De schat in het Zilvermeer

Chapter 47

Chapter 473,998 wordsPublic domain

Het bleek dat de Utahs het talrijkst waren; bovendien kenden zij het terrein beter dan de vijand, en zoo werden dezen, hoewel zij bij uitstek dapper vochten, langzamerhand teruggedrongen. Men vocht ver en nabij met vuurwapens en messen of met den tomahawk. Het was voor de de drie toeschouwers een ongemeen belangwekkend schouwspel: wilden tegen wilden op de wildst denkbare manier! Hier vochten er twee die beiden om het hardst wildebeesten-geluiden aanhieven; daar was een groepje bezig elkander af te maken zonder een kik te laten hooren. Overal waar er een viel zat de overwinnaar dadelijk op hem, om hem van zijn scalp te berooven, misschien om een oogenblik daarna van zijn eigen schedelhuid beroofd te worden.

Van de drie hoofdmannen, die nog aan het vuur gezeten hadden, namen er twee persoonlijk deel aan het gevecht, om door hun voorbeeld de hunnen aan te vuren. De derde leunde in de nabijheid van het vuur tegen een boom aan, volgde met scherpe aandacht den loop van het gevecht, en gaf naar links en naar rechts zijn uitgebreide bevelen. Hij was de veldoverste, die al de draden der verdediging in handen hield. Zelfs toen de Navajos verder en verder teruggedrongen werden, bleef hij staan zonder mee te avanceeren. Hij wilde fier op zijn post blijven, en liet aan de twee andere hoofdmannen de leiding over om den vijand te vervolgen.

Het gevecht verwijderde zich meer en meer. Nu werd het voor de drie onvrijwillige getuigen tijd, om zich in veiligheid te brengen. De weg naar hun asyl was vrij. Later, als het gevecht misschien een tegenrichting aannam, of wanneer de Utahs als overwinnaars terugkeerden, zou het onmogelijk wezen, onopgemerkt naar hun schuilplaats te komen.

Winnetou kwam uit zijn boom. De twee anderen zagen dat, in weerwil van de duisternis, en volgden zijn voorbeeld. De hoofdman stond nog altijd op zijn post. Het oorlogsrumoer kwam nu verreweg uit de verte.

"Nu maken dat wij wegkomen," zei Winnetou. "Later zullen er vreugde-vuren aangelegd worden, en dan zal het voor ons te laat zijn."

"Nemen wij dien hoofdman mee?" vroeg Old Shatterhand.

"Ja. Wij zullen hem gemakkelijk inrekenen, want hij is alleen. Ik zal...."

Eensklaps zweeg hij. En wat hij zag was ook wel geschikt om hem te verbazen, en te maken dat de woorden hem in zijn keel bleven steken. Er sprong namelijk uit de duisternis, snel als een weerlicht, een klein, nietig, kreupel kereltje; het zwaaide met een geweer, en sloeg met een goed gemikten kolfslag den hoofdman ter aarde. Toen pakte hij den Roodhuid bij den nek, en sleepte hem schielijk weg in de duisternis. Daarbij hoorde men de bijna gefluisterde, maar toch duidelijk verstaanbare woorden: "Wat Old Shatterhand en Old Firehand kunnen, dat kunnen wij Saksen meerendeels ook."

"Dat is Hobble-Frank!" zei Old Shatterhand verwonderd.

"Ja dat is Frank!" bevestigde Old Firehand. "Dat ventje is gek. Wij moeten hem gauw achterna, om te zorgen dat hij geen domme streken méér doet."

"Gek is hij niet, dat verzeker ik u. Het is een koddig kereltje, dat is waar; maar zijn hart zit precies, waar het behoort te zitten, en lichtzinnig is hij in het geheel niet. Hij is bij mij in de leer geweest, en ik kan niet anders zeggen, dan dat ik pleizier aan hem beleefd heb. Maar wij zullen hem achternagaan, want zijn weg is ook de onze."

Zij spoedden den kleine achterna, de duisternis in. En zij waren reeds bijna aan den ingang van hun schuilplaats, toen knalde er vlak vóór hen een schot.

"Hij is stellig geraakt door een Roodhuid. Wij moeten hem bijspringen ...." wilde Old Shatterhand zeggen, maar hij zweeg, want terstond hoorden zij de lachende stem: "Domkop! kijk toch uit uw oogen wat gij doet! Als gij mij raken wilt, schiet dan niet op de maan. Ziedaar! Daar hebt gij uw competente portie, en nu wensch ik u goedennacht!"

Een geluid als van een zwaren slag--toen was alles stil. De drie drongen vooruit, en stieten op den kleine.

"Terug!" gebood hij. "Hier wordt geschoten en gestoken!"

"Halt, schiet niet!" waarschuwde Old Shatterhand. "Wat hebt gij toch hier te zoeken?"

"Te zoeken? Niets, hoegenaamd niemendal. Ik behoef niet te zoeken, want ik heb al tweemaal zonder zoeken iets gevonden. Gij moogt van geluk spreken, dat gij uw mond opengedaan hebt! Als ik u niet aan uw conglomerate stem herkend had, had ik u, zoo waar als ik leef, kort en klein geschoten. Ik heb twee kogels op mijn geweer, hetgeen bij mijn tegenwoordigheid van geest en consubstantie geen ding is, om er den gek mee te steken. Ik waarschuw u in allen ernst, dat gij u niet weer zoo blindelings eerstens in het gevaar en ten tweede op mij aan stort, want anders in de derde plaats, zult gij onverwachts verzameld worden bij uw vaderen en aartsvaderen!"

In weerwil van den ernst van het oogenblik moesten de twee blanke jagers lachen om de boetpredikatie van den kleine. Er was voor het oogenblik geen vijand in de nabijheid, en Old Shatterhand kon dus zonder gevaar de vraag doen: "Maar wie heeft u permissie gegeven om de schuilplaats te verlaten?"

"Promissie? Mij heeft geen mensch iets te perimetteeren. Ik ben mijn eigen heer en fidei-commisbezitter. Louter uit bezorgdheid voor u heb ik de wapenen aangegord. Nauwelijks was u weg, of er ging een gehuil aan den gang, alsof de Cimbren midden in de Teutonen waren gedrongen. Dat zou nog om uit te houden geweest zijn, want mijn zenuwen zijn ingesmeerd met teer en levertraan. Maar een poos later begon het schieten, en toen werd het mij allerijselijkst bang om mijn hart. Mijn kinderlijk gemoed hangt met vaderlijke gehechtheid aan uw zalige levens-existentie, en ik kan het met geen mogelijkheid lijdelijk aanzien dat de Roodhuiden hen, die mij dierbaar zijn, om kroosjes denken te helpen. Daarom heb ik mijn geweer opgevat en heb ik verlof genomen, zonder dat de anderen dat in de Egyptische duisternis konden zien. Links werd geschoten, naar rechts hadt gijlieden gewild; ik ging dus naar rechts. Daar stond me die hoofdman aan den boom, als een gemarineerde olie-mummie. Dat ergerde mij, en ik gaf hem een verticalen opstopper, waardoor hij horizontaal op den grond kwam te liggen. Ik wilde hem natuurlijk met den gezwinden pas in successieve veiligheid brengen, en trok hem weg; maar hij was mij toch te zwaar; daarom ging ik een poosje op zijn corpus juris zitten, om een beetje uit te rusten. Daar kwam zulk een roode vrijbuiter aansluipen, en zag mij tegen het licht. Hij legde zijn geweer aan; ik sloeg het op zij, en zijn kogel kwam in den Melkweg terecht; maar met de hulp van de kolf van _mijn_ geweer, kwam ik met hem zoo na in confectie, dat hij naast den hoofdman op den grond kwam te liggen. Nu liggen die twee slampampers daar, zonder van toeten of blazen te weten. Er is toch ijselijk veel malheur in deze wereld!"

"Wees maar blij, dat er geen grooter ongeluk gebeurd is! Was je wat eer gekomen, dan was je verloren geweest!"

"Maak u voor mij maar niet ongerust! Hobble-Frank komt nooit eer, of hij moet de overwinning in allebei zijn handen hebben. Wat moet er nu met die twee prulkerels gebeuren? Ik alleen ben niet coupabel om hen te versjouwen."

"Wij zullen u helpen. Nu maar gauw naar binnen. Daarbeneden heeft het schieten opgehouden, en het is te verwachten, dat de Utahs nu terug zullen komen."

De twee in bewusteloozen toestand liggende Indianen werden in de schuilplaats gebracht, en evenals de anderen gebonden en hen een prop in den mond gestoken. Daarop vatte Winnetou met Old Firehand post aan het voorhangsel, om gade te slaan wat daarbuiten voorviel.

Ja, de Utahs keerden terug, en wel als overwinnaars. Er werd een dubbel getal vuren aangelegd, en brandende stukken hout daaruit genomen, om in het bosch naar dooden en gekwetsten te zoeken. De Navajos hadden de hunnen medegenomen, zooals dat bij de Indianen gebruikelijk is.

Bij iederen doode, dien men vond, werd een vervaarlijk gehuil aangeheven--treurtonen en uitbarstingen van woede dooreen. De lijken werden bijeengedragen, om eervol begraven te worden. Er werden verscheiden personen vermist, die gevangengenomen moesten zijn, dachten zij. Datzelfde moest ook het lot zijn geweest van de drie hoofdmannen, oordeelden zij; want die waren verdwenen, zonder dat men ergens een spoor van hen ontwaren kon. Bij deze ontdekking deden de verwoede krijgslieden het bosch weer weergalmen van hun gebrul. De twee nog aanwezige hoofdmannen riepen de voornaamste krijgslieden bijeen tot een beraadslaging, bij welke luide en dreigende redevoeringen werden gehouden.

Daardoor kwam Winnetou op de gedachte, om de schuilplaats uit te sluipen, om misschien te weten te komen wat de Utahs zouden besluiten. Dit viel hem volstrekt niet moeilijk. De Roodhuiden hielden zich overtuigd, dat zij geheel alleen waren, en beschouwden dus alle voorzichtigheid als noodeloos. De afgeslagen Navajos zouden stellig niet terugkomen; en gesteld zij deden dat wel, dan waren er beneden aan het uiteinde van het dal schildwachten uitgezet. Dat zich midden in het dal nog veel gevaarlijker vijanden dan de Navajos bevonden, daarvan vermoedden zij niets. Winnetou kon dus alles hooren wat er besloten zou worden.

Men wilde nog in den nacht de dooden begraven; de treurzangen konden uitgesteld worden tot later. Het allereerst noodige was nu, de gevangen hoofdmannen te bevrijden. Dit was nog noodiger zelfs, dan morgen de aankomst van Winnetou en zijn beroemde blanke metgezellen af te wachten. Daar die het hooggebergte in en naar het Zilvermeer wilden, moesten zij op alle manieren ontwijfelbaar in handen van de Utahs vallen. In het belang der hoofdmannen diende men dus zoo spoedig doenlijk op te breken. En daarom zouden dien nacht alle noodige toebereidselen worden getroffen, om den volgenden morgen, bij het krieken van den dageraad, den vervolgingsrit te kunnen aanvaarden.

Nu kroop Winnetou langzaam en voorzichtig terug. In de nabijheid van de schuilplaats aangekomen, zag hij daar eenige paarden staan. Die dieren waren tijdens het gevecht schichtig geworden, en hadden zich van de anderen afgezonderd; er waren er vijf. Nu kwam de Apache op de gedachte, dat de gevangenen toch vervoerd moesten worden, drie hoofdmannen en een krijgsman. Daartoe waren vier paarden noodig. Geen mensch bevond zich in de nabijheid. De dieren waren niet bang voor hem, daar hij een Indiaan was. Hij nam er een bij den halster en bracht het in de schuilplaats. Daar zat Old Firehand achter het voorhangsel, en die nam het paard in ontvangst. Op die manier werden er nog drie andere naar binnen geloodst; zij snoven wel een weinig, doch werden door Winnetou gemakkelijk tot bedaren gebracht.

Binnen in de schuilplaats viel de tijd aan niemand te lang. Er was zóóveel te vertellen, aan te hooren, en--te luisteren. Hobble-Frank was, natuurlijk in de duisternis, naast zijn vriend en neef komen liggen. Vroeger was hij niet van den dikken Jemmy af te slaan geweest, en, in weerwil van alle aanhoudend gekibbel, met hem één hart en één ziel gebleven, maar sedert hij den Altenburger gevonden had, was dat anders geworden. Droll wilde niet geleerd zijn, en liet den kleine praten, zonder ooit iets van den onzin, dien hij nu en dan uitkraamde, te verbeteren; dat trok Hobble-Frank met dubbele kracht aan. Overigens had Droll, de ervaren westman, allesbehalve een geringen dunk van den kleine; integendeel, hij wist zijn goede hoedanigheden naar waarde op prijs te stellen, en verheugde zich ook nu oprecht over zijn heldendaad. Want dat Frank eerst den hoofdman en toen den anderen Indiaan neergeslagen had, dat was geen werk van dolle drift, maar van bedaard overleg en tegenwoordigheid van geest. Die daad werd algemeen geroemd, en allen hadden daaraan den welverdienden lof toegezwaaid, allen, op een enkele na, namelijk den lord. Maar nu haalde die hetgeen hij verzuimd had in. Hij zat aan de andere zijde van den kleine, en vroeg hem: "Frank! willen wij eens wedden?"

"Ik wed nooit," gaf deze ten antwoord.

"Waarom niet?'

"Ik heb geen geld om te wedden."

"Dan zal ik het u leenen."

"Borgen baart zorgen," zeggen wij Saksen. "Overigens is het niet zeer christelijk en contributair-sociaal een armen drommel geld te leenen, om het hem door een weddenschap weer af te winnen. Dan zijt gij bij mij aan het verkeerde kantoor, mylord! Ik houd mijn geld, zelfs al heb ik het niet."

"Maar het was zeer wel mogelijk dat ik verloor, en dat gij dus de winner werdt."

"Ik heb er volstrekt geen puf op. Door wedden wil ik niet rijk worden; op zulk geld rust geen zegen. Ik heb mijn principiëele grondbeginselenen overtuigingen, waarin ik mij door geen mensch van mijn stuk laat brengen."

"Dat is jammer. Ik had dezen keer eens met alle geweld willen verliezen, als een soort van welverdiende belooning voor uw heldendaad."

"Iemand, die een heldendaad verricht, vindt zijn loon reeds in zijn eigen gemoed. Men draagt de accusatieve erkentenis in zijn eigen en heiligste localiteiten van het hart met zich om. Hij die iets goeds verricht, doet eigenlijk maar een staaltje van zijn plicht. Overigens is het toch wel een minstens gemultipliceerd gebruik, vorsten en helden, door een weddenschap te beloonen. Wie geven wil, die kan toch geven, en niet indirect door een oneerlijke weddenschap, maar rechtstreeks van hand tot hand. Dat is in alle beschaafdere landen zoo het gebruik, en daarom wordt het ook in den omtrek van mijn persoonlijkheid niet anders ingevoerd."

"Dus zoudt gij het mij niet kwalijk nemen als ik u een geschenk aanbood?"

"Dat zou ik zeer kwalijk nemen. Van geschenken wil Hobble-Frank niets weten; daartoe heeft hij een veel te majestueuze ambitie; maar een aandenken, zoo iets wat een Franschman, die karakter bezit, een souvenier en een cataplasme noemt, zoo iets kan men mij aanbieden, zonder dat men behoeft te vreezen, de snaren van de lier van mijn gemoed te zullen componeeren tot een wanklank."

"Welnu, hier hebt gij dan een aandenken van mij! Ik hoop dat, dat u genoegen zal doen. Ik heb er twee, en kan dus het eene wel missen."

Hij schoof hem een van zijn prachtgeweren in zijn handen. Maar Frank schoof het naar hem terug, en zei: "Hoor eens, mylord! Alle gekheid op een stokje! Pak mij niet aan op het eenige punt, waar ik juist ben als de hielen van Hagilles. Ik lach graag en van harte; maar ik kan ook gezichten trekken als iemand, die een flesch azijn uitgedronken heeft. Een kleine scherts is goed, en ook voor de gezondheid gemakkelijk te verduwen; maar bij mijn neus nemen, neen, dat kan ik niet best verdragen, en dat verdraag ik ook niet; daartoe heb ik veel te hooge en diagonale gedachten van mij zelf."

"Maar ik scherts volstrekt niet: het is mij wel degelijk ernst."

"Wat! Zoudt gij dat geweer werkelijk uit uw bezit willen verwijderen?"

"Ja," antwoordde de Engelschman.

"En het aan mij vereeren als _bona immobilia_?"

"Zoo is het!"

"Geef dan maar hier, geef dan maar gauw hier, eer gij berouw krijgt. De waan is kort, gelijk Jemmy, maar het berouw is lang, gelijk Davy, zingt Freiligrath. Dat geweer mijn eigendom! mijn onomstootelijk en geconcentreerd eigendom. Het is mij te moede juist alsof het Kerstmis is, en dat ik het mooiste procent heb gekregen. Ik ken mijzelf niet meer van blijdschap. Ik ben letterlijk geconflexioneerd en overstelpt! Mylord, als gij ooit een goed vriend noodig hebt, die voor u door dik en dun gaat, fluit mij dan maar even, dan zal ik dadelijk prozent zijn! Hoe zal ik u mijn dankerkentenis betuigen? Wilt gij een vriendelijken handdruk, of een lucratieven kus, of een interimistische omhelzing?"

"Een handdruk is voldoende."

"Goed! De kogel is door de kerk, hoor! Hier is mijn hand! Druk die nu maar goed! druk die maar zoolang als het u pleizier en genoegen doet. Van nu af aan stel ik die hand elken dag ter uwer beschikking, voor zoover ik die niet zelf noodig heb; want dankbaarheid, die schoone deugd, huist in mij, sinds mijn prilste jeugd. Droll! Neef uit Altenburg! hebt gij gehoord wat een geluk mij dezen dag in alle hoogachting beschoren heeft?"

"Ja," antwoordde de Altenburger. "Als je een ander was zou ik u benijden; maar sinds gij mijn vriend en neef zijt, gun ik het u uit grond van mijn hart. Ik feliciteer u!"

"Dank u, van 's gelijken! Sapperdemallemosterdpot! Dat zal van vandaag af aan een schieterij geven! Met dit geweer verdedig ik mij zonder advocaat tegen alle scherpschutters, die in de laatste negen eeuwen furore gemaakt hebben. Hier, Mylord! hier is nogmaals mijn hand, druk die, druk die zoo hard als gij maar wilt; ik zal het mij met pleizier laten welgevallen. Gij, Engelschen! gij zijt toch altijd potente kerels! Dat constiteer ik, en dat wil ik, als het verlangd wordt, met mijn eigenhandige handteekening bekrachtigen. Tel mij van vandaag af aan onder uw intiemste huis- en familievrienden. Zoodra ik eens te Londen kom, hoop ik u een bezoek te brengen. Gij behoeft volstrekt geen complimenten met mij te maken of voor mij uit te halen--ik eet eenvoudig uit den alledaagschen pot mee--sang fassong, zegt de Franschman."

Hij was over het geschenk in de wolken, en bleef altoos nog maar doorslaan als een blinde vink, om op zijn eigenaardige manier uiting te geven aan zijn geluk, tot niet weinig vermaak van allen, die hem aanhoorden. Het was goed, dat het zoo donker was, want nu kon hij de lachende gezichten van zijn vrienden niet zien.

Daar het morgen weer een dag van groote inspanning beloofde te zijn, werden de schildwachten afgelost, en toen beproefde men of men den slaap zou kunnen vatten, hetgeen echter vooreerst niet wilde gelukken. Eerst lang na middernacht viel men eindelijk in slaap, en toen de ochtendschemering aanbrak was men alweer op de been, doordat de aftocht der Indianen plaats had onder een oorverdoovend spektakel.

Toen het eindelijk daarbuiten rustig was geworden, sloop de Apache uit de schuilplaats, om te zien of men die zou kunnen verlaten. Weldra keerde hij terug met een bevredigend antwoord. Er was geen enkele Utah meer in het dal. Men behoefde zich dus niet langer schuil te houden, welke tijding te welkomer was, daar de schuilplaats, ofschoon ruim genoeg, door de aanwezigheid der paarden had opgehouden een aangename verblijfplaats te zijn.

Allereerst werden er, veiligheidshalve, schildwachten uitgezet aan den ingang en den uitgang van het dal, en toen het dal zelf nog eens nauwkeurig doorzocht. Men vond een kolossale grafplaats, eenvoudig bestaande uit een grooten hoop opeengestapelde steenen boven de lijken van al de gesneuvelden. Ook lagen er eenige doode paarden, die door verkeerd gemikte kogels waren getroffen. De Roodhuiden hadden die ongebruikt laten liggen; de blanken waren verstandiger. De weg naar het Zilvermeer liep, als men de Utahs ontwijken wilde, door woeste streken, waar alle plantengroei en bijgevolg ook alle dierlijk leven ontbrak. Er was daar dus weinig kans om voldoende voedsel te bekomen, en waren die gedoode paarden dus een goede vondst. De westman is niet kieschkeurig; hij eet zijn genoegen ook aan paardenvleesch als hij niets beter bekomen kan. Als hij bij de Indianen te gast is, wordt hem wel als feestmaal een gebraden hond voorgezet! Men nam dus de beste stukken, verdeelde die, en stak eenige vuren aan, waaraan ieder zijn aandeel braden kon, om het goed te houden.

Dit was geen tijdverlies; want men moest de Roodhuiden niet zoo op den voet volgen. Ook was het beter, nu voor gereed zijnde proviand te zorgen, dan later de inmiddels kostbaar geworden tijd daaraan te moeten doorbrengen. Dat de paarden drinken en gras eten mochten, om zich voor den ophanden zijnden rit te sterken, spreekt wel vanzelf.

Na den aftocht van de Utahs had men de gevangenen de proppen uit den mond genomen. Zij konden dus weer vrij ademhalen en spreken. De Gele Zon was de eerste, die van het laatste gebruik maakte. Hij had lang stilgelegen, al het doen en drijven der blanken gadegeslagen, en ieder hunner met sombere blikken opgenomen. Nu wendde hij zich tot Old Shatterhand: "Wie van u heeft mij neergeslagen? Hoe hebt gij ons durven gevangennemen en binden, daar wij u niets gedaan hadden?"

"Weet gij wie wij zijn?' vroeg de jager hem op zijn beurt.

"Ik ken Winnetou den Apache; en ik weet dat Old Shatterhand en Firehand zich bij hem bevinden."

"Ik ben Shatterhand, en _mijn_ arm heeft u op den grond geslagen."

"Waarom?"

"Om u onschadelijk te maken."

"Wilt gij daarmee zeggen, dat ik plan had om u te schaden?"

"Ja."

"Dat is onwaar."

"Geef u maar geen moeite om mij te misleiden! Ik weet alles. Wij moesten hier gedood worden, in weerwil dat wij met de Utahs de vredespijp gerookt hebben. De Yampa's hebben u gisteren boodschappers gezonden, en zijn daarna zelf gekomen. Elke onwaarheid, die gij verzint, zal tevergeefs gesproken zijn. Wij weten precies waaraan wij ons te houden hebben, en gelooven geen woord van alles wat gij zegt."

De hoofdman wendde zijn gelaat ter zijde en zweeg. In zijn plaats nam nu de krijgsman, dien Hobble-Frank bij de schuilplaats neergeslagen had, het woord: "De bleekgezichten zijn thans vijanden van de Utahs."

"Wij zijn vrienden van alle roode mannen, maar wij verweren ons, wanneer wij door hen als vijanden behandeld worden."

"De Utahs hebben de strijdbijlen tegen de bleekgezichten opgegraven. Gijlieden zijt beroemde krijgshelden, en gij zijt niet bang voor hen. Maar weet gij wel dat de Navajos opgerukt zijn, om de bleekgezichten te helpen?"

"Ja, dat weet ik."

"De Navajos zijn Apachen, en de beroemdste hoofdman van dat volk, Winnetou, is uw vriend en metgezel, hij bevindt zich bij u. Ik zie hem daar bij zijn paard staan. Waarom slaat gij dan een krijgsman van de Navajos op den grond neer, en bindt gij hem armen en beenen?"

"Bedoelt gij daarmee u zelf?"

"Ja. Ik ben een Navajo."

"Waarom hebt gij u dan niet beschilderd met de kleuren van uw stam?"

"Om mij te kunnen wreken."

"En waarom bevondt gij u dan nog hier, toen de uwen reeds geweken waren?"

"Juist om mij te kunnen wreken. Mijn broeder had gestreden aan mijn zijde, en was door een hoofdman van die honden gedood. Ik bracht zijn lijk in veiligheid, en keerde toen, in weerwil dat mijn krijgsmakkers reeds geweken waren, terug, om zijn dood te wreken. Een hoofdman had mijn broeder gedood; daarvoor moest ik van een hoofdman den scalp hebben. Ik wist, dat er een in het dal achtergebleven was, en hem wilde ik zoeken. Daar zag ik twee mannen op mijn weg, een dooden en een levenden. De laatste zag mij ook; ik was verraden, en wilde hem doodschieten; maar hij was mij te gauw af, en sloeg mij neer. Toen ik tot bezinning kwam, lag ik in volslagen duisternis, en was een gevangen man. Roep Winnetou maar! Hij kent mij niet persoonlijk; maar als ik met hem mag spreken, zal ik kunnen bewijzen, dat ik geen Utah, maar een Navajo ben. Toen ik mijn broeders lijk aan mijn krijgsmakkers overgegeven had, heb ik de oorlogskleuren van mijn gelaat verwijderd, om door de Utahs niet dadelijk als vijand herkend te worden."

"Ik geloof u; gij zijt een Navajo, en gij zult vrij zijn."

Nu riep de Gele Zon driftig: "Hij is een Utah, een van mijn onderhebbenden, een lafaard, die zich door een leugen tracht te redden."

"Zwijg," gebood Old Shatterhand. "Als hij werkelijk een der uwen was, zoudt gij hem niet verraden. Dat gij hem verderven wilt, bewijst voldoende, dat hij waarheid gesproken heeft. Gij zijt een hoofdman; maar uw ziel is die van een gemeenen lafaard, die men verachten moet!"

"Beleedig mij niet!" bulderde de andere uit, "Ik heb de macht, om u allen te verdelgen. Bevrijd ons van de boeien, dan zullen wij u vergiffenis schenken. Maar als gij dat _niet_ doet, zullen duizend onbeschrijfelijke folteringen u doodmartelen."

"Ik lach om uw bedreigingen; gij zijt in _onze_ macht, en wij zullen met u doen wat ons goeddunkt. Hoe bedaarder gij u in uw lot schikt, des te draaglijker zal het zijn. Wij zijn christenen, en scheppen er geen behagen in, onze vijanden pijnen aan te doen."