De schat in het Zilvermeer

Chapter 41

Chapter 413,919 wordsPublic domain

"Ja. Wij zijn boven in het gebergte geweest, in het Nationale Park en zaten ook in het Estacato."

"Sapperdekriek! Zijt gij dan bijgeval Hobble-Frank?"

"Ineens geraden! Kent gij mij?"

"Natuurlijk! De Apache heeft dikwijls over u gesproken, en u vandaag nog toen wij voor het bivak der Utahs lagen, een kleinen held genoemd."

"Een.... kleinen held!" zei Frank hem na, terwijl er een gelukzalig lachje over zijn gelaat gleed. "Een.... kleinen.... held! Dat moet ik in mijn oor knoopen. Gij hebt goed geraden, wie ik ben; maar nu weet ik nog niet of _ik_ goed geraden heb?"

"Voor wien houdt gij mij dan?"

"Wel, dat heb ik u al gezeid: voor die Tante Droll."

"Goed geraden! Dat ben ik in hoogst-eigen persoon!"

"Inderdaad? Nu, dat doet mij drommels veel pleizier."

"Maar hoe zijt gij op het idee gekomen, dat ik die tante was?"

"In de eerste plaats door uw kleeding, en dan door uw gedrag. Ik heb dikwijls hooren vertellen, dat die Tante Droll een zeer courageus vrouwspersoon was; en toen ik u zoo handig met den hoofdman der Utahs zag omspringen, dacht ik dadelijk: Dat is geen mensch anders dan die tante."

"Zeer vereerend voor mij! Nu zijn wij allebei mannen, die den gek niet met zich laten steken. Maar de hoofdzaak voor mij is, dat ik gehoord heb, dat gij een landsman van Old Shatterhand zijt?"

"Ja, dat is waar."

"Dus een Duitscher?"

"Ja."

"Waar vandaan dan?"

"Uit het hartje. Ik ben, namelijk, een Saks."

"Wel drommels! Wat voor een? Koninkrijk? Altenburg? Koburg-Gotha? Meiningen-Hildburghausen?"

"Koninkrijk, Koninkrijk! Maar gij kent die namen zoo precies: zijt gij bijgeval ook een Duitscher?"

"Natuurlijk."

"Waar vandaan?" vroeg Frank, nu op zijn beurt verwonderd.

"Ook uit Saksen, namelijk Saksen-Altenburg."

"Wel, sapperloot!" riep de kleine uit. "Ook een Saks, en ook een Altenburger! Hoe is het mogelijk! Uit de stad Altenburg of van het platteland, he?"

"Niet uit de residentie, maar uit Langenleube."

"Langen...leube?" vroeg Frank, terwijl zijn mond wijd open bleef staan. "Langenleube-Niederhain?"

"Ja, òf ik dat ken! Ik heb er familie wonen, zeer na in den bloede, bij wie ik als jongen tweemaal op de kermis geweest ben. Als de menschen van kermis praten, dan zijn je dàt kermissen, daar in het Altenburgsche! Veertien dagen lang worden er pannekoeken gebakken. En als zulk een kermis uit is, begint er op een ander dorp weer een. Daarom spreekt men daar ook zoo in het algemeen van den Altenburger plattelandskost."

"Precies!" zei Droll met een hoofdknikje. "Wat kermishouden is, weten wij daar; en er aan meedoen kunnen wij ook. Maar gij hebt familie bij ons, zegt gij? Hoe heeten die menschen, en waar zijn ze vandaan?"

"Het is zeer na in de familie. Het is namelijk zóó: Mijn vader heeft een peetoom gehad, wiens schoondochter zaliger in Langenleube weder getrouwd was. Later is zij gestorven; maar haar stiefzoon heeft een zwager; en dat is de persoon, dien ik bedoel."

"Zoo. En wat deed die voor den kost?"

"Die deed zoo wat van alles. Hij was een gladde vogel, dat was hij, een man, die overal op zijn plaats was. Nu eens was hij koffiehuisbediende, dan kelderknecht, dan weer koster, tusschenbeide ook sergeant-majoor bij de burgerwacht; als dat te pas kwam ook bruiloftsnooder, en ook...."

"Stop!" viel Droll hem in de rede, hem meteen bij den arm grijpende. "Hoe was zijn naam?"

"Hoe de voornamen waren, weet ik mij niet meer te herinneren; maar zijn 'van' was Pampel. Ik noemde hem altijd maar neef Pampel."

"Wat? Pampel? Versta ik het wel goed?" riep Droll. "Had hij kinderen?"

"Ja, een zwerm!"

"Weet ge ook hoe die kinderen geheeten hebben?"

"Neen, dat weet ik niet meer. Maar van den oudsten zoon herinner ik mij den naam heel goed. Dat was een ferme jongen; hij heette Bastel."

"Bastel, dus Sebastiaan."

"Ja, want Sebastiaan wordt op zijn Altenburgsch Bastel uitgesproken. Ik geloof dat hij er ook nog Melchior bij heette--dien naam hebben in Altenburg van de tien menschen negen."

"Ja, ja, dat klopt, dat klopt precies: Sebastiaan Melchior Pampel. Weet gij ook wat er van hem geworden is?"

"Tot mijn leedwezen, neen!"

"Kijk _mij_ eens aan! Kijk mij eens goed aan!"

"Waarom?"

"Omdat _ik_ het ben wat er van hem geworden is."

"Gij.... gij?" vroeg de kleine.

"Ja, ik! Ik was die Bastel; en ik weet nog zeer goed wie bij ons op de kermis geweest is: dat was neef Frank uit Moritzburg, die later knecht bij den boschwachter geworden is."

"Dat ben ik, ik in eigen persoon. Neef! Dus hier, hier midden in de wildernis ontmoeten wij elkander als stamverwante menschen en koezijns! Wie had zoo iets ooit kunnen denken. Kom hier, broederhart! Ik moet u in mijn armen drukken!"

"Ja, ik ook. Hier hebt gij mij!"

Hij boog zich naar den ander en de ander boog zich naar hem. Daar beiden verkeerd op hun paarden zaten, ging de omarming niet bijzonder gemakkelijk, maar de moeilijkheden werden toch overwonnen.

De somber kijkende Indianen wisten bepaald niet wat zij van de gebaren der beide blanken denken moesten; maar die twee bekreunden zich niet om al die geverfde gezichten; zij reden hand aan hand naast elkander, met hun ruggen naar voren, en praatten over de gelukkige dagen van hun jeugd. En zij zouden waarschijnlijk nog in lang niet uitgepraat geweest zijn, indien er niet een staking in den tocht was gekomen. Men had, namelijk, het einde van de rotsspleet bereikt, die uitliep op een grooteren en veel breederen canon.

Wel was de zon reeds zoo ver aan het ondergaan, dat haar stralen er den bodem niet meer bereikten, maar er was toch nog licht, en daarbij een zuivere atmosfeer. De ruiters haalden ruimer adem, toen zij in de open lucht kwamen, hetgeen zij echter niet deden, zonder eerst behoorlijk rondgezien te hebben of er zich geen vijandige wezens in den omtrek bevonden.

Die canon was misschien tweehonderd passen breed, en over den bodem stroomde een smal riviertje, dat men gemakkelijk doorwaden kon. Langs dit water groeide gras en kreupelhout, en er stonden ook eenige boomen.

De Roodhuiden werden van de paarden afgenomen en, nadat hun voeten weer geboeid waren, op den grond gezet. Nu eerst was het gunstige oogenblik gekomen om elkander hartelijk te begroeten, en daarvan werd dan ook behoorlijk gebruik gemaakt. Zij, die nog niet met elkander bekend waren, maakten thans kennis, en het duurde niet lang of allen waren met elkander op den gemeenzaamsten voet. Daarvan waren Firehand, Shatterhand, Winnetou, de lord en de ingenieur natuurlijk uitgesloten.

De troep van Old Firehand had leeftocht bij zich gehad, en er werd allereerst gegeten. Daarna moest over het lot der Roodhuiden beslist worden. Hierover liepen de meeningen nogal uiteen. Winnetou, Old Firehand en Old Shatterhand waren bereid hen op vrije voeten te stellen; maar de anderen verlangden strenge straf. De lord sprak zijn gevoelen uit als volgt: "Totdat de wedstrijden afgeloopen waren zijn zij, naar mijn oordeel niet strafbaar; maar toen hadden zij u de vrijheid moeten geven. In plaats daarvan hebben zij u vervolgd, om u te vermoorden, en ik twijfel er geen oogenblik aan, dat zij dat ook gedaan zouden hebben, indien zij er slechts gelegenheid toe gehad hadden."

"Dat ben ik volkomen met u eens," zei Old Shatterhand; "maar zij hebben er geen gelegenheid toe gevonden, en zij hebben het dus ook niet gedaan."

"_Well!_ Dan is hun oogmerk toch strafbaar: men moet den wil voor de daad nemen."

"En hoe zoudt gij hun oogmerk dan gestraft willen zien?"

"Ja, dat is moeilijk te beslissen."

"Toch niet met den dood?"

"Neen."

"Met gevangenschap, met tuchthuis?"

"_Pshaw!_ Ransel hen goed af."

"Dat zou het onverstandigste zijn van alles wat wij doen konden, want er is voor den Indiaan geen grootere beleediging dan klappen. Zij zouden ons vervolgen tot aan het uiteinde van het vasteland."

"Leg hun dan een geldboete op."

"Hebben zij geld?"

"Neen; maar zij hebben paarden en wapenen."

"Is uw bedoeling, dat wij hun die moeten afnemen? Dat zou wreedaardig zijn. Zonder paarden en wapens zouden zij van honger omkomen of in handen van hun vijanden vallen."

"Ik begrijp u niet, sir! Hoe inschikkelijker gij met dat volkje zijt, des te ondankbaarder zullen zij worden. Het bevreemdt mij, dat _gij_ zoo zachtmoedig over hen denkt, daar zij zich aan u het ergst vergrepen hebben."

"En juist omdat zij zich aan mij, Frank, Davy en Jemmy vergrepen hebben, juist daarom zijn wij met ons vieren de eenigen, die over hun lot te beslissen hebben."

"Doe dan met hen, zooals gij verkiest!" zei de lord, terwijl hij zich gemelijk omdraaide. Maar dadelijk wendde hij zich weer tot Old Shatterhand en vroeg: "Willen wij eens wedden?"

"Waarover?"

"Dat die kerels u met ondank beloonen zullen, als gij hen te zachtmoedig behandelt."

"Neen."

"Ik wed om tien dollars."

"Ik niet."

"Ik zet twintig dollars tegen tien!"

"En ik wed in 't geheel niet!"

"Nooit?"

"Neen."

"Dat is jammer! dat is eeuwig jammer! Van Osage-nook af tot hier, op dien ganschen langen rit, heb ik geen enkelen keer gelegenheid gevonden om eens een weddenschap aan te gaan. Na alles wat ik van u gehoord heb, moet ik u voor een echt gentleman houden; en nu antwoordt ook gij mij, dat ge nooit wedt. En ik herhaal dus: Doe dan met hen zooals gij verkiest!"

Hij was werkelijk eenigszins korzelig geworden. In de levenswijze van het verre Westen had hij zich zeer spoedig goed weten te schikken; maar dat hij nooit eens iemand aantrof, die met hem wedden wilde, dat beviel hem niet erg.

De woorden van Old Shatterhand, dat hij, Frank, Jemmy en Davy de eenigen waren, die het recht hadden om over het lot der Roodhuiden te beslissen, waren niet zonder uitwerking gebleven, en na een beraadslaging, die vrij lang geduurd had, was men eindelijk de zaak eens geworden, dat aan de genoemde vier de beslissing zou worden overgelaten, met dien verstande echter, dat men van de Roodhuiden geen verdere vijandelijkheden meer te verwachten zou hebben. Er moest dus nu een degelijke overeenkomst met hen gesloten worden. Daartoe was het niet voldoende, dat die met hun hoofdman alleen werd getroffen; zijn onderhebbenden moesten ook hooren wat hij zei en beloofde. Misschien dat hij zich dan, om in hun oogen een man van eerlijkheid en goede trouw te blijven, nog te meer genoopt zou voelen om zijn gegeven woord gestand te doen.

Er werd dus een ruime kring gevormd, die uit al de blanken en al de Roodhuiden bestond. Twee rafters moesten aan de twee uiteinden van den canon de wacht houden, om dadelijk te kunnen waarschuwen wanneer er soms een vijand in aantocht was. De hoofdman zat vlak voor Winnetou en Old Shatterhand. Hij sloeg de oogen niet naar hen op; maar men kon niet aan hem zien of dat schaamte was, dan wel verstoktheid.

"Wat denkt de Groote Wolf wel, dat wij nu met hem doen zullen?" vroeg Old Shatterhand in de taal der Utahs.

De gevraagde gaf geen antwoord.

"De hoofdman der Utahs is bang; daarom antwoordt hij niet."

Nu vlamden zijn oogen op; met een kwaadaardigen blik keek hij den jager aan, en zei: "Als het bleekgezicht zegt, dat ik bang ben, is hij een leugenaar."

"Geef dan antwoord! Overigens moogt _gij_ niet van leugens spreken; want gij zijt het, die zich er van bediend heeft."

"Dat is niet waar."

"Het is wel degelijk waar. Toen wij ons nog in uw legerplaats bevonden, heb ik u gevraagd of wij vrij zouden zijn, indien ik u overwon. Wat hebt gij mij daarop geantwoord?"

"Dat gij dan heen kondt gaan."

"Was dat geen leugen?"

"Neen, wat gij zijt immers gegaan."

"Maar gij hebt ons vervolgd!"

"Neen!"

"Wilt gij dat ontkennen?"

"Ja, dat ontken ik."

"Met welk doel hebt gij dan het bivak verlaten?"

"Om naar de verzamelplaats der Utahs te rijden, niet om u te vervolgen."

"Waarom hebt gij dan vijf man op ons spoor gezonden?"

"Dat heb ik niet gedaan. Wij hebben de strijdbijlen opgegraven, en als dat gebeurt, moeten wij voorzichtig zijn. Toen ik u de vrijheid beloofde, indien ik door u overwonnen werd, wist ik niet eens in welke richting gij u heen begeven zoudt. Wij wilden u in dat geval laten vertrekken, en dat hebben wij gedaan. Wij hebben dus woord gehouden; maar gij, gij hebt ons overvallen, ons alles afgenomen en vijf van onze krijgslieden gedood. Hun lijken liggen nog in de rots-spleet."

"Gij weet zeer goed wat ik van uw woorden te denken heb. Waarom is er uit uw wachtposten op ons geschoten, toen wij wegreden?"

"Die daar op post stonden wisten niet wat ik u beloofd had."

"Waarom hebben dan al uw krijgslieden den oorlogskreet aangeheven? Die wisten toch zeer goed wat gij beloofd hadt."

"Dat geschreeuw gold niet u, maar diende om aan de wachtposten te kennen te geven, dat zij niet meer schieten moesten. Alles wat wij gedaan hebben was goed gemeend, maar wordt door u in ons nadeel uitgelegd."

"Gij verstaat de kunst om u zeer scherpzinnig te verdedigen; maar het gelukt u niet, mij uw onschuld te bewijzen. Ik wil eens zien of uw krijgslieden den moed hebben, oprechter te wezen dan gij zelf zijt."

Hij deed aan eenigen der Roodhuiden de vraag, op wie het bij hun laatsten rit gemunt was geweest, en zij antwoordden in overeenstemming met den hoofdman, dat zij niets kwaads tegen de bleekgezichten van zins waren geweest.

"Die menschen willen u niet tot een leugenaar maken," vervolgde hij, het woord weer tot den hoofdman richtende. "Maar ik heb een onomstootelijk bewijs. Wij zijn tot dicht in de nabijheid van uw bivak geslopen, en hebben uw lieden beluisterd. Wij weten, dat uw plan was ons te dooden."

"Dat vermoedt gij maar."

"Neen, wij hebben het gehoord. Wij weten ook, dat het bivak morgen opgebroken wordt, en dat al de krijgslieden u naar de verzamelplaats der Utahs zullen volgen; maar de vrouwen en kinderen gaan naar de ouden in het gebergte. Is dat waar?"

"Ja."

"Welnu, zoo is al het andere, dat wij afgeluisterd hebben, ook waar. Wij zijn vast overtuigd, dat gij ons naar het leven getracht hebt. Welke straf denkt gij nu wel, dat gij daarvoor krijgen zult?"

De Groote Wolf gaf geen antwoord.

"Wij hadden u niets gedaan, en gij hebt ons meegenomen om ons te dooden. En nu hebt gij ons van het leven willen berooven; gij hebt dus meer verdiend dan eenvoudig den dood. Maar wij zijn christenen. Wij willen u alles vergeven. Gij zult uw vrijheid en wapenen terugontvangen; en daarvoor moet gij ons beloven, dat aan niemand van ons, die hier zitten, ooit door u een haar gekrenkt zal worden."

"Zegt uw tong dat of uw hart?" vroeg de hoofdman, met een ongeloovig uitvorschenden, doordringenden blik Old Shatterhand aanziende.

"Mijn tong heeft nooit andere woorden dan mijn hart. Zijt gij bereid mij die belofte te geven?"

"Ja."

"Dat wij allen, zooals wij hier bijeen zijn, roode en blanke mannen, van dit oogenblik af aan broeders zijn?"

"Ja."

"Die elkander willen en moeten bijstaan in allen nood en gevaar?"

"Ja."

"En zijt gij bereid dat met de vredespijp te bezweren?"

"Ja, daar ben ik bereid toe."

Hij antwoordde vlug, zonder zich een oogenblik te bedenken; daaruit was wèl op te maken, dat het hem met zijn belofte ernst was. De uitdrukking van zijn gelaat was niet te zien, door de dikke verfkorst, die er op zat.

"Dan zullen wij de pijp laten rondgaan," vervolgde Old Shatterhand. "Ik zal u de woorden voorzeggen, die gij daarbij nazeggen moet."

"Zeg ze, ik zal ze nazeggen."

Deze bereidwilligheid scheen een goed teeken te zijn, en deed den goedhartigen jager innig genoegen; maar toch kon hij niet nalaten er een waarschuwing bij te voegen: "Ik hoop, dat gij het dezen keer eerlijk meent. Ik ben altijd een vriend van de roode mannen geweest; ik neem in aanmerking, dat de Utahs thans aangevallen zijn. Was dat het geval niet, dan zoudt gij er niet zoo gemakkelijk van afkomen. Als gij echter ook nu weer trouweloos wordt, zoudt gij er voor boeten met uw leven. Dat waarschuw ik u, en ik zal woord houden!"

De hoofdman keek vóór zich op den grond, zonder zijn oogen naar den sprekende op te slaan. Deze nam nu den calumet, die om zijn hals hing, en stopte hem. Nadat hij hem aangestoken had, maakte hij de boeien van den hoofdman los. Deze moest opstaan, den rook naar de bekende zes richtingen blazen, en daarbij zeggen: "Ik ben de Groote Wolf, de hoofdman der Yampa-Utahs; ik spreek voor mij en voor deze mijne krijgslieden, die zich bij mij bevinden. Ik spreek tegen de bleekgezichten, die ik zie, tegen Old Firehand, Old Shatterhand en alle anderen, ook tegen Winnetou, den beroemden hoofdman der Apachen. Al die krijgslieden en blanke mannen zijn onze vrienden en broeders. Zij zullen zijn als wij, en wij zullen zijn als zij. Er zal hun nooit door ons eenig leed geschieden, en wij zullen liever sterven, dan hun reden te geven, om ons voor hun vijanden te houden! Dat is mijn eed. Ik heb gezegd, Howgh!"

Hij ging weer zitten. Nu werden ook de anderen van hun boeien bevrijd, en de pijp ging van mond tot mond, totdat allen gerookt hadden. Zelfs de kleine Ellen Butler moest haar zes haaltjes doen; in haar eigen belang mocht men haar niet daarvan verschoonen.

Daarop ontvingen de Roodhuiden al hun wapenen terug. Dat was niets gewaagds, indien men op hun eed vertrouwen kon. Maar toch waren de blanken volkomen op hun hoede, en ieder hunner hield de hand in de nabijheid van zijn revolver. De hoofdman haalde zijn paard, en vroeg toen aan Old Shatterhand: "Heeft mijn broeder ons de vrijheid volkomen teruggegeven?"

"Ja, volkomen."

"Dus mogen wij wegrijden?"

"Ja, waarheen gij wilt."

"Dan zullen wij naar ons bivak terugkeeren."

"O! Ik dacht, dat u naar de verzamelplaats der Utahs wilde. Nu bewijst gij toch, dat uw rit wel degelijk ons heeft gegolden?"

"Neen. Gij hebt ons den tijd doen verliezen, zoodat wij nu te laat zouden komen. Wij gaan terug."

"Door de rotsspleet?"

"Ja. Vaarwel!"

Hij gaf hem de hand, en steeg te paard. Toen reed hij de rotsspleet in, zonder verder naar iemand om te zien. De zijnen volgden hem, nadat zij allen, een voor een, vriendelijk gegroet hadden.

"En de kerel is toch een schobberd!" zei de oude Blenter. "Als de verf niet een vinger dik op zijn bakkes lag, zou men de valschheid er uit hebben kunnen proeven. Een kogel door zijn kop was het beste geweest!"

Winnetou hoorde die woorden, en merkte aan: "Mijn broeder kan gelijk hebben, maar het is beter goed te doen dan kwaad. Wij blijven van nacht hier, en ik zal nu de Utahs volgen, om hen te beluisteren."

Hij verdween in de rotsspleet, niet te paard; want te voet kon hij gemakkelijker volbrengen wat hij te doen had.

Eigenlijk was het nu allen veel beter en vrijer te moede, dan te voren. Wat zou men met de Utahs hebben moeten aanvangen? Hen dooden? Onmogelijk! Hen als gevangenen met zich meesleepen? Even onmogelijk! Nu had men hen in de verplichting gebracht, om vrede en vriendschap te betrachten, en men was hen meteen kwijt. Dat was beter, dan iets anders.

De dag begon ter ruste te neigen, daar het hier in den canon eer donker werd dan daarbuiten. Eenigen der mannen gingen hout zoeken voor een bivakvuur. Old Firehand reed zuidwaarts in den canon naar beneden, en Old Shatterhand noordwaarts naar boven, om te verkennen. Men moest voorzichtig zijn. Beiden legden een goed eind weegs af, en niets bespeurende dat argwaan wekken kon, keerden zij terug.

Er waren hier stellig in langen tijd geen menschen geweest, die een vuur gebrand hadden; want ofschoon er geen sprake kon zijn van een bosch, vond men toch hout om te branden in overvloed. De voorjaarsvloed had veel meegebracht en aangespoeld. Niemand verheugde zich meer over het vuur dan de lord, want dat verschafte hem een heerlijke gelegenheid om met behulp van zijn braadpan zijn talenten als kok in praktijk te brengen. Men had nog een kleinen voorraad vleesch, en bovendien conserven, meel en zooal meer, welk een en ander men uit Denver meegenomen had. Nu kon hij bakken en braden naar hartelust.

Later kwam ook Winnetou terug. Die man had, in weerwil van de stikdonkere duisternis, die in den canon heerschte, met zijn geoefende oogen zonder moeite den weg gevonden. Hij verhaalde, dat de Utahs de lijken meegenomen, en werkelijk hun weg vervolgd hadden. Hij had hen tot buiten de rotsspleet gevolgd en nog duidelijk gezien, dat zij de steile rotshelling opgereden waren, en toen waren zij boven in het bosch verdwenen.

Toch werd er een wacht diep in de rotsspleet uitgezet, ten einde van dien kant elke overrompeling onmogelijk te maken. Twee andere wachten stonden ieder op honderd passen afstands aan de boven- en aan de benedenzijde van het bivak in den hoofdcanon, op die wijze was voor volkomen veiligheid gezorgd.

Men had elkander natuurlijk veel te vertellen, en het was al lang na middernacht toen men zich ter ruste neerlegde. Old Firehand bezocht eerst nog de wachtposten, om zich te vergewissen, dat er goed gewaakt werd; en aan de anderen bracht hij nog eens in herinnering hoe de volgorde was, waarin de aflossing moest plaats hebben. Toen werd het vuur uitgebluscht, en er heerschte stilte en duisternis in den canon.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

GEVANGEN EN BEVRIJD.

Winnetou had goed gezien; de Utahs waren boven in het bosch verdwenen; zij waren er echter niet doorheen gereden, maar hadden er halt gehouden. Het vervoer van de lijken was hun niet zeer moeilijk gevallen, daar zij, bij hun eigen paarden, tevens die der gedooden terugontvangen hadden. Nu liet de hoofdman de lijken van de paarden afnemen. Daarop trad hij terug naar den zoom van het bosch, keek naar de rotsspleet in de laagte, en zei: "Zij zullen ons denkelijk wel in het oog gehouden hebben. Daarbeneden staat stellig zulk een blanke hond, om te zien of wij werkelijk naar ons bivak terugkeeren."

"Doen wij dat dan niet?" vroeg een zijner onderhebbenden, die zich waarschijnlijk door dapperheid of door eenigerlei andere verdienste zoo onderscheiden had, dat hij die vraag durfde veroorloven.

"Hebt gij even weinig hersens als de jakhalzen der prairie?" voer de Groote Wolf tegen hem uit. "Wraak moeten wij hebben, wraak moeten wij nemen op dat blanke ontuig."

"En het zijn nu onze vrienden en broeders?"

"Neen."

"Hebben wij dan de vredespijp niet met hen gerookt?"

"Van wien was die pijp?"

"Van Old Shatterhand."

"Welnu, dan is de eed verbindend voor hem, maar niet voor ons. Waarom is hij zoo dom geweest, zich niet van mijn pijp te bedienen! Begrijpt gij dat niet?"

"De Groote Wolf heeft altijd gelijk," antwoordde de man, die het met de spitsvondigheid van den hoofdman volkomen eens was. Zijn uitlegging moest, natuurlijk, iederen krijgsman der Utahs naar den zin zijn.

"Morgenochtend zullen de zielen der bleekgezichten reeds de eeuwige jachtgronden betreden, om ons daar later te bedienen," vervolgde de hoofdman.

"Wilt gij hen overrompelen?"

"Ja."

"Dan zijn wij te weinigen in getal; en wij kunnen ook niet door de rotsspleet terug, want die zullen zij wel bewaken."

"Dan gaan wij een anderen weg, en halen eerst nog zooveel krijgslieden, als wij noodig hebben. Er liggen er immers genoeg daarginds hooger op in het P'a-mow (= Woud van het Water)? loopt er niet verder hooger op dwars door den canon een weg, dien de bleekgezichten niet schijnen te kennen? De lijken en paarden blijven hier, en twee van ulieden er bij als bewakers. Wij overigen rijden noordwaarts."