De schat in het Zilvermeer

Chapter 48

Chapter 483,963 wordsPublic domain

Terwijl hij dit zei, bevrijdde hij den Navajo, die nog een jonge man was van zijn boeien. Deze sprong op, rekte zijn ledematen goed uit, en verzocht toen: "Geef deze honden in mijn hand, opdat ik hun scalp kan nemen! Hoe zachter gij hen behandelt, des te meer zullen zij u bedriegen."

"Gij hebt met hen niets te maken," antwoordde Old Shatterhand. "Gij zult misschien met ons mee willen gaan; maar als gij het hart hebt, hen met een vinger aan te raken, zal ik u met mijn eigen handen dooden. Wanneer wij hen laten leven, kunnen zij ons waarschijnlijk nog van nut zijn; maar hun dood zou ons schaden."

"Wat zouden zij u van nut kunnen wezen?" vroeg de roodhuid minachtend. "Die honden zijn tot niets nut!"

"Daarover heb ik geen opheldering te geven. Wilt gij ongedeerd tot de uwen terugkeeren, dan hebt gij u te schikken naar onzen wil."

Men zag aan het gezicht van den Navajo, dat hij slechts noode van de vervulling van zijn wensch afzag; maar hij begreep, dat hij niet anders kon. Om hem eenigszins ter wille te zijn, stelde Old Shatterhand hem aan ter bewaking van de gevangen Utahs, en beloofde hem den scalp van hem, die een poging mocht wagen tot ontvluchten. Dit stelde den man tevreden, en was tevens een zeer verstandige maatregel, daar er stellig geen oplettender en onvermoeider bewaker te vinden kon zijn, dan die man, die zoo begeerig was naar de schedelhuid der gevangenen.

Nu was het in de allereerste plaats nog zaak, de vermoorde blanken in oogenschouw te nemen. Die boden een aanblik, waarvan het maar het best is geen beschrijving te geven. Zij waren onder groote martelingen gestorven. De mannen, die thans bij de lijken stonden, hadden reeds veel gezien en ondervonden; maar er ging hun een ijskoude rilling van afgrijzen over het gansche lijf, toen zij de op ontelbare plaatsen doorstoken lichamen en afschuwelijk verminkte ledematen van de dooden aanschouwden. De tramps hadden gemaaid, wat zij gezaaid hadden. Het ergst was het den kornel gegaan. Hij hing ten onderste boven aan den martelpaal, met zijn hoofd naar beneden. Hij was, evenals al de zijnen, van alle kleederen ontbloot; de Roodhuiden hadden die onder elkander verdeeld, en er was niet het kleinste stukje meer van te zien.

"Dat is jammer!" zei Old Firehand. "Hadden wij maar wat eer kunnen komen, om het vermoorden van die lieden te beletten!"

"_Pshaw!_" antwoordde de oude Blenter. "Hebt gij inderdaad nog meelijden met die schobberds? En al waren wij tijdig genoeg gekomen, en al was het u gelukt hen het leven te redden, de kornel zou toch hebben moeten sterven. Mijn mes zou in elk geval een woordje met hem gesproken hebben."

"Zoo was het niet gemeend, want hun dood betreur ik volstrekt niet, ofschoon ik wel gewenscht had, dat men hen een minder gruwzamen dood had doen sterven. Maar dat papier, die teekening, die de kornel bij zich had! Die teekening wilde ik hebben, die hadden wij noodig! En die is nu weg; stellig reddeloos verloren!"

"Misschien vinden wij het papier nog. Wij komen stellig nog wel weer in aanraking met de Utahs; en dan zal het wellicht op de een of andere manier mogelijk wezen, om in het bezit te komen van de kleeren, die de kornel aanhad; en die kunnen wij dan onderzoeken."

"Ik heb er een zwaar hoofd over. Wij kennen immers de kleeren niet, die hij het laatst gedragen heeft; die zijn waarschijnlijk niet eens bij elkander gebleven, maar onder verscheiden Roodhuiden verdeeld. Hoe zou men die weer bijeen kunnen krijgen? De teekening is verloren, en de oude hoofdman Ikhatsjitabli, van wien Engel die ontvangen heeft, is dood. Een tweede exemplaar is dus niet meer te bekomen."

"Gij vergeet," merkte Watson, de voormalige opzichter over de baanwerkers te Sheridan, aan, "dat die hoofdman een zoon had, en een kleinzoon, die toen wel niet daar waren, maar die toch eigenlijk bij hem aan het Zilvermeer woonden. Dat die twee het geheim wel zullen kennen, spreekt, dunkt mij, vanzelf, en die zullen er dus, hetzij goedschiks hetzij kwaadschiks, dat doet er niet toe, wel toe te brengen zijn, het aan ons mee te deelen."

"Een indiaan laat zich tot zoo iets niet dwingen, vooral wanneer er goud of zilver bij in het spel is; hij sterft liever, dan een gehaten blanke behulpzaam te wezen om rijk te worden."

"De vraag is, of hij ons wel tot de gehate blanken zal mederekenen. De twee Beren zijn misschien jegens de blanken vriendschappelijk gezind."

"De twee Beren?" vroeg Old Firehand. "Heetten zij zoo?"

"Natuurlijk: de Groote Beer en de Jonge Beer."

"Verduiveld ja. Hoe is het mogelijk, dat ik zoo ver nog niet gedacht heb. Maar nu herinner ik het mij zeer goed: de twee Tonkawa's die met ons op de stoomboot waren! Nientropan-Hawi en Nientropan-Homosj--de Groote Beer en de Jonge Beer--juist, zoo heetten zij!"

"Die twee, vader en zoon, wonen boven aan het Zilvermeer," bevestigde Winnetou. "Ik ken hen; het zijn vrienden van mij, en zij zijn de bleekgezichten altijd zeer genegen geweest."

"Inderdaad? Dat is goed, zeer goed; dan bestaat er misschien nog kans, dat wij van hen de noodige inlichtingen bekomen. Ongelukkig is er op dit oogenblik oorlog daarboven, en de Utahs bevinden zich tusschen ons en het Meer. Wij zullen er vermoedelijk niet doorheen komen."

"Wij behoeven er niet doorheen, wij behoeven de Utahs niet voorbij; want ik ken een weg, dien nog géén blanke, of Utah, ooit betreden heeft. Hij is wel uiterst moeilijk; maar als wij spoedig opbreken, zullen wij nog vóór de Utahs, en zelfs reeds vóór de Navajos daar kunnen zijn."

"Dan zullen wij spoed maken. Wij hebben hier niets meer te doen, dan deze blanken te begraven, die wij toch niet kunnen laten hangen. Doch dat is spoedig gedaan, als wij hen naast elkander leggen en met steenen bedekken. Dan gaan wij dadelijk op weg. Ik hoop het beste, vooral daar wij zooveel gijzelaars hebben, zoodat wij de Utahs waarschijnlijk zullen kunnen dwingen, om in der minne met ons tot een overeenkomst te komen."

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

AAN HET ZILVERMEER.

Het was een indrukwekkend tooneel, dat zich aan de oogen der blanken vertoonde, toen zij eenige dagen later het doel van hun moeitevollen rit naderden. Zij reden in een langzaam klimmenden canon, aan welks beide zijden machtig hooge rotsmassa's zich verhieven, en zulks in een kleurenglans, die bijna de oogen verblindde. Kolossale zandsteen-pyramiden, de eene naast de andere staande, of tooneelschermachtig voor en achter elkander schuivende, schenen in verschillend gekleurde lagen of verdiepingen tot aan den hemel te reiken. Nu eens vormden die pyramiden rechtlijnige, loodrechte wanden; dan weer waren zij met haar vele pijlers en vooruitspringende hoeken en spitsen en kanten bij gemetselde kasteelen of phantastische citadellen te vergelijken. De zon stond hoog, schuin boven die grootsche formatiën, en deed die schitteren met een in waarheid onbeschrijfelijke kleurenpracht. Sommige rotsen vertoonden een helder lichtblauwen weerschijn, andere zulk een donkeren, goudachtig rooden glans. En daartusschen lagen gele, olijfgroene en als vurig koper fonkelende rotsschichten, terwijl in de sponningen of groeven tusschen die verschillende rotslagen een donkerblauwe schaduw rustte. Maar aan al die schier verblindende pracht ontbrak leven en beweging. Er was geen droppel water tusschen die rotsen: geen grashalmpje vond voedsel op dien diep liggenden grond, en langs die onbeweeglijk strakke muren vertoonde zich geen enkel groen twijgje, geen enkel blaadje, waarvan het groen zoo weldadig het oog had kunnen streelen.

Maar dat er indertijd hier wel degelijk water geweest was, en in geduchte hoeveelheid zelfs, dat bewezen de sporen, die aan weerskanten langs de rotswanden zichtbaar waren. Destijds was de thans droogliggende canon het stroombed geweest van een snelstroomend water, dat zijn teugellooze golven diep en breed in den Colorado ontlastte. Dan was het ravijn wekenlang voor elken menschenvoet ontoegankelijk, en de stoutmoedigste westman of Indiaan zou zich niet licht in een wrakke, gebrekkige kano gewaagd hebben op dien bruisenden stroom.

De bodem van den canon bestond dan ook uit een laag rondgeschuurde steenen, waarvan de tusschenruimten gevuld waren met zand. Dat gaf een zeer moeilijken weg; want bij eiken voetstap weken de ronde steenen onder de hoeven der paarden en vermoeiden de dieren zoo, dat men van tijd tot tijd halt moest houden om hen te laten rusten.

Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou reden voorop. De eerste wijdde aan alles rondom hem een in het oog loopende opmerkzaamheid. Men kon het aan hem zien, dat hij naar een plaats zocht, die voor hem stellig van gewicht was. Daar, waar twee geweldige rotspijlers ver in de hoogte tegen elkander leunden en beneden een tusschenruimte lieten, die hoogstens tien voet breed was en naar binnen nog smaller scheen te worden, daar hield hij zijn paard staande, bekeek die plaats met een nauwlettend oog, en zeide: "Hier moet het wezen, waar ik er destijds uitgekomen ben, nadat ik die ader gevonden had. Ik geloof niet, dat ik mij vergis."

"En wilt gij daar ingaan?" vroeg Old Shatterhand.

"Ja. En gij moet met mij mee!"

"Loopt die spleet dan verder door? Ik verbeeld mij, dat die spoedig ten einde loopt."

"Dat zullen wij zien. Het is ook mogelijk, dat ik mij vergis."

Hij wilde van zijn paard afstijgen, om eerst een onderzoek in te stellen; maar de Apache liet zijn viervoeter naar de rotsengte zwenken, en zei op zijn bedaarden toon, maar zich van zijn zaak zeker voelende: "Mijn broeders kunnen mij volgen, want hier begint een weg, die ons een grooten omweg besparen zal. Ook is hij voor de paarden veel gemakkelijker dan den hobbeligen weg van den canon."

"Kent gij dan deze engte?" vroeg Old Firehand verwonderd.

"Winnetou kent alle bergen, dalen, ravijnen en spelonken nauwkeurig; gij weet, dat hij zich nooit vergist."

"Dat is waar. Maar dat gij juist deze plaats kent, en er van beweert dat hier het begin is van een weg, dat is opmerkelijk. Kent gij dan ook de streek, waar die weg naar toe loopt?'

"Ja. Deze engte wordt eerst nog enger; dan wordt zij beduidend breeder, niet tot een smal ravijn, maar tot een gladde rotsvlakte, die als een reusachtig tafelblad langzamerhand stijgt."

"Zoo is het, zoo is het! Dan ben ik hier op de rechte plaats. Die tafel loopt verscheiden honderd voet in de hoogte. En wat komt er dan? Weet gij dat?"

"De bovenkant van die tafel valt dan aan de andere zijde steil in de diepte, in een grooten, ronden ketel, uit welken een smalle, erg kronkelende rotsengte opwaarts gaat naar het wijde, schoone dal van het Zilvermeer."

"Ook dat is juist. Zijt gij in dien ketel geweest?"

"Ja."

"Hebt gij daar misschien iets opmerkelijks gevonden?"

"Neen. Er is niets, hoegenaamd niets daar te vinden, geen water, geen gras, geen dier. Er beweegt zich geen tor, geen mier over dien eeuwig dorren steengrond."

"Dan zal _ik_ u bewijzen, dat men er toch iets vindt, iets, dat nog veel zeldzamer, en in handelswaarde veel kostbaarder is dan water en gras."

"Bedoelt gij de zilverader, die gij ontdekt hebt?"

"Ja. Men vindt daar niet alleen zilver, maar goud ook. Juist om dien rotsketel heb ik dezen verren rit ondernomen. Voorwaarts nu! Wij zullen hier zijwaarts zwenken."

Zij reden de engte in, achter elkander, een voor een, want voor twee naast elkander was er geen plaats. Weldra echter begonnen de rotswanden verder en telkens verder van elkander af te wijken; de gigantische pijlers openden zich, en nu lag, met den ondersten hoek tegen de rotsengte stootend, vóór de ruiters een machtige, gladde driehoek, die zich langzaam en dakvormig tusschen rechts en links terugwijkende rotswanden inschoof, en boven tegen den helderen hemel een scherpe, regelrechte grondlijn vormde.

Daar ging nu de rit naar de hoogte. Het was alsof de paarden een ontzaglijk hoog dak te beklimmen hadden, maar toch was de stijging niet zoodanig, dat die al te groote moeilijkheden aanbood. Het duurde wel een uur eer de stoet boven aankwam, en nu strekte zich vóór de ruiters een mijlen-verre rotsvlakte naar het Westen uit, in welker voorgrond de diepe ketel lag, waarover Old Firehand en Winnetou gesproken hadden. Uit dien ketel zag men van boven af een donkere streep linksaf naar het zuiden gaan. Dat was de bedoelde rotsengte, door welke men uit den ketel naar het Zilvermeer kwam.

Nu ging het bergaf naar de diepte omlaag. De helling was nu zoo steil, dat men genoodzaakt was af te stijgen. Er waren zelfs plaatsen, waar de overtocht bijna gevaarlijk werd. Men had de gevangenen natuurlijk van de paarden gebonden en hun beenen van de boeien ontdaan, om hun de afdaling mogelijk te maken. De jonge Navajo bleef vlak achter hen, en verloor hen geen seconde uit het oog. Beneden aangekomen, moesten zij weer te paard stijgen, om er op vastgebonden te worden.

Nu wilde Old Firehand zijn vondst aan zijn metgezellen laten zien; maar de Utahs mochten niets daarvan weten. Daarom werden zij in de rotsengte gebracht, en eenige rafters bleven met den Navajo bij hen, om hen te bewaken. De anderen waren in het geheel niet weer te paard gestegen. De mededeeling, dat men de zoolang gewenschte plaats van de vondst eindelijk bereikt had, bracht allen in de grootste spanning.

De ketel had een middellijn van minstens een Engelsche mijl. De grond bestond uit diep zand, vermengd met afgebrokkelde steenen, voor 't meerendeel ter grootte van een mansvuist. Twee mannen waren hier van groote beteekenis, namelijk Old Firehand, die de ader aan te wijzen had, en Butler, de ingenieur, die de vondst, en de mogelijkheid om er partij van te trekken, technisch moest onderzoeken en goedkeuren. De laatste liet zijn oog onderzoekend in het rond gaan, en zei toen: "Het is mogelijk, dat wij hier een rijke bonanza zullen vinden. Is hier werkelijk edel metaal, dan doet alles vermoeden, dat het in aanzienlijke hoeveelheden aanwezig is. Deze ontzaglijke verdieping is in den loop der eeuwen uitgewasschen. Het water stroomde door de rotsengte van het zuiden af naar hier, en vormde, daar het niet verder kon, een draaikolk, die den rotssteen afbrokkelde, en tot gruis en zand fijn wreef. De grond, waarop wij staan, is van lieverlede door den neerslag van het hemelwater gevormd, en moet de uitgewasschen metalen bevatten, die door hun zwaarte het diepst zijn gezonken en dus onder het zand liggen. Als wij eenige meters diep graven, zullen wij de proef op de som hebben, of onze reis winst belooft of tevergeefs is geweest."

"Wij behoeven niet te graven," antwoordde Old Firehand. "Het is immers voldoende als wij het bewijs maar hebben, dat in de oevers van dit indertijd bestaan hebbende watergat het metaal, dat wij zoeken aanwezig is."

"Natuurlijk. Is er in deze rotswanden goud of zilver aanwezig, dan is zeer stellig ook de bodem van dezen dalketel met die metalen bezwangerd."

"Kom dan maar eens mee. Dan zal ik u het bewijs leveren."

Hij stapte regelrecht op een plaats aan, die hij scheen te kennen. De anderen volgden hem in de grootste spanning.

"Neef! mijn hart springt op van blijde verwachting," zei Hobble-Frank tegen Tante Droll. "Als wij hier zilver vinden, of zelfs goud, stop ik mijn zakken vol, en steek vervolgens den grooten waterplas over naar mijn onvergetelijke Saksen. Daar laat ik aan de liefelijke boorden van de Elbe een villa voor mij bouwen, en zit dan van den ochtend tot den avond met mijn hoofd buiten het raam, om aan de menschen te laten zien wat een man in bonis ik geworden ben."

"En ik," antwoordde Droll, "koop mij een boerenplaats, met twintig paarden en tachtig koeien, en maak verder niets anders dan wrongelkaas en geitenkaas. Daar komt het namelijk het meest op aan in het Altenburgsche."

"En als wij niemendal vinden?"

"Ja, als er niets gevonden wordt, dan kunnen wij ook niets uitvoeren. Maar ik denk wel, dat wij geluk zullen hebben, want het spreekt, dunkt mij, vanzelf dat er in de nabijheid van het Zilvermeer ook zilver te vinden moet zijn."

Zijn vertrouwen zou niet beschaamd worden. Old Firehand was aan den rotswand gekomen op een plaats, die onderspoeld en verbrokkeld scheen. Hij haalde een lossen steen daaruit, nog een, en nog verscheiden steenen meer. Zoo ontstond er een gaping, die met die steenen gesloten was geworden. Die gaping was door natuurlijke oorzaken ontstaan, zooals duidelijk te zien was, maar op kunstmatige wijze grooter gemaakt. Old Firehand stak zijn arm daarin, en zei: "Van hetgeen ik indertijd hier heb gevonden, heb ik toen een proef meegenomen, en die heb ik laten onderzoeken. Ik wil nu eens zien hoe Butler er over denkt."

Toen hij zijn arm terugtrok had hij een wit, bruinachtig aangeloopen en draadvormig kluwen in zijn hand, en dit liet hij den ingenieur zien. Nauwelijks had deze het goed bekeken, of hij riep uit: "Lieve hemel! dat is zuiver gedegen zilver! En heeft dat oorspronkelijk hier in deze rotsspleet gezeten?"

"Ja, de gansche engte was daarmee gevuld. Die engte schijnt zich zeer diep in de rots uit te strekken, en zeer rijk aan metaal te zijn."

"Dan durf ik er voor instaan, dat wij hier voor onze moeite tiendubbel beloond zullen worden; want er zijn stellig nog meer zulke rotskloven, die gedegen metaal bevatten."

"En ook vaste gangen met erts, zooals ik u straks zal laten zien," glimlachte Old Firehand.

Hij haalde een tweede, nog veel grooter voorwerp uit de kloof te voorschijn, en gaf dat aan den ingenieur. Het was een stuk erts, ruim twee mansvuisten groot. Butler bekeek het opmerkzaam, en zei toen: "Op een scheikundig onderzoek is natuurlijk met veel meer zekerheid af te gaan; maar als ik mij niet schromelijk vergis, hebben wij hier te doen met chloorzilver, dus zilverhoorn-erts, kerargyriet."

"Dat klopt goed. De chemische analyse heeft chloorzilver opgeleverd."

"Met hoeveel percent?"

"Vijf en zeventig percent zuiver zilver."

"Welk een vondst! Trouwens, in Utah vindt men voornamelijk zilverhoorn-erts. Waar is eigenlijk de ader?"

"Verder daarachter aan de andere zijde van het dal. Ik heb die ader met puin bedekt, en ik zal u die wijzen. En nu, wat is dit?"

Hij bracht uit dezelfde rotsspleet verscheiden korrels te voorschijn, alle ter grootte van een hazelnoot.

"Nuggets, goud!" riep de ingenieur. "Ook van hier?"

"Ja. Wij hadden ons destijds hier verscholen, en konden niet weg, daar de Roodhuiden op ons loerden. Wij hadden gebrek aan water, en daarom begon ik het zand op te graven, om te zien of de grond ook vocht inhield. Water was er niet te vinden, maar zulke nuggets vond ik in menigte."

"Dan zijn er ook goudaders hier, juist zooals ik voorspeld heb. Old Firehand! hier liggen millioenen, en de ontdekker is een rijk, schatrijk man!"

"Enkel de ontdekker? Gij zult er allen uw deel van hebben. Ik ben de ontdekker, Butler is de ingenieur, en de anderen helpen graven. De voorwaarden, waarop wij te zamen zullen werken, en het aandeel, dat ieder voor zich zal bekomen, zullen wij later vaststellen."

Deze woorden lokten een algemeen gejubel uit, een gejuich, waaraan geen einde scheen te zullen komen. Old Firehand wees nu de zilverertsader aan, die zeer aanzienlijk scheen te zijn; en men mocht veronderstellen, dat dit niet de eenige hier was. De meesten der aanwezigen toonden lust te hebben, om dadelijk nasporingen in het werk te stellen; maar Old Shatterhand stuitte die geestdrift, door te waarschuwen: "Niet te voortvarend, messieurs! Wij hebben allereerst nog aan iets anders te denken. Wij zijn hier in het hooggebergte immers niet alleen!"

"Maar wij zijn de Roodhuiden toch voor geweest," merkte de lord aan, die voor zijn persoon volstrekt geen aanspraak maakte op een deel van de metaalvondst, maar die zich toch evenzeer als de anderen daarover verheugde.

"Voor geweest, ja; maar veel beteekent het niet. De Navajo, die zich bij ons bevindt, kent de linie van terugtocht der zijnen zeer nauwkeurig. Hij heeft berekend, dat zij stellig binnen ettelijke uren na ons aan het Meer zullen aankomen, en achter hen volgen stellig onverwijld de Utahs. Wij hebben dus geen tijd te verliezen, om ons daarop voor te bereiden."

"Dat is waar," gaf Old Firehand hem toe. "Maar ik zou toch wel willen weten of de ontginning hier op groote moeilijkheden zal stuiten; en dat zal master Butler ons wel in eenige minuten kunnen zeggen. Dus Butler! wat is uw gevoelen daarover?"

Master Butler liet zijn oogen nauwlettend over den ganschen omtrek gaan, en zei toen: "Water hebben wij noodig; het allereerste, dat wij noodig hebben, is water. Waar is dat het dichtstbij te vinden?"

"In het Zilvermeer zelf."

"Hoe ver is dat nog van hier?"

"In twee uur zijn wij daar."

"Ligt het Meer hooger, dan de plaats waar wij nu zijn?"

"Ja, aanmerkelijk veel hooger."

"Dus, het noodige verval zouden wij hebben. Maar nu is de vraag: bestaat er mogelijkheid om het water hierheen te leiden?"

"De rotsengte, die den eenigen toegang tot dezen ketel is, loopt immers naar boven, en loopt uit in de nabijheid van het Meer."

"Dat is van veel gewicht; want dan mag men aannemen, dat de afleiding van het water op geen onoverkomelijke moeilijkheden zal stuiten. Maar wij dienen buizen te hebben; al is dat niet dadelijk van ijzer, dan ten minste van hout. Is dàt hier te vinden?"

"In overvloed. Het Zilvermeer is geheel omringd door bosch."

"Dat is heerlijk! Misschien behoeven wij niet eens den ganschen afstand met buizen te beleggen. Wij kunnen denkelijk een eind weegs van hier wel een bekken maken. Uit het Meer zal het water dan open in dat bekken vloeien. Maar van daar af zijn geleidbuizen onmisbaar, om de noodige drukking te krijgen."

"O, voor de spuiten?"

"Ja. Wij zullen natuurlijk wel zoo wijs zijn, de rotsen niet met houweel en schoffel te bewerken. Ze worden eenvoudig met water besproeid; en alleen wanneer het bespuiten niet baat, zullen wij buskruit gebruiken. Ook de metaalhoudende grond hier wordt met water behandeld."

"Maar dan dienen wij toch een voldoende afwatering te hebben, want anders loopt de ketel vol, en dan kunnen wij niet werken."

"Ja, een afwatering! Die is onmisbaar en die is hier niet. Die moeten wij dus maken. Ik denk, dat aanvankelijk een pomp- of paternosterwerk wel voldoende zal zijn, om het water op te voeren naar de hoogte, over welke wij gekomen zijn. En van daar loopt het dan vanzelf weg en door de engte in den canon. Terwijl wij nu naar boven gaan, naar het Meer, zal ik alles goed opnemen om te zien of en op welke manier wij de zaak kunnen aanpakken. Wij zullen natuurlijk machines noodig hebben, en die hebben wij niet; maar dat is volstrekt geen bezwaar. In een maand tijds kunnen wij al het noodige hier hebben. Doch er zijn twee dingen, die mij met bezorgdheid vervullen."

"En dat is?"

"In de eerste plaats de aanwezigheid der Indianen. Moeten wij ons van lieverlede een voor een door hen laten afmaken?"

"Maak u daarover volstrekt niet ongerust. Old Shatterhand, Winnetou en ik, wij zijn met de stammen, wie het aangaat, zoo goed bevriend, dat wij met hen de zaak wel inderminne eens zullen worden."

"Goed. Maar de grond? Aan wie behoort die toe?"

"Aan de Timbabatsjen. De invloed van Winnetou zal hen wel doen besluiten, om den grond aan ons te verkoopen."

"En zal de hooge regeering dien koop erkennen?"

"Ik zou wel eens willen zien wie mij dan mijn rechten zou durven betwisten. Op dat punt ben ik volkomen gerust."

"Dan heb ik er vrede mee. De hoofdzaak is de mogelijkheid om het water uit het Meer naar hier te brengen; en daaromtrent zal ik mij op den rit, dien wij nu gaan doen, de noodige zekerheid verschaffen. Laat ons gaan!"

De kleine opening, die Old Firehand gemaakt had, werd weer gedicht, en ook de ertsader weer met puin en steen bedekt. Hierop steeg het gezelschap te paard, om den rit te vervolgen.