Chapter 45
"Oprecht zijn zij niet. Als wij naar het Zilvermeer willen, loopt onze weg allereerst over den Grand-River, en het Teywipah (= Hertendal) in. Daar kampeeren vele krijgslieden van de Tasj-, Capoie- en Wihminoetsje-Utahs, om zich voor den veldtocht tegen de Navajos te verzamelen, en zich bij de hier aanwezige Utahs aan te sluiten. Op die verzamelde krijgslieden moeten wij stuiten, en zij vertrouwen, dat die ons verslaan en de gijzelaars bevrijden zullen. Er zullen terstond eenige boodschappers aan hen afgezonden worden, om hen te waarschuwen. En om te zorgen, dat wij niet kunnen ontkomen, zullen hier de aanwezige Utahs, zoodra wij opgebroken zijn, dit woud-bivak verlaten en ons volgen, ten einde ons tusschen de twee Utah-legers in te sluiten, zoodat de redding voor ons onmogelijk is."
"Verduiveld! Dat plan is niet kwaad bedacht. Wat zegt mijn roode broeder daarvan?"
"Ik stem u toe, dat het zeer goed beraamd is; maar het heeft één groot gebrek."
"En dat is?"
"Dat ik het afgeluisterd heb. Wij kennen het dus; en nu weten wij wat ons te doen staat."
"Maar het Hertendal moeten wij in, of wij zullen genoodzaakt zijn een omweg van minstens een dagreis of vier te maken."
"Wij zullen geen omweg maken, maar naar dat dal rijden, en toch niet in handen van de Utahs vallen."
"Is dat mogelijk?"
"Ja. Vraag het maar aan mijn broeder Old Shatterhand. Met hem ben ik in het Hertendal geweest. Wij waren alleen, en werden vervolgd dooreen grooten troep zwervende Elk-Utahs. Wij zijn hun ontkomen, doordien wij, een rotspad vonden, dat stellig nooit vóór ons, en waarschijnlijk ook nooit na ons, door een menschenvoet betreden is. Het is niet zonder gevaar te begaan; maar als men geen andere keus heeft dan tusschen het bergpad en een anders wissen dood, kan de keus wel niet twijfelachtig zijn."
"Goed, dat pad zullen wij rijden. En wat doen wij met de gijzelaars?"
"Die laten wij niet vrij, voordat wij het gevaarlijke Hertendal achter den rug hebben."
"Maar den Grooten Wolf?" vroeg Old Shatterhand. "Zullen wij dien óók weer vrijlaten?"
"Wilt gij hem dooden?" vroeg Winnetou.
"Verdiend heeft hij het. Toen ik hem beneden in den canon genade schonk, heb ik hem gewaarschuwd, dat het hem zijn leven zou kosten, als hij mij opnieuw verraderlijk bedroog. Niettegenstaande dat heeft hij andermaal zijn gegeven woord geschonden, en ik ben van oordeel, dat wij dat nu niet ongestraft mogen laten. Het betreft hier ons niet alleen. Als hij niet gestraft werd, zou hij zich gaan verbeelden, dat men tegenover de blanken volstrekt zijn woord niet behoeft te houden; en het oordeel van zulk een hoofdman is een maatstaf voor alle andere Roodhuiden."
"Mijn broeder heeft gelijk. Ik dood niet gaarne een mensch; maar de Groote Wolf heeft u herhaalde malen bedrogen, en dus bij herhaling den dood verdiend. Lieten wij hem leven, dan zou dat aangezien worden voor zwakheid. Maar straffen wij hem, dan zullen zijn krijgslieden begrijpen, dat men zijn eens aan ons gegeven woord niet straffeloos breken kan, en zij zullen het in het vervolg niet licht meer wagen zoo trouweloos te handelen. Maar nu behoeven wij ons dienaangaande nog niet te verklaren."
Intusschen was het kwartier verstreken, en Old Shatterhand vroeg aan Vuurhart: "De tijd is om. Wat heeft de hoofdman der Utahs besloten?"
"Eer ik dat zeggen kan," antwoordde de gevraagde, "dien ik precies te weten, waar gij de gijzelaars naar toe sleepen wilt."
"Sleepen zullen wij hen niet; zij rijden met ons mee. Wel zullen zij geboeid zijn; maar pijnen zullen wij hen niet aandoen. Wij gaan naar het Teywipah."
"En dan?"
"Hooger op naar het Zilvermeer."
"En moeten de gijzelaars zoo ver met u mee? Die honden van Navajos kunnen reeds daarboven aangekomen zijn; ze zouden onze krijgslieden dooden."
"Zoo ver willen wij hen niet meenemen. Zij zullen met ons meegaan tot in het Hertendal. Is ons tot daar nog niets wedervaren, dan nemen wij aan, dat gij uw woord hebt gehouden en dan laten wij hen vrij."
"Is dat waar?"
"Ja."
"Wilt gij met ons de vredespijp daarop rooken?"
"Slechts met u alleen; want gij spreekt en rookt uit naam van de anderen."
"Neem dan uw calumet en steek die aan."
"Neem liever de uwe."
"Waarom? Is uw pijp niet evengoed als de mijne? Of komen er uit de uwe slechts wolken van onwaarheid?"
"Juist andersom. Mijn calumet spreekt altijd de waarheid, maar de pijp der roode mannen is niet te vertrouwen."
Dat was een grove beleediging, daarom riep Vuurhart, terwijl zijn oogen van woede vlammen schoten: "Was ik niet geboeid, dan zou ik u dooden. Hoe hebt gij het hart, onze calumet van logenachtigheid te betichten?"
"Omdat ik het recht daartoe heb. De pijp van den Grooten Wolf heeft ons herhaalde malen bedrogen; en gij hebt u even schuldig gemaakt, doordien gij hem krijgslieden gegeven hebt, om ons te vatten. Dus, er wordt niet anders gerookt dan uw calumet. Wilt gij dat niet, dan houden wij het er voor, dat gij het niet eerlijk meent. Besluit spoedig! Wij hebben geen lust om er meer woorden over te verspillen."
"Ontsla mij dan van de boeien; dan kan ik de pijp stoppen."
"Dat is niet noodig. Gij zijt gijzelaar en moet geboeid blijven. Ik zal zelf de calumet stoppen, en die aan uw lippen brengen."
Vuurhart vond het maar beter, in het geheel niet meer te antwoorden. Ook deze beleediging moest hij verduwen, omdat zijn leven er bij op het spel stond. Old Shatterhand nam hem de pijp van den hals, stopte die, en stak die aan.
Daarop blies hij den rook uit naar omhoog, naar omlaag en naar de vier windstreken, en verklaarde toen met korte woorden, dat hij de tusschen hem en Vuurhart gewisselde belofte zijnerzijds zou nakomen, indien de Utahs nu van alle vijandelijkheden afzagen. Vuurhart werd overeind getild, om even op zijn voeten te staan; toen hij de twee eerste haaltjes aan de pijp gedaan had, werd hij naar de vier hemelstreken gedraaid, deed de vier overige haaltjes aan de pijp, en deed voor zich zelf en voor de zijnen wederkeerig de behoorlijke belofte. Daarmee was de plechtigheid afgeloopen.
Nu moesten de Utahs al de nog door de blanken vermist wordende voorwerpen uitleveren. Dat deden zij, want zij hielden zich overtuigd, dat zij die zeer spoedig weer in hun bezit zouden krijgen. Toen werden de paarden der blanken en der gijzelaars gebracht. Het was juist op het oogenblik toen de dageraad begon te gloren. De blanken hielden het voor raadzaam, den aftocht zooveel mogelijk te bespoedigen. Zij moesten daarbij de uiterste voorzichtigheid in acht nemen, en mochten hoegenaamd niets veronachtzamen, dat aan de Roodhuiden gelegenheid kon geven om er hun voordeel mee te doen.
De vijf uitgekozen krijgslieden en de hoofdmannen werden op hun paarden gebonden; toen werd ieder hunner geplaatst tusschen twee blanken in, die de revolvers gereedhielden om te schieten, ingeval de Indianen zich tegen het wegvoeren van de gijzelaars mochten willen verzetten. De stoet zette zich in beweging naar den zijcanon, uit welken Hobble-Frank en Tante Droll naar de legerplaats waren geslopen. De Roodhuiden hielden zich rustig; maar de sombere blikken, waarmee zij de bleekgezichten nakeken, lieten geen twijfel over aangaande de gevoelens, die hen bezielden.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
EEN INDIANEN-GEVECHT.
Op den gelukkigen afloop van dit avontuur was niemand met meer recht trotsch, dan Droll en Hobble-Frank, aan wier verstandig doortasten men dezen uitslag, althans de snelheid er van, te danken had. Zij reden achter de gevangenen naast elkander. Toen zij het kamp uit waren, liet Droll zijn eigenaardig, listig-vermakelijk lachje hooren, en zei: "Hihihihi, wat een vreugde voor mijn oude ziel! Wat zullen die Indianen schrikkelijk het land hebben, dat zij ons zoo moeten laten wegrijden! Vindt gij ook niet, neef?"
"O ja!" knikte Frank. "Het is een streek van genie geweest, zoo mooi als er ooit een in een boek geschreven is. En weet gij wie de voornaamste matadors daarbij geweest zijn?"
"Nu?"
"Gij en ik, wij samen, met ons beiden, alle twee. Zonder ons lagen de anderen nu nog in banden en boeien, precies als Prometheus, die jaar in jaar uit nooit anders te eten kreeg dan adelaarslever."
"Och, Frank! ik verbeeld me zoo, dat die er toch óók nog wel iets op verzonnen zouden hebben, om zich er uit te werken. Mannen als Winnetou, Shatterhand en Firehand laten zich niet zoo licht aan den martelpaal binden. Zij hebben reeds meer dan eens vrij wat erger in de klem gezeten, en toch leven zij op dit oogenblik nog."
"Dat geloof ik óók wel, maar toch zou er een zware wijs op gegaan zijn. Zonder onze internationale snedigheid zou het hun wel niet onmogelijk, maar toch stellig niet heel gemakkelijk geweest zijn, zich uit dit verduivelde geval te contrapunctioneeren. Ik ben er wel niet trotsch op, maar het is toch een zielsverheffende gevoelsgewaarwording, als men bij zich zelf zeggen kan, dat men bij zijn buitengewone geestesgaven tevens nog een vlugheid van vernuft bezit, die zelfs het vlugste paard niet zou kunnen inhalen. Als ik later er toe kom, om mijn overige levensdagen in rust door te brengen, en ik heb dan goeden inkt bij de hand, dan hoop ik mijn memoranden te schrijven, zooals alle beroemde mannen doen. Het nageslacht zal dan pas erkennen, tot welke hallucinatiën een enkele menschelijke geest de competente bekwaamheden bezit. Gij zijt ook zulk een hoogbegaafd eereburger in dit ondermaansche tranendal, en wij kunnen ons met den trots van ons geïmiteerde zelfbewustzijn herinneren, dat wij niet alleen Duitsche landslieden zijn, maar zelfs geconfigureerde neven en bloedverwanten."
Nu was de trein in den zijcanon aangekomen. Die boog niet linksaf naar den hoofdcanon, maar liep naar rechts, om den hoofdcanon te volgen. Winnetou, die den weg zeer nauwkeurig kende, reed als gewoonlijk voorop. Achter hem kwamen de jagers, dan de rafters, die de gevangenen in hun midden hadden. Op dezen volgde de draagstoel, waarin Ellen zat; haar vader reed er naast, en nog eenige rafters besloten den trein.
Ellen had zich sedert gisteren bijzonder kloek gehouden; zij was gelukkigerwijze door de Roodhuiden niet zoo streng behandeld als de volwassen, mannelijke gevangenen. Toen deze laatsten zich van hun boeien bevrijd hadden, om zich op de hoofdmannen te werpen en die te knevelen, was zij geheel alleen bij het door Old Shatterhand uitgedoofde vuur blijven zitten. Een geluk, dat de Roodhuiden niet op de gedachte waren gekomen, om zich van haar te bedienen, ten einde de invrijheidstelling van de gijzelaars af te dwingen!
De smalle canon ging tamelijk steil in de hoogte, en liep ongeveer een uur gaans verder uit op de wijde open rotsvlakte, die door de donkere gevaarten der Rocky-Mountains begrensd scheen. Hier draaide Winnetou zich om en zei: "Mijn broeders weten, dat de Roodhuiden ons volgen zullen. Wij willen nu in galop gaan rijden, om den afstand tusschen ons en hen zoo groot mogelijk te maken."
Men gaf aan de paarden de sporen en zette hen zóóveel aan, als met het oog op Ellen's draagstoel en de hitten, die hem droegen, doenlijk was. Later kwam er in die snelheid een staking, door een voor de ruiters zeer welkome omstandigheid. Men zag namelijk een troep gaffel-antilopen, en het gelukte er twee van te omsingelen en dood te schieten. Dit gaf toereikenden leeftocht voor vandaag.
De bergen kwamen aanhoudend naderbij. De hoogvlakte scheen te eindigen aan hun voet; dit was echter geenszins het geval, het dal van den Grand River lag er tusschen. Tegen den middag, toen de zonnestralen zoo brandend heet uit de lucht kwamen, dat zij mensch en dier hinderden, kwam men aan een smalle plek der rotsige vlakte, welke plek glooiend afliep.
"Dat is het begin van een canon, die ons naar de rivier zal brengen," zei Winnetou, terwijl hij dien afdalenden weg vervolgde. Het was alsof hier een reus aan het werk was geweest, om een diep en aanhoudend dieper gaand pad in het harde steengevaarte te openen. De wanden rechts en links, aanvankelijk nauwelijks merkbaar, stegen allengs tot manshoogte, werden vervolgens huizenhoog, en altijd door nog hooger, totdat ze hemelhoog tegen elkander schenen te stuiten. Hier, in dien engen bergpas, werd het donker en kil. Van de wanden af sijpelde water naar beneden, dat op den bodem bleef liggen, gestadig aanwassende, zoodat de dorstige paarden weldra konden drinken. En, opmerkelijk, deze canon vertoonde niet de minste of geringste kromming. Hij had lijnrecht de rotsen doorkliefd, zoodat men reeds lang eer men het uiteinde bereikte in de verte een lichte streep kon zien, die hoe langer hoe breeder werd, hoe meer men die naderde. Dat was de uitgang, het einde, van die verscheiden honderd voet diepe rotsspleet.
Toen de ruiters daar aankwamen, vertoonde zich een schier overweldigend natuurtafereel aan hun oogen. Zij bevonden zich in het dal van den Grand-River. Dit was ongeveer een halve Engelsche mijl breed; de rivier stroomde er midden door, en liet aan haar beide zijden een grasstrook vrij, die begrensd werd door den loodrecht omhoogstijgenden rotswand van den canon. Het dal liep van het noorden naar het zuiden, regelrecht, als getrokken met een richtlijn, en in de twee rotswanden vertoonde zich niet het minste scheurtje of het geringste berstje, evenmin als de kleinste vooruitsprong. Daarboven stond de gloeiende zon, die hier, in weerwil van de diepte van den canon, het gras bijna verschroeide.
Niet het minste scheurtje? Ja toch! Vlak tegenover de ruiters zag men op den rechteroever der rivier een tamelijk breede insnijding, waaruit een vrij breede beek stroomde. Daarheen wees Winnetou met de hand. "Die beek," zei hij, "moeten wij volgen naar boven; die loopt naar het Hertendal."
"Maar hoe komen wij er overheen?" vroeg Butler, die natuurlijk allereerst om zijn dochter dacht. "De rivier heeft wel geen sterke strooming, maar schijnt nog al diep te zijn."
"Boven de plaats, waar de beek zich in de rivier stort, is een waadbare plek, die zoo ondiep is, dat het water er in dezen tijd van het jaar stellig niet tot aan den draagstoel zal reiken. Mijn broeders kunnen mij volgen!"
Men reed dwars over het gras tot aan het punt waar het wad zich bevond. Dit lag zoo, dat men, op den anderen oever aangekomen, ook nog de beek over moest, om daarvan den rechteroever te bereiken, die breeder en dus gemakkelijker te berijden was dan de linkeroever. Winnetou ging te paard het water in, en de anderen volgden hem. Hij had gelijk gehad: het water reikte niet eens tot aan zijn voeten. Toch hield hij, in de nabijheid van den anderen oever aangekomen, eensklaps halt, en liet een half onderdrukten uitroep hooren, die den indruk maakte dat hij een gevaar ontdekt had.
"Wat is het?" vroeg Old Shatterhand, die vlak achter hem reed. "Heeft het stroombed zich verlegd?"
"Neen; maar daarlangs hebben mannen gereden."
Dit zeggende wees hij naar den oever, waar zij wilden landen. Old Shatterhand dreef zijn paard eenige passen vooruit, en zag nu ook het spoor. Het was breed, als van verscheiden ruiters; het gras had zich nog niet geheel weder opgericht.
"Dat is opmerkelijk!" zeide Old Firehand, die bij de twee anderen was gekomen. "Wij moeten dat spoor onderzoeken, en tot zoolang dienen de anderen in het water te blijven."
Het drietal landde. Van hun paarden afgestegen, namen zij het spoor met hun kennersblik in oogenschouw.
"Het zijn bleekgezichten geweest," zei Winnetou.
"Ja," bevestigde Old Shatterhand. "Indianen zouden achter elkander gereden, en niet zulk een breed spoor gemaakt hebben. Ik ben zoogoed als overtuigd, dat die lieden geen echte Westmannen zijn. Een jager, die ondervinding heeft is veel voorzichtiger. Ik schat den troep op dertig à veertig personen.
"Ik ook," zei Old Firehand. "Maar blanken, hier, onder de tegenwoordige omstandigheden! Dat moeten nieuwelingen zijn, onvoorzichtige menschen, die door den nood gedreven zijn, om zoo hoog het gebergte in te gaan."
"Hum!" bromde Old Shatterhand. "Ik geloof dat ik het wel raden kan welk soort van volkje wij hier vóór ons hebben."
"Nu, wie dan?"
"Den roodharigen kornel met zijn bende."
"Verduiveld, ja! Dat kan zijn. Naar mijn berekening kunnen de kerels hier wezen. En dat komt ook overeen met hetgeen gij van Knox en Hilton vernomen hebt. Wij moeten het spoor...."
Hij werd in de rede gevallen door Winnetou, die naar de beek was gegaan, en die, in het oeverwater wijzende, zei: "Mijn broeders kunnen hierheen komen. Het is de roodharige kornel geweest."
Zij gingen mede, en keken in het water. Dit was helder bronwater, en men kon daar op den bodem alles duidelijk onderscheiden. Men zag er een reeks van indrukken, die vlak naast de plek, waar de ruiters over de beek waren gekomen, van den eenen oever naar den anderen liep.
"Eer die ruiters er over gegaan zijn," verklaarde de Apache, "is één hunner van zijn paard afgestegen, om de diepte van het water te onderzoeken. Het zijn dus domme menschen geweest; want ieder, die zijn oogen goed opendoet, ziet dadelijk, dat het water niet tot boven de beenen reikt. En waarmee heeft de man de beek onderzocht? Dat kunnen mijn broeders mij zeggen."
"Met een houweel, waarvan hij den steel in zijn handen heeft gehad. Dat is duidelijk te zien aan den indruk, dien het voorwerp gemaakt heeft," antwoordde Old Firehand.
"Juist, met een houweel. Die lieden willen dus niet jagen, maar graven. Het is bepaald niemand anders dan de bende van den roodharigen kornel."
"Ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen; maar toch moeten wij het voor mogelijk houden, dat het ook anderen geweest kunnen zijn."
"Dan konden slechts goudgravers hier voorbij zijn," zei Old Shatterhand; "en dat betwijfel ik."
"Op grond waarvan?'
"In de eerste plaats zijn goudgravers menschen van ondervinding, die niet zoo onvoorzichtig zijn, en ten andere kunnen wij bij de sporen van veertig paarden, op omstreeks tien pakpaarden rekenen; resten dertig ruiters. Maar goudgravers trekken niet in zulke groote troepen door de bergen en de canons heen. Neen! Het is de roodharige kornel met zijn kornuiten, dat zou ik durven bezweren."
"Ook ik twijfel daaraan niet. Maar waar zijn ze naar toe? Daar verderop zijn zij rechtsaf geslagen, dus niet verder langs den Grand-River naar beneden, maar naar de beek bovenwaarts naar het Hertendal. Zij rijden dus de Utahs regelrecht in den mond."
"Dat is hun lot; dat hebben zij zich zelf bereid. Wij kunnen niets daaraan veranderen."
"Oho!" riep Old Firehand. "Wij _moeten_ het veranderen."
"Moeten? Waarom? Hebben zij dat verdiend?"
"Neen! Maar wij moeten de teekening hebben, die de kornel gestolen heeft. Als wij die teekening niet machtig worden, komen wij nooit te weten waar die schatten in het Zilvermeer liggen."
"Dat is waar. Gij wilt dus die schobberds achternarijden, om hen te waarschuwen?"
"Neen, niet om hen te waarschuwen, maar om zelf hen in de pan te hakken."
"Dat is onmogelijk. Bedenk hoe ver zij ons vooruit zijn!"
Old Firehand bukte, om nogmaals het gras te onderzoeken, en zei toen op een toon van teleurstelling: "Jammer! Het is reeds vijf uur geleden, dat zij hier geweest zijn. Hoe ver rijden is het van hier naar het Hertendal?"
"Vóórdat de avond gevallen is, kunnen wij het met geen mogelijkheid bereiken."
"Dan moet ik mijn plan opgeven; want dan zijn zij reeds in de macht der Roodhuiden, eer wij de helft van den weg afgelegd hebben. Maar hoe staat het met de boodschappers, die door de Yampa-Utahs naar dat dal gezonden moesten worden? Die zijn stellig nog vóór ons vertrokken, en wij hebben toch geen spoor van hen ontdekt."
"Die mannen zijn stellig niet te paard, maar te voet gegaan," verklaarde Winnetou. "Te voet is de weg veel korter, daar een mocassin over plaatsen kan komen, waar paard en ruiter den hals zouden breken. Mijn broeders moeten niet meer over den kornel denken, maar wel over de geschiktste manier om ons spoor uit te wisschen."
"Ons spoor uit te wisschen? Waarom dat?"
"Wij weten, dat de Yampa-Utahs ons volgen. Wij gaan later van den weg af, dien zij denken dat wij volgen zullen. Als wij aan hen ontkomen willen, moeten wij hen misleiden. Zij moeten het spoor van den kornel, dat regelrecht op het Hertendal aanloopt, voor het onze aanzien; dan zullen zij dat volgen, en niet op de gedachte komen, dat wij zijwaarts gegaan en hen ontweken zijn. Daarom mogen zij niet zien en niet weten, dat er reeds vóór ons ruiters hier geweest zijn. Mijn beide blanke broeders verstaan de kunst, om een spoor onleesbaar te maken, Hobble-Frank en Droll, Humply-Bill en de Gunstick-Uncle hebben het ook geleerd; Watson en Zwarte Tom eveneens. Die mannen kunnen het gras oprichten en uit hun hoeden met water begieten, want als het nat is, zal de zon het overige wel doen, om het rechtop te doen staan. Dat moet gebeuren over een afstand van hier af zoo ver als het oog reikt. Als dan de Yampa-Utahs komen, staat het gras hoog, en alleen daar, waar wij gereden zullen hebben, zal het neergetrapt zijn."
Dit plan was uitmuntend bedacht. De genoemden moesten aan het werk; terwijl zij het volbrachten, gingen de anderen met al de paarden de waadbare plaats door, staken de beek over, en wachtten toen. De genoemde zeven gingen op het spoor van den kornel omstreeks honderd passen terug, besproeiden het gras met water en richtten het op, terwijl zij, langzaam achteruit loopende, hun dekken over den grond achter zich sleepten. Het overige moest de zon doen, en dat die het doen zou, daaraan viel niet te twijfelen. Wie geen ooggetuige van dit bedrijf geweest was, moest, als hij een half uur later kwam, bepaald denken, dat hij het spoor van Old Firehand en zijn metgezellen vóór zich had. Zij, die het spoor uitgewischt hadden, wipten over de beek heen en stegen weer in den zadel.
De gevangen Roodhuiden hadden zwijgend alles aangezien. Sedert het begin van den tocht trouwens, had niet een hunner een woord gesproken. Wat zij nu gezien hadden, kwam hun verdacht voor. Waarom maakten de bleekgezichten dat vreemde spoor weg? Waarom verspilden zij met dat werk den kostbaren tijd, in plaats van het spoor te volgen zoo snel als zij maar konden? Vuurhart kon het niet van zich verkrijgen langer te zwijgen; hij wendde zich tot Old Firehand: "Wat zijn dat voor mannen, die vóór ons hier gereden hebben?"
"Ruiters," antwoordde de gevraagde kort.
"Waar zijn die naar toe?"
"Dat weet ik niet."
"Waarom maakt gij hun spoor onleesbaar?"
"Om uw krijgslieden."
"Om mijn krijgslieden? Wat hebben die met dat spoor te maken?"
"Zij zullen het niet zien."
"Neen, dat spreekt vanzelf, want het spoor ligt hier, en mijn krijgslieden liggen gebivakkeerd in het Woud des Waters."
"Daar zijn zij niet meer; maar zij zitten ons op de hielen."
"Geloof dat maar niet."
"Niet alleen dat ik dat geloof, maar ik weet het stellig."
"Gij vergist u. Met welk doel zouden mijn krijgslieden u op de hielen zitten?"
"Om ons in te sluiten tusschen hen en de Utahs, die in het Hertendal kampeeren."
Het was duidelijk aan Vuurhart te zien, dat hij schrikte. Maar hij herstelde zich dadelijk, en zei: "Mijn blanke broeder heeft dat waarschijnlijk gedroomd. Ik weet niets van alles wat hij zegt."
"Lieg maar niet! Wij hebben zeer goed de teekens gezien, die de twee jonge hoofdmannen u met het dekkleed gaven. Wij hebben die teekens evengoed verstaan als gij, en weten, dat gij ons met de calumet bedrogen hebt."
"Oef! Mijn woorden zijn geen bedrog geweest."
"Dat zullen wij zien. Wee u, als de Yampa-Utahs ons volgen. Meer heb ik u niet te zeggen. Wij moeten verder!"