag men weer gras, voor het eerst na een langen rit. De paarden hadden door de hitte, het gebrek aan water en den slechten weg, zeer geleden. Zij gehoorzaamden niet meer aan de teugels; eerst wilden zij eten. Daarom stegen de ruiters af. Zij gingen aan groepjes zitten, en spraken over de schatten, die zij eerlang hoopten te bezitten. Vijandige Indianen waren hier niet te vreezen, men wilde slechts eenige oogenblikken rusten, en dacht er daarom niet aan, wachtposten uit te zetten.
De ingenieur had den afgelegden weg nauwkeurig opgenomen; nu deed hij verslag van zijn bevinding: "Tot dusver ben ik zeer tevreden," zei hij; "het ravijn geeft niet alleen plaats voor de waterleiding, maar ook voor het transport van alle dingen, die wij noodig hebben. Gaat het verder evengoed, dan moet ik zeggen, dat de natuur ons bijzonder in de hand werkt."
"Hoort gij dat?" zei Hobble-Frank, terwijl hij den Altenburger een por in de ribben gaf. "Mijn villa komt stellig nog terecht."
"En mijn boerderij ook! Nu, verheug u, Altenburger, mijn vaderstad! de beroemdste van uw zonen komt aangereden met een geldzak, twintig ellen lang! Neef! kom hier ik moet u eens aan mijn hart drukken!"
"Nu nog niet!" zei Frank afwerend. "Nog liggen de schatten verborgen in den schoot der tijden van den confernalen toekomstvorm; en wij moeten als voorzichtige menschen er op bedacht zijn, dat mijn villa en uw boerderij nog altijd in een substantieel Niet verscholen liggen. Maar als geboren Saks en uitgeslapen vos twijfel ik er volstrekt niet aan, dat mijn verwachtingen zich in de schoonste vervulling zullen absolveeren; maar om elkander filissiteerend aan den boezem te drukken, zoo ver zijn we nog niet. Ik ben...."
Hij werd in de rede gevallen, want de ingenieur riep op angstigen toon: "Ellen! Waar is Ellen? Ik zie haar niet!"
Het meisje had hier, voor het eerst sedert twee dagen, niet alleen weer gras gezien, maar ook eenige bloemen, en was die dadelijk begonnen te plukken om ze aan haar vader te brengen. De vochtigheid van het naburige meer was rondom op den grond van invloed; vandaar dat hier reeds plantengroei merkbaar werd; en hoe hooger men kwam, des te krachtiger vertoonde die zich, en tooide zelfs het ravijn, dat naar het meer leidde. Ellen was argeloos dezen weg ingeslagen. Al plukkende ging zij verder en verder, tot zij aan een bocht kwam. Hier bedacht zij, dat zij zich niet te ver mocht verwijderen. Juist toen zij wilde omkeeren, zag zij drie mannen den hoek omkomen--drie gewapende Indianen. Zij schrikte geweldig en wilde om hulp roepen, doch kon geen geluid geven. De Indiaan heeft door zijn opvoeding veel tegenwoordigheid van geest; in alle omstandigheden handelt hij vlug en doortastend. Nauwelijks zagen de drie mannen het meisje, of twee hunner vlogen op haar aan, en grepen haar. De een hield haar mond dicht met zijn hand; de andere dreigde haar met zijn mes, en zei in gebroken Engelsch: "Stil anders dood!"
De derde sloop vooruit, om te ontdekken bij wie het blanke meisje behoorde; want het sprak vanzelf, dat zij niet alleen was. Na verloop van een paar minuten keerde hij terug, en fluisterde zijn metgezellen eenige woorden in het oor, die Ellen niet verstond; daarop werd zij meegetrokken, zonder dat zij het durfde wagen, geluid te geven.
Reeds spoedig was men aan het einde van het ravijn; het liep uit op een niet zeer hooge berghelling, waarvan de benedenzoom met kreupelhout bedekt was, dat hoogerop in bosch overging. Ellen werd door het kreupelbosch heen meegetrokken naar de boomen, waar Indianen in menigte zaten. Naast hen lagen hun wapenen, die zij dadelijk opnamen en tegelijk opsprongen, zoodra zij hun kameraden met het meisje zagen aankomen.
Ellen verstond geen woord van hetgeen er gesproken werd, maar zij zag de dreigende blikken van allen op zich gericht en begreep, dat zij in groot gevaar verkeerde. Daar herinnerde zij zich eensklaps het "Totem", dat de Jonge Beer haar op het stoomschip gegeven had, en dat hij er toen bij gezegd had, dat dit schrift haar beveiligen zou tegen iedere vijandelijkheid. "Zijn schaduw is mijn schaduw, en zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder", dat was de beteekenis er van. Zij trok het koord te voorschijn, waaraan het totem hing, maakte het los, en gaf het aan een der Indianen, dien zij om zijn grimmig uiterlijk voor het gevaarlijkst hield.
"Nientropan-homosj," zei zij daarbij, daar zij dikwijls gehoord had, dat de "Jonge Beer" in zijn eigen taal zoo heette.
De Roodhuid maakte het leder open, bekeek de figuren, uitte een kreet van verbazing, en gaf het totem aan zijn nevenman. Het ging van hand tot hand. De gezichten van allen werden vriendelijker, en degene, die reeds vroeger met Ellen gesproken had, vroeg haar:
"Wie--geven--u?"
"Nientropan-homosj," antwoordde zij.
"Jong opperhoofd?"
"Ja," knikte zij.
"Waar?"
"Op het schip."
"Groote vuurkano?"
"Ja."
"Op den Arkansas?"
"Ja."
"Komt uit. Nientropan-homosj op Arkansas geweest. Wie--mannen--daar?" Hij wees achterwaarts naar het ravijn.
"Winnetou, Old Firehand, Old Shatterhand."
"Oef!" riep hij uit, en "Oef!" riepen ook de anderen. Hij wilde nog verder vragen; doch daar ritselde het in het gebladerte, en de blanken, met de drie zooeven genoemden aan het hoofd, kwamen te voorschijn, om de Roodhuiden te omsingelen. Winnetou had hun spoor ontdekt, en men was hen onmiddellijk gevolgd. Zij deden geen pogingen om zich te weer te stellen, want zij wisten, dat men hun geen letsel zou doen. De bespieder had op zijn verkenningstocht Winnetou niet opgemerkt; vroeger had hij hem eens gezien, en nu herkende hij hem dadelijk.
"De groote hoofdman der Apachen!" riep hij uit. "Dit blanke meisje bezit het totem van den Jongen Beer, en is dus onze vriendin. Wij hebben haar meegenomen, omdat wij niet wisten, of de mannen, bij wie zij behoorde, onze vrienden of vijanden waren."
De Roodhuiden hadden hun gezicht blauw en geel geverfd. Dit ziende, vroeg Winnetou hun: "Zijt gijlieden krijgslieden van de Timbabatsjen?"
"Ja."
"Wie is uw aanvoerder?"
"Tsjia-nietfas." ("Het lange oor.") Waarschijnlijk was deze man door zijn scherp gehoor beroemd.
"Waar is hij?" vroeg Winnetou verder.
"Aan het meer."
"Met uw hoevelen zijt gijlieden hier?"
"Honderd man."
"Zijn er nog andere stammen ook hier?"
"Neen. Doch er komen nog tweehonderd krijgslieden van de Navajos, om tegen de Utahs te strijden. Met hen willen wij noordwaarts trekken, om de scalps der Utahs te halen."
"Past maar op, dat zij niet de uwen nemen. Hebt gijlieden wachtposten uitgezet?"
"Waartoe? Hier zijn geen vijanden te vreezen."
"Er zijn er meer in aantocht, dan u lief zal zijn. Is de Groote Beer aan het meer?"
"Ja, en de Jonge Beer ook."
"Brengt ons bij hen!"
Juist kwamen eenige rafters met de paarden en de gevangenen uit het ravijn; de andere blanken waren Ellen natuurlijk te voet gevolgd. Men klom naar boven, en de Timbabatsjen gingen als gidsen voorop. Niemand was natuurlijk blijder over den afloop van dit avontuur dan de ingenieur, die in den grootsten angst was geweest over zijn dochter.
Het ging recht tegen den berg op, en vervolgens boven op de helling een eind onder de boomen door. Aan de andere zijde daalde de grond weer, en al spoedig zag men het water.
"Het Zilvermeer," zei Old Shatterhand, zich tot zijn metgezellen wendende. "Eindelijk zijn wij dus aan het doel van onzen tocht."
"Maar rust zullen wij hier niet vinden," zei Old Firehand. "Wij zullen waarschijnlijk nog veel kruit te ruiken krijgen."
Nog eenige oogenblikken, en toen kon men den ganschen omtrek overzien; het mocht inderdaad een prachtvol natuurtafereel genoemd worden.
Rotsbastions, zoo hoog als torens, met allerlei kleurschakeeringen gelijk die in den canon, omsloten een dal, dat ongeveer twee uur gaans lang en half zoo breed kon zijn. Achter die bastions verhieven zich telkens weer nieuwe bergreuzen, de een altoos het hoofd uitstekende boven den ander. Maar deze bergen en rotsen waren niet kaal. In de talrijke kloven daartusschen groeiden boomen en struikgewas; hoe lager men kwam, des te dichter werd de boschgroei, die zich uitstrekte in het rond tot dicht bij het meer, en tot daar slechts een smalle grasstrook vrij liet.
Midden in het meer lag een groen eilandje met een vreemdsoortig gebouwtje, van in de lucht gedroogde tichelsteenen opgetrokken. Het scheen uit den tijd te dagteekenen, toen de oorspronkelijke bewoners nog niet door de tegenwoordige Indianen waren verdrongen. Op de grasstrook stonden verscheiden hutten, in welker nabijheid eenige kano's aan den oever vastgemeerd lagen. Het eilandje was cirkelrond, en kon omstreeks honderd voetstappen in doorsnede groot zijn. Het oude gebouwtje was geheel met bloeiende slingerplanten bedekt; het overige gedeelte van het eilandje was als tuin aangelegd en met bloemen en heesters beplant.
Het bosch deed de toppen der boomen weerspiegelen in het water, en de bergpieken wierpen hun schaduwen over het meer. Toch was dit noch groen, noch blauw of zelfs donker van kleur. Het glinsterde veeleer als zilvergrijs. Geen windje bracht het water in beweging. Was zoo iets mogelijk geweest, dan zou men hebben kunnen denken een met kwikzilver gevuld bekken voor zich te zien.
In en bij de hutten lagen Indianen, de bewuste honderd Timbabatsjen. Zij werden eenigszins onrustig, toen zij de blanken zagen aankomen; doch dat zij hun kameraden aan het hoofd van den stoet zagen, stelde hen spoedig gerust.
De blanken hadden de hutten nog niet geheel bereikt, of op het eilandje traden twee mannelijke gestalten uit de hut te voorschijn. De Apache bracht zijn hand aan den mond, en riep: "Nientropan-homosj! Winnetou is aangekomen!"
Men hoorde terugroepen; daarop zag men de beide mannen in een kano stappen, om naar den oever te roeien. Het waren de beide Beren, vader en zoon. Hun verwondering, toen zij de bekende gezichten zagen, was stellig groot; doch zij lieten hoegenaamd niets daarvan blijken. Toen de Groote Beer aan land was gestapt, gaf hij Winnetou de hand, en zei: "Het groote opperhoofd der Apachen is overal, en waar hij komt, verblijdt hij de harten. Ik groet ook Old Shatterhand, dien ik ken, en Old Firehand, die met mij op het schip is geweest."
Toen hij Tante Droll zag, gleed er een glimlach over zijn gelaat; de eerste ontmoeting met dit potsierlijke kereltje schoot hem te binnen, en hij zei terwijl hij hem de hand reikte: "Mijn blanke broeder is een dapper man; hij heeft den panter gedood, en ik heet hem welkom!"
Zoo ging hij van man tot man, om ieder de hand te drukken. Zijn zoon was te jong; hij mocht zich niet met de beroemde krijgslieden en jagers op één lijn stellen, doch met Ellen mocht hij wel spreken. Toen hij de kano had vastgemaakt, naderde hij het meisje, dat uit den draagstoel was gestapt. Hij had zeker op zijn reis opgemerkt, op welke manier dames en heeren elkander begroeten, en wilde waarschijnlijk laten zien, dat hij dat nog onthouden had. Daarom nam hij zijn hoed van het hoofd, wuifde er een weinig mee, en zei toen in gebroken Engelsch: "De Jonge Beer heeft het niet voor mogelijk gehouden, dat hij ooit de blanke Miss zou weerzien. Wat is het doel van haar reis?"
"Wij willen niet verder, dan naar het Zilvermeer," antwoordde zij.
Hij kreeg een kleur van blijdschap, hoewel hij zijn verwondering niet geheel kon verbergen.
"Zal de Miss dan eenigen tijd hier vertoeven?" vroeg hij.
"Ja, nog al lang zelfs!" antwoordde zij.
"Dan vraag ik om vergunning, veel bij haar te mogen zijn. Zij moet alle boomen, planten en bloemen leeren kennen. Wij zullen op het meer gaan visschen en in het bosch gaan jagen; maar ik moet altijd in haar nabijheid zijn, want er zijn wilde dieren en vijandige menschen. Zal zij mij dat vergunnen?"
"Zeer graag. Ik zal mij bij u veel veiliger voelen, dan wanneer ik alleen ben, en verheug er mij zeer over, dat gij hier zijt."
Zij reikte hem de hand, en hij, waarlijk, bracht die aan zijn lippen, en maakte daarbij een buiging als een echt gentleman.
De paarden van de nieuwaangekomenen werden door de Timbabatsjen in het bosch gebracht, waarin zich ook de hunne bevonden. Hun hoofdman was tot nu toe hooghartig in zijn hut blijven zitten, en kwam nu langzaam te voorschijn, vrij gemelijk, dat men zoo weinig notitie van hem nam. Het was een somber uitziend man met zeer lange beenen en armen, hetgeen hem iets orang-oetang-achtigs gaf. Hij was niet minder verwonderd geweest dan de overigen over de onverwachte komst van zooveel blanken; doch hij was het aan zijn waardigheid verplicht, hiervan niets te laten merken en hun tegenwoordigheid te beschouwen als iets dat vanzelf sprak. Daarom bleef hij op een afstand staan en keek over hen heen naar de bergen, alsof hij niets met hen te maken had. Doch hij had buiten den waard gerekend; want Tante Droll kwam naar hem toe, en zei: "Waarom komt het Lange Oor niet naderbij? Wil hij de beroemde krijgslieden der bleekgezichten niet begroeten?"
De hoofdman mompelde iets onverstaanbaars in zijn eigen taal; maar Droll antwoordde: "Het Lange Oor spreke Engelsch. Uw taal heb ik niet geleerd."
De Roodhuid mompelde weer iets koeterwaalsch, en daarop vervolgde Droll: "Het Lange Oor luistere naar wat de bleekgezichten weten, dan zult gij spoedig erkennen, dat als wij niet gekomen waren, gij allen hoogstwaarschijnlijk uw scalps verloren zoudt hebben."
"Onze scalps? Wie zou ons die ontnemen?"
"De Utahs."
"O, die komen niet; die zijn door de Navajos verslagen, en dezen zullen wij spoedig volgen, om ook veel scalps van de Utahs te halen."
"Dan vergist gij u!"
"Maar wij zien toch hoofdmannen en krijgslieden van de Utahs hier als uw gevangenen. Dus moeten die toch overwonnen zijn!"
"Die hebben wij gevangengenomen op ons eigen handje. De Navajos hebben een volkomen nederlaag geleden en zijn op de vlucht geslagen; de Utahs rijden hen achterna, en zullen wellicht reeds heden aan het Zilvermeer zijn."
"Oef!" zei het Lange Oor, terwijl hij van verbazing met open mond bleef staan.
Ook zijn onderhoorigen uitten kreten van verbazing.
"Is het mogelijk?" vroeg de Groote Beer. "Spreekt deze blanke tante de waarheid?"
"Ja," antwoordde Winnetou, die het woord nam, omdat hij de omstreek van het Zilvermeer het best kende. "Wij zullen u alles uitvoerig vertellen, doch niet voordat wij zeker zijn, dat wij niet door den vijand overvallen kunnen worden. Zij kunnen ieder oogenblik hier zijn. Laat vijftig krijgslieden der Timbabatsjen onmiddellijk naar den canon afdalen; Humply-Bill en Gunstick-Uncle zullen hen vergezellen."
"Ik ook mee!" verzocht Hobble-Frank.
"Ik ook asjeblieft!" zei Droll.
"Goed," antwoordde Winnetou. "Gijlieden rijdt ook mee. Gij gaat naar beneden, tot daar, waar de canon smal begint te worden, en legt u daar achter de rotsen in hinderlaag. Er zijn daar genoeg uitspringende rotsen, waarachter gij u kunt verbergen. De Utahs zullen de Navajos dicht op de hielen zitten, om gelijktijdig met hen het Zilvermeer te bereiken. Gij moet de vrienden te hulp komen; en zoodra gij de vijanden ziet naderen, aan ons een boodschapper zenden, opdat wij ook te hulp komen. Laat uw paarden eerst terdege drinken; drink zelf ook, want daarbeneden is geen water, en de Groote Beer zal u wel eten medegeven."
Vleesch was er genoeg voorhanden. Het hing te drogen aan riemen, die tusschen de boomen waren gespannen. Drinkwater was er ook in overvloed. Van de bergen stroomden verscheiden beken, die zich in het meer ontlastten. Om een dezer beken hadden de paarden zich verzameld, om hun dorst te lesschen.
Spoedig waren de vijftig mannen en de vier blanken gereed om te vertrekken. De Jonge Beer vroeg aan zijn vader vergunning om mee te mogen rijden, welk verzoek onmiddellijk werd ingewilligd. Hij kende het meer en den canon beter dan de Timbabatsjen. Zijn tegenwoordigheid kon hun van veel nut zijn.
Het dal van het Zilvermeer liep van het noorden naar het zuiden; het was aan de oost- en westzijde volkomen ongenaakbaar, en kon in het noorden niet anders bereikt worden, dan door den canon en de rotskloof, terwijl het meer in het zuiden zijn water ontlastte in een ravijn, dat in die richting den uitgang van het dal vormde.
Van de zuidzijde was geen vijand te verwachten; van dien kant moesten veeleer de bevriende Navajos komen. Daar behoefde men dus geen voorzorgsmaatregelen te nemen. Die waren slechts aan de noordzijde noodig.
Wie den omtrek van het Zilvermeer aan die zijde nauwkeurig onderzocht, moest tot het resultaat komen, dat het meer vroeger zijn afwatering niet naar het zuiden, maar naar het noorden gehad had. In ieder geval ontlastte het destijds zijn overtollige water in den canon. Nu lag er echter tusschen het meer en den canon een tamelijk breede, op een dijk gelijkende verhevenheid, die er vroeger niet geweest was. Vanzelf was die soort van dijk niet ontstaan; het vermoeden lag dus voor de hand, dat hij er kunstmatig was opgeworpen. Doch de handen, die dit werk voltooid hadden, waren reeds lang tot stof vergaan, want op den dijk stonden boomen, die minstens honderdvijftig jaar oud moesten zijn. Met welk doel had men dien dijk dan opgeworpen? Was er nu nog iemand in staat om deze vraag te beantwoorden?
Het detachement, dat door Winnetou was afgezonden, reed den dijk over, waarachter de canon begon. Die was hier ternauwernood tien el breed. Aanvankelijk vlak, begon de bodem allengs te dalen. Hoe lager die daalde, des te breeder werd hij. Plantengroei scheen aan deze zijde slechts in de nabijheid van het meer te bestaan. Zoodra men den dijk over was hield alle boomgroei en struikgewas op, en weldra was er zelfs geen grashalm meer te bekennen.
Eer de troep tien minuten ver gereden had, bereikten de rotswanden van den canon reeds een hoogte van meer dan honderd voet; nog een kwartier, en zij schenen zich tot in de wolken te verheffen. Hier waren ook reeds de rondgeschuurde steenen, die het rijden zoo bezwaarlijk maakten. Na het derde kwartier werd de canon eensklaps breeder, dubbel zoo breed als die tot dusver geweest was. Zijn wanden waren niet alleen in de hoogte, doch ook naar beneden op verscheiden plaatsen vaneengereten. Het had er veel van alsof de rotsen op zuilen rustten, welke gangen vormden, waarin men zich verschuilen kon.
"Hier moeten wij stilhouden," zei de Jonge Beer, die met de blanken voorop reed. "Hier zijn genoeg gaten en holen, waarin wij ons kunnen verbergen."
"En de paarden brengen wij een eind terug," zei Droll, "anders zouden ze van hier, waar het tot vechten kan komen, licht gezien worden."
Deze maatregel was verstandig, en werd daarom opgevolgd. De vijf en vijftig mannen verborgen zich aan beide zijden in de spleten. De blanken hielden den Jongen Beer bij zich, omdat deze hun alle wellicht noodige inlichtingen kon geven. Hij vroeg zoo ernstig en verstandig als een volwassen krijgsman naar de gebeurtenissen van de laatste dagen, en kon het maar niet gelooven, dat de Navajos afgeslagen waren. Doch des te grooter was de erkentelijkheid, die hij voor de blanken aan den dag legde.
"Mijn blanke broeders hebben gehandeld als moedige en toch bedachtzame mannen," zei hij: "doch de Navajos zijn doof en blind geweest. Zij moesten overwinnen, want zij werden door de Utahs nog niet verwacht. Als zij stil in het dal waren geslopen en de Utahs hadden overvallen, waren die volkomen vernietigd. Maar zij hebben ontijdig geschreeuwd en geschoten, en hebben daarvoor met hun scalps moeten boeten. Nu zijn de Utahs hen de baas, en indien het gevecht zich voortplant tot in de nabijheid van het meer, dan...."
"Dan zullen wij een woordje meespreken," viel Droll hem in de rede.
"Ja, dat zullen we," zei Frank. "Het zou mij plezier doen als ik het geweer, dat de lord mij gegeven heeft, voor het eerst tegen die kerels kon probeeren. Hoe is het met den canon, heeft die hier ook toegangen?"
"Neen. Er is er slechts een; namelijk de kloof, waardoor gij in het keteldal zijt gekomen, maar die toegang kennen de Utahs niet."
"En de Navajos?"
"Slechts enkelen van hen, en die zullen er niet aan denken, van dien weg gebruik te maken, want de weg is...."
Hier zweeg hij eensklaps, om te luisteren. Zijn geoefend oor had een geritsel waargenomen. Ook de anderen hoorden het. Het klonk als het struikelen van een vermoeid paard over de verbrokkelde steenen. Een oogenblik later verscheen een enkel ruiter, een Navajo, wiens paard bijna niet meer kon loopen. De man scheen gekwetst te zijn, want hij was met bloed bevlekt, doch desniettegenstaande zette hij zijn paard met handen en voeten tot steeds verhoogde krachtsinspanning aan.
De Jonge Beer verliet zijn schuilhoek, en trad naar buiten. Zoodra de Navajo hem gewaarwerd, liet hij zijn paard stilstaan en riep verheugd: "Oef! mijn jonge broeder! Zijn de verwachte krijgslieden der Navajos reeds aangekomen?"
"Nog niet."
"Dan zijn wij verloren!"
"Hoe kan een krijgsman der Navajos zich verloren wanen!"
"De Groote Geest heeft ons den rug toegekeerd en zich naar de honden der Utahs gewend. Wij hebben hen in het Hertendal overvallen, om hen te verdelgen; doch onze hoofdmannen hadden hun verstand verloren, en wij werden verslagen. Wij vluchtten, en de Utahs vervolgden ons; zij waren sterker dan wij; maar toch zouden wij stand hebben kunnen houden; doch van morgen heeft zich een nieuwe groote troep bij hen aangesloten. Zij zijn nu viermaal zoo sterk als wij, en zitten ons dicht op de hielen."
"Oef! dus zijt gijlieden reeds vernietigd?"
"Bijna. Tien geweerschoten van hier af naar beneden woedt het gevecht. Ik ben afgezonden om van het Meer af hulp te halen; want wij dachten, dat de verwachte krijgslieden reeds aangekomen zouden zijn. Nu zijn onze mannen verloren!"
"Nog niet. Stijg van uw paard af, en rust hier wat uit! Er zal wel hulp komen."
Wat keek de man verbaasd, toen hij vijftig Timbabatsjen en vier blanken te voorschijn zag komen. De laatsten hadden het relaas van den Navajo niet verstaan, daar zij zijn taal niet machtig waren; daarom lieten zij het zich door den Jongen Beer vertolken. Toen zij hoorden hoe de zaken stonden, zei Droll: "Als het zoo gesteld is, moeten de Navajos onmiddellijk achteruittrekken. Er moet dadelijk een renbode naar hen toe, om hun te zeggen, dat wij hen hier zullen opnemen. En een tweede moet naar het Meer, om onze kameraden en de overige Timbabatsjen te halen."
"Hoe komt het in u op!" viel Hobble-Frank hem weersprekend in de rede. "Volgens dit plan, zijn de Navajos verloren!"
"Hoe zoo?" vroeg Droll verwonderd. "Denkt gij, dat ik geen Westman ben?"
"De beste Westman kan wel eens iets verkeerd inzien. De Navajos hebben zulk een overmacht tegen zich, dat zij verloren zijn, zoodra zij willen vluchten, want in dat geval rijden de Utahs hen eenvoudig onder den voet. Zij moeten blijven, waar zij zijn; zij moeten standhouden, tot het gevecht tot staan komt, en daarvoor zullen _wij_ zorgen."
"Bravo, Frank! gij hebt gelijk," riep Humply-Bill.
En de Gunstick-Uncle voegde er bij: "Ja, ja, zij moeten vechtend blijven--tot wij al de Utahs daar verdrijven!"
"Goed gesproken!" knikte de Hobble, gestreeld door de instemming die zijn plan vond. "Er moet gauw een krijgsman van de Timbabatsjen naar het Meer rijden, om hulp te halen; drie blijven er hier bij de paarden, om te zorgen dat die geen verkeerde kunsten beginnen, en wij overigen loopen wat wij loopen kunnen om de Navajos te helpen. Vooruit maar!"