Chapter 42
Dat besluit werd ten uitvoer gebracht. Het bosch was wel slechts smal, maar vormde een strook van een uur gaans lengte, langs welke de Utahs voortrenden in galop, totdat de hoogte langzamerhand afdaalde naar een ravijn, dat dwars door de rots liep. Door dat ravijn kwam de Groote Wolf in den hoofdcanon, waar de blanken zich bevonden; trouwens, dat ravijn liep er in uit minstens drie Engelsche mijlen hooger op, dan het bivak der blanken. Tegenover het ravijn liep een enge zijcanon in den hoofdcanon uit; doch die was niet zoo smal als de rotsspleet, waar vandaag de ontmoeting tusschen de blanken en de Roodhuiden had plaats gehad. Daarheen richtte zich de Groote Wolf met zijn gevolg. Hij scheen den weg zeer goed te kennen, althans in weerwil van de duisternis vergiste hij zich geen enkelen keer, en mende zijn paard met zooveel zekerheid, als bevond hij zich op een goed onderhouden straatweg.
Deze canon had geen water, en liep bergop. Weldra bereikten de Roodhuiden de kruinhoogte van de uitgestrekte rotsvlakte, in welke het veelvertakte net der canons diep ingesneden is. In galop ging het de vlakte over, en na verloop van een half uur begon de streek langzaam te dalen in de gedaante van een breede, zachte insnijding. Rechts en links bleven de rotsen als beschuttende wanden staan, aanhoudend hooger wordende, hoe lager het terrein daalde, en toen doken vóór de verraderlijke bende de bladerrijke toppen van boomen op, waaronder veel vuren brandden. Het was een bosch, of beter gezegd een woud, midden op of in de door stormen gladgeveegde, en door de zon uitgedroogde en tot steen verschroeide vlakte.
Dit bosch had zijn ontstaan louter te danken aan de depressie van den bodem. De stormen loeiden er overheen, zonder het te beroeren, en de neerslag van het hemelwater kon er zich verzamelen, om een soort van meer te vormen, welks water de aardkorst week en voor de wortels vruchtbaar maakte. Dat was de P'a mow, het Woud van het Water, waarheen de Groote Wolf zich begeven wilde.
Er was volstrekt geen maneschijn noodig geweest om hier den weg te kunnen vinden, zoo talrijk waren de vuren, die hier brandden. Het was er een bedrijvig kampleven, en wel het leven van een kamp in oorlogstijd. Men zag er geen tent, geen hut of barak. De vele roode krijgslieden, die men er zag, lagen bij de vuren hetzij op hun dekken, hetzij op den naakten grond; daartusschen lagen of stonden en graasden even zooveel paarden. Dat was de plaats, waar de scharen der Utahs van alle stammen zich verzamelen moesten voor den aanstaanden krijgstocht.
Toen de Groote Wolf bij het eerste vuur aankwam, hield hij halt, steeg van zijn paard af, wenkte de zijnen, dat zij hier moesten wachten, en riep een der bij het vuur zittenden den naam "Nanap neaw" toe. Die twee woorden beteekenden "oude hoofdman". Daarmede was stellig de opperbevelhebber van al de Utah-stammen bedoeld. De aangesprokene stond op, en bracht den Grooten Wolf naar het meer, aan welks oever een groot, van de overige afgezonderd, vuur brandde. Aan dat vuur zaten vier Indianen, allen getooid met een adelaarsveer. Vooral een hunner moest inzonderheid de opmerkzaamheid trekken. Hij had zijn gezicht niet geverfd; het was doorploegd door ontelbare diepe rimpels. Zijn lang, sneeuwwit haar hing neer tot op zijn rug. Die man was stellig op zijn minst tachtig jaar oud, en toch zat hij zoo rechtop, krachtvol en fier, als telde hij vijftig levensjaren minder. Hij sloeg een doordringenden blik op de naderenden, maar zonder een woord of een groet te uiten; ook de anderen zwegen. De Groote Wolf ging zitten zonder iets te zeggen, en keek voor zich op den grond. Zoo verliep er een goede poos; toen eindelijk klonk het uit den mond van den oude: "De boom werpt in den herfst zijn bladeren af; maar als hij die vroeger verliest, deugt hij niet meer, en moet omgehakt worden. Drie dagen geleden droeg hij ze nog; waar zijn ze gebleven?"
Deze vraag zinspeelde op de adelaarsveeren, die de Groote Wolf niet meer droeg; er lag voor elken dapperen krijgsman een grievend verwijt in.
"Morgen zal die tooi het hoofd weer sieren, en zullen aan den gordel de scalps van tien of twintig bleekgezichten hangen," antwoordde de Groote Wolf.
"Is de Groote Wolf door bleekgezichten overwonnen, dat hij de onderscheidingsteekenen van zijn dapperheid en waardigheid niet meer dragen mag?"
"Door slechts één bleekgezicht, maar wiens vuist zwaarder is dan de handen van honderd andere blanke mannen."
"Dat kan niemand anders wezen dan Old Shatterhand."
"Die is het!"
"Oef!" ontsnapte het aan de lippen van den oude, en "oef!" klonk het ook uit den mond der anderen. Toen vroeg hij: "Dus heeft de Groote Wolf dien beroemden blanke gezien?"
"Hem, en nog vele anderen: Old Firehand, Winnetou, den langen en den dikken jager, een troep, wel vijfmaal tien hoofden sterk. Ik ben gekomen, om u hun scalpen te kunnen brengen."
De Indiaan moet zijn gevoelens en gewaarwordingen weten te verbergen; vooral wordt dat van de oudsten en van de hoofdmannen verlangd; maar wat deze vier aanvoerders nu hoorden, gaf zulk een geweldigen schok aan hun zelfbeheersching, dat zij aan hun gemoedsbeweging onwillekeurig lucht gaven in uitroepen van blijdschap, verwondering en verbazing. Het gelaat van den oude nam zulk een uitdrukking van spanning aan, dat er bijna geen rimpel meer op te zien was.
"De Groote Wolf kan vertellen!" zei hij.
Het verhaal was niet in overeenstemming met de waarheid; hij deed zijn best, om zich zelf en zijn handelwijze in een gunstig daglicht te stellen. De anderen zaten bewegingloos, en hoorden het verhaal met de grootste opmerkzaamheid aan. Daarna vroeg de oudste der hoofdmannen: "En wat wil de Groote Wolf nu doen?"
"Gij zult mij nog vijftig krijgslieden geven, waarmee ik die honden overrompelen zal. Hun scalpen moeten aan onze gordels hangen, nog eer de dag van morgen aanbreekt."
De rimpels van den oude kwamen weer te voorschijn; hij fronste zijn wenkbrauwen, en zijn haviksneus werd nog wel ééns zoo dun en scherp.
"Nog eer de dag van morgen aanbreekt?" vroeg hij. "Zijn dat woorden van een rooden krijgsman? De bleekgezichten hebben ons overvallen en beroofd, en onze mannen gedood. Nu rukken zij met overmacht op ons aan, om ons bloed te vergieten, en roepen ook de scharen der Navajos tegen ons in het veld. Zij hebben het gemunt op onzen ondergang; en nu de Groote Geest de beroemdsten en voornaamsten hunner in onze handen heeft gegeven, zullen zij snel en zonder pijnen sterven gelijk een kind in de armen der moeder. Wat zeggen mijn roode broeders van die woorden van den Grooten Wolf?"
"De blanken moeten aan den martelpaal!" antwoordde een der hoofdmannen.
"Wij moeten hen levend vangen!" sprak de tweede.
"Hoe beroemder zij zijn, des te grooter moeten hun pijnen zijn!" was het oordeel van den derde.
"Mijn broeders hebben goed gesproken," prees de oude. "Wij zullen die honden levend grijpen."
"De oude hoofdman moet bedenken, welke mannen er onder hen zijn," waarschuwde de Groote Wolf. "Old Shatterhand duwt den kop van een buffel op den grond neer, en Old Firehand doet niets voor hem onder. In hun wapenen schuilen alle booze geesten. En Winnetou is een groot krijgsman...."
"Maar een Apache," viel de oude hem driftig in de rede. "Behooren de Navajos, die tegen ons oprukken, misschien niet tot de Apachen? Hij is onze doodvijand, en moet veel erger gemarteld worden dan de bleekgezichten. Ik weet over welke krachten en bekwaamheden die beroemde bleekgezichten te beschikken hebben; maar wij hebben krijgslieden genoeg om hen dood te drukken. Gij hebt het eerste recht op wraak, en zult dus de aanvoerder zijn. Ik geef u driehonderd krijgslieden mee, en gij moet mij de bleekgezichten levend brengen."
"Mag ik dan, als zij aan den martelpaal gebonden worden, de scalps nemen van Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou?"
"Die behooren aan u, maar alleen dan, wanneer geen blanke van te voren gedood wordt. Een ontijdige dood van ieder hunner zou ons berooven van het genot hen te zien martelen. Gij hebt reeds vijftig man bij u; dus komen er op iederen blanke zeven Roodhuiden. Als gij hen goed bekruipt, moet het u gelukken hen te omslingeren en te binden, eer zij goed wakker zijn. Neemt vooral genoeg riemen mee! Kom nu; ik zal de manschappen kiezen, die met u meegaan. De anderen, die hier blijven, zullen er jaloersch over wezen; maar om hen schadeloos te stellen, zullen zij de voorsten zijn aan de martelpalen."
Zij stonden op, en deden een rondgang van het eene vuur naar het andere, om de uitverkorenen aan te wijzen. Men had spoedig de driehonderd man bijeen, en buitendien nog vijftig om op de paarden te passen, die niet tot dicht in de nabijheid der blanken medegenomen konden worden. De Groote Wolf gaf aan die lieden de noodige opheldering wat er gedaan worden moest, beschreef hun nauwkeurig de plaatselijke gesteldheid, en zette hun vervolgens zijn plan van aanval uiteen. Toen stegen de Roodhuiden te paard en aanvaardden hun tocht, die voor de blanken zoo noodlottig moest worden. De namen Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou weerklonken in aller ooren. Welk een roem, zulke helden gevangengenomen en aan den martelpaal gebracht te hebben.
Het ging precies denzelfden weg terug, dien de Groote Wolf gekomen was, maar slechts tot in den hoofdcanon. Daar steeg men af, om de paarden onder bewaking van de vijftig man achter te laten. Bij de overmacht, waarover men te beschikken had, kon de onderneming geacht worden zoogoed als zonder gevaar te zijn. En toch was het welgelukken nog niet eens zeker; de paarden der blanken konden alles nog verijdelen. De Groote Wolf wist maar al te wel, hoe die dieren de gaaf hadden, om de nadering van een Roodhuid reeds van verre te ruiken. Bij de nadering van een troep van driehonderd Indianen was te veronderstellen, dat die paarden zeer onrustig zouden worden en dat ze door hun luid gesnuif alles zouden verraden. Wat was daartegen te doen? De hoofdman uitte zijn twijfel. Een hunner bukte, trok een plant uit, en zei: "Hier is een onfeilbaar middel, om den fijnen neus der paarden te misleiden."
De hoofdman herkende de plant aan den sterken reuk, dien zij van zich gaf. Het was een wilde salie-plant. Er zijn in het verre Westen streken, verscheiden vierkante mijlen groot, die geheel met salie bedekt zijn. Ook in dezen canon, waar de zon tot op den bodem kon doordringen, groeide die plant in overvloed. De raad was goed, en werd terstond gevolgd. De Roodhuiden wreven hun handen en kleederen met salie in. Dit gaf zulk een sterken reuk, dat men veilig kon aannemen, dat de paarden der blanken er door verschalkt zouden worden. Buitendien merkte de Groote Wolf, dat de onbeduidende luchtstroom, die er was, van beneden naar boven kwam, en derhalve in het voordeel van de Roodhuiden was.
Dezen hadden, hun overgroote meerderheid in aanmerking nemende, hun geweren niet medegenomen, en waren slechts gewapend met messen. De blanken zouden zoo overrompeld en opeengedrongen worden, dat het in het geheel niet tot een gevecht kon komen.
Nu werd de verdere tocht te voet aangevangen, een afstand van drie Engelsche mijlen. Aanvankelijk kon men zonder veiligsheidsmaatregelen voortmarcheeren, doch toen er twee mijlen afgelegd waren, was het raadzaam voorzichtiger te zijn.
Eerst nu kwam de hoofdman op de gedachte, dat de blanken uit voorzichtigheid hun bivak naar elders verlegd konden hebben; en die gedachte vervulde hem met een bijna koortsachtige ongerustheid. Verder ging het aanhoudend verder, zacht en slangachtig. Zeshonderd voeten, en nog hoorde men geen het minste gedruisch, geen steentje werd er van zijne plaats afgebrokkeld, geen twijgje werd er geknakt. Maar....eensklaps bleef de voorop marcheerende Wolf stilstaan. Hij zag het wachtvuur branden. Dat was juist op het oogenblik, toen Old Firehand de posten in oogenschouw nam. De hoofdman had overdag gezien, dat er aan het boven- en aan het benedeneinde zulk een wachtpost geplaatst was. Die schildwachten stonden er stellig nog; en die dienden dus allereerst onschadelijk gemaakt te worden.
Hij gebood fluisterend halt, en gaf aan slechts twee bevel om hem te volgen. Zij gingen op den grond liggen, en kropen voorwaarts. Spoedig bereikten zij den eersten schildwacht; hij keek Old Firehand na, die hem pas verlaten had, en stond dus met zijn rug naar de Roodhuiden. Eensklaps grepen hem twee handen bij de keel, en vier anderen grepen hem bij de armen en beenen. Hij kon geen adem halen; hij verloor zijn bewustzijn, en toen hij weer bijkwam lag hij geboeid, met een prop in den mond, om hem het schreeuwen te beletten. Naast hem zat een Indiaan, die hem de punt van zijn mes op de borst hield. Dat onderscheidde hij, in weerwil dat het maanlicht niet tot op den bodem van den canon doordrong.
Intusschen was het vuur uitgegaan, en de hoofdman had weer aan twee der zijnen bevel gegeven om hem te volgen. Het gold nu den schildwacht aan het benedeneinde. Men moest dus het bivak van de blanken voorbij. Daar dat aan dezen kant van het water lag, was het raadzaam den weg aan de overzijde af te leggen. De drie waadden door het water heen, en kropen aan den anderen kant verder--een niet zeer gevaarlijke tocht. Men kon aannemen, dat de schildwachten op gelijken afstand van het bivak uitgezet waren, en men kon dus te naastenbij berekenen welken afstand men af te leggen had. Het water schemerde phosphoresceerend, en het plassen daarin kon hen zeer licht verraden. Daarom kropen de Roodhuiden nog een eind weegs verder, waadden toen naar de overzij, gingen daar weer op den grond liggen, en schoven toen op handen en voeten naar boven. Het duurde niet lang, of zij kregen den schildwacht in het oog; hij stond een pas of zes van hen af, met zijn gelaat ter zijde gewend. Nog een kleine minuut, een sprong, een kort gespartel met voeten, en ook deze post was vermeesterd. De twee Roodhuiden bleven bij hem; en de Groote Wolf ging alleen weer het water over, om nu den grooten slag te gaan slaan.
De paarden stonden aan twee groepen tusschen het bivak en de twee schildwachten. Zij waren tot nu toe volkomen rustig geweest; maar het was niet te denken, dat dit nu zoo zou blijven. Als de Indianen zeer dicht langs hen kwamen, moesten zij wel lont ruiken in weerwil van den salie-reuk. Daarom hield de Groote Wolf het voor raadzaam, ook zijn manschappen het water te laten oversteken. Dit geschiedde inderdaad meesterlijk, zonder het minste gedruisch. Op de overzijde aangekomen gingen allen op den grond liggen, om den afstand van een honderdtal passen kruipende af te leggen, tot zij zich tegenover het bivak bevonden. De grootste moeilijkheid daarbij was hierin gelegen, dat zich zooveel menschen in een enge ruimte opeengedrongen moesten bewegen, en dat nog wel geheel onhoorbaar. Toen zij nu naast elkander lagen, tegenover de menschen en de paarden, begonnen de laatstgenoemde toch onrustig te worden. Nu kwam het er op aan, snel te handelen. Van onhoorbaar het water over te steken kon nu geen sprake zijn.
"Voorwaarts!" klonk de onderdrukte, maar toch door alle Roodhuiden verstaan wordende stem van den Grooten Wolf.
Het riviertje was men spoedig over. Van de blanken was er nog niet een ontwaakt; zij lagen allen in den eersten slaap. Het tooneel, dat nu volgde, is niet te beschrijven. De bleekgezichten lagen dicht bij elkander, zoodat de Indianen volstrekt geen ruimte hadden om zich behoorlijk te bewegen. Vijf en zes hunner, en somwijlen nog meer, wierpen zich op één blanke, trokken hem overeind, en smeten den slaapdronkene aan de achter hen staanden toe, om oogenblikkelijk een tweede, een derde, een vierde te vatten. Dit alles overviel den slapenden zoo snel, dat zij zich in de macht der Indianen bevonden, eer zij nog goed wakker waren geworden.
En geheel tegen het gebruik der Indianen, om bij elken aanval hun oorlogsgehuil aan te heffen, gingen deze Utahs te werk schier zonder geluid te laten hooren. Eerst toen de blanken luidruchtig werden, hieven zij hun gegil en geschreeuw aan, dat ver door de nachtelijke stilte drong, en door de wanden van den canon veelvoudig teruggekaatst werd.
Daarbij was er een gewoel van lichamen, armen en beenen, die in de duisternis niet van elkander te onderscheiden waren. Slechts drie afzonderlijke groepen waren, in weerwil van de duisternis, eenigszins te herkennen, drie groepen, die, niet ver van elkander verwijderd, zich dicht aan den rotswand bewogen. De middelpunten er van waren Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou, die, ten gevolge van hun groote tegenwoordigheid van geest en vlugheid van handelen, niet gelijk de anderen overrompeld hadden kunnen worden. Zij waren opgesprongen, en hadden met den rug tegen den rotswand dekking gezocht. Nu verdedigden zij zich met de messen en revolvers tegen de overmacht van de vijanden, die zich niet van hun scherp mochten bedienen, daar hun bevel was gegeven om de blanken levend te vangen. De drie moesten echter bezwijken, in weerwil van hun beroemde bekwaamheid, verbazende vlugheid en aan het wonderdadige grenzende spierkracht. Zij werden door de Roodhuiden zoo overstelpt dat het hun ten laatste onmogelijk was hun armen te verroeren. Zij werden ook op den grond getrokken, half gewurgd, en evenals de anderen geboeid. Een door merg en been dringend jubelgehuil der Roodhuiden verkondigde, dat de overrompeling gelukt was.
Nu gebood de Groote Wolf een vuur aan te steken. Toen de vlammen daarvan het tooneel der worsteling verlichtten, bleek, dat door de steken en schoten van het genoemde drietal ruim twintig Roodhuiden gekwetst en eenigen zelfs gedood waren.
"Daar zullen de honden tiendubbele martelingen voor uitstaan!" zei de hoofdman grimmig. "Wij zullen hun vel aan reepen van hun lichaam snijden. Zij zullen allen een ijzingwekkenden dood sterven, en niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel aanschouwen! Neemt onze dooden op, en neemt de paarden en de wapenen der bleekgezichten. Wij moeten terugkeeren."
"Wie moet het wondergeweer van den blanken jager aanraken?" vroeg er een. "Dat gaat vanzelf af, en doodt hem, die het aanraakt, en nog vele anderen bovendien."
"Wij laten het liggen, en bedekken het met een hoop steenen, opdat geen roode man er een hand zal kunnen aanslaan. Waar is het?"
Men zocht er naar, zonder het te vinden; het was verdwenen. Toen de Groote Wolf er aan Old Shatterhand naar vroeg, gaf die geen antwoord. Toen hij, door het krijgsrumoer wakker geworden, opgesprongen was, had men hem de karabijn uit de hand gerukt en die weggeslingerd. De hoofdman liet brandende stukken hout nemen, om het heldere, doorschijnende water van de beek te verlichten. Dat was zoo ondiep, dat men er de steentjes op den bodem kon zien liggen; maar de karabijn zag men nergens.
De Yampa-Utahs hadden dat geweer overdag nog in handen van Old Shatterhand gezien, en konden de verdwijning niet begrijpen. Misschien lag het in de rotsspleet. Men onderzocht die tot een goed eind weegs er in, natuurlijk met behulp van brandende stukken hout, maar ook tevergeefs. Het gevolg was, dat zelfs die Roodhuiden, die twijfelden of het geweer van Old Shatterhand wel bovennatuurlijke eigenschappen bezat, zich thans volkomen met het gevoelen der anderen vereenigden. Zoolang men hier bleef, kon het toovergeweer zijn onverklaarbare krachten doen gelden: dat was het eenparige oordeel; en daarom gebood de Groote Wolf, die daardoor zelf niet op zijn gemak was: "Bindt de gevangenen aan de paarden vast, en dan van hier opgerukt! Een booze geest heeft het toovergeweer gemaakt. Wij mogen hier niet blijven tot het zijn kogels op ons uitbraakt."
Aan dit bevel werd oogenblikkelijk gevolg gegeven; en toen de Roodhuiden opbraken, was er sedert het begin van het gevecht nog geen uur verstreken.
"Niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel aanschouwen!" had de hoofdman gezegd. Hij dacht, dat al de blanken in zijn handen gevallen waren, en toch was dat niet het geval. Zooals reeds verhaald is, had Old Firehand ook in de rotsspleet een schildwacht op post gezet, om te zorgen, dat de wellicht langs dien weg terugkomende Yampa-Utahs de blanken niet konden overrompelen. Die schildwacht was... Droll, die pas twee uur later afgelost moest worden. Hobble-Frank was uit eigen beweging met hem meegegaan, om met hem nog eens goed over het dierbare geboorteland te kunnen praten. Zij zaten, natuurlijk voorzien van al hun wapenen, in diepe duisternis, en luisterden van tijd tot tijd, of zij wellicht in de rotsspleet iets zouden hooren. Zij waren volstrekt niet vermoeid, en zij hadden elkander zooveel te vertellen, dat het hun vooreerst volstrekt niet ontbrak aan stof.
Daar hoorden zij opeens aan den uitgang van de rotsspleet een gedruisch, dat wel geschikt was om hun opmerkzaamheid gaande te maken.
"Luister!" fluisterde Frank zijn neef (?) toe. "Hebt gij óók iets gehoord?"
"Ja, ik heb óók iets gehoord," antwoordde de Tante zacht. "Wat kan dat geweest zijn?"
"Ik denk voor het naast, dat eenigen der onzen opgestaan zijn."
"Neen, dat kan het niet wezen. Er moeten zeer, zeer veel menschen op de been zijn--naar het gescharrel met de voeten te oordeelen, op zijn minst wel een paar honderd...."
Plotseling zweeg hij, want nu werden de overrompelden wakker, en hoorde men hun stemmen.
"Verduiveld, er wordt gevochten!" vervolgde Hobble-Frank. "Ik geloof warendig dat wij overrompeld zijn."
"Ja, overrompeld zijn wij, dat is zeker," antwoordde Droll; "dat moeten stellig die roode schobbejakken zijn, als het noodig is."
Het volgende oogenblik bewees, dat dit vermoeden juist was, want toen weergalmde de oorlogskreet der Indianen.
"God moge ons bijstaan! zij zijn het werkelijk!" riep Frank. "Er op los, er op los! Gauw, gauw!"
Hij greep den arm van Droll, om dien met zich voort te trekken; maar deze door zijn geslepenheid bekende jager hield hem terug, en zei met zulk een bevende stem, dat men hooren kon hoe ook hij ontsteld was:
"Hier blijven! Niet zoo holderdebolder er op los! Als de Indianen nu bij nacht een overrompeling ondernemen, zijn er zoo ontzaglijk velen bijeen, dat wij niet voorzichtig genoeg kunnen wezen. Wij moeten eerst afkijken, hoe het met de zaak geschapen staat. Dan eerst weten wij, wat ons te doen zal staan. Wij moeten op den grond gaan liggen en voorwaarts kruipen."
Dat deden zij. Op handen en voeten schoven zij vooruit tot aan den uitgang. Toen zagen zij, in weerwil van de duisternis, dat hun metgezellen verloren waren. De overmacht der Roodhuiden was te groot. Links van hen was het gevecht juist begonnen. De schoten van Firehand, Shatterhand en Winnetou knalden, maar niet lang; toen weerklonk het triomfgehuil der Roodhuiden. Vlak vóór den uitgang der rotsspleet was de baan vrij.
"Gauw achter mij en het water over!" fluisterde Droll.
Hij kroop zoo snel en voorzichtig mogelijk over den grond. Frank volgde hem. Opeens voelde de hand van laatstgenoemde een hard lang voorwerp; het was een geweer met een bolvormig slot. "Old Shatterhand's Henry-karabijn!" Dat was zijn eerste gedachte. En hij nam het geweer mee.
Beiden kwamen gelukkig aan het water, en vervolgens aan de overzijde. Toen nam Droll neef Hobble-Frank bij de hand, en trok hem met zich voort, zijwaarts, in een zuidelijke richting. De vlucht gelukte hun, doordat het zoo donker was, en het gescharrel van hun voeten niet gehoord kon worden door het oorverdoovend spektakel, dat de Indianen maakten. Reeds spoedig echter werd de ruimte tusschen den rotswand en het water zoo smal, dat Droll aanried: "Wij moeten weer het water over naar den linker-oever. Daar zal de baan wel breeder zijn."