De schat in het Zilvermeer

Chapter 46

Chapter 463,869 wordsPublic domain

De afgebroken rit werd voortgezet, nu langs de beek naar boven. Het spoor, dat men volgde, was breed, en er moest dus even breed gereden worden, opdat de vervolgers met geen mogelijkheid konden herkennen, dat zij twee sporen vóór zich hadden. Waren de Roodhuiden reeds vroeger stil en in zich zelf gekeerd geweest, nu lieten zij eerst recht het hoofd hangen. Zij zagen, dat men hun oogmerk doorzien had, en dat hun leven nu geen pruim tabak meer waard was. Wat zouden zij gaarne op de vlucht gegaan zijn! Maar aan ontkomen viel niet te denken; hun boeien waren onverbrekelijk, en bovendien werden zij door de blanken zoo dicht ingesloten, dat het een klinkklare onmogelijkheid was, door hun bewakers heen te breken.

De beek kronkelde zich met veel bochten van lieverlede naar boven. Het dal werd breeder, en was hooger-op met kreupelbosch en boomen begroeid. Eindelijk vertakte het zich in verscheiden zijdalen, uit welke kleine waterstroomen kwamen, om de beek te vormen, die hier haar oorsprong nam. Winnetou volgde den breedste van die stroomen, waarvan het dal wel een kwartier gaans tamelijk breed was, en dan eensklaps in een rotsengte uitliep waarachter het zich weer verbreedde en een welig groen grastapijt vormde. Toen men de engte door was, hield hij halt, en zei: "Hier hebben wij een uitmuntende plaats om te rusten en te eten. Onze paarden zijn vermoeid en hebben honger, en ook wij zelf hebben behoefte aan eenige verkwikking. Mijn broeders kunnen afstijgen en de antilopen braden."

"Maar dan zullen de Utahs ons immers naar alle waarschijnlijkheid inhalen!" merkte Old Firehand aan.

"Welnu, wat hindert dat? Zij zullen zien, dat wij weten wat zij in het schild voeren. Zij kunnen ons niets doen; want als wij maar een man aan de rotsengte op post zetten, zal die hen reeds in de verte zien aanrukken en ons kunnen waarschuwen. Zij kunnen deze plaats niet bestormen, en zullen onverrichterzake terug moeten trekken."

"Maar wat een tijd verliezen wij hier!"

"Wij verliezen geen minuut. Als wij eten en drinken, dat geeft ons nieuwe kracht, die wij misschien wel noodig zullen hebben. En als wij aan onze paarden gras en water geven, dan kunnen zij later zooveel te harder loopen. Ik heb deze plaats met dat doel uitgekozen. Mijn broeder kan gerustelijk doen wat ik hem verzocht heb."

De Apache had gelijk, en de anderen waren het met hem eens, dat men hier rust moest nemen. Daar, waar de rotsen het dal insloten, werd een schildwacht uitgezet. De gevangenen werden aan boomen vastgebonden, de paarden liet men grazen, en al spoedig brandden er twee vuren, over welke het wild werd gebraden. Het duurde niet lang, of men kon het eten, ook de Indianen kregen hun deel, en zij mochten tevens water drinken uit den beker, dien de lord bij zich had.

Deze was bij uitstek in zijn schik. Hij was in dit land gekomen om avonturen te zoeken, en hij had meer gevonden, dan hij zich ooit had kunnen voorstellen. Hij had nu zijn boek voor den dag gehaald om de items eens op te tellen, die hij aan Bill en aan den Uncle reeds schuldig was.

"Willen wij eens wedden?" vroeg hij aan Humply-Bill.

"Waarover?"

"Dat ik u reeds duizend dollars schuldig ben, en zelfs nog meer?"

"Neen, ik wed niet."

"Dat spijt mij. Deze weddenschap zou ik stellig gewonnen hebben."

"Dat doet mij pleizier. Overigens denk ik wel, dat er vandaag wel weer een sommetje bij zal komen; want het is meer dan waarschijnlijk, dat wij vandaag weer iets nieuws zullen beleven."

"Mooi! Als wij het maar overleven, laat het dan maar komen. Aha! de grap gaat al aan den gang, zie ik!"

De schildwacht had namelijk een zacht fluitend geluid doen hooren. Hij wenkte. De aanvoerders snelden naar hem toe. Toen zij, achter de rots verscholen, door de engte keken, zagen zij de Utahs in het dal voorwaarts rukken. Zij waren naar gissing nog slechts een duizendtal schreden ver af.

Buiten vóór de rots bevond zich een welig groeiend struikgewas. Daarin posteerde Old Shatterhand snel zijn beste schutters, en gaf hun bevel om te vuren zoodra zijn eerste schot viel; maar hij gebood er uitdrukkelijk bij, dat zij op de paarden moesten schieten, en niet op de ruiters.

De Roodhuiden naderden snel, de oogen gericht houdende op het spoor. Zij dachten dat de blanken zich gelukkig achtten ontkomen te zijn, en waanden zich dan ook zóó veilig, dat zij niet eens verspieders vooruitgezonden hadden. Daar knalde vóór hen een schot; tien, twintig en meer schoten volgden in een oogenblik. De getroffen paarden stortten neer, of steigerden en holden terug, hun ruiters afwerpende en den ganschen troep in wanorde brengende. Een oorverdoovend gehuil volgde, en daarmee verdwenen de Indianen. Het dal was in een oogwenk ledig.

"Zie zoo!" zei Old Shatterhand. "Die weten nu ten minste dat wij op onze hoede zijn, en dat wij hun oogmerk kennen. Maar wij moeten opbreken, want zij zullen ons misschien van ter zijde komen besluipen. Dus, voorwaarts!"

In een ommezien zaten allen weer te paard, en de trein zette zich in beweging. Het was te veronderstellen, dat de Roodhuiden slechts langzaam en met de uiterste omzichtigheid zouden naderen; zoodat men zich overtuigd mocht houden hen een goed eind weegs vooruit te zullen komen.

Het ging het grasveld opwaarts, over de berghelling heen, en toen bereikte men een waar doolhof van ravijnen en dalen, die, uit verschillende richtingen komende, alle naar een en hetzelfde punt schenen te loopen. Dit punt was de ingang van een breede, naakte, woeste, uren gaans lange rotskloof, waarin geen enkel grashalmpje groeikracht scheen te kunnen vinden. Rotsblokken van allerlei vorm en grootte lagen er hoog op elkander gestapeld of links en rechts als neergesmeten. Het was alsof hier in den voorhistorischen tijd een door de natuur gevormde reusachtige tunnel was ingestort.

Het was moeilijk, in dezen chaos van steengevaarten een doorloopend spoor te ontdekken. Slechts hier en daar verried een uit zijn verband gestooten of door een paardenhoef afgebrokkelde steen, dat de tramps dezen weg gereden waren. Winnetou wees met de hand voorwaarts, en zei: "Over twee uur daalt deze spelonk van verwoesting af in het groote, groene Hertendal. Maar wij zullen hier linksaf slaan. Old Shatterhand en Old Firehand kunnen afstijgen en hun paarden zoolang aan andere handen toevertrouwen; want zij moeten achter ons volgen, om dadelijk ons spoor weg te maken, ten einde den Yampa-Utahs niet te laten merken, dat wij een zijweg ingeslagen zijn."

Dit gezegd hebbende sloeg hij dadelijk linksaf in dien warboel van steenen. De anderen voldeden aan zijn opdracht, en stegen eerst weer te paard, toen zij op een behoorlijken afstand van de eerst gevolgde richting verwijderd waren. De Apache bewees, dat hij een weergaloos geheugen bezat. Het scheen alsof geen sterveling in staat was in deze woestenij den weg te vinden; verscheiden jaren waren er verloopen sedert hij den laatsten keer hier was geweest, en toch kende hij elken steen, iedere rots, elke rijzing, elke kromming, zoodat hij geen oogenblik in beraad behoefde te staan welke richting hij te kiezen had.

Het ging zeer steil berg-op, tot men een uitgestrekte, naakte hoogvlakte bereikte. Over die vlakte ging men in galop. De zon was reeds achter de Rocky-bergen verdwenen, toen men het einde van dit plateau bereikte of althans voor zich zag liggen; want de Apache hield halt, wees met de hand naar voren, en zei: "Nog vijf honderd passen verder, daar valt de steenmassa zoo recht als een droppel water in de diepte; aan de andere zijde insgelijks; maar daartusschen ligt beneden het Hertendal met goed water en veel boschgroei. Het heeft slechts één bekenden ingang, namelijk dien, waarvan wij afgeweken zijn, en ook slechts één uitgang, die berg-op loopt, naar het Zilvermeer. Ik en Old Shatterhand zijn de eenigen, die nog een anderen toegang kennen, wij hebben dien bij toeval ontdekt, toen wij ons in gevaar bevonden. Ik zal hem u wijzen."

Hij ging tot dicht aan den rand van het plateau. Daar lagen rotsblokken, als een schutsmuur naast elkander opgestapeld, opdat men niet in de ijzingwekkende diepte zou kunnen neerstorten. Hij verdween tusschen twee zulke brokstukken, en de anderen volgden hem een voor een.

Zonderling! Men vond daar een weg. Reeds gaapte de diepte, waarin men ieder oogenblik vreezen moest neer te tuimelen; naar links liep die weg het hart van de rotsketen in, en wel zoo steil naar beneden, dat men het raadzaam achtte af te stijgen en de paarden bij den toom vast te houden. In de ontzaglijke, mijlen lange en breede rotsgevaarten was een scheur gekomen, die met verschillende bochten van boven naar beneden liep. Afgebrokkelde stukken steen hadden die scheur weer zoo gevuld, dat daarin een zoo vaste bodem was ontstaan, dat men zich zonder vrees daarop wagen kon.

In weerwil dat de weg zoo steil was konden de paarden niet vallen, want hij bestond niet uit gladde steenen, maar uit een tamelijk stevig rotspuin, waar uitglijden bijna onmogelijk was. Hoe dieper men kwam, des te donkerder werd het. Old Firehand had Ellen Butler op zijn paard gezet, en liep daarnaast, haar stuttende en vasthoudende. Het was alsof men uren achtereen in de diepte afgedaald was, toen eensklaps de neerwaartsche glooiing ophield, de grond effen en gelijk werd, en de rotsspleet zoo breed, dat die een groote zaal, maar zonder plafond, geleek. Hier hield Winnetou halt, en zei: "Wij zijn bijna in het dal. Hier zullen wij blijven, tot de duisternis ons toelaat om de Utahs voorbij te komen. Brengt de paarden achteruit, waar zij kunnen drinken, en knevelt de gevangenen weer, en maakt dat zij niet kunnen schreeuwen."

De Roodhuiden namelijk hadden ook zijwaarts moeten klimmen; daarom waren de boeien van hun beenen afgenomen. Nu bond men hen weer, en stopte ieder hunner een prop in den mond, zoodat zij niet konden roepen. Er heerschte een donker schemerduister in deze ruimte; maar die mannen, die geoefend waren om des nachts bijna evengoed als katten te kunnen zien, vonden gemakkelijk den weg. In het achterste gedeelte van die ruimte verzamelde zich de vochtigheid van de rots in een kleine kolk, waaruit een watertje stroomde; waarheen, dat zag men nog niet.

Winnetou nam eenigen der jagers mee, om hun de plaatselijke gesteldheid te laten zien; en wat zij zagen bracht hen niet weinig in verwondering. Geheel vooraan, waar de zaal weer enger werd, was een uitgang, zoo smal, dat er bezwaarlijk twee personen naast elkander konden loopen. Deze gang liep ook weer naar de laagte, maar niet zeer ver. Na eenige krommingen stonden de mannen voor een dicht, natuurlijk voorhangsel van slingerplanten, waaronder het watertje verdween. Winnetou schoof dat gordijn een weinig op zij, en toen zagen zij vóór zich een bosch, boom aan boom, hoog en krachtvol opgegroeid en met een zoo dicht loofdak, dat het laatste licht van den dag niet door de toppen der boomen kon doordringen.

De Apache trad naar buiten om te verkennen. Toen hij weer binnenkwam berichtte hij: "Rechts van ons, in het noorden, dus dal-opwaarts, branden verscheiden vuren onder de boomen: daar kampeeren dus de Utahs. Benedenwaarts in het dal is het donker. Daar moeten wij dus heen. Misschien staan daar geen Roodhuiden. Hoogstens zullen zij daar twee of drie man aan den uitgang van het Hertendal op post gezet hebben; die zijn licht onschadelijk te maken, en wij zouden dus het dal zonder veel gevaar kunnen verlaten, indien de roodharige kornel zich niet daarin bevond. Wij moeten met zekerheid te weten zien te komen wat er te verwachten is van hem. Daarom zal ik, zoodra het nog wat donkerder geworden is, naar de vuren sluipen om te luisteren. Voordat ik dat gedaan heb, kunnen wij niet weg; en tot zoolang moeten wij ons doodstil houden."

Hij bracht de mannen weer terug, om na hen ook aan de anderen de plaatselijke gesteldheid te laten zien. Dat was noodig, daar allen in geval van nood en gevaar dienden te weten waar zij zich bevonden en waar een uitweg te vinden was.

De gevangenen waren zeer goed geboeid, maar toch werd er bij ieder afzonderlijk een bewaker gezet. Hadden de blanken gisteren en ook reeds vroeger hun banden weten te verbreken, zoo was het geen onmogelijkheid, dat zulks ook aan de Roodhuiden gelukte.

Winnetou was van plan geweest om geheel alleen op verkenning uit te gaan, maar zoowel Old Shatterhand als Old Firehand verklaarde zich daartegen. Die onderneming was hier zóó gevaarlijk, dat een alleenstaande bespieder zeer licht in het geheel niet terugkeerde, en dan zou men niet weten wat er van hem geworden was en op welke wijze men hem hulp zou kunnen brengen. Daarom wilden de twee genoemden met hem meegaan.

Na bijna twee uur wachtens brak het drietal op. Zij slopen naar buiten het bosch in, en bleven daar aanvankelijk staan om te luisteren, of er wellicht iemand in hun nabijheid was. Hoe meer zij de vuren naderden des te gemakkelijker werd hun taak, want tegen de vlammen inkijkende, konden zij ieder voorwerp onderscheiden, dat vóór hen stond of lag.

Zij bewogen zich aan den linkerrand van het dal. De vuren lagen meer naar het midden. Misschien hadden de Roodhuiden den rotswand niet vertrouwd. Dat daar zeer licht een stuk kon afbrokkelen, bewezen de zware steenmassa's die, boomen verpletterende, neergestort waren en zich diep in den grond hadden gewoeld. De drie mannen kwamen snel vooruit. Zij bevonden zich reeds parallel met de voorste vuren. Links van deze, en nog meer naar achteren, brandde een hoog en helder vlammend vuur, van al de overige afgezonderd. Daaraan zaten vijf hoofdmannen, zooals men zien kon aan de adelaarsveeren waarmee hun hoofden getooid waren.

Juist stond een hunner op. Hij had den krijgsmantel afgeworpen. Zijn naakte bovenlijf was, evenals zijn gelaat en zijn armen, dik met schel-gele verf besmeerd. "T'ab-wahgare (= de gele zon)," fluisterde Winnetou. "Hij is de hoofdman der Capote-Utahs, en is even sterk als een beer. Zie zijn lijf maar eens! Welke dikke, stevige spieren en wat een breede borst!"

De Utah wenkte een anderen hoofdman, die insgelijks opstond. Deze was langer dan de eerste en stellig niet minder sterk.

"Dat is Tsoe-ien-Koets (= de vier Buffels)," verklaarde Old Shatterhand. "Hij draagt dien naam, omdat hij eens vier buffelstieren met vier pijlschoten gedood heeft."

Die twee hoofdmannen wisselden eenige woorden met elkander en verwijderden zich toen van het vuur. Misschien wilden zij wachtposten inspecteeren. Zij meden de andere vuren, en kwamen daardoor dichter bij den rotswand.

"Ha!" zei Old Shatterhand. "Zij komen dicht hier voorbij. Wat denkt gij, Firehand? Willen wij hen inrekenen?"

"Levend en wel?"

"Dat zou een meesterlijke vangst zijn! Gauw op den grond, gij den eerste, en ik den tweede!"

De beide hoofdmannen kwamen dichterbij. Zij liepen achter elkander. Daar doken eensklaps twee gestalten achter hen op--twee duchtige vuistslagen, en de getroffenen lagen op den grond.

"Goed zoo!" fluisterde Old Firehand. "Die twee hebben wij. Nu gauw naar onze schuilplaats met hen!"

Ieder nam den zijnen op. Winnetou ontving de opdracht, om te blijven wachten, en toen spoedden die twee zich naar die verborgen zaalruimte in de rots. Daar leverden zij de nieuwe gevangenen af, lieten die binden en hun een prop in den mond steken, en keerden toen naar Winnetou terug, doch niet zonder eerst bevel te geven, dat niemand uit deze schuilplaats mocht komen, er gebeurde wat er gebeurde, voordat zij terugkeerden.

Winnetou stond nog op dezelfde plaats. Het was nu minder noodig de drie andere hoofdmannen te beluisteren; maar wel was het dringend noodzakelijk, uit te visschen waar de roodharige kornel zich met zijn kornuiten bevond. Om dat te ontdekken, moest men de gansche legerplaats omsluipen. De drie onverschrokken mannen gingen dus langs den rotswand gestadig verder, al de vuren aan hun linkerhand latende liggen.

Naar dien kant konden zij goed zien; naar voren was het donker; dáár was het dus zaak, voorzichtig te wezen. Waar de oogen niet voldoende waren, moesten de handen helpen om op den tast verder te komen. Winnetou sloop, als gewoonlijk, voorop. Eensklaps bleef hij stilstaan, en liet een half onderdrukt, verschrikt "Oef!" hooren. De andere twee hielden insgelijks halt, en luisterden in de grootste spanning. Toen alles rustig bleef, vroeg Old Shatterhand zacht: "Is er onraad?"

"Neen, maar toch een mensch!" antwoordde de Apache.

"Waar?"

"Hier bij mij, vlak voor mij, in mijn hand."

"Houd hem goed vast! Laat hij niet schreeuwen!"

"Neen, hij kan niet schreeuwen; hij is dood!"

"Hebt gij hem gewurgd?"

"Hij was al dood; hij hangt aan den paal!"

"Wat? Misschien wel aan den martelpaal?"

"Ja. Zijn scalp is hij kwijt, en zijn lichaam is vol wonden. Hij is al koud, en mijn handen zijn nat van het bloed."

"Dan zijn de blanken al dood, en misschien is hier de martelplaats. Laat ons even zoeken!"

Zij tastten om zich heen, en in minder dan tien minuten tijds vonden zij een twintigtal lijken, allen afgrijselijk verminkt en aan palen en boomen vastgebonden.

"Ontzettend!" zuchtte Old Shatterhand. "Ik dacht, dat ik die menschen nog zou hebben kunnen redden, althans van zulk een barbaarschen dood! Gewoonlijk wachten de roodhuiden tot den volgenden dag; maar hier hebben zij zich den tijd niet gegund, schijnt het."

"Het jammerste is," merkte Old Firehand aan, "dat die teekening nu verloren is."

"Nog niet. Wij hebben die twee hoofdmannen als gevangenen. Misschien kunnen wij die voor de teekening uitwisselen?"

"Als het papier nog bestaat, en niet reeds verscheurd is."

"Verscheurd? Neen, daar ben ik niet bang voor. De Roodhuiden hebben de belangrijkheid van zulke papieren leeren inzien. Een Indiaan vernietigt tegenwoordig liever alles, dan zulk een papier, dat hij bij een blanke vindt, vooral wanneer er in plaats van drukletters schrijfletters op staan. Maak u dus nog niet ongerust. Overigens begrijp ik zeer goed, waarom zij zich zoo gehaast hebben met het afmaken van deze kerels."

"Zoo, waarom dan?"

"Om plaats te krijgen voor ons. Onze komst is hun bericht. Wij zijn er nog niet, bijgevolg verwachten zij ons tegen morgenochtend vroeg stellig; en komen wij dan nog niet, dan zullen zij verspieders naar ons uitzenden."

"De boodschappers, die afgezonden zijn om onze komst te melden, zullen er zijn, maar de Yampa-Utahs nog niet," zei Winnetou als zijn gevoelen.

"Neen, die zijn er nog niet. Het heeft stellig wel eenige uren geduurd, eer zij het gewaagd hebben onze rustplaats over te steken, en de rots-engte binnen te dringen. Misschien komen zij pas morgenochtend vroeg; want het laatste gedeelte van den weg is zóó slecht, dat het in den nacht niet.... Hé, hoort gij dat? Daar zijn zij waarlijk! Daar komen zij!"

Een eind weegs bovenwaarts verder van de plaats, waar de drie stonden, deed zich eensklaps een luid jubelgeschreeuw hooren, dat van de benedenzijde terstond beantwoord werd. De Yampa-Utahs kwamen in weerwil van de duisternis en van den slechten weg, dien zij stellig zeer goed moesten kennen. Het was een gebrul en gehuil, dat den blanken hooren en zien er van verging. Er werden stukken brandend hout uit de vuren getrokken, waarmede de reeds hier kampeerenden de nieuw aankomenden te gemoet togen. Het bosch werd helder licht en vol beweging, zoodat het drietal in het grootste gevaar verkeerde, opgemerkt te zullen worden.

"Wij moeten maken dat wij wegkomen," zei Old Firehand. "Maar waarheen? Voor en achter ons is alles vol menschen."

"In de boomen!" antwoordde Old Shatterhand. "In het dichte gebladerte zijn wij veilig, en kunnen er wachten tot de opgewondenheid eenigszins tot bedaren is gekomen."

"Goed, dan maar een boom in! O, Winnetou is reeds boven."

Ja, de Apache had geen tijd verloren met eerst te vragen. Hij klom een boom in, en verschool zich in den dichten bladerdos. De twee anderen volgden zijn voorbeeld, en klommen ieder in een dichtbij staanden boom.

Nu zag men bij het schijnsel der vuren en fakkels, de Yampa-Utahs en hun volgelingen komen. Zij stegen van de paarden af, die weggebracht werden, en vroegen, of Winnetou en de blanken aangekomen en gevat waren. Die vraag verwekte groote verwondering. De Yampa's wilden maar niet gelooven, dat de genoemden niet aangekomen waren, want zij waren immers hun spoor gevolgd. Er werd links en rechts gevraagd, allerlei vermoedens werden geopperd, maar het ware van de zaak bleef een raadsel.

Het was voor de andere Utahs een hoogst gewichtige tijding, dat Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou zich in de nabijheid bevonden. Uit de verschillende uitroepen, uit de opgewondenheid die deze mededeeling bij hen teweegbracht, konden die drie mannen ontwaren in welk een roep zij bij deze Roodhuiden stonden.

Toen de Yampa's hoorden, dat er ruim twintig blanken doodgemarteld waren, dachten zij, dat het de gezochten waren, en verlangden zij de lijken te zien. Men kwam met brandende fakkels, om aan hun verlangen te voldoen. En nu vertoonde zich aan de drie in de boomen zittenden een tooneel, dat, bij de ongestadige, flikkerende verlichting, dubbel afgrijselijk was. De Yampa's erkenden, dat dit niet de lijken waren van hen, die zij zochten, en koelden hun woede op die doode lichamen op een manier, die voor geen beschrijving vatbaar is. Gelukkig duurde dit tooneel niet lang; er werd een einde aan gemaakt op een wijze, die niet een der Utahs voor mogelijk had gehouden.

Uit het benedeneinde van het dal, namelijk, klonk een langgerekte gil, een gillende kreet, dien men slechts ééns behoeft te hooren, om hem nimmer weer te vergeten; met andere woorden de doodskreet van een mensch.

"Oef!" riep een der onder de boomen staande hoofdmannen verschrikt. "Wat was dat? De Gele Zon is met de Vier Buffels daarginder."

Een tweede gegil, gelijk aan het eerste, weergalmde; en dadelijk daarop knalden verscheiden schoten.

"De Navajos, de Navajos!" schreeuwde de hoofdman. "Winnetou, Shatterhand en Firehand hebben hen hier gehaald, om zich te wreken. Te wapen, mannen, te wapen! Werpt u op de honden! Vernietigt hen! Laat de paarden achter, en vecht te voet achter de boomen!"

Eenige oogenblikken lang holde alles door elkander. Men haalde de wapenen; men wierp hout op het vuur, om het noodige licht voor het gevecht te bekomen. Men schreeuwde en brulde; het bosch weergalmde van het krijgsgehuil. Er knalden aanhoudend schoten, telkens dichter en dichter bij. Vreemde, donkere gedaanten snelden van den eenen boom naar den anderen, en lieten hun geweren glinsteren.

De Utahs antwoordden, aanvankelijk slechts met een enkel schot hier en daar, maar weldra in groepen vereenigd, die in staat waren weerstand te bieden.

Ja, het waren de Navajos; zij hadden de Utahs willen overrompelen, maar het was hun niet gelukt de aan den uitgang van het dal geposteerde schildwachten onschadelijk te maken zonder dat die schreeuwden. De doodskreten van die schildwachten hadden alarm gemaakt, en nu gold het, man tegen man te vechten, en de beslissing over te laten niet aan overrompeling, maar aan dapperheid en meerdere getalssterkte.

De Roodhuid grijpt den vijand liefst in den ochtendstond aan, omdat men dan--althans bij de toestanden daar te lande--het diepst in slaap ligt. Waarom de Navajos van dien regel afweken, was moeilijk te verklaren. Misschien hadden zij gedacht, dat zij het dal onopgemerkt konden binnendringen, en dat zij dan bij het schijnsel der vuren hun vijanden gemakkelijk konden doodschieten. Nu dat niet gelukt was, had hun dapperheid hun niet toegelaten terug te trekken. Zij waren dus toch voorwaarts gerukt, en vochten nu met groot verlies.