Chapter 40
"Old Firehand!" riep Old Shatterhand. "Gij hier, gij! Ik moet naar boven om u welkom te heeten! Of kom even naar beneden!"
In weerwil van het gevaar, waarin hij zich bevond, maakte hij een beweging om van zijn paard af te springen.
"Blijf zitten, blijf zitten!" riep Old Firehand hem toe. "En naar u toe komen kan ik ook niet!"
"Waarom niet?"
"De Utahs, die u achtervolgen zullen, moeten niet weten dat wij hier zijn."
"O! Zijt gij alleen?"
"Neen. Wij zijn ruim veertig man, jagers, rafters en andere westmannen. Gij zult goede bekenden onder ons vinden. Maar er is nu geen tijd om te praten. Waar wilt gij naar toe?"
"Naar het Zilvermeer."
"Wij ook. Rijdt nu maar verder. Zoodra uw vervolgers voorbij zijn, komen wij ook: dan zitten zij tusschen ons in!"
"Heerlijk, heerlijk!" riep Old Shatterhand. "Welk een blijdschap en welk een geluk, u hier te ontmoeten! Maar al hebben wij geen tijd om lang te praten, moet gij toch in korte woorden vernemen wat er gebeurd is. Kunt gij van daarboven de legerplaats zien?"
"Ja."
"Past dan op, dat wij niet overrompeld worden. Ik zal gauw het noodigste vertellen."
De blijdschap van die mannen over deze onverwachte ontmoeting was in waarheid groot; maar de omstandigheden veroorloofden niet, daaraan in woorden lucht te geven, en zoodoende tijd te verliezen. Men gaf elkaar met enkele woorden een kort verslag, dat de geoefende scherpzinnigheid van die mannen gemakkelijk zou weten aan te vullen. Toen men daarmee klaar was, nam Winnetou het woord, en vroeg aan Old Shatterhand: "Kent mijn blanke broeder het diepe ravijn, dat door de bleekgezichten Night-Canon genoemd wordt?"
"Ja, ik ben immers verscheiden malen met u daar geweest."
"Van hier af is dat ravijn in vijf uur tijds te bereiken. In het midden verwijdt het zich tot een ronde ruimte, omringd door rotswanden, die tot aan den hemel schijnen te reiken, en die door niemand te beklimmen zijn. Herinnert Old Shatterhand zich die plaats?"
"Ja, zeer goed."
"Tot zoo ver kan mijn blanke broeder rijden. Is hij die ronde ruimte over, dan kan hij aan de andere zijde post vatten. Het ravijn is daar zoo smal, dat er geen twee ruiters voor elkander kunnen uitwijken. Hij heeft er niet eens de hulp van zijn metgezellen noodig, en kan, met zijn toovergeweer, alleen verscheiden honderden Utahs tegenhouden. Als zij daar aangekomen zijn, kunnen zij niet voor- of achterwaarts meer, want wij zullen spoedig achter hen zijn. Dan hebben zij niet anders meer dan de keus, om of zich tot den laatsten man te laten doodschieten of zich over te geven."
"Goed, wij zullen dien raad volgen. Maar zeg mij nu vóór alles nog één ding: waarom rijdt gij met uw zoo velen naar boven, aan het Zilvermeer?"
"Dat zal ik u zeggen," antwoordde Old Firehand. "Er ligt daarboven een uitermate rijke zilvermijn, maar in een streek, die volslagen gebrek heeft aan water, zoodat de ontginning van die mijn een onmogelijkheid is, als het ons niet gelukt er ons water te verschaffen. Daardoor ben ik op het denkbeeld gekomen, om het water van het Zilvermeer daarheen te leiden. Gelukt ons dat, dan zal die mijn ons millioenen opleveren. Ik heb een ingenieur bij mij, die de technische punten eerst goed te keuren en, als alles goed wil, uit te voeren heeft."
Over het gelaat van Old Shatterhand gleed een onbeschrijfelijk glimlachje, toen hij zei: "Een mijn? Wie heeft die ontdekt?"
"Ik ben zelf ook daarbij geweest."
"Hum. Leid dan het water uit het meer naar die mijn: dan kunt gij twee vliegen in één klap slaan."
"Hoe bedoelt gij dat?"
"Wel, op den bodem van het meer liggen schatten, waarbij uw zilvermijn, in vergelijking, niets is."
"O, bedoelt gij den Schat in het Zilvermeer?"
"Natuurlijk."
"Wat weet gij daarvan?"
"Meer dan gij denkt. Dat zal ik u later wel vertellen, als wij wat meer tijd hebben. Maar gij zelf spreekt van een zilvermijn. Van wien zijt gij dat te weten gekomen?"
"Van..... Later! Maakt dat gij wegkomt! Ik zie de Indianen uit de legerplaats komen."
"Hierheen?"
"Ja, te paard."
"Hoeveel?"
"Vijf."
"_Pshaw!_ Daar zijn wij niet bang voor. Maar, dat is waar, gij moet u niet door hen laten zien. Het is de voorhoede, die ons niet uit het oog mag verliezen; het gros zal nu stellig wel spoedig volgen. Vooruit dus! Tot weerziens in den Night-Canon!"
Hij gaf zijn paard de sporen, en reed met zijn drie metgezellen weg. Old Firehand en Winnetou doken neer, om de vijf Utahs in het oog te houden. Die kwamen aanrennen, de oogen recht voor zich uit, opmerkzaam op den grond gericht; zij reden voorbij, zonder te vermoeden welke gevaarlijke lieden zich in de nabijheid bevonden.
Nu keerden de twee naar hun mannen terug, die zich in het bosch teruggetrokken hadden en zich thans in de nabijheid bevonden van de plaats, waar de beek zich in het meer ontlastte. Old Firehand wilde hun mededeelen wat hij met Old Shatterhand besproken had. Daar viel zijn oog op verscheiden Utah-vrouwen, die op den oever van het meer aankwamen; zij hadden het noodige in haar handen om naar visch te gaan hengelen. Hij maakte Winnetou opmerkzaam op haar, en zei: "Als men die squaws beluisteren kon, zou men misschien wel iets van de plannen harer krijgslieden te weten komen."
"Winnetou zal het probeeren, als zij dichtbij genoeg komen," antwoordde de Apache.
Ja, zij kwamen dichtbij genoeg. Zij wilden niet in het meer, maar in de uitwatering van de beek visschen. Daar gingen zij onder het kreupelhout naast elkander zitten, lieten haar vangtuig in het water neer, en zaten met elkander te praten. Zij schenen niet te weten, of althans er zich niet aan te storen, dat een hengelaar in het geheel niet spreken mag. Winnetou gleed als een slang nader en nader, en bleef achter het struikgewas liggen, waar zij zaten. Het zou de moeite waard geweest zijn, hem en die vrouwen tegelijk te kunnen gadeslaan, zoo lag hij daar een groot kwartier, en keerde toen terug met de mededeeling: "Als die squaws niet beter leeren zwijgen, zullen zij nooit een forel vangen. Zij hebben mij alles laten hooren wat ik wenschte te weten."
"En wat is dat?" werd er gevraagd.
"Die vijf krijgslieden, die ons voorbijgereden zijn, moeten het spoor van Old Shatterhand duidelijker maken, en zeer spoedig zullen vijftig anderen volgen, aangevoerd door den Grooten Wolf."
"Dus is die niet gekwetst?"
"Jawel. De slag van Old Shatterhand heeft zijn rechterhand lam geslagen, en zijn ademhaling doen stilstaan. Die heeft hij teruggekregen, en de hand hinderde hem niet, om zelf het commando over den troep op zich te nemen. Old Shatterhand moet doodgeschoten worden, om te zorgen, dat hij van de voornemens der Utahs niets aan de Navajos zal kunnen verraden. Al de Utahs verspreiden zich vandaag over den ganschen omtrek, om te jagen en vleesch te maken, want morgen wordt het kamp opgebroken."
"Waar gaan zij naar toe?"
"De vrouwen en kinderen gaan het gebergte in naar de ouden, waar zij veilig zullen zijn; maar de krijgslieden volgen den Grooten Wolf achterna, om de verzamelplaats van al de Utah-stammen op te zoeken."
"Waar is dat?"
"Dat schenen de squaws niet te weten; en meer heb ik niet kunnen hooren: maar voor hetgeen ons te doen staat is het genoeg."
"Dan kunnen wij niets anders doen, dan wachten totdat de Groote Wolf met zijn troep voorbij is. Dat hij vijf en vijftig man meeneemt, bewijst ons, welk een ontzag hij voor Old Shatterhand heeft. Zulk een overmacht tegen vier blanken!"
"Old Shatterhand is mijn vriend en leerling," zei Winnetou met fiere zelfvoldoening. "Voor vijf en vijftig man behoeft hij niet bang te zijn."
Nu ging men op de loer liggen, en het duurde nog wel een uur, eer de Groote Wolf met zijn troep zich vertoonde. Zij reden voorbij, zonder een blik onder de boomen te werpen. Hun uiterlijk was in de hoogste mate strijdlustig. Zij waren allen, niet één uitgezonderd, met geweren gewapend. De hoofdman droeg zijn rechterhand in een draagband. Zijn gelaat was nog dikker met verf besmeerd dan dien ochtend. Van zijn schouders hing de met vederen getooide krijgsmantel op den rug van het paard neer, maar zijn hoofd prijkte niet meer met den adelaarsvederbos. Men had hem overwonnen, en daarom wilde hij dat sieraad niet meer dragen, of eerst moest hij zijn dorst naar wraak bevredigd hebben. Zijn onderhebbenden bereden de beste paarden uit het legerkamp.
Tien minuten later volgde hem de stoutmoedige Winnetou, geheel alleen, en nog tien minuten daarna braken de anderen op.
Van een gebaanden weg was natuurlijk geen sprake. Men reed bestendig berg-op langs de beek. Deze had in het voorjaar, toen het hoog water was, aan de oevers geknabbeld. Losgeraakte steenen en boomen lagen overal, en daardoor kwam men slechts zeer langzaam vooruit, vooral doordat de draagstoel niet dan met veel moeite over dergelijke hindernissen heen was te brengen. Toen men vervolgens deze helling van den berg achter zich had, werd het beter. De grootste stijging was overwonnen, en hoe minder val het water had, des te minder vernieling had het langs de beek aangericht.
Wat het spoor betreft, dat men volgde, dit was zoo duidelijk als men verlangen kon. Daar Old Shatterhand zulke bondgenooten gevonden had, achtte hij het niet meer noodig voor een onleesbaar spoor te zorgen. De hem volgende vijf Utahs hadden opzettelijk zoo gereden, dat de indrukken van de hoeven hunner paarden gemakkelijk te zien waren; en daar de Groote Wolf niet wist, dat hij een vijand achter zich had, was de gedachte aan voorzichtig-zijn niet eens bij hem opgekomen.
De richting naar den _Night_-canon liep op de smalste plaats der Elk-Mountains dwars over het gebergte. Toen men zich boven bevond werd de beek verlaten; toen ging het midden door oerwoud dat geen kreupelhout had. De wijd uit elkander staande boomen vereenigden hun toppen tot een zoo dicht loofdak, dat slechts op enkele plaatsen hier en daar eens een zonnestraal er doorheen kon dringen. De grond was week en slijkerig, en het spoor dientengevolge zeer diep.
Enkele keeren kwam men zoo dicht in de nabijheid van den Apache, dat men hem te zien kreeg. Zijn houding was de onbezorgdheid zelf. Hij wist, dat de Utahs hun opmerkzaamheid bezwaarlijk achterwaarts zouden aanwenden.
Omstreeks te tien uur was Old Firehand met de zijnen van het meer opgebroken. Tot een uur of een ging het bijna uitsluitend door bosch, en vervolgens over een prairie met kreupelhout, hetgeen voor de blanken zeer aangenaam was. Was het een open prairie geweest, dan zou men veel grootere afstanden hebben moeten bewaren. Het grasland liep herhaalde malen zoo naar de laagte, dat het een klein dal vormde, om aan de andere zijde weer naar boven te gaan; toen kwam er weer bosch, maar niet voor lang, want reeds na verloop van eenige minuten was men er doorheen. Toen hield de Apache halt, en wachtte er zijn metgezellen af. Op hun vraag waarom hij niet verder reed gaf hij geen bescheid met woorden, maar slechts met een handbeweging, die voorwaarts wees.
Een in waarheid verheven schouwtooneel bood zich hier aan de oogen der blanken aan. Achter zich had men het gebied van het Elk-gebergte en vóór zich dat van den Grand-River met zijne canon. Van rechts, van links en van het punt waar de ruiters zich bevonden, liepen drie zwarte, schuine rotsvlakten naar omlaag, als reusachtige platen lei, die beneden uitliepen in één punt. De helling van die platen was zoo sterk en haar oppervlakte zoo glad, dat men onmogelijk te paard kon blijven. Het was bijna ijzingwekkend naar de diepte daar ver in de laagte te kijken, die men intusschen moest trachten te bereiken. Van beide zijden, daar waar de reuzenplaten tegen elkander stieten, stroomde een water neer, maar zonder een boom, een heester of een halmpje zelfs te drenken. Geheel beneden vloeiden die twee waterstroomen ineen, om in een rotsspleet te verdwijnen, die schijnbaar niet breeder was dan een platte lineaal.
"Dat is de _Night_-canon," zei Old Firehand, naar die rots-spleet wijzende. "Men heeft er dien naam aan gegeven, omdat hij zoo diep en smal is, dat het licht der zon er nooit in doordringen kan, en het in zijn diepte altijd, zelfs op klaarlichten dag, stikdonkere nacht is. Vandaar de benaming Nacht-canon. Men rijdt daar, omstreeks den middagtijd, in een vrij donker schemerduister. En .... kijkt eens, daarbeneden!"
Hij wees met de hand naar omlaag, waar het water, in de rotsspleet verdween. Daar bewogen zich kleine menschengestalten; het waren ruiters, zoo klein, dat zij nauwelijks tot aan de knieën van een gewoon mensch schenen te reiken. Dat waren de Utahs, die juist in de rotsspleet verdwenen.
Die rotsspleet was een bijna loodrechte berst in een kolossale steen-massa, boven welke een onafzienbare vlakte zich uitstrekte, die ingesloten lag tusschen hemelhooge bergen. Dat was het Book-gebergte. Tante Droll keek naar de laagte, en keek toen Old Firehand aan. "Moeten wij daar naar toe, naar die diepte? Dat zet ik den knapsten leidekker te doen! Dat is immers klinkklaar een levensgevaarlijke nederdaling, als het noodig is! Als gij hier op uw hurken gaat zitten, en ik geef u een duwtje, dan kunt gij sleedje-rijden totdat gij beneden aankomt!"
"En toch _moeten_ wij naar omlaag," zei Old Firehand. "Stijg uit den zadel, en ieder neemt zijn paard bij den teugel, maar kort. Wij moeten het echter maken juist als bij een sledevaart, wanneer het berg-af gaat. Daar wij geen sleeptuig en geen remtoestellen bij ons hebben, zit er niets anders op dan zigzagsgewijze te dalen."
Die raad werd gevolgd, en het bleek, dat het beter ging dan men verwacht had. Recht naar beneden was men bezwaarlijk zonder ongelukken gegaan; de daling duurde wel een groot half uur.
Eindelijk was men beneden, en maakte men de noodige aanstalten om den canon binnen te dringen, die hier zoo smal was, dat er langs het water slechts twee ruiters naast elkander konden rijden. Vooraan was natuurlijk weer Winnetou. Vlak achter hem volgde Old Firehand, naast wien nu de lord reed. Dan kwamen de jagers, en achter dezen de rafters, die den ingenieur met zijn dochter in hun midden hadden. De troep was sedert het voorgevallene aan den Eagle-tail aanmerkelijk grooter geworden, doordat de opzichter Watson zich met een aantal baanwerkers daarbij aangesloten had.
Gesproken mocht er niet worden, daar ieder geluid in deze rotsspleet veel verder te hooren was dan in de open lucht. De hoefslag der paarden had hen kunnen verraden; daarom was Winnetou afgestegen en, terwijl zijn paard door een der rafters bij den toom geleid werd, ging hij op zijn zachte mocassins voor zijn metgezellen uit.
Het was als een tocht door de Onderwereld. Voor en achter zich de enge rotsspleet, onder zich den strammen, met steenen bezaaiden rotsbodem en het spookachtig ruischende water, en links en rechts de loodrechte rotswanden, die zoo hoog waren, dat ze niet eens het daglicht lieten doordringen, maar daarboven tegen elkander schenen te stooten. Hoe verder men kwam, des te kouder en zwaarder werd de lucht, en men bewoog zich in een akelig schemerduister.
En lang was de canon, eeuwiglang! Op sommige plaatsen werd hij iets breeder, zoodat er vijf of zes ruiters naast elkander hadden kunnen rijden; maar dan kwamen de wanden weer zoo dicht bij elkander, dat men vreezen moest ieder oogenblik doodgedrukt te zullen worden. Zelfs de paarden waren angstig; zij snoven geweldig en spoedden zich zoogoed mogelijk voorwaarts, verlangend om uit deze engte verlost te worden.
Zoo verliep er een kwartier, en nog een; toen--allen bleven onwillekeurig stilstaan--hoorden zij een knal, alsof er tien kanonnen tegelijk afgeschoten werden.
"Lieve hemel, wat is dat?" vroeg Butler, de ingenieur. "Storten de rotsen in?"
"Het was een geweerschot!" antwoordde Old Firehand. "Het oogenblik is gekomen. Bij elke drie paarden blijft één man achter, de anderen voortreden! Afstijgen!"
In een ommezien stonden ruim dertig man, ieder met zijn geweer in de hand, gereed om hem te volgen. Nauwelijks hadden zij een tiental passen achter zich, of zij zagen Winnetou staan, met den rug naar hen gekeerd, en met zijn geweer in den aanslag.
"De wapenen neer, anders zal mijn toovergeweer spreken!" klonk een forsche stem; men wist niet waar vandaan, van boven naar beneden, of uit den grond naar boven.
"Neer de wapenen!" bulderde het andermaal in de taal der Utahs, zoo, dat in de nauwe rotsspleet die weinige lettergrepen weergalmden als het rollende gerommel van donder.
Toen vielen er snel achter elkander drie schoten. Men hoorde, dat zij uit een en denzelfden geweerloop kwamen. Dat moest de Henry-karabijn van Old Shatterhand wezen, waarvan de knal hier waarlijk de kracht van een kanonschot had. Dadelijk daarop sprak ook het zilver-geweer van Winnetou. De gekwetsten gilden en toen volgde er een gehuil en gebrul, alsof alle duivels uit de hel losgebroken waren.
Old Firehand had den Apache bereikt, en kon nu zien wat en wie hij voor zich had. De rotsspleet werd hier over eenigen afstand wijder, en vormde een ruimte, die men genoeglijk een "ridderzaal in de rots" zou kunnen noemen. Het was een bijna ronde ruimte, zoo groot, dat er naar gissing wel honderd ruiters plaats in konden vinden. Het water stroomde er voort langs den linkerrand; en ofschoon ook hier nog schemerduister heerschte, kon men toch den troep Utahs zien.
De vijf vooruitgezonden krijgslieden hadden een groote fout begaan. Zij hadden hier halt gehouden, om op de hunnen te wachten. Als zij dat niet gedaan hadden, zouden de vier aan de overzijde post gevat hebbende blanken genoodzaakt geweest zijn hen aan te spreken, en dan hadden zij het hazenpad terug kunnen kiezen, om de hunnen te waarschuwen. Doordat zij gewacht hadden tot de anderen zich bij hen hadden gevoegd, waren zij nu allen ingesloten. Aan de overzijde stond Old Shatterhand met zijn opgeheven Henry-karabijn, en naast hem zat Hobble-Frank neergeknield, zoodat Davy en Jemmy over hem heen konden schieten. De Roodhuiden hadden op de aanmaning van Old Shatterhand niet dadelijk de wapenen nedergelegd, en daarom waren de schoten gevallen. Vijf doode Utahs lagen op den grond. De anderen konden bijna niet aan tegenweer denken; zij hadden genoeg te doen om hun paarden in toom te houden, die door het buitengewone weergalmen van de schoten schichtig waren geworden.
"Legt de wapenen neer, of ik schiet weer!" klonk opnieuw de stem van Old Shatterhand.
En van de andere zijde klonk het: "Hier staat Old Firehand! Als gijlieden uw leven wilt redden, geeft u dan over!"
En terstond daarop riep de Apache: "Wie kent Winnetou, den hoofdman der Apachen? Wie tegen hem zijn geweer opheft, verliest zijn scalp. Howgh!"
Waren de Utahs van gedachte geweest, dat zij den vijand enkel vóór zich hadden, zij zagen nu dat hun ook de terugtocht afgesneden was. Daar stond de machtige gestalte van Old Firehand, en de slanke, fiere gestalte van den beroemden hoofdman der Apachen. Naast hem, maar in het water, omdat er anders geen plaats was, stond Tante Droll met aangelegd geweer, en achter die drie zag men nog verscheiden geweerloopen blinken.
Niet een der Utahs waagde het, zijn geweer weer aan te leggen. Zij keken naar voren en naar achteren, en wisten niet wat zij doen zouden. Tegenstand bieden ware zich in het verderf storten; zooveel beseften zij allen; maar toch, zich zoo overgeven, zonder eenige onderhandeling, dat konden zij niet van zich verkrijgen. Hun talmen ziende, sprong Droll uit het water, liep regelrecht op den hoofdman aan, zette hem het geweer op de borst, en commandeerde: "Werp uw geweer neer of ik schiet u overhoop!"
De Groote Wolf keek verbouwereerd die dikke, vreemdsoortige gestalte aan, als zag hij zich door een spook aangetast; de vingers van zijn rechterhand openden zich, en lieten zijn geweer op den grond vallen.
"Ook den tomahawk en het mes!" klonk het gebiedend.
De hoofdman stak de hand in zijn gordel, haalde de twee genoemde wapens er uit, en wierp die op den grond.
"Nu uw lasso!" gebood Droll.
Ook aan dit bevel gehoorzaamde de Groote Wolf. Droll nam de lasso, en bond er de voeten van den hoofdman mee vast onder zijn paard. Toen nam hij dit bij den toom, bracht het ter zijde, en riep aan den Gunstick-Uncle die achter Old Firehand stond: "Kom hier, onkel! en bindt _gij_ nu zijn handen!"
De Uncle trad stijf en statig voorwaarts, en antwoordde:
"Bloed behoeft er niet te vloeien! 'k Heb hem in mijn macht, om vlug Zijn handen op zijn rug Met zijn eigen riem te boeien!"
Meteen sprong hij achter den Grooten Wolf op zijn paard, volbracht wat hij gedeclameerd had, en sprong toen weer van het paard af. Het was alsof de hoofdman geen besef had van hetgeen er met hem gebeurde; hij verkeerde als in een droom. Zijn voorbeeld werkte. De zijnen schikten zich nu ook gedwee in hun lot; zij werden insgelijks ontwapend en geboeid; en dat ging met buitengewone snelheid, daar al de blanken zich beijverden om nu slechts het allereerst noodige gedaan te krijgen.
Hobble-Frank zou gaarne Winnetou begroet hebben; Davy en Jemmy waren ook verlangend om dat te doen; maar er was nu geen tijd, om zich dergelijke hartelijkheden te veroorloven; daarmee diende men te wachten tot later. Het allereerst noodige was nu, te maken dat men den canon uitkwam. Nauwelijks had men dan ook den laatsten Roodhuid gebonden, en al de buitgemaakte wapenen bijeengeraapt, of men vervolgde oogenblikkelijk den tocht. Vooraan reden de jagers, achter dezen kwamen de Roodhuiden, en de achterhoede vormden de rafters.
Winnetou en Old Firehand reden met Old Shatterhand voorop. Zij hadden hem stil de hand gedrukt, de eenige begroeting die zij voorloopig noodig vonden. Vlak vóór de gevangenen reden er twee, die elkander veel nader waren, dan beiden vermoedden, namelijk Tante Droll en Hobble-Frank. Zij spraken samen geen woord. Toen zij zoo een eind voortgereden hadden, trok Droll zijn voeten uit de stijgbeugels, klom al rijdende op den rug van zijn paard en ging toen achterste voren in het zadel zitten.
"_Heavens!_ Wat heeft dàt te beteekenen?" vroeg Frank. "Wilt gij komedie gaan spelen, sir? Zijt gij bijgeval in een circus als clown werkzaam geweest?"
"Neen, master!" antwoordde de dikke. "Ik heb louter de gewoonte om de feestdagen zoo te vieren als zij vallen."
"Hoe bedoelt gij dat?"
"Ik ga verkeerd zitten, omdat het ons anders verkeerd zou kunnen gaan. Gij moet niet vergeten, dat wij vlak achter ons vijftig Roodhuiden hebben; en dat er licht iets zou kunnen gebeuren, waarop geen mensch bedacht is geweest. Zooals ik nu zit, houd ik hen in het oog, en ik heb de revolver in mijn hand, om hun, als het noodig is, een pil toe te dienen. Als gij wijs zijt, doet gij precies zooals ik."
"Hum! Wat gij zegt, is zoo dom niet. Mijn paard zal het mij niet kwalijk nemen: ik keer mij óók om."
Eenige seconden later zat ook hij verkeerd in het zadel, om op de Roodhuiden het oog te kunnen houden. Het kon nu bijna niet anders, of die twee potsierlijke ruiters moesten elkander dikwijls aankijken; daarbij werden hun blikken van lieverlede vriendelijker; het was klaarblijkelijk dat zij elkander bevielen. Dat duurde zoo een poos, zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd; doch eindelijk kon Hobble-Frank niet langer het stilzwijgen bewaren. Hij begon: "Neem mij niet kwalijk als ik u naar uw naam vraag. Zooals gij daar naast mij zit, heb ik u reeds vroeger gezien."
"Waar dan?"
"In mijn verbeelding."
"Verduiveld! Wie zou dat gedacht hebben, dat ik in uw verbeelding huisde? En hoeveel huishuur heb ik u dan te betalen? En hoe is het met het opzeggen van de huur?"
"Dat laat ik alles aan uw eigen goeddunken over; maar van vandaag af aan, is het met de verbeelding uit, daar ik u nu in eigen persoon mag aanschouwen. Als gij zijt, voor wien ik u houd, heb ik veel grappigs van u gehoord."
"Zoo? Voor wien houdt gij mij dan?"
"Voor Tante Droll."
"En waar hebt gij van die tante gehoord?"
"Op verscheiden plaatsen, waar ik met Old Shatterhand en Winnetou geweest ben."
"Wat? Hebt gij met die twee beroemde mannen gereden?"