De schat in het Zilvermeer

Chapter 44

Chapter 443,909 wordsPublic domain

Aan het vuur op den oever zag men nu enkel nog maar de hoofdmannen. Er moest dus de een of andere reden zijn, die de overige krijgslieden naar een andere plaats trok. Wat die reden was, zouden Frank en Droll zeer spoedig te weten komen. Er deden zich vreemdsoortige, klagende geluiden hooren. Een tijdlang hoorde men niets anders dan een solo-stem, waarop toen een koor volgde. Dat ging zoo voort zonder ophouden, nu eens zachter en dan weer harder.

"Weet gij wat dat is?" vroeg Droll aan zijn Moritzburger neef.

"Dat zal waarschijnlijk de doode lijkaria voor den ouden hoofdman zijn, geloof ik."

"Juist. Bij de Utahs beginnen de gezangen eer nog 't lijk ijskoud is geworden.'

"Dat is voor ons van groot belang, want bij dat jammeren en weeklagen zullen die kerels ons moeilijk kunnen hooren. Wij moeten de onzen bepaald opzoeken."

"Maar, als wij hen gevonden hebben, wat dan? Er uit halen kunnen wij hen toch niet."

"Dat behoeft ook volstrekt niet, zij zullen er zelf wel uit loopen. De hoofdzaak is, dat wij hen losbinden of hun riemen doorsnijden. Is de plaats, waar zij zich bevinden, niet ver van het vuur der hoofdmannen af, waar de wapenen liggen, dan hebben wij gewonnen spel. Het is een waar geluk, dat het hier onder de boomen zoo donker is. De vuren zijn volstrekt niet in ons nadeel, maar integendeel in ons voordeel, daar wij nu de gestalten der Roodhuiden gemakkelijk kunnen herkennen en ontwijken."

"Dat is perfect. Dus nu weer neer op den grond, en dan maar weer voorwaarts! Ik kruip voorop."

"Waarom gij?"

"Omdat ik langer in het Westen doorgebracht heb, en op het besluipen beter afgericht ben dan gij."

"Och, praat toch niet zoo! Haal toch zulke malle poppen niet in uw hoofd! Ik ben profekt ervaren in alle contra-precieuse aangelegenheden van het leven in het Westen. Het verbazende gemak, waarmee ik zelfs het moeilijkste ding begrijp als ware het kinderspel, heeft mijn begripsorganisatie tot zulk een terpsichoriteit gebracht, dat er mij absoluut niemendal voor mijn neus gedraaid kan worden, of ik ben er oogenblikkelijk een meester in. Maar aangezien gij mijn zeer beminde neef zijt, wil ik u de eer geven, die u toekomt. Maar pas goed op, asjeblieft! Als er u van voren een wil doodsteken, dan hebt gij maar te kikken, en dadelijk zal ik u van achteren bespringen. In den steek laten zal ik u niet!"

De kleine Saks bewees nu inderdaad, dat hij bij Old Shatterhand in een uitmuntende school was geweest. Hij deed het voortreffelijk. In weerwil dat hij twee geweren te dragen had, bewoog hij zich vlug en zonder geruisch te maken voorwaarts. Zijn voorman had trouwens het moeilijkste gedeelte van de taak te overwinnen, hierin bestaande, partij te trekken van ieder voorwerp, dat tot dekking kon dienen.

Zij kwamen op een afstand van misschien vijftig passen de hoofdmannen voorbij, en slopen verder naar het naastvolgende vuur; gelukkig bleek nu dat dit het vuur was waar de gevangenen lagen. Droll was te recht van de veronderstelling uitgegaan, dat men die niet op een donkere plaats behoefde te zoeken. Langzaam, maar toch gestadig kwamen zij dichterbij, hetgeen echter niet zonder gevaar kon geschieden. Verscheiden malen gebeurde het, dat een Roodhuid hen rakelings voorbijstevende; en eens moest Frank zich schielijk ter zijde werpen, om niet door den voet van een voorbijhollenden Indiaan getrapt te worden. Later echter hield dat heen en weer loopen op. Zij, die zich met het zingen van het lijklied belast hadden, zaten neergehurkt om den doode heen, en de anderen hadden zich neergevlijd, om een uur te slapen.

Zoo kwamen de twee tot achter de schildwachten, door welke de ruimte, waar de gevangenen lagen, was afgezet. Droll lag achter een boom, en Frank achter den boom daarnaast. De man, die het vuur onderhouden moest, was een poosje heengegaan om den treurzang bij het lijk mee te zingen, en eenigen der twaalf schildwachten hadden zich tot dat doel eveneens verwijderd. De vlam was, door gebrek aan toevoer van brandstof, aan het verflauwen, en gaf op dit oogenblik slechts een wegkwijnend licht. De gestalten der gevangenen waren bijna niet te herkennen. Droll kroop eenige passen naar rechts, vervolgens een eind weegs ver naar links, doch zonder een schildwacht te zien. Toen hij dus bij Frank terugkwam, fluisterde hij dezen toe: "Het oogenblik schijnt gunstig te wezen. Ziet gij Old Shatterhand?"

"Ja, hij is hier vlak bij, de eerste."

"Kruip naar hem toe, en blijf zoo stijf bij hem liggen, alsof gij óók geboeid zijt."

"En gij?"

"Ik ga naar de overzij naar Old Firehand en Winnetou."

"Dat is gevaarlijk."

"Niets gevaarlijker dan hier. Wat zal Old Shatterhand blij zijn, als hij zijn karabijn weer terug heeft! Maak haast nu!"

Hobble-Frank had geen grooten afstand af te leggen, hoogstens een voetstap of acht ver. Juist op dit moment verflauwde de vlam zoo erg, dat het was alsof het vuur uitging. Het werd zoo donker, dat men de gestalten der gevangenen niet meer onderscheiden kon. Een der schildwachten ging heen, om nieuw hout op het vuur te brengen; maar eer dat hout aan het branden ging, hadden Droll en Frank partij getrokken van de duisternis; beiden bevonden zich waar zij wezen moesten.

Frank was naast Old Shatterhand gaan liggen. Hij stak zijn beenen rechtuit, alsof hij ook geboeid was, schoof de Henry-karabijn naar zijn buurman toe, en trok toen zijn armen dicht tegen zijn lijf aan, om de bewakers in den waan te brengen, dat ze aan zijn lichaam vastgebonden waren.

"Frank, gij?" vroeg Old Shatterhand zacht, maar volstrekt niet op een toon van verwondering. "Waar is Droll?"

"Die ligt aan de overzij, bij Firehand en Winnetou."

"God zij gedankt, dat gij het spoor gevonden en voor het dag wordt bij mij hebt kunnen komen."

"Wist ge dan, dat wij komen zouden?"

"Natuurlijk! Toen de kerels het vuur aanstaken, zag ik dadelijk, dat je niet onder de gevangenen was."

"Maar wij hadden toch nog in de rotsspleet kunnen zitten, waar wij gepakt konden worden!"

"_Pshaw!_ De Roodhuiden hebben daar naar mijn karabijn gezocht. Toen was ik bang, dat zij u zouden vinden, maar zij kwamen zonder u terug, en mijn karabijn was verdwenen: daaruit begreep ik alles. Ik heb mij zoo zeker gevoeld, dat gij ons niet aan ons lot zoudt overlaten, dat ik den Grooten Wolf nog met den dood heb durven dreigen."

"Dat is kras! Dat is veel gedurfd!"

"Och, beste Frank! Alleen aan hen, die durven, behoort de wereld toe!"

"Ja, aan hen die durven en aan Hobble-Frank! Heb ik mijn zaakjes niet tribunaal volbracht? Zijn wij onze kameraadschappelijke plichten en verplichtingen niet punktueel nagekomen?"

"Gij hebt u uitstekend gehouden, uitstekend!"

"Ja, zonder ons was u happa geweest."

"Dat nu juist niet. Gij weet, dat ik mijn spel niet eer verloren geef, of het moet eerst geheel en al uitgespeeld zijn. Hier echter hebben wij niet enkel kaarten, maar zelfs nog troeven genoeg. Als je niet gekomen was, zouden wij ons op een andere manier hebben moeten helpen. Zie maar eens hier!"

Frank keek naar hem en zag, dat de jager hem zijn vrije hand liet zien.

"Deze hand heb ik reeds losgemaakt," vervolgde de jager; "de andere zou binnen een kwartier ook vrij geweest zijn. Ik heb in een klein, verborgen zakje een pennemes, dat van man tot man gegaan zou zijn, zoodat wij allen zeer spoedig onze riemen losgesneden zouden hebben. Dan schielijk opgesprongen en op de wapenen aangesneld, die daarginds bij de hoofdmannen liggen ..."

"Weet gij dat óók?"

"Ik zou een slecht westman geweest zijn, als dat mijn opmerkzaamheid had kunnen ontgaan. Zonder wapenen is er geen redding voor ons; en daarom heb ik van het begin af aan goed opgelet, waar die naar toe gebracht werden. Nu moet ik vóór alles weten, hoe gij hier gekomen zijt. Zijt gij de Roodhuiden gevolgd?"

"Neen, dat niet! Wij waren al veel vroeger weg dan zij."

"Om hen in het oog te houden en hen achterna te gaan?"

"Ook niet! Wij zijn heel inflexibel de plaats gepoetst, altijd naar het benedeneinde van den canon, tot wij in een zijdal kwamen, waar wij ons compromitteeren konden. Ons plan was, om dan later, als het dag was, het spoor der Roodhuiden op te zoeken, om te zien wat wij voor u konden doen."

"O! Dus is het eigenlijk geen verdienste van u, dat gij dit bosch gevonden hebt?"

"Neen, het bosch hebben wij eigenlijk niet verdiend; maar daar het toeval nu eenmaal dat ding op onzen weg had geplaatst, zult gij het ons wel niet kwalijk nemen, hoop ik, dat wij vervolgens zoo vrij zijn geweest, om bij u de verschuldigde nieuwjaarsvisite te komen afleggen."

"Gij wordt ironiek."

"Dat nu zoozeer niet; ik wil daarmee alleen maar gecontraheerd hebben, dat het geen kinderwerk geweest is, om door dit bosch en die Indianen heen met u te assimileeren."

"Dat weet ik zeer goed op prijs te schatten, oude Frank! Gij hebt uw leven voor ons gewaagd, en dat zullen wij nooit vergeten. Daar kunt gij verzekerd van zijn. Maar, trek uw geweer wat dichter bij u! Het kan anders licht gezien worden. En geef mij uw mes, dan zal ik mijn buurman vrijmaken, en die kan het dan verder reiken."

"En dan, als de boeien weg zijn, wat doen wij dan? Eerst naar de wapenen rennen, dan naar de paarden, en dan marsch met den goud vink."

"Neen, dat niet; wij blijven hier!"

"Wel sapperloot! Dat meent gij immers niet? Hier blijven! Noemt gij dat redding?"

"Ja."

"Dank u wel! Op die manier zult gij die kerels een remorkabel voordeeltje bezorgen, want als morgenochtend de lieve zon aan den hemel komt, zullen zij twee gevangenen meer hebben, dan van nacht!"

"Wij zullen hun gevangenen niet zijn. Eerst naar de wapenen en dan naar de paarden loopen, dat zou zóó schielijk in zijn werk moeten gaan, dat er een verschrikkelijke verwarring door ontstaan zou. Niemand zou zoo vliegens zijn geweer en zijn mes en zijn andere dingen kunnen vinden. De Roodhuiden zouden ons overstelpen, eer wij bij de paarden konden komen. En wie weet of die nog wel gezadeld zijn. Neen, wij moeten ons dadelijk achter onze schilden verschuilen."

"Achter onze schilden? Ik ben geen ridder Kunibald van Uilensnavel; ik heb geen harnas, en ook geen schild. En als gij dat woord hectroëtisch gebruikt, wees dan zoo goed en zeg mij wat ik onder het woord Schilden te verstaan heb."

"De hoofdmannen."

"O, ziet ge, dat is juist weer iets van u! Een verheven gedachte!"

"Verheven volstrekt niet, maar zeer voor de hand liggend. Wij maken ons meester van de hoofdmannen, en dan zijn wij zeker dat ons niets overkomen zal. Maar stil! Het vuur brandt weer laag, en de schildwachten zullen het dus niet zien als wij onze armen bewegen."

Hij sneed zijn boeien los, en deed dat vervolgens ook van zijn buurman, deze gaf het mes nu verder. Dat van Droll was ook reeds druk in omloop. Daarop ging Old Shatterhand's bevel zacht van mond tot mond, dat allen op de hoofdmannen moesten aanstormen, zoodra hij het vuur uitgebluscht had.

"Het vuur uitgebluscht?" bromde Frank. "Hoe wilt gij dat klaren?"

"Geef maar goed acht, dan zult gij het zien! Uitgebluscht moet het worden, anders raken ons de kogels van de schildwachten."

Nu lagen allen gereed. Old Shatterhand wachtte, tot de man aan het vuur, die nu weer daar zat, opstond om weer hout er op te leggen, waardoor de vlam voor korten tijd weer gedoofd werd. Toen sprong hij op, snelde op hem aan, sloeg hem met de vuist boven op het hoofd, en wierp hem in het vuur. Door zijn lichaam drie- of viermaal heen en weer te slingeren in het vuur, werd dit in een oogenblik uitgebluscht. Dit alles geschiedde zoo snel, dat het reeds donker was, eer de schildwachten recht begrepen wat er eigenlijk gebeurde. Hun waarschuwend geschreeuw werd dus te laat aangeheven, want de gevangenen stormden reeds het bosch door op het meer aan. Old Shatterhand was de voorste, vlak achter hem waren Firehand en Winnetou.

De hoofdmannen zaten nog altijd te beraadslagen aan hun vuur. Het was voor hen een bijzonder welkome taak, de verschrikkelijkste martelingen uit te denken, waaraan de blanken en de Apache zouden sterven; zij wedijverden met elkander, wie de gruwelijkste folteringen zou voorstellen. Wel hoorden zij het waarschuwende geschreeuw der schildwachten; maar schier op hetzelfde moment zagen zij de gestalten der bevrijden op zich aanstormen--eenige seconden later waren zij op den grond geworpen, ontwapend en geboeid.

Nu grepen de blanken naar hun in de nabijheid liggende wapens, zonder zich er over te bekommeren of ieder wel zijn eigen vond. Toen de schildwachten nu van onder de laatste boomen te voorschijn kwamen, zagen zij de hoofdmannen gekneveld op den grond liggen, en eenige blanken met getrokken messen op de knieën er bij, gereed om de hoofdmannen dood te steken. Achter die groep stonden de andere blanken met aangelegde geweren. De Roodhuiden deinsden verschrikt achteruit, en hieven een ontzettend gehuil van verwoedheid aan, dat weldra al de anderen deed aansnellen.

Old Shatterhand durfde het niet tot een aanval laten komen. Luid verkondigde hij, dat de hoofdmannen doodgestoken zouden worden, indien men de minste poging deed om hen te bevrijden. Hij verlangde, dat de Roodhuiden zich terug zouden trekken, waarop hij dan met hun aanvoerders op een vreedzame wijze onderhandelen zou.

Het was een beslissend oogenblik, een oogenblik, waarvan dood en leven afhing, en dat niet voor weinigen, maar voor velen. De Indianen stonden beschut onder de boomen; de blanken werden beschenen door het heldere schijnsel van het vuur; maar er viel niet aan te twijfelen, bij het eerste schot, dat gelost werd, zouden dreigende messen de harten der hoofdmannen doorboren.

"Blijft daar!" riep de Groote Wolf aan zijn mannen toe. "Ik zal met de bleekgezichten spreken."

"Met u hebben wij niets te maken," voegde Old Shatterhand hem toe. "De anderen kunnen spreken."

"Waarom _ik_ niet?"

"Omdat uw mond niets anders spreekt dan leugens."

"Ik zal waarheid spreken."

"Dat hebt gij reeds iederen keer beloofd, zonder uw woord te houden. Gij hebt mij kort geleden geboden, alleen dan te spreken, als mij iets gevraagd werd. Nu ben ik niet meer uw gevangene, maar gij zijt de mijne; en nu gebied _ik_ u precies hetzelfde. Als gij spreekt, zonder dat ik u er toe oproep, gaat zonder genade het mes door uw hart.--Hoe is uw naam?"

Deze vraag werd tot den oudste der aanvoerders gericht. Hij antwoordde: "Mijn naam is Koenpoei (= vuurhart). Laat mij vrij, dan zal ik met u spreken."

"Vrijgelaten zult gij worden; maar eerst moeten wij gesproken hebben, en moet gij verklaren volkomen in te stemmen met hetgeen wij van u verlangen."

"Wat verlangt gij dan? De vrijheid?"

"Neen, want die hebben wij reeds, en die zullen wij ons niet meer laten ontnemen. Roep allereerst vijf van uw voornaamste krijgslieden hier!"

"Wat moeten die?"

"Dat zult gij hooren, als ik hen hier heb. Roep hen een beetje gauw; want onze messen, die getrokken zijn om u den dood te geven, beginnen hun geduld te verliezen."

"Ik moet mij even bedenken, wie ik kiezen zal."

Dit zei hij louter om tijd te winnen, en te overwegen of het wel werkelijk noodzakelijk was aan Old Shatterhand's bevel te voldoen. In de pauze, die daardoor ontstond, hadden de blanken gelegenheid, om alles wat men hun geroofd had weer in bezit te nemen, want er was er niet een onder hen, die niet het een of ander nog miste. Eindelijk noemde Vuurhart vijf namen, en zij, die deze namen droegen, moesten aantreden, maar zonder hun wapenen. Zij kwamen, en gingen op den grond zitten, om af te wachten wat er nu volgen zou. Zij dachten te vernemen wat er van hen verlangd werd; maar eerst hoorden zij iets anders. Toen de hoofdmannen op den grond lagen en geboeid werden, had Old Shatterhand zijn karabijn even neergelegd; nu raapte hij die weer op. Het oog van den Grooten Wolf viel op dat wapen, en vol ontzetting riep hij uit: "Het toovergeweer, het toovergeweer! Hij heeft het weer! De geesten hebben het hem gebracht door de lucht! Raakt het niet aan, en raakt ook hem niet aan, want anders kost het u uw leven!"

"Het toovergeweer, het toovergeweer!" hoorde men de stemmen der verschrikte Yampa-Utahs, daarginder onder de boomen.

Shatterhand gebood den Wolf te zwijgen, en wendde zich nu tot Vuurhart.

"Wat wij verlangen is het volgende: Wij vermissen nog vele dingen, die gij ons afgenomen hebt; die geeft gij ons allereerst terug. Zoodra de dag aanbreekt rijden wij weg, en nemen de hoofdmannen en deze vijf krijgslieden mee als gijzelaars. Zoodra wij ons dan overtuigd kunnen houden, dat ons van u geen gevaar meer bedreigt, stellen wij die allen op vrije voeten, en mogen zij ongedeerd naar hier terugkeeren."

"Oef! Dat is te veel van ons gevergd," antwoordde Vuurhart. "Dat kunnen wij niet aannemen. Geen dappere roode krijgsman zal het van zich kunnen verkrijgen als gijzelaar met de blanke mannen mee te gaan."

"Waarom niet? Wat is erger, een gijzelaar te zijn, die weer vrijgelaten wordt, of een gevangene, die zoo onvoorzichtig geweest is zich te laten grijpen? Zeer stellig het laatste. Wij, wij zijn uw gevangenen geweest, en toch heeft dat hoegenaamd niet geschaad, zoomin aan onzen roem als aan onze eer. Integendeel, die hebben er beide door gewonnen, daar wij u bewezen hebben, dat wij zelfs dan niet versagen, wanneer wij door zulk een overmacht gevangengenomen en gekneveld zijn. Het is geen schande voor u, één dag met ons mee te rijden, om dan ongedeerd en ongehinderd naar de uwen terug te mogen keeren."

"Het is een schande, een groote schande! Gij waart geheel in onze macht; de martelpalen zouden opgesteld worden, zoodra de dag aanbrak; en nu zijn _wij_ de geknevelden, en gij schrijft aan _ons_ de wet voor!"

"Wordt dat iets hoegenaamd beter, als gij weigerachtig zijt mijn voorwaarden aan te nemen? Wordt de schande er minder door, als gij het tot een gevecht laat komen, waarin gij allen, zooals gij hier zit, stellig het allereerst wordt afgemaakt, en nog ontelbaar vele anderen bovendien. De hoofdmannen en deze vijf uitstekende krijgslieden krijgen allereerst den kogel, en onze geweren doen daarna verder hun plicht. Denk maar eens aan mijn toovergeweer!"

Deze laatste vermaning scheen bijzonder te werken, want Vuurhart vroeg: "Tot hoe ver moeten wij met u meegaan? Waar zijt gij van plan naar toe te rijden?"

"Ik zou u uit voorzichtigheid een leugen kunnen wijsmaken," antwoordde Old Shatterhand. "Maar dat acht ik beneden mij. Wij gaan de Book-Mountains in, en zoo naar boven, naar het Zilvermeer. Als wij zien, dat gij eerlijk zijt, zullen wij u slechts één dag bij ons houden. Ik geef u nu een kwartier tijd, om er u over te kunnen bedenken. Voegt gij u naar onzen wil, dan zal er geen haar op uw hoofd gekrenkt worden; maar weigert gij, dan zullen onze geweren beginnen te spreken, zoodra het kwartier afgeloopen is. Ik heb gezegd!"

Die drie laatste woorden sprak hij met zooveel nadruk, dat er geen twijfel meer mogelijk was, of hij niet nog, op de eene of andere wijze, van zijn voornemen af te brengen zou zijn. Vuurhart liet het hoofd vooroverhangen. Het was in één woord een ongehoord feit, dat dit handjevol blanken, wien eenige minuten geleden nog de verschrikkelijkste dood boven het hoofd hing, thans in de gelegenheid waren om zulke eischen te stellen. Onverwachts werd zijn opmerkzaamheid naar de boomen getrokken, want daar liet zich een half overluide, bijna fluisterende stem hooren: "Mai iwe!"

Die twee woorden beteekenen: "Kijk hierheen!" Ze waren niet toegeroepen, maar zacht, doch zeer duidelijk verstaanbaar uitgesproken; ze konden tot ieder ander dan tot den hoofdman gericht geweest zijn, zoodat het louter toevallig kon schijnen dat ze zoo ver weg gehoord werden, en voor de blanken moesten ze dus van hoegenaamd geen beteekenis zijn. Dit nam echter niet weg, dat Shatterhand, Firehand en Winnetou terstond alle drie hun oogen naar de plaats richtten, van waar die woorden gekomen waren. Wat zij daar zagen, moest bijzonder hun belangstelling wekken. Daar stonden twee Roodhuiden, die een paardedek vasthielden, ieder aan een der bovenpunten, zoodat het als een loodrecht voorhangsel tusschen hen in hing, dat in kort op elkander volgende, maar verschillend afgemeten tusschenruimten tijds door hen op en neer werd getrokken. Achter hen zag men het schijnsel van een vuur. De twee Indianen spraken met Vuurhart.

De Indianen hebben namelijk een teeken- of gebarenspraak, die bij al de verschillende stammen verschillend is; des nachts bedienen zij zich daartoe van gloeiende pijlen, waarmede zij in de lucht geschoten bosjes gras in brand schieten. Overdag stoken zij een vuur, en houden, om den rook bijeen te houden, vellen of dekken daar overheen. Telkens als die vellen en dekken weggenomen of opgelicht worden, stijgt een rookwolk op, waarin het teeken bestaat. Het is een soort van telegraphie, volkomen gelijk aan de onze; want de tusschenruimten tusschen de omhoogstijgende rookwolken, hebben een zeer bepaalde beteekenis, evenals onze strepen en punten. Men moet echter niet denken, dat een stam altijd bij dezelfde teekens blijft; integendeel, die worden zeer dikwijls veranderd, om het aan vreemden en aan vijanden zo moeilijk mogelijk te maken, hun teekenspraak te ontraadselen.

Hadden de twee Roodhuiden gedacht, dat men op hun pantomime geen acht zoude slaan, dan hadden zij zich vergist. Zoodra zij met het dek begonnen te exerceeren, trad Winnetou eenige schreden ter zijde, zoodat hij te staan kwam vlak achter Vuurhart, aan wien die teekens geadresseerd waren. De Indianen stonden in een rechte lijn tusschen hem en het vuur; doordien zij het dek afwisselend naar omhoog en naar omlaag lieten gaan, lieten zij het vuur voor de oogen van den hoofdman verschijnen en weer verdwenen, en zulks bij langere of kortere tusschenpoozen, die natuurlijk een zeer bepaalde beteekenis hadden.

Old Firehand en Old Shatterhand wisten dadelijk wat er aan de hand was; maar zij deden alsof zij niets bemerkten; zij lieten het ontraadselen van die teekens aan Winnetou over, die, als geboren Roodhuid, daarin nog knapper was dan zij.

Het telegrapheeren duurde wel vijf minuten lang, en gedurende al dien tijd waren de oogen van Vuurhart niet van de plek af, waar de twee Indianen stonden. Toen gingen die twee van elkander af; zij waren klaar met hun mededeeling, en hadden hoegenaamd geen vermoeden, dat zij door hun tegenstanders bespied en begrepen waren. Vuurhart merkte nu pas, dat Winnetou vlak achter hem stond. Dat deed hem ontstellen. Hij keek schielijk om, ten einde te zien, in welke richting de oogen van den Apache gingen. Maar deze was even vlug, om zijn blik ter zijde te wenden, en te doen alsof zijn gansche opmerkzaamheid gevestigd was op de afwisselende kleurschakeeringen, die de maneschijn te voorschijn tooverde op den waterspiegel van het meer. Vuurhart voelde zich gerustgesteld. Doch Winnetou ging langzaam naar Old Shatterhand en Old Firehand. Dezen verwijderden zich met hem nog eenige passen verder, en toen vroeg de laatste hem fluisterend: "De Roodhuiden hebben tegen den hoofdman gesproken; heeft mijn broeder gezien en verstaan wat zij hem gezegd hebben?"

"Gezien wel, maar niet ieder woord goed verstaan. Maar toch is de zin, van hetgeen zij gezegd hebben, door goed nadenken duidelijk genoeg."

"Nu, wat hebben zij gezegd?"

"De twee Roodhuiden zijn twee jonge hoofdmannen van de Sampietsje-Utahs, wier krijgslieden zich óók hier bevinden. Zij hebben Vuurhart aangemaand, om gedwee met ons mee te rijden."

"Dus meenen zij het eerlijk? Dat zou mij verwonderen."