De schat in het Zilvermeer

Chapter 4

Chapter 44,202 wordsPublic domain

"Dat geloof ik niet. Hij heeft mij destijds niet eens opgemerkt. Overigens is dat heel lang geleden, en in dien tijd ben ik zeer veranderd. Maar toch ben ik van oordeel, dat het raadzaam is, ons stil en ordelijk te gedragen, ten einde niet zijn opmerkzaamheid op ons te vestigen. Ik geloof, dat wij hier een goeden slag zullen kunnen slaan, en zou liever niet hebben, dat hij ons daarbij in den weg stond. Old Firehand is naast Old Shatterhand de beroemdste jager van het geheele Westen. Zwarte Tom heeft zich ook doen kennen als een man, met wien men den gek niet behoeft te steken; maar nog veel gevaarlijker dan die twee is Tante Droll. Neemt u voor haar in acht, en doet maar liever alsof gij in het geheel niet op haar let."

Zoo gevaarlijk, als Droll door den kornel voorgesteld werd, zag hij er waarlijk niet uit; integendeel, de aanwezigen hadden alle moeite, om bij zijn verschijning niet in een kwetsend gelach uit te barsten. Nu, hij op het dek stond, kan men pas met juistheid opnemen en zeggen, wat eigenlijk zijn kostuum was.

Zijn hoofddeksel was noch hoed, noch pet, noch muts, en kon desniettegenstaande met elk dier drie benamingen bestempeld worden. Het bestond uit vijf stukken leder, alle verschillend van vorm. Het middelste, dat op zijn hoofd zat, had de gedaante van een omgekeerde braadpan; het voorstuk beschutte het voorhoofd en had den vorm van de klep eener pet; het vierde en vijfde stuk waren twee breede kleppen, die over zijn ooren hingen.

Zijn jas was zeer lang en buitengewoon wijd. Dit kleedingstuk bestond uit louter leeren lappen, blijkbaar de een aan en over den andere genaaid, om het ding aaneen te houden. Men kon duidelijk zien, dat dit lapwerk dagteekende van een ontelbare menigte verschillende tijdstippen, daar elke lap er anders verweerd en verkleurd uitzag. Aan de randen der voorpanden waren korte riempjes bevestigd, die in plaats van knoopen en knoopsgaten de jas dichthielden. Daar de groote lengte en wijdte van dit zonderlinge kleedingstuk zeer hinderlijk waren bij het loopen, had de man het van achteren opengesneden, van onderen af tot aan zijn middel, en die twee helften zóó om zijn beenen gebonden, dat ze eenigszins geleken op een wijde schippersbroek, waardoor de bewegingen van Tante Droll allerkoddigst waren om aan te zien. Die twee beenbekleedingen van eigen vinding reikten tot aan zijn enkels. Twee leeren schoenen voltooiden het ondergedeelte van het kostuum. De mouwen van die jas waren insgelijks buitengewoon wijd, en veel te lang voor den man. Hij had die daarom van voren dichtgenaaid, en er verder naar achteren twee gaten in gemaakt, door welke hij zijn armen stak. Op die wijze vormden de mouwen nu twee afhangende lederen zakken, waarin heel wat van allerlei geborgen kon worden.

De gestalte van een man had door dat kleedingstuk het voorkomen van een vormloozen klomp, die te meer den lachtlust moest gaande maken door zijn allervriendelijkst vollemaansgezicht met hoogroode wangen en een paar uiterst kleine oogjes, die geen seconde stil konden staan in zijn hoofd, naar het scheen, doch rusteloos in beweging waren, opdat hem toch niets ontgaan zou.

Zulke exemplaren zijn in het Westen volstrekt niet zeldzaam. Wie zich jaren lang in de wildernis ophoudt, heeft noch tijd noch gelegenheid, en ook geen geld om voor zijn versleten kleedingstukken iets anders in de plaats te stellen, dan hetgeen zijn leven in de afzondering hem aan de hand doet, en men treft daar menigmaal beroemde lieden aan, wier kleeding van dien aard is, dat de straatjeugd in de steden der beschaafde wereld zoo iemand joelend en spottend zou najouwen.

In zijn hand had de man een geweer met dubbelen loop, dat stellig reeds een groot aantal jaren dienst had gedaan. Of hij misschien nog ander wapentuig bij zich had, kon men slechts gissen, maar te zien was er niets van, daar de jas zijn geheele lichaam omhulde als een toegebonden zak, waarin vermoedelijk nog menig voorwerp verborgen zat.

De jongeling, dien deze zonderling bij zich had, kon ongeveer zestien jaar zijn. Hij was blond, stevig van lichaamsbouw, en had in zijn gelaat een uitdrukking van ernst, of beter gezegd van tartend zelfbewustzijn, als iemand, die zich in staat gevoelt om zelf te weten welken levensweg hij te volgen heeft. Zijn kleeding bestond uit hoed, jachthemd, broek, been-bedekking en schoeisel, alles van leer gemaakt. Behalve zijn geweer was hij nog met een mes en revolver gewapend.

Toen Tante Droll het dek betrad, stak zij Zwarten Tom haar hand toe, en riep met haar schelle, dunne fluitstem: "Welkom, oude Tom! Welk een aangename verrassing! Wij hebben elkaar in een eeuwigheid niet gezien! Waar komt ge vandaan, en waar is de reis naar toe?"

Zij drukten elkander allerhartelijkst de hand, terwijl Tom antwoordde: "Van den Mississippi stroom-opwaarts. Nu wil ik Kansas in, waar ik mijn rafters in de bosschen heb."

"Nu, dan is alles in orde. Dan kunnen wij nog een poos samen reizen; want ik wil óók daar naar toe, en nog verder. Maar nu allereerst de vracht sir! Wat hebben wij te betalen, namelijk ik en die kleine jongen, als het noodig is?"

Deze vraag was tot den kapitein gericht.

"Dat zal er van afhangen, hoe ver gij meevaart, en welke plaats gij hebben wilt," was het antwoord.

"Welke plaats? Tante Droll reist altijd eerste klasse; dus kajuit, sir! En hoe ver? Zeggen wij, om te beginnen tot Fort Gibson. Wij kunnen het _lasso_ altijd langer maken. Neemt gij nuggets aan?"

"Ja, wat graag!"

"Maar hoe staat het met het goudschaaltje? Zijt gij eerlijk?"

Die vraag kwam er zoo koddig uit, en de twee oogjes pinkten daarbij zoo eigenaardig, dat men hetgeen hij vroeg niet kwalijk nemen kon. De kapitein hield zich echter alsof hij er zich door beleedigd achtte, en antwoordde: "Doe mij zulke vragen geen tweeden keer, of ik werp u vierkant over boord."

"Oho! Denkt gij dat Tante Droll zich zoo gemakkelijk in het water zou laten smijten? Dan vergist gij u geweldig. Probeer het maar eens, als gij trek hebt."

"Neen," hernam de kapitein ontwijkend, "tegen dames moet men de wellevendheid in acht nemen; en daar gij een tante zijt behoort gij natuurlijk tot het schoone geslacht. Ik wil dus uw woorden niet zoo naar de letter opvatten. Bij het betalen is overigens geen haast; dat kunt gij bij gelegenheid doen aan den officier."

"Neen, borgen doe ik nooit, geen minuut; dat is zoo mijn stelregel, als het noodig is."

"Welnu, kom dan maar even mee naar het kantoor."

Zij verwijderden zich; en de overige op het dek aanwezige personen gaven aan elkander ten beste wat zij zoo al dachten van het zonderlinge personage. De kapitein kwam spoediger terug dan Droll. Hij zeide op een toon van verwondering: "Gij hadt die nuggets eens moeten zien, messieurs! Ik heb nooit zooveel nuggets bij elkander gezien!" Dit zeggende stak hij zijn eene hand in zijn armsmouw, en toen hij er die uit haalde, had hij die vol goudkorrels zoo groot als een erwt, vele als een hazelnoot, en sommige nog grooter. "Die man moet een bonanza ontdekt en leeg gegraven hebben. Ik wed dat hij veel rijker is dan hij er uitziet."

Middelerwijl betaalde Droll de vracht aan den met het geld ontvangen belasten officier, en keek toen eens in het rond. Zoodoende kreeg hij de volgelingen van den kornel in het oog. Daar hij er de man niet naar was om aan boord van een schip eenigen tijd door te brengen, zonder zich te vergewissen welke medepassagiers hij had, drentelde hij langzaam naar de voorplecht en liet zijn oogjes vluchtig over die mannen gaan, een voor een. De kornel trok bijzonder zijn aandacht, en hij sprak hem aan:

"Neem mij niet kwalijk, sir! hebben wij elkaar vroeger al niet eens gezien?"

"Dat ik weet niet," was het antwoord.

"He, het is mij alsof wij elkaar reeds meer ontmoet hebben. Zijt gij bijgeval wel eens boven aan den Missouri geweest?"

"Neen."

"In Fort-Sully ook niet?"

"Dat ken ik niet eens."

"Hm! Mag ik dan ook weten hoe uw naam is?"

"Hoe zoo? Waarom?"

"Omdat gij mij bevalt, sir! En zoodra ik iemand ontmoet, die mij bevalt, heb ik geen rust of duur meer, of ik moet eerst weten hoe hij heet."

"Wat dat betreft," antwoordde de kornel op tamelijk scherpen toon, "mij bevalt gij ook; maar daarom zal ik nog niet vrijpostig genoeg zijn om u naar uw naam te vragen."

"He! Daar steekt, dunkt me, volstrekt geen vrijpostigheid in, en ik voor mij, ik zou uw vraag dadelijk beantwoorden. Ik heb hoegenaamd geen reden om mijn naam te verzwijgen. Alleen zij die oneerlijke dingen in hun schild voeren, verzwijgen hoe zij heeten."

"Is dat bedoeld als een beleediging, sir?"

"Dat komt niet in mij op! Ik beleedig nooit een menschenkind, als het noodig is. Adieu, sir! en houd uw naam maar vóór u! Ik ben er volstrekt niet nieuwsgierig naar."

Dit gezegd hebbende draaide hij zich om en verwijderde zich.

"Dat iemand zoo iets durft tegen mij!" mompelde de roodbaard tandenknarsend. "En dat ik dat zoo maar voor zoete koek moet opeten!"

"Waarom zijt gij zoo gek, dat gij het verdraagt?" merkte een zijner volgelingen lachend op. "Ik zou dien leeren zak geantwoord hebben met mijn vuist."

"En van een koude kermis thuisgekomen zijn!"

"_Pshaw!_ Dat misbaksel ziet er me niet naar uit, om wonderen van spierkracht te verrichten."

"Maar met een man, die een zwarten panter tot op een armslengte afstand durft afwachten, en hem dan zoo koelbloedig de lading geeft alsof hij een prairie-hoen onder schot had, met zulk een man valt den gek niet te steken. Overigens zou ik niet te doen gehad hebben met hem alleen: ik zou er dadelijk nog meer tegen mij gekregen hebben, en het is maar zaak voor ons, alle opzien te vermijden."

Tante Droll was weer naar achteren gegaan, en stiet onderweg op de twee Indianen, die op een baal tabak waren gaan zitten. Toen zij hem zagen aankomen, stonden zij op, als lieden, die verwachtten, dat zij aangesproken zouden worden. Droll bleef even staan zoodra hij hen zag, snelde toen naar hen toe, en riep uit: "_Mira, el oso viejo y el oso mozo_ (= Hé, de Oude Beer en de Jonge Beer)!"

Dat was Spaansch. Hij moest dus weten, dat de twee Roodhuiden niet te best Engelsch, maar beter Spaansch spraken en verstonden.

"_Qué sorpresa, la tia Droll_ (= welk een verrassing, Tante Droll)," antwoordde de oude Indsman, ofschoon hij hem reeds gezien had toen hij nog op het vlot zat.

"Wat doet gij hier in het Oosten en op deze boot?" vroeg Droll, terwijl hij aan beiden de hand gaf.

"Wij zijn met eenige roode broeders te Nieuw-Orleans geweest, om inkoopen te doen, en zijn nu op de terugreis, terwijl die anderen met de gekochte goederen volgen. Er zijn verscheidene manen over ons hoofd gegaan, dat wij het gezicht van Tante Droll niet gezien hebben."

"Ja, de Jonge Beer is in dien tusschentijd goed gegroeid; hij is nu veel dikker en langer, dan hij toen was. Leven mijn roode broeders met hun naburen in vrede?"

"Zij hebben hun oorlogsbijlen in den grond geborgen, en hopen dat zij die niet weer behoeven op te graven."

"Wanneer denkt gij bij de uwen terug te zijn?"

"Dat weten wij niet. Wij dachten, dat er een halve maan mee gemoeid zou zijn; maar nu zal het wel langer duren."

"Maar nu? Wat bedoelt gij met die twee woorden?"

"Dat de Oude Beer niet eer huiswaarts keeren kan, dan nadat hij zijn mes gedoopt zal hebben in het bloed van zijn beleediger."

"Wie is dat?"

"Die blanke hond daar met dat roode haar. Hij heeft met zijn handden Ouden Beer een slag in het aangezicht gegeven."

"Verduiveld! Is de vent dan van zijn verstand beroofd? Hij moet toch weten wat het zeggen wil een Indiaan een klap met de hand te geven, en dat nog wel den Ouden Beer."

"Hij schijnt niet te weten, dat _ik_ dat ben. Ik heb mijn naam genoemd in de taal van mijn volk; en nu verzoek ik u, mijn blanken broeder, hem dien niet in het Engelsch te vertolken."

"Als ik hem ooit iets vertolk, zal het in allen gevalle iets anders zijn dan de naam van mijn broeder. Maar nu ga ik van u af, naar de anderen, die verlangend zijn om met mij te spreken. Ik zal nog dikwijls genoeg bij u komen om eens te praten."

En nu vervolgde hij zijn weg naar het achterdek. Daar was nu de vader van het geredde meisje uit de kajuit aangekomen om mee te deelen, dat zijn kind uit haar bezwijming was bijgekomen, zich naar omstandigheden vrij wel gevoelde, en thans niets anders noodig had dan rust, om geheel op verhaal te komen. Toen spoedde hij zich naar de indianen, om den moedigen jongeling dank te betuigen voor zijn stoutmoedige daad. Droll had zijn woorden gehoord, en vroeg wat er gebeurd was. Toen Tom het hem verteld had, zei hij: "Ja, daar is het juist een jongen naar; hij is geen kind meer, maar een volwassen man."

"Kent gij hem en zijn vader? Wij hebben u met hem zien spreken."

"Ik heb hem eenige keeren ontmoet."

"Ontmoet? Hij heeft zich een Tonkawa genoemd; en die bijna uitgestorven stam leidt geen zwervend leven, maar is metterwoon gevestigd op het hun afgestane ellendige grondgebied in het dal van den Rio Grande."

"De Oude Beer heeft geen vaste woonplaats gekozen, maar is trouw gebleven aan de gewoonten zijner voorvaderen. Hij zwerft rond, juist als de Apachen-hoofdman Winnetou. Het is wel waarschijnlijk, dat hij hier of daar een bepaald plekje heeft waar hij van zijn omzwervingen nu en dan gaat uitrusten, maar hij houdt dat geheim. Hij spreekt somwijlen van 'de zijnen', en altoos als ik hem ontmoet vraag ik naar hen en of het hen welgaat; maar wie, wat en waar ze zijn heb ik niet kunnen ontdekken. Hij wilde ook nu naar hen toe, doch moet dat voorloopig uitstellen, omdat hij zich eerst wenscht te wreken op den kornel."

"Heeft hij u daarvan gesproken?"

"Ja. Hij zal niet rusten, voordat hij zijn wraak aan hem gekoeld heeft. De kornel is dus in mijn oogen een verloren man."

"Dat heb ik ook gezegd," merkte Old Firehand aan. "Zooals ik de Indianen ken, heeft hij zich dien klap niet laten welgevallen uit lafhartigheid."

"Zoo?" vroeg Droll, terwijl hij den reus eens goed opnam van het hoofd tot de voeten. "Hebt gij de Indianen ook leeren kennen, als het noodig is? Gij ziet er mij anders volstrekt niet naar uit, in weerwil dat gij een echte Goliath schijnt. Gij zijt beter op uw plaats in de salons, dunkt mij, dan in de prairie."

"O wee, tante!" lachte Tom; "daar schiet gij een geweldigen bok. Raad eens wie deze sir is!"

"Dat zal ik maar niet doen. Misschien zult gij wel zoo goed zijn, het mij liever te zeggen?"

"Neen, zoo gemakkelijk zal ik het u nu eens niet maken. Gij dient er ten minste een oogenblik uw geest op te scherpen. Deze heer is namelijk een van onze beroemdste Westmannen."

"Zoo! Niet beroemde, maar beroemdste?"

"Ja."

"Van die soort zijn er, naar mijn idee, slechts twee, want een derde, die evenals zij dien titel in den overtreffenden trap verdient, bestaat er niet, voor zoover ik weet."

Hij zweeg een oogenblik, kneep toen zijn eene oog dicht, gluurde met het andere eens goed Old Firehand aan, liet daarna even een lachje hooren, dat als een op de klarinet geblazen, "hihihihi" klonk, en vervolgde toen: "Die twee zijn namelijk Old Shatterhand en Old Firehand. Daar ik den eerstgenoemde ken, zou deze sir dus niemand anders kunnen wezen dan Old Firehand. Heb ik het geraden?"

"Ja, dat ben ik," knikte de genoemde.

"_Egad?_" vroeg Droll, en trad een paar schreden achteruit, terwijl hij hem nog eens goed opnam met zijn eene geopende oog. "Zijt gij inderdaad die man, voor wien alle schavuiten sidderen en beven? Den lichaamsbouw hebt gij, precies zooals die beschreven wordt, maar ... misschien is het toch maar fopperij?"

"Ei, ei! Is dit dan óók fopperij?" vroeg Old Firehand, en meteen pakte hij met zijn rechterhand Droll bij den kraag van zijn jas, tilde hem zoo in de hoogte, draaide hem driemaal in de rondte als in een cirkel, en zette hem toen op een in de nabijheid staande kist neer.

Het aangezicht van den aldus getrakteerde was zoo rood als bloed geworden. Hij hijgde naar adem, en riep daarbij in kort afgebroken volzinnen: "_Zounds_, sir! houdt gij mij voor den slinger van een klok of voor een centrifugaal-regulateur? Ben ik in de wereld gekomen om een cirkeldans in de lucht te dansen, om u heen! Het is gelukkig, dat mijn _sleepinggown_ (= nachjapon) van stevig leder gemaakt is, anders hadt ge dien aan flarden gescheurd en mij zoodoende in het water geslingerd. Maar het proefje, dat gij mij gegeven hebt, was kostelijk, sir! Ik zie nu, dat gij werkelijk Old Firehand zijt. Dat moet ik reeds gelooven, omdat ik u anders in staat zie om aan al deze gentlemen nog eens een voorstelling met mij te geven hoe de maan rondom onze aarde draait. Ik heb dikwijls, als ik over u hoorde spreken, gedacht hoe blij ik zou wezen als ik u eens te zien kreeg. Ik ben maar een eenvoudige _trapper_ (= opzetter van vallen, uitzetter van strikken); maar ik weet toch zeer goed wat een man van uw kaliber te beteekenen heeft. Hier is mijn hand; en als gij mij niet diep bedroeven wilt, dan zult gij die niet terugwijzen."

"Terugwijzen? Dat zou ik zonde en schande vinden. Ik geef aan iederen braven man gaarne de hand, hoeveel te meer dan iemand, die zich bij ons zoo kranig geïntroduceerd heeft."

"Kranig geïntroduceerd! Hoe zoo dat?"

"Wel, doordien gij den panter doodgeschoten hebt."

"O zoo! Dat is geen ding om er veel ophef van te maken. Het beestje voelde zich niet erg op zijn gemak in het water; het had volstrekt geen idee om mij kwaad te willen doen, maar zocht zich eenvoudig te redden op mijn vlot. Het spijt mij, dat ik niet een beetje gastvrijer geweest ben."

"Dat is zeer verstandig van u geweest, want de panter had het wel degelijk op _u_ gemunt. Voor het water was hij volstrekt niet bang, want hij was een uitmuntend zwemmer en had zonder moeite den wal kunnen bereiken. Het zou een ramp geweest zijn, als hem dat had mogen gelukken. Door hem te dooden, hebt gij in allen gevalle vele menschen het leven gered. Ik druk u de hand, en hoop, dat wij elkander nader leeren kennen."

"Dat hoop ik ook, sir! Maar nu stel ik u voor, op onze kennismaking iets te gaan drinken. Ik ben niet op deze boot gekomen, om er dorst te lijden. Laat ons dus naar beneden gaan in het salon."

Aan die uitnoodiging werd gevolg gegeven. Om ook van de partij te kunnen zijn, moest Tom eerst bijpassen voor de kajuitsvracht, waaraan gretig door hem voldaan werd.

Toen de gentlemen van het dek verdwenen waren, kwam de neger, die niet mee had mogen kijken naar den panter, uit het machine-ruim te voorschijn, waar hij nu door een anderen werkman afgelost was. Om voor zijn middagdutje een beschaduwd plekje te zoeken, sukkelde hij met loomen tred naar voren, met een gezicht waaraan men duidelijk zien kon, dat hij niet bijzonder in zijn "hummetje" was. Dit zag de kornel, die hem dadelijk aanriep en wenkte om naderbij te komen.

"Wat is er van uw verlangen, sir?" vroeg de zwarte, zoodra hij dichterbij gekomen was. "Als gij iets hebben wilt, moet gij u tot den _steward_ (= hofmeester; spreekt uit; 'stjoerd') wenden. Ik ben niet hier voor de passagiers."

Hij sprak zijn Engelsch zoogoed als een blanke.

"Dat begrijp ik," antwoordde de kornel. "Ik wilde u louter vragen, of gij lust hebt om een glas brandy met ons te drinken."

"Als dàt het geval is, ben ik uw man! In dat vuurhok daarbeneden verdrogen de keel en de lever van een mensch. Maar ik zie niets hier dat naar een glas brandy gelijkt."

"Hier hebt gij een dollar; haal nu zelf, aan de toonbank daar, wat gij het liefst drinkt, en kom dan een poosje bij ons zitten praten."

De pruilerige uitdrukking verdween nu van het gelaat van den neger, en ook zijn bewegingen waren nu veel vlugger. Hij bracht twee volle flesschen en eenige glazen mee, en nam nu plaats naast den kornel, die bereidwillig een weinig ruimte voor hem maakte. Toen de inhoud van het eerste glas over zijn tong was gegleden, schonk hij het glas andermaal vol, dronk dat insgelijk leeg, en zeide toen: "Van zulk een hartsterking bekomt een mensch, sir! Jammer maar, dat zulke buitenkansjes zoo zeldzaam zijn. Doch als ik vragen mag, hoe komt gij op het idee om mij daartoe uit te noodigen? Gij blanken zijt anders niet zoo bijzonder vriendelijk jegens ons zwarten."

"Bij mij en mijn vrienden is een neger evengoed als een blanke. Ik heb opgemerkt, dat gij bij den stoomketel aangesteld zijt. Dat is een zwaar werk, en daar krijgt een mensch dorst van; en daar ik niet denk, dat de kapitein u met bankbiljetten van honderd dollars betalen zal, begreep ik, dat een ferme slok u niet onwelkom zou wezen."

"Dat is een uitmuntende gedachte van u geweest. De kapitein betaalt inderdaad bitter weinig; men kan er nooit eens 'een ferm hapje' van nemen om de keel te smeren; want voorschot geeft hij nooit, ten minste aan mij niet; de reis moet eerst volbracht zijn, eer hij over de brug komt met geld--_damn!_"

"Dus, hij schijnt het op u gemunt te hebben?"

"Ja, louter op mij."

"Waarom?"

"Hij zegt, dat ik een nathals ben! Al de anderen ontvangen hun loon elken dag, ik alleen niet! Het is dus niet te verwonderen, dat mijn dorstigheid van dag tot dag grooter wordt."

"Nu, het zal geheel van u zelf afhangen, of gij u vandaag eens te goed zult kunnen doen of niet."

"Hoe zoo dat?"

"Ik ben bereid u eenige dollars te geven, als gij mij daarvoor een dienst wilt doen?"

"Eenige dollars? Hoera! Dan kon ik eens wat flesschen inslaan, de een na de andere! Kom maar voor den dag met uw verlangen, sir! Den dienst, dien gij van mij begeert, zal ik met hart en ziel voor u volbrengen."

"Ja maar, het is zoo gemakkelijk niet. Ik weet niet of gij er de rechte man wel voor wezen zult!"

"Ik? Als er snaps mee te verdienen is, ben ik altijd de rechte man."

"Het is mogelijk! Maar het moet sluw aangelegd worden."

"Sluw? Het is toch niet iets waarmee ik risqueeren kan een warmen rug op te loopen? want de kapitein is allesbehalve malsch, als er iets gebeurt dat niet in den haak is."

"Geen nood! Gevaar is er volstrekt niet bij. Gij zult niets anders te doen hebben, dan uw ooren een beetje te spitsen--niets anders, dan een beetje goed te luisteren."

"Waar? En bij wien?"

"In het salon."

"Hum!" bromde de neger, min of meer den neus optrekkende. "En dat waarom, sir?"

"Wel.... om kort te gaan, ik zal openhartig met u spreken."--Hij schoof den neger weer een vol glas toe, en vervolgde toen op een vertrouwelijken toon: "Daar is een groote, reusachtig uitziende sir, dien ze Old Firehand noemen; verder een kerel met een zwarten baard, die Tom heet; en eindelijk een vastenavondmasker in een lange leeren jas, luisterende naar den mallen naam van Tante Droll. Die Old Firehand is een rijke landbouwer, en de twee anderen zijn zijn gasten, die hij meeneemt naar zijn huis. Toevallig willen wij óók naar die boerderij, om daar werk te zoeken. Het spreekt dus vanzelf, dat wij nu een goede gelegenheid hebben, om te weten te komen met wat soort van menschen wij te doen zullen krijgen. Ik verbeeld mij, dat zij wel over hun zaken zullen spreken; en als gij uw ooren maar goed open zet, zal het u volstrekt niet moeielijk vallen datgene te weten te komen, waarnaar wij nieuwsgierig zijn. Gij hebt uw oogen maar goed den kost te geven en af te luisteren wat zij elkaar vertellen; gij ziet dus, dat ik geen heksenwerk of iets dat verboden is van u verlang."

"Dat is waar, sir! Geen mensch heeft mij verboden te luisteren als ik anderen hoor praten. Ik ben nu zes uur vrij van dienst, zoodat ik den tijd aan mij zelf heb en doen kan wat gij verlangt."

"Maar zeg eens: hoe zult ge dat aanleggen?"

"Daar zit ik juist over te denken."

"Moogt gij in het salon komen?"

"Verboden is mij dat eigenlijk niet; maar ik heb er niets te doen."

"Zoek dan maar een of ander voorwendsel."

"Dat is juist het moeielijke er van. Ik zou daar iets naar binnen kunnen brengen, of iets er vandaan halen, maar dat duurt slechts een oogenblik, en dus veel te kort om van hun gesprek iets op te vangen, dat de moeite waard is."

"Kunt gij niets verzinnen om daar te gaan doen, zoodat gij er wat langer kwansuis bezig kunt blijven?"

"Neen.... Of ja! Daar kom ik op een idee. De ramen zijn vuil, die zou ik schoon kunnen gaan maken."