Chapter 39
Hij wist natuurlijk zeer goed, dat men hem met opzet zulk een slecht wapen gegeven had. In weerwil van de dikke verflaag, die het aangezicht van den hoofdman bedekte, zag men duidelijk, dat het zich in een spottende plooi vertrok, toen hij antwoordde: "Het stond u vrij de bijl weg te werpen; maar gij krijgt geen andere."
"Dat behoeft ook niet. Ik zal het wel af kunnen met mijn mes alleen, waarvan ik weet, dat ik er op vertrouwen kan."
"Oef! Zijt gij van uw verstand beroofd! De eerste slag met mijn tomahawk zal u dooden. En buitendien heb ik mijn mes, en gij zijt niet zoo sterk als ik ben."
"Dan schijnt gij daarstraks mijn scherts als ernst opgenomen te hebben, merk ik. Ik heb u niet bang willen maken. Maar nu wil ik uzelf laten oordeelen wie de sterkste is, gij of ik."
Hij bukte naar een steen, die veel zwaarder was dan die, welken de Groote Wolf opgetild had, tilde dien eerst op ter hoogte van zijn gordel, stak hem toen in de hoogte, hield hem een paar minuten boven zijn hoofd, en smeet hem toen weg, een pas of tien verder, waar hij bleef liggen.
"Doe mij dat eens na!" riep hij den Roodhuid toe.
"Oef, oef, oef!" klonk het uit den kring der toeschouwers. De hoofdman antwoordde niet dadelijk. Hij keek van den jager naar den steen, en van den steen weer naar den jager; hij was meer dan verwonderd, en eerst na een vrij lange pauze liet hij zijn stem hooren: "Verbeeldt gij u, dat gij mij bang kunt maken? Denk dat maar niet! Ik zal u dooden en uw scalp nemen, al moest de strijd tot van avond duren!"
"Zoo lang zal het niet duren; het zal wel in eenige minuten afloopen," antwoordde Old Shatterhand glimlachende. "Dus, gij zoudt graag mijn scalp hebben?"
"Ja, want de schedelhuid van den overwonnene behoort aan den overwinnaar ... Bindt ons maar vast!"
Dit bevel werd gericht tot twee gereedstaande Roodhuiden, die den hoofdman en Old Shatterhand de lasso's om de heupen bonden, en toen achteruittraden. Op die wijze aan den paal vastgemaakt, konden die twee zich nu slechts in een cirkel bewegen, waarvan de middellijn de lengte van het nog vrije lasso-gedeelte bedroeg. Zij stonden zoo, dat de twee lasso's een rechte lijn, dus de middellijn, vormden, de een met zijn gelaat naar den rug van den andere gekeerd. De Roodhuid had den tomahawk in zijn linker-, het mes in zijn rechterhand; Old Shatterhand hield zijn mes in de rechtervuist.
De Groote Wolf had zich den strijd zoo voorgesteld, dat de een den ander in den cirkel zou ronddrijven, en zoo dicht bij hem zou trachten te komen, dat er mogelijkheid bestond om een wissen bijlslag of messteek te geven. Hij had wel moeten inzien, dat hij zijn tegenstander niet in kracht overtrof; maar de wapenen waren ongelijk en hij had de stellige overtuiging, dat hij overwinnen zou; te meer daar hij zag, dat de blanke het mes glad verkeerd in de hand hield. Old Shatterhand hield het mes namelijk zoo, dat de punt niet naar omlaag, maar naar omhoog gericht was, zoodat hij onmogelijk een stoot van boven naar beneden er mee kon toebrengen. De Roodhuid lachte in zijn geest daarover, en hield zijn tegenstander scherp in het oog, zoodat de minste van zijn bewegingen hem niet ontgaan kon.
Ook de blanke hield zijn oogen onafgewend op zijn tegenstander gericht. Hij was volstrekt niet van plan zich in den cirkel te laten rondjagen; hij wilde niet aanvallen, maar eenvoudig den aanval afwachten, en die eerste botsing moest ineens het pleit beslechten. Het kwam er maar op aan, op welke wijze de Groote Wolf zich van zijn tomahawk zou bedienen: wilde hij er met vaste hand een slag mee toebrengen, dan was er hoegenaamd niets te vreezen; doch wilde hij zijn bijl als werptuig gebruiken, wilde hij er zoo zijn tegenstander mee verwonden, dan had deze al zijn opmerkzaamheid en de grootst mogelijke voorzichtigheid noodig. De twee stonden zoo dicht bij elkander, dat het uiterst moeilijk zou wezen zulk een worp te ontwijken.
Gelukkig dacht de hoofdman er niet aan, met zijn strijdbijl te werpen. Als hij dat deed en niet zijn tegenstander raakte, dan ware de bijl uit zijn handen en kon hij die niet meer machtig worden.
Zoo stonden zij vijf minuten, tien minuten, en geen van beiden verroerde zich. Reeds begonnen de Indiaansche toeschouwers ongeduldig te worden, en uitroepen van aansporing, ja zelfs van afkeuring, te laten hooren. De Roode Wolf daagde zijn tegenstander spottend uit om te beginnen; hij riep hem beleedigingen toe. Old Shatterhand zei niets; zijn antwoord bestond hierin, dat hij ging zitten, zoo doodbedaard en op zijn gemak, alsof hij zich te midden van een vriendenkring bevond. Maar zijn spieren en zenuwen waren gereed, om in een oogwenk tot vlug en krachtig handelen over te gaan.
De hoofdman beschouwde dit gedrag als een bewijs van kleinachting, dus als een beleediging, en feitelijk was het niets anders dan een krijgslist, om hem tot de een of andere onvoorzichtigheid te verleiden. En dat oogmerk werd volkomen bereikt. Hij dacht het met een zittenden vijand nog gemakkelijker te kunnen klaren, zoodat hij van deze gunstige gelegenheid gebruik wilde maken. Een luide oorlogskreet aanheffende, sprong hij op Old Shatterhand toe, den tomahawk omhooggeheven, om hem den genadeslag te geven. Reeds dachten de Roodhuiden dien slag te zien vallen; reeds openden zich veel lippen tot triomfgejubel, maar eensklaps sprong de blanke zijwaarts overeind--het met opzet verkeerd gehouden mes deed zijn plicht; de tomahawk sloeg mis, en de vuist die hem bestuurd had, greep naar het bliksemsnel omhooggeheven mes, zoodat de strijdbijl op den grond viel; een snelle slag van Old Shatterhand tegen den linkerarm van den Roodhuid, en ook zijn mes vloog hem uit de hand; en nu gaf de blanke zijn tegenstander, zoo snel dat niemand er iets van zag, met het harde heft van zijn bowie-mes zulk een geweldigen stoot tegen de hartstreek, dat de Roodhuid als een zoutzak neerstortte en bleef liggen. Old Shatterhand hield zijn mes omhoog, en riep: "Wie is de overwinnaar?"
Niemand antwoordde. Zelfs zij, die het voor mogelijk hadden gehouden dat hun hoofdman overwonnen werd, hadden niet gedacht, dat het zoo spoedig en op die manier gebeuren kon. De menschen stonden er verslagen van.
"Hij zelf heeft gezegd, dat de schedelhuid van den overwonnene aan den overwinnaar toebehoort," vervolgde Old Shatterhand. "Zijn scalp is dus mijn eigendom, maar ik wil dien niet hebben. Ik ben een Christen en een vriend van de roode mannen, en ik schenk hem het leven. Misschien heb ik hem een rib kapot geslagen, maar dood is hij niet. Mijn roode broeders kunnen hem tot bewustzijn zien te brengen; maar ik ga naar mijn tent."
Hij bond zich los en ging. Niemand dacht er aan hem dat te beletten, en niemand verhinderde Davy en Jemmy hem te volgen. Ieder wilde zich eerst vergewissen hoe het met den Grooten Wolf gesteld was, en zij verdrongen elkander om hem heen. Dientengevolge bereikten de jagers hun tent, zonder dat iemand op hen lette. Daarachter lagen hun wapenen, en daar stond ook Hobble-Frank met de paarden.
"Vlug te paard en voort!" gebood Old Shatterhand. "Praten kunnen wij naderhand."
In een ommezien zaten zij alle vier te paard, en reden weg, eerst langzaam en achter de tenten en hutten heen. Maar toen werden zij door de wachtposten opgemerkt, die ook overdag buiten de legerplaats waren betrokken. Dezen hieven het krijgsgehuil aan en schoten op hen. Daarom gaven de blanken de sporen aan hun paarden en brachten die in galop. Even omkijkende, zagen zij, dat het roepen en alarm maken van de wachtposten de aandacht van al de anderen had getrokken, die nu in geheele zwermen tusschen de tenten uit te voorschijn kwamen en aan de ontkomenen een helsch gehuil achternazonden, dat door de echo der bergen veelvoudig werd teruggekaatst.
De jagers galoppeerden over de vlakte, regelrecht koers zettende naar het punt, waar het bergwater zich in het meer ontlastte. Old Shatterhand kende de landstreek genoeg om te weten, dat het dal van die beek de beste weg was om spoedig uit de voeten te komen. Hij was overtuigd, dat de Utah's dadelijk zouden opbreken om hen achterna te zetten, en hij moest dus maken dat hij in een streek kwam, waar het voor de Roodhuiden zoo moeilijk mogelijk zou wezen om hun spoor te volgen.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
GROOTMOEDIGHEID VAN OLD SHATTERHAND.
Dienzelfden morgen bewoog zich een troep ruiters bergopwaarts langs de beek, waarlangs den avond te voren de Utahs met hun gevangenen getrokken waren. Aan het hoofd van dien troep reed Old Firehand met Tante Droll. Achter hen reden Humply-Bill en de Gunstick-Uncle met den Engelschen lord; om kort te gaan het waren al de blanken, die het reeds verhaalde avontuur aan den Eagle-tail als handelende personen hadden bijgewoond, en die toen naar de bergen waren opgebroken, om zich naar het Zilvermeer te begeven. In Denver had Butler de ingenieur met zijn dochtertje Ellen zich bij hen aangesloten. Van de boerderij van zijn broer was hij regelrecht daarheen gereisd, dewijl het natuurlijk niet in hem had kunnen opkomen, zijn kind bloot te stellen aan de gevaren en een nieuwe ontmoeting met de tramps. Het meisje, dat in geen geval van haar vader had willen scheiden, en dat, uit kinderlijke gehechtheid aan hem, mee de wildernis inging, zat in een soort van draagstoel, die tusschen twee kleine, maar tegen veel vermoeienis geharde Indiaansche hitten hing.
Winnetou was thans niet te zien, doordien hij als verspieder, waartoe hij beter dan iemand geschikt was, vooruitreed. Toevallig liep de weg, die door hem en Old Firehand was voorgeschreven, naar het bosch en over de open vlakte, waar Old Shatterhand en zijn metgezellen hun ontmoeting met de Utahs gehad hadden. De twee aanvoerders waren bedreven en scherpzinnig genoeg, om de sporen te kunnen lezen; zij hadden daaruit gezien, dat blanken door de Indianen gevangengenomen waren, en hadden terstond besloten om dat spoor te volgen, ten einde misschien nog hulp te kunnen brengen.
Zij wisten niet, en vermoedden ook niet, dat de Utahs hun strijdbijlen opgegraven hadden. Zoowel Winnetou als Old Firehand, beiden wisten niet beter, of zij leefden met dien stam in vollen vrede; en beiden hielden zich overtuigd, dat zij er vriendelijk ontvangen zouden worden, en dat zij voor de blanke gevangenen een goed woord zouden kunnen doen.
Waar de Roodhuiden hun bivak opgeslagen hadden wisten zij niet met zekerheid; maar zij kenden het meer; en daar de omtrek van dat meer een mooie gelegenheid aanbood om er zich op te legeren, vermoedden zij, dat zij de Utahs daar zouden vinden. In weerwil van de onderstelde vriendschappelijke gezindheid, zou het toch geheel en al in strijd geweest zijn met het in het Westen vaste gebruik, zich aan hen te vertoonen, zonder hen eerst gadegeslagen te hebben. Daarom was Winnetou vooruitgereden, om op verkenning uit te gaan. Juist toen de troep de plaats bereikte, waar de oevers van de beek uiteenliepen om de vlakte te vormen, keerde de Apache terug. Hij kwam in galop aanrijden, en wenkte reeds van verre, dat men halt moest houden. Dat was geen goed teeken, en daarom vroeg Old Firehand, zoodra Winnetou dicht genoeg bij was: "Mijn broeder wil ons waarschuwen. Heeft hij de Utahs gezien?"
"Ja, hen en hun legerplaats."
"En heeft Winnetou zich niet aan hen durven vertoonen?"
"Neen, want ze hebben hun strijdbijlen opgegraven."
"Waaraan hebt gij dat ontdekt?"
"Aan de verf, waarmee zij hun gelaat besmeerd hebben, en ook hieraan, dat er zoo verbazend velen bij elkander waren. De roode krijgslieden vereenigen zich tot zulk een grooten zwerm, nooit anders dan in tijd van oorlog of in den tijd der groote jachten. Daar wij ons niet in het jaargetijde der buffeljachten bevinden, kan het niet anders wezen dan de oorlogsbijl, om welke zich zulk een menigte heeft geschaard."
"Hoe groot is hun aantal wel?"
"Dat heeft Winnetou niet goed kunnen opnemen. Er stonden er op zijn minst een honderd of drie aan het meer, en in de tenten zullen er ook nog wel geweest zijn."
"Aan het meer? Zoo velen? Wat was daar dan aan de hand? Werd de visch misschien opgejaagd naar één kant?"
"Neen, dat kan het niet zijn. Bij het opjagen van de visch zijn de menschen in dezelfde richting in beweging; maar nu stonden zij stil, en keken allen in het water."
"Drommels! zou dat een terechtstelling beduiden? Zou men blanken in het water geworpen hebben, om hen te doen verdrinken?"
Dit vermoeden van Old Firehand was niet zoo geheel en al mis; want de Apache had de Utahs bespied op het oogenblik, toen pas de zwemwedstrijd begonnen was. Winnetou antwoordde op zulk een stelligen toon, alsof hij er bij gestaan en alles gezien had: "Neen, zij willen hen niet verdrinken; maar het is een zwemwedstrijd om het leven."
"Hebt gij reden om dat te vermoeden?"
"Ja, Winnetou kent de gebruiken zijner roode broeders, en Old Firehand is ook genoeg daarmee bekend, om mijn onderstelling te deelen. De Utahs dragen de oorlogskleuren, en beschouwen dus de bij hen zijnde blanken als vijanden. Die moeten gedood worden. Maar de Roodhuid laat zijn vijand niet spoedig sterven, hij martelt hem langzaam dood; hij werpt hem niet in het water om hem spoedig te verdrinken, maar hij geeft hem een tegenstander, die hem in het zwemmen de baas is, en tegen wien hij zwemmen moet om zijn leven. Daar de tegenstander altijd beter zwemt dan de blanke, is het bleekgezicht bepaald verloren. Men laat hem zwemmen, louter om zijn sterven, zijn doodsangst langer te doen duren."
"Zoo is het," zei Old Firehand; "ik ben volkomen van uw gevoelen. Wij hebben de sporen van eerst vier en toen twee blanken geteld. Dat zijn er dus zes. Maar men zal die stellig niet allen laten zwemmen; ieder zal op een andere manier om zijn leven moeten wedstrijden. Wij moeten ons haasten, om hen te redden."
"Als mijn blanke broeder dat doet, zal hij zich slechts haasten om zelf te sterven."
"Nu, dat moet gewaagd worden. Ik verlaat mij er op, dat ik mij nooit als een vijand van de Utahs heb doen kennen."
"Daarop moogt gij u volstrekt niet verlaten. Hebben zij eenmaal de strijdbijlen tegen de blanken opgegraven, den behandelen zij hun besten vriend als vijand, wanneer hij een bleekgezicht is; zij zouden ook u niet sparen."
"Maar de hoofdmannen zouden mij beschermen!"
"Neen. De Utah is niet trouw en oprecht; en niet één hoofdman van dat volk heeft op zijn krijgslieden zooveel overwicht, dat hij u zou kunnen redden. Wij mogen ons niet laten zien."
"Maar gij, gij kunt dan toch naar hen toe gaan?"
"Neen, ook niet; want ik weet niet, of zij de strijdbijl niet wellicht ook tegen andere roode natiën gescherpt hebben.
"Maar dan zijn die zes blanken tòch reddeloos verloren."
"Dat kan mijn broeder niet zeggen. Ik heb twee redenen, die mij het tegendeel doen denken."
"En die redenen zijn?"
"Eerstens heb ik reeds gezegd, dat de gevangenen der Roodhuiden niet anders dan langzaam mogen sterven; maar het is nog vroeg in den ochtend, en wij hebben dus nog tijd om op verkenning uit te gaan. Misschien komen wij iets meer te weten, dan wij op dit oogenblik weten; en dan zullen wij gemakkelijker een besluit kunnen nemen."
"En ten tweede?"
De Apache zette een alleroolijkst gezicht, toen hij antwoordde: "Onder de bleekgezichten bevindt zich iemand die zich zelf en de zijnen niet zoo gemakkelijk laat doodmaken."
"Wie is dat?"
"Old Shatterhand."
"Wat!" riep de jager, van verwondering opspringende. "Old Shatterhand, dien gij boven, aan het Zilvermeer, hoopt te ontmoeten? Zou die werkelijk reeds hier zijn?"
"Old Shatterhand is zoo prompt op zijn tijd als de zon of een ster aan den hemel."
"Hebt gij hem gezien?"
"Neen."
"Hoe kunt gij dan zeggen, dat hij zich hier bevindt?"
"Ik wist dat gisteren reeds."
"Zonder het mij te zeggen?"
"Zwijgen is dikwijls veel beter dan spreken. Als ik gisteren gezegd had wiens geweer op de vlakte gesproken heeft, zoudt gij niet bedaard gebleven zijn, maar veel sneller vooruit gewild hebben."
"Zijn geweer, heeft dat gesproken? Hoe weet gij dat?"
"Toen wij den zoom van het bosch en het gras der open vlakte afzochten, vond ik een boompje met een aantal gaatjes er in, gemaakt door kogels uit Old Shatterhand's wondergeweer, dat weet ik bepaald zeker. Hij heeft stellig den rooden mannen vrees willen inboezemen, en zij zullen dan ook nu voor zijn geweer wel ontzag hebben."
"Het spijt mij, dat gij mij dat boompje niet gewezen hebt! Hum! Als Old Shatterhand zich onder die blanken bevindt, dan behoeven wij ons niet erg ongerust te maken. Ik ken hem; ik weet, wat hij in staat is te doen, en hoeveel ontzag de Indianen voor hem hebben. Wat zullen wij doen? Wat stelt gij ons voor?"
"Mijn vrienden moeten mij nu volgen; zij moeten allen achter elkander rijden, om te zorgen dat de Utahs, als zij ons spoor mochten aantreffen, niet kunnen tellen met hoe velen wij zijn. Howgh!"
Hij liet zijn paard rechts zwenken en reed verder, zonder te vragen of Old Firehand er genoegen meenam, en zonder om te kijken of men hem volgde.
De oevers van de beek waren, zooals reeds gezegd is, van elkander geweken, om aanvankelijk als een lage, en vervolgens als aanhoudend klimmende bergen-rij de vlakte van het meer te omzoomen. De vlakte was geheel zonder boomgroei, maar de hoogten waren dicht bedekt met bosch, tot onder aan den voet der heuvelen, waar het een zoom van kreupelbosch vormde. Achter dit kreupelhout en onder de boomen beschutting en dekking zoekende, volgde Winnetou de hoogten rechts, die de noordzijde der vlakte begrensden, en vervolgens in het westen op den berg stieten, die zijn water ontlastte in het meer.
Op die wijze reden de blanken om de vlakte heen, van het oostelijkste punt, tot aan het westelijkste, waar zij aan de beek kwamen, en zich eenige honderden passen van het meer af onder boomen bevonden, van waar zij, tusschen de boomen door, de legerplaats der Utahs overzien konden. Toen stegen zij van hun paarden af. Maar zij bonden de dieren niet vast, ieder hield het zijne bij den toom, en Winnetou verdween om den omtrek af te zoeken. Maar hij keerde zeer spoedig terug, en meldde, dat hij niets verdachts had gevonden. Er was vandaag geen Utah daar geweest. Nu eerst bond men de paarden vast, en men ging in het zachte mos op zijn gemak zitten. De plaats, waar zij zich bevonden, was als opzettelijk er voor gemaakt, om ongezien het gansche bivak der Utahs te kunnen begluren.
Men zag hen als op elkander gedrongen aan de zuidzijde van de legerplaats staan. Toen zag men de twee personen, die zich van den grooten hoop afzonderden, en als bezetenen zuidwaarts renden. Old Firehand bracht zijn verrekijker voor zijn oogen, en riep dadelijk: "Een wedloop tusschen een Roodhuid en een blanke! De roode is reeds ver vooruit, en zal stellig overwinnen. De blanke is een zeer klein kereltje."
Hij gaf zijn kijker aan den Apache. Nauwelijks had deze den kleinen blanke voor het glas getrokken, of hij riep uit: "Oef! dat is Hobble-Frank! Die kleine held moet om zijn leven harddraven, en hij kan den Roodhuid onmogelijk inhalen."
"Hobble-Frank, van wien gij ons verteld hebt?" vroeg Old Firehand. "Dan mogen wij niet met onze handen in den schoot blijven zitten; wij moeten een besluit nemen!"
"Nu nog niet!" zei de Apache. "Er is nu nog geen gevaar. Old Shatterhand is immers bij hen?"
De boomen stonden zoo, dat men niet het geheele terrein van den wedloop overzien kon. De beide harddravers waren rechts verdwenen; men verwachtte hun terugkomst, en hield zich natuurlijk overtuigd, dat de Roodhuid de eerste zou zijn, die weer te voorschijn kwam. Doch hoe groot was aller verbazing, toen zij het eerst den kleine zagen, dood op zijn gemak loopende, alsof hij een wandelingetje deed.
"Frank het eerst!" riep Old Firehand. "Hoe is dat mogelijk!"
"Door list," antwoordde Winnetou. "Hij heeft overwonnen, en hoe hij dat aangeleid heeft, zullen wij wel vernemen. Hoort de Utahs eens verwoed schreeuwen! Zij verwijderen zich, zij keeren naar de legerplaats terug. En ziet, daar staan vier bleekgezichten, die ik alle vier ken."
"Ik ook," riep Droll. "Old Shatterhand, lange Davy, dikke Jemmy en die kleine Hobble-Frank."
Die namen verwekten algemeen opzien. Eenigen kenden een of meer der genoemden persoonlijk; de anderen hadden genoeg van hen gehoord, om insgelijks in hooge mate belang in hen te stellen. Het werd een kruisvuur van opmerkingen, totdat Winnetou tegen Old Firehand zei: "Ziet mijn broeder nu, dat ik gelijk had? Onze vrienden hebben hun wapenen nog; het gevaar voor hen kan dus niet heel groot zijn."
"Vooreerst ja; maar hoe spoedig kan dat verkeeren! Ik stel voor, om er ruiterlijk naar toe te rijden."
"Wil mijn broeder er naar toe, hij ga zijn gang! maar ik blijf hier," antwoordde de Apache zeer beslist. "Old Shatterhand kent de omstandigheden, en hij weet wat hij doet; maar wij, wij weten van al de bijzonderheden niets; en onze ontijdige tusschenkomst zou wellicht zijn geheele plan van handelen in duigen werpen. Blijf hier! Ik zal zoover doenlijk vooruitdringen, om te weten te komen wat er gebeurt."
Hij hield den verrekijker in zijn hand, en verdween tusschen de boomen. Er verliep een groot halfuur eer hij terugkeerde met de mededeeling: "Er is midden in de legerplaats een tweegevecht aan den gang. De Utahs staan er zoo opeengepakt rondom, dat ik de twee kampioenen niet heb kunnen zien; maar ik heb Hobble-Frank gezien. Die bracht de paarden heimelijk en omzichtig achter een tent, en gaf hun de dekken. De blanken willen dus maken, dat zij wegkomen."
"En heimelijk? Dus vluchten?" vroeg Old Firehand. "Dan vatten wij post hier aan den weg, of, wij gaan hen te gemoet."
"Noch het een, noch het ander," hernam de Apache hoofdschuddende.
"Mijn zienswijzen schijnen vandaag bij mijn rooden broeder telkens op tegenspraak te stuiten!"
"Old Firehand moet niet boos worden maar nadenken. Wat zullen de Roodhuiden doen, als de blanken vluchten?"
"Dan zullen zij hen achternazetten."
"Als men vier of zes vluchtenden achternazet, hoeveel krijgslieden heeft men daartoe noodig?"
"Wel twintig--zeg dertig."
"Goed! Die zullen wij gemakkelijk overwinnen. Maar als wij ons ontijdig aan de Utahs vertoonen, zullen wij met den geheelen stam te doen krijgen, en dan zal er ontzaglijk veel bloed stroomen."
"Gij hebt gelijk, Winnetou! Maar wij kunnen de Roodhuiden toch niet blind maken. Zij zullen uit ons spoor zeer gauw ontdekken met ons hoe velen wij zijn."
"Zij zullen het spoor opnemen, dat vóór hen ligt, maar niet het spoor, dat zich achter hen bevindt."
"O, bedoelt gij, dat wij hen volgen?"
"Juist."
"Zonder dat wij ons aan Old Shatterhand vertoonen?"
"Wij zullen met hem spreken, maar enkel wij beiden, gij en ik. Luister! Wat is dat?"
Uit de legerplaats ging een allerontzettends gehuil op, en dadelijk daarop zag men vier ruiters in galop er uit komen. Het waren blanken. Zij sloegen de richting in naar het boveneinde van het meer; hun oogmerk was dus klaarblijkelijk om de beek te bereiken, en daarlangs berg-op te rijden.
"Daar komen zij aan," zei Winnetou. "Old Firehand kan mij volgen. Maar mijn andere blanke broeders moeten gauw met de paarden dieper het bosch in, en daar wachten tot wij terugkomen. Zij kunnen onze paarden meenemen."
Hij nam Old Firehand bij de hand en trok hem met zich voort, steeds den hoogen oever van de beek langs, onder de boomen door, tot aan een plaats, van waar men de legerplaats der Utahs kon overzien, zonder door hen gezien te worden. Daar bleven zij staan.
Old Shatterhand kwam pijlsnel nader. Hij hield zich met zijn metgezellen dicht langs den waterkant, en reed dus beneden, terwijl de Apache en Old Firehand boven stonden. Toen hij die plaats bereikte, klonk het van boven: "Oef! Mijn blanke broeders kunnen hier een oogenblik halt houden."
De vier kortten den teugel, en keken naar boven.
"Winnetou, Winnetou!" riepen alle vier tegelijk.
"Ja, het is Winnetou, de hoofdman der Apachen," antwoordde deze. "En hier staat er nog een, die een vriend van mijn blanke broeders is."
Hij trok den geweldigen jager van achter een boom te voorschijn.