Chapter 37
De vrouwen, meisjes en jongens verspreidden zich ver langs den oever. De krijgslieden hielden halt aan de onderste smalle zijde, want daar zou de kampstrijd beginnen. Aller oogen waren op de twee hoofdpersonen gevestigd. De Roode Visch keek trots en vol zelfgenoegzaamheid over het water als iemand, die volkomen zeker is van zijn zaak. Ook Davy scheen bedaard, maar hij slikte dikwijls; zijn strottenhoofd was aanhoudend in beweging. Zij, die hem kenden, was dat een teeken van heftige inwendige gemoedsbeweging.
Eindelijk wendde de Groote Wolf zich tot Old Shatterhand met de vraag: "Denkt gij, dat wij kunnen beginnen?"
"O ja," antwoordde de gevraagde; "maar wij kennen de nadere bepalingen nog niet."
"Die zult gij hooren. Hier vlak voor mij gaan de twee kampioenen te water. Zoodra ik daartoe het sein geef door in mijn handen te klappen, steken zij van wal. Zij zwemmen één keer het gansche meer rond, waarbij zij altijd zorg dragen precies een manslengte van den oever af te blijven. Wie binnenwaarts houdt om den afstand te bekorten, is overwonnen. Hij, die het eerst hier aankomt, steekt den andere overhoop."
"Goed. Maar naar welken kant zwemmen zij af? Naar rechts of naar links?"
"Naar links. Dan keeren zij van rechts hier terug."
"Moeten zij naast elkander zwemmen?"
"Natuurlijk."
"Dus mijn kameraad aan de rechter- en de Roode Visch aan de linkerhand?"
"Neen, omgekeerd."
"Waarom?"
"Omdat hij die links zwemt het dichtst bij den oever is en dus den versten afstand af te leggen heeft."
"Het is verkeerd en onbillijk, hen beiden in dezelfde richting te laten zwemmen. Gij zijt een vijand van bedrog, en zult moeten toestemmen, dat het veel rechtvaardiger is, hen in verschillende richting van wal te laten steken. De een zwemt van hier af langs den rechteroever en de andere langs den linkeroever; boven ontmoeten zij elkander, en dan keert ieder langs den tegenover liggenden oever terug."
"Gij hebt gelijk," verklaarde de hoofdman. "Maar wie moet rechts en wie moet links?"
"Om ook hierin rechtvaardig te zijn, zullen wij het lot laten beslissen. Ziehier! Ik neem twee grashalmen, en de twee zwemmers trekken er elk een. Wie den langsten halm trekt zwemt naar links, wie den kortsten trekt naar rechts."
"Goed, zoo zal het zijn. Howgh!"
Dat laatste woord werd tot Davy's geluk gesproken, want het bewees dat er aan dat besluit niets meer te veranderen viel. Old Shatterhand had twee grashalmen geplukt, maar zoo, dat ze precies even groot waren. Hij kwam eerst bij den Rooden Visch, en liet hem kiezen, toen gaf hij aan Davy het tweede halmpje, maar kneep er ongemerkt een stukje af. De halmen werden vergeleken; Davy had den kortsten en moest dus naar rechts. Zijn tegenstander toonde zich daarover zeer gebelgd; bij scheen nog geen vermoeden te hebben van het nadeel, waarin hij thans verkeerde. Maar des te opgeklaarder was het gezicht van Davy geworden. Hij overzag de watervlakte, en zei fluisterend tegen Old Shatterhand: "Hoe ik aan dien kleinen halm gekomen ben, weet ik niet; maar hij redt mij; ik heb nu hoop, dat ik de eerste zal zijn die aankomt. Er gaat een sterke strooming; hij zal heel wat moeite hebben om er tegen op te komen."
Hij ontdeed zich van zijn kleeren, en ging in het zeer ondiepe water staan. De Roode Visch deed insgelijks. Nu klapte de hoofdman in zijn handen--een sprong, beiden bevonden zich op een diepere plaats, en zwommen van elkander af, de Roodhuid naar links, en de blanke langs den oever naar rechts.
"Houd u goed, Davy!" riep Hobble-Frank zijn vriend achterna.
Aanvankelijk was er een groot verschil tusschen de twee zwemmers te bespeuren. De Indiaan sloeg langzaam, maar ver en krachtig uit, als iemand, die zich in het water volkomen thuis gevoelt. Hij keek recht voor zich uit, en wachtte zich wel naar den blanke om te zien, daar hij anders, al was het slechts een oogenblik, tijd zou verliezen. Davy zwom onrustiger, onregelmatiger. Hij was geen geoefend zwemmer, en moest eerst den juisten, afgemeten slag weten te vatten. Toen dat niet spoedig gelukken wilde, ging hij op zijn rug liggen, en zoo ging het beter. De strooming was hier niet sterk meer, maar hielp hem toch zooveel, dat hij den Roodhuid nog altijd bijhield. Zij bevonden zich nu beiden op de lange zijde van het meer.
Nu echter begon de Indiaan te begrijpen, dat hem de moeilijkste taak ten deel was gevallen. Hij had de geheele zijde van het meer af te zwemmen tot voorbij de van den berg daarin uitloopende beek, en bij elken zet, dien hij voorwaarts deed, voelde hij dat de strooming sterker werd. Nog altijd zwom hij dood op zijn gemak; doch nu begon men spoedig op te merken, dat hij niet anders meer vooruitkwam, dan met de grootste krachtsinspanning. Hij sloeg uit met zooveel kracht, dat zijn bovenlijf bij elken slag tot over zijn borst boven water uitstak.
Aan de overzijde bij Davy werd de strooming hoe langer hoe zwakker, maar liep daar in een voor den zwemmer gunstige richting. Daarbij kwam, dat hij zich meer en meer thuis begon te voelen in de noodige regelmaat der bewegingen. Hij werkte thans veel geregelder en veel bedachtzamer. Hij sloeg de uitwerking gade van elken zet, en leerde daardoor al zeer spoedig elke verkeerde beweging vermijden. Daardoor verdubbelde zijn snelheid, en weldra was hij den Rooden Visch vooruit, hetgeen dezen aanspoorde om nòg meer van zijn krachten te vergen, in plaats van die te bewaren voor de grootere moeilijkheden, die hij later te boven zou moeten zien te komen.
Nu naderde Davy de uitwatering. De strooming werd sterker, en dreigde ieder oogenblik hem te grijpen en mee te sleuren buiten de zwembaan, en het meer uit. Hij kampte met groote moeite, en geraakte bij den Roodhuid weer ten achter. Dat was het oogenblik, waarvan alles afhing.
Zijn kameraden stonden in de grootste spanning op den oever hem gade te slaan.
"De Roodhuid haalt hem weer in," zei Jemmy op angstigen toon. "Hij zal verliezen!"
"Als hij zich nog maar drie el verder werkt," antwoordde Old Shatterhand, "dan heeft hij den fellen stroom der uitwatering overwonnen, en dan is hij behouden."
"Ja, ja," merkte Frank aan; "hij schijnt dat zelf ook te beseffen. Zie eens hoe hij stoot en stampt! Bravo, goed zoo; hij komt vooruit; hij is er overheen. Hoera, hoera!"
Het was den lange gelukt de belemmering te overwinnen, en nu kwam hij in rustig water. Weldra had hij de rechter lange zijde achter zich, terwijl de Roodhuid de linkerzijde nog niet afgelegd had, en sloeg nu de smalle zijde in, op de invloeiing van de beek aan.
De Roodhuid zag dat, en weerde zich als een razende, om zijn leven te redden; maar elke nieuwe zet, de krachtigste niet uitgezonderd, bracht hem hoogstens een el vooruit, terwijl Davy op zijn gemak het dubbele van dien afstand voorwaarts kwam. De laatste bereikte nu de plaats, waar de beek zich in het meer stortte. Het beekwater greep hem, en sleepte hem mee. Hij had nog slechts het derde gedeelte van de baan af te leggen, en de Indiaan had nog geen derde achter den rug. De twee zwemmers schoten elkaar voorbij.
"Hoera!" riep Davy, niet in staat om dien vreugdekreet te bedwingen. De Roodhuid beantwoordde dien jubelkreet met een ver in het woud hoorbaar woedend gebrul.
Nu was het zwemmen voor Davy geen inspanning meer, maar een aangename uitspanning. Hij behoefde slechts een weinig met de handen te roeien om in de voorgeschreven richting te blijven. Langzamerhand, hoe zwakker de strooming werd, moest hij weer meer kracht aanwenden; maar het ging zoo gemakkelijk, dat het hem te moede werd, alsof hij zijn gansche leven lang in het water had rondgezwommen. Zoo bereikte hij de bepaalde plaats aan den oever, en stapte aan wal. Toen hij zich omdraaide, zag hij, dat de Roodhuid pas de uitwatering bereikt had, en daar opnieuw aan het worstelen was tegen de strooming.
Een kort, maar door merg en door been snijdend gehuil der Roodhuiden weerklonk. Zij zeiden daarmee, dat de Roode Visch verloren had en ten doode gedoemd was. Davy echter trok gauw zijn kleederen weer aan, en spoedde zich toen naar zijn kameraden, om hen, als een uit de dooden verrezene, te begroeten.
"Wie had dat gedacht!" zei hij, terwijl hij Old Shatterhand de handen drukte. "Ik heb den knapsten zwemmer der Utahs overwonnen!"
"Door een grashalm!" antwoordde de jager met een glimlachje.
"Hoe hebt gij dat toch bewerkt?"
"Daarover later. Het is een kleine handbehendigheid geweest, die echter geen bedrog genoemd kan worden, daar het de redding van uw leven gold, zonder dat de Roodhuiden er in het minst of geringst door benadeeld werden."
"Zoo is het!" zeide Frank, die zich onuitsprekelijk gelukkig voelde over de door zijn vriend behaalde overwinning. "Uw leven heeft niet aan een stroohalm, maar aan een grashalm gehangen. Zoo is het ook bij het wedloopen. De beenen alleen doen het 'm niet, dat gelijkt er niet naar. Wie weet welk halmpje mij redding zal aanbrengen. Ja, de beenen heeft men er ook wel bij noodig, maar toch, op het hoofd komt het 't meest aan. Kijkt, daar komt de Ongeluks-visch aanschuiven!"
De Indiaan bereikte van rechtsaf de bepaalde plaats, ruim vijf minuten na den blanke. Hij stapte aan wal, en ging daar zitten, met zijn gelaat naar het water gekeerd. Niemand van de Roodhuiden keek naar hem, niemand verroerde zich, allen wachtten, dat Davy den overwonnene den doodsteek zou geven.
Daar naderde een squaw, met een kind aan elke hand. Zij ging naar den overwonnene. Hij nam het eene kind rechts, het andere links, drukte beiden aan zijn hart, en schoof hen toen zachtkens weer van zich af, gaf aan zijn vrouw de hand, en wenkte haar, dat zij zich verwijderen moest. Toen zocht hij met zijn oogen naar Davy, en riep hem toe: "Nani wietsj, ne pokai (= uw mes, dood mij)!"
Den braven lange schoten bij dit tooneel de tranen in de oogen. Hij nam de vrouw en kinderen, en schoof die weer naar den man terug, en zei half Engelsch, half in het Utah, dat hij niet volkomen machtig was: "No wiesj--not pokai!"
Toen keerde hij zich om, en kwam terug bij zijn kameraden. De Utahs hadden dat alles gezien en gehoord. De hoofdman vroeg: "Waarom doodt gij hem niet?"
"Omdat ik een christen ben. Ik schenk hem het leven."
"Maar als hij overwonnen had, zou hij u stellig doodgestoken hebben."
"Hij heeft niet overwonnen, en heeft dat dus niet kunnen doen. Hij mag leven."
"Maar zijn eigendom ontneemt gij hem toch? Zijn wapenen, paarden, vrouw en kinderen?"
"Dat komt niet in mij op! Ik ben geen roover. Hij mag behouden wat hij heeft."
"Oef, ik begrijp u niet! Hij zou wijzer geweest zijn."
Ook de andere Roodhuiden schenen het niet te begrijpen. De blikken, die zij op hem richtten, verrieden duidelijk hoe verbaasd zij waren over zijn gedrag. Niet een hunner zou van zijn recht afstand gedaan hebben, al waren er honderd menschenlevens mee gemoeid geweest. De Roode Visch sloop weg. Ook hij kon niet begrijpen, waarom de blanke hem niet doodstak en scalpeerde, hij schaamde zich overwonnen te zijn, en hield het voor het beste zich onzichtbaar te maken.
Maar een dankbetuiging kreeg hij toch. De vrouw kwam naar den lange toe, en gaf hem de hand; zij hief ook de handjes der kinderen tot hem op, en stamelde eenige woorden, die half in haar keel bleven steken. Wat zij zei kon Davy niet verstaan; maar hij begreep het toch.
Nu naderde Namboh-awaat (de Groote Voet) den hoofdman, en vroeg, of hij nu met zijn bleekgezicht beginnen kon. De Groote Wolf knikte toestemmend, en gebood naar de daarvoor bestemde plaats op te breken. Die plaats lag in de nabijheid der twee martelpalen. Daar werd, als gewoonlijk, weer een wijden kring gevormd, in welks midden de hoofdman den Grooten Voet bracht. Old Shatterhand leidde er den dikken Jemmy heen. Hij deed dat om te kunnen toezien, dat er geen listen ten nadeele van den dikke in het spel gebracht konden worden.
De twee kampioenen ontblootten het bovenlijf en gingen toen met den rug tegen elkander staan. De kruin van Jemmy's hoofd reikte niet eens tot aan den schouder van den Roodhuid. De hoofdman had een lasso in de hand waarmee hij de twee aan elkander vastbond. De riem ging den Roodhuid over de heupen, maar den blanke over de borst. Toevallig en in het voordeel van laatstbedoelde, reikten de einden van de lasso juist zoo ver, dat de hoofdman den strik op de borst van den dikke maken moest.
"Nu behoeft gij den riem niet door te snijden, gij hebt eenvoudig den strik open te trekken," zei Old Shatterhand in het Duitsch tegen hem.
Nu kreeg ieder zijn mes in de rechterhand, en het schouwspel kon beginnen. Daar de hoofdman terugtrad, volgde Old Shatterhand zijn voorbeeld.
"Sta vast, Jemmy! en laat u niet van de been brengen," riep Hobble-Frank. "Gij weet het, als hij u doodsteekt, ben ik voor geheel mijn leven een arme wees; en dat verdriet zult gij mij toch niet willen aandoen. Laat hem maar schoppen zooveel als hij wil, en licht hem het beentje, zoodra gij er kans toe ziet."
Ook de Roodhuid kreeg van verscheiden kanten opwekkende toeroepen te hooren. Hij antwoordde: "Ik ben geen Groote Visch, die zich laat overwinnen. Ik zal dat kleine, breede gedrocht, dat op mijn rug hangt, spoedig dooddrukken en verpletteren."
Jemmy zei hoegenaamd niets. Hij was stil, en zijn gezicht was ernstig; hij maakte echter op den rug van den Roodhuid een allerkoddigste vertooning. Voorzichtigheidshalve hield hij zijn gelaat ter zijde gewend, om de voetbewegingen van den Roodhuid in het oog te houden. Het lag niet in zijn plan, en was ook niet in zijn belang, den strijd te beginnen; hij liet dat liever aan den Indiaan over.
Deze stond lang stil en onbeweeglijk; hij wilde zijn tegenstander met een plotselingen aanval overrompelen; maar dat gelukte hem niet. Toen hij, naar hij dacht, geheel onverhoeds, zijn voet naar achteren schoof, om Jemmy een beentje te lichten, gaf deze hem zulk een schop tegen zijn andere, vaststaande been, dat de Roodhuid bijna ten onderste boven ging.
Maar nu volgde aanval op aanval. De Roodhuid was sterker, maar de blanke ging meer met omzichtigheid te werk. De eerste werd al spoedig geweldig boos over het niet gelukken van zijn pogingen; maar hoe harder hij raasde en hoe meer hij met zijn voeten achteruittrapte des te bedaarder werd de ander. Het scheen een vertooning van langen adem te zullen worden; de belangstelling van de toeschouwers begon te verflauwen, daar men aanhoudend zag, dat geen der kampioenen het minste of geringste voordeel op zijn tegenstander wist te behalen. Maar het einde zou spoediger komen dan men dacht, namelijk door een afgesproken list van den Indiaan.
Die had tot nu toe slechts beoogd, om zijn tegenstander in den waan te brengen, dat er geen andere aanval volgen kon of zou. Maar nu greep de Indiaan opeens de lasso, trok dat strak aan, zoodat hij van voren ruimte kreeg om zich te keeren, en draaide zich om ...... maar niet geheel.
Ware zijn oogmerk gelukt, dan zou hij den blanke vlak vóór zich gehad hebben, en hij zou hem hebben kunnen dooddrukken. Maar Jemmy was een slimme gast, en zeer op zijn hoede. Ook Hobble-Frank had het verraderlijke oogmerk van den Roodhuid terstond bemerkt, en riep den dikke schielijk toe: "Gooi hem overboord; hij draait zich om!"
"Ik weet het!" antwoordde Jemmy.
Op het oogenblik, waarop hij dit antwoord gaf, en eer de Roodhuid zijn draai half volbracht had en dus niet stevig meer stond, bukte Jemmy snel naar omlaag, bracht daardoor zijn tegenstander in de hoogte, en trok den strik van de lasso los. De lasso gaf mee. De Roodhuid greep met de handen in de lucht, en tuimelde, over Jemmy's hoofd, zoo lang als hij was op den grond, waar hem zijn mes ontviel. Met de snelheid eener gedachte sprong de dikke boven op hem, greep hem met de linkerhand bij de keel, en zette hem met de rechterhand het mes op de hartstreek.
Misschien had de Groote Voet plan gehad, zich in geen geval gewonnen te geven, maar zich tot het uiterste te verdedigen; doch de onwillekeurige tuimeling had hem zoo verbluft, en de oogen van den dikke fonkelden hem van zoo nabij en dreigend aan, dat hij het voor het best hield bewegingloos te blijven liggen. Toen richtte Jemmy zijn blik op den hoofdman, en vroeg: "Ziet gij, dat hij verloren is?"
"Neen!" antwoordde de gevraagde, naderbij tredende.
"Waarom niet?" vroeg terstond Old Shatterhand, die insgelijks naderbij was gekomen.
"Hij is niet overwonnen."
"Ik beweer het tegendeel. Hij is wel degelijk overwonnen."
"Dat is niet waar, want de lasso is losgemaakt."
"Dat is de schuld van den Grooten Voet, want hij heeft zich omgedraaid, en daarbij den riem losgewrongen."
"Dat heeft niemand gezien. Laat hem los! Hij is niet overwonnen, en de worsteling moet van voren af aan beginnen."
"Neen, Jemmy! laat hem niet los!" gebood de jager. "Zoodra hij zich verroert, of zoodra ik het u beveel, steekt gij hem dood!"
Nu richtte de hoofdman fier zijn gestalte op, en vroeg: "Wie heeft hier te bevelen, gij of ik?"
"Gij en ik, wij beiden."
"Wie zegt dat?"
"Dat zeg ik. Gij zijt de hoofdman der uwen, en ik ben de aanvoerder der mijnen. Gij en ik, wij beiden, hebben een overeenkomst over de voorwaarden van den kampstrijd aangegaan. Wie die voorwaarden niet nakomt, heeft de overeenkomst gebroken, en is een leugenaar en bedrieger."
"Gij--gij vermeet u zoo tegen mij te spreken, ten aanhoore van al mijn roode krijgslieden?"
"Daar vermeet ik mij niets mee. Ik zeg de waarheid, en verlang eerlijkheid en trouw. Wanneer _ik_ niet meer spreken mag, welnu, dan zal ik het Geweer des Doods laten spreken."
Hij had de kolf van zijn karabijn op den grond gehad; nu nam hij die op een veelzeggende manier in de hand.
"Maar wat verlangt gij dan eigenlijk?" vroeg de hoofdman op een vrij wat minder hoogen toon.
"Erkent gij, dat die twee moesten kampen rug aan rug gebonden?"
"Ja."
"Maar de Groote Voet heeft de lasso losgewrongen en zich omgedraaid. Is dat eerlijk? En dat _moet_ gij gezien hebben!"
"Ja, dat is zoo," antwoordde de hoofdman aarzelend.
"En hij zou moeten sterven, die den ander boven zich zou krijgen op den grond. Herinnert gij u die voorwaarde?"
"Ja, zoo is het."
"Welnu, wie ligt er nu onder?"
"De Groote Voet."
"Wie is dus de overwonnene?"
"Hij ......" antwoordde de hoofdman tegen wil en dank, want Old Shatterhand hield de karabijn zoo, dat de loop bijna de borst van den hoofdman aanraakte.
"Hebt gij daar nog iets tegen in te brengen?"
Bij deze woorden schoot uit de oogen van den beroemden jager zulk een machtige, overweldigende blik, dat de hoofdman zich in weerwil van zijn reuzengestalte klein gevoelde, en het verwachte antwoord gaf: "Neen; de overwonnene behoort aan den overwinnaar. Zeg hem, dat hij hem doodsteken kan."
"Dat behoef ik hem niet eerst te zeggen, want hij weet het al, maar hij zal het niet doen."
"Wil hij hem misschien óók weer het leven schenken?"
"Daarover zal later beslist worden. Tot zoolang kan de Groote Voet geboeid blijven met dezelfde lasso, waaruit hij zich heeft zoeken los te wringen."
"Waarom hem te binden? Hij zal u niet ontvluchten."
"Staat gij mij daar borg voor?"
"Ja."
"Waarmee?"
"Met alles wat ik bezit."
"Dat is mij voldoende. Dan kan hij gaan waar hij wil, als hij maar tot zijn overwinnaar terugkeert, zoodra de twee laatste wedstrijden afgeloopen zijn."
Nu stond Jemmy op, en trok zijn kleeren weer aan. Ook de Groote Voet sprong overeind, en maakte zich ruim baan door den kring der Roodhuiden heen, die niet wisten of zij hem blijken van verachting zouden geven of niet.
Die Utahs hadden het zeer zeker nog nooit beleefd, dat een blanke, die niet eens in het volle bezit van zijn vrijheid was, op zulk een manier als die Old Shatterhand had omgesprongen met hen en met hun hoofdman. Zij hadden hem immers in hun macht, en toch hadden zij het hart niet om te weigeren wat hij verlangde. Dat was de macht van zijn persoonlijkheid en het gevolg van den nimbus, waarmee de geschiedenis en legenden (dat is de waarheid en de verdichting) hem omringd hadden.
De hoofdman was er stellig over uit zijn humeur, dat reeds twee van zijn krijgslieden overwonnen waren, en dat door tegenstanders, die, naar het geschenen had, stellig niet tegen hen opgewassen waren. Nu viel zijn blik op Hobble-Frank, en toen kwam hij in een betere luim. Dat kleine ventje was onmogelijk in staat het Springende Hert bij te houden. Hier was nu ten minste voor de Roodhuiden de overwinning zeker.
Hij wenkte het Springende Hert tot zich, bracht hem naar Old Shatterhand, en zei: "Deze krijgsman heeft de snelheid van den wind, en is nog nooit door een anderen looper overtroffen. Zoudt gij uw kameraad maar niet raden, zich gewonnen te geven zonder wedloop?"
"Neen!"
"Dan stierf hij spoedig, zonder zich eerst schande op den hals gehaald te hebben."
"Is het niet de allergrootste schande, zich over te geven zonder strijd? Hebt gij den Rooden Visch ook niet voor onoverwinnelijk gehouden? En heeft de Groote Voet niet gezegd, dat hij zijn tegenstander in korten tijd dooddrukken en verpletteren zou? Denkt gij dat het Springende Hert gelukkiger zal wezen dan die twee, die met zooveel ophef begonnen en zoo naar geëindigd zijn?"
"Oef!" riep het Springende Hert. "Ik durf een wedloop aan met een ree."
Old Shatterhand bekeek hem nu eens met aandacht. Ja, hij had den lichaamsbouw van een goed looper, en zijn beenen waren zeer zeker in staat, om groote afstanden af te leggen zonder moede te worden. Maar de qualiteit van zijn hersens scheen niet geëvenredigd aan de lengte van zijn beenen. Hij had een echt apengezicht, maar zonder dat men er een zweem van de oolijkheid dier diersoort op ontdekken kon.
Hobble-Frank was ook naderbij gekomen, en had ook eens goed het Hert bekeken.
"Wel, wat denkt gij van hem?" vroeg hem Old Shatterhand.
"Het is precies de domme jongen van Meissen, die de oogjes vet op de soep ziet drijven, maar die de soep niet vinden kan," antwoordde de kleine.
"Denkt gij dat gij het met hem zult kunnen klaren?"
"Hum! Wat zijn beenen betreft is hij mij driemaal de baas; maar wat den kop betreft, hoop ik, zal ik niet voor hem behoeven onder te doen. Wij moeten eerst te weten zien te komen, welken afstand wij te loopen zullen hebben. Misschien loop ik met mijn hoofd beter en gauwer, dan hij met zijn beenen."
Old Shatterhand wendde zich dus weer tot den hoofdman, en vroeg: "Is er reeds bepaald waar de wedloop om het leven plaats zal hebben?"
"Ja, ga maar eens mee; ik zal het u wijzen."
Old Shatterhand en Hobble-Frank volgden hem, den kring der Indianen uit; het Springende Hert ging niet met hen mee; hij wist reeds waar het eindpunt van den wedloop was. De hoofdman wees met de hand naar het zuiden, en zei: "Ziet gij dien boom daar, halverwegen tusschen hier en het bosch?"
"Ja."
"Tot zoo ver moet er geloopen worden. Wie driemaal om den boom heen loopt, en dan het eerst terugkeert is de overwinnaar."
Hobble-Frank mat den afstand met zijn oogen, en ook het geheele verder zuidwaarts gelegen terrein, en zei toen in het Engelsch, welke taal hij veel beter sprak dan Duitsch: "Maar ik hoop, dat alles eerlijk zal gaan!"
"Wilt gij daarmee zeggen, dat gij onze eerlijkheid wantrouwt?" vroeg de hoofdman schamper.
"Ja."
"Moet ik u neerslaan?"
"Probeer dat, als gij lust hebt. De kogel uit mijn revolver zou iets gauwer wezen dan uw hand. Heeft de Groote Voet zich óók niet omgedraaid, ofschoon dat verboden was. Noemt gij dat eerlijk te werk gaan?"
"Dat was niet oneerlijk, maar listig."
"O! En zijn zulke listen geoorloofd?"
De hoofdman bedacht zich een oogenblik. Als hij "ja" zei, was daarmee de handelwijze van den Grooten Voet gerechtvaardigd; en misschien zou het Springende Hert óók wel zijn toevlucht tot list dienen te nemen; want de blanken waren veel knapper, dan men van hen verwacht had. Misschien was dat blanke kleine gedrocht óók een goed harddraver; en daarom vond hij het raadzaam voor zijn rooden kampioen nog een achterdeurtje open te houden. Daarom antwoordde hij: "List is geen bedrog. Waarom zou die dan verboden zijn?"
"Kan list dan ook van het stipte nakomen van de voorwaarden ontslaan?"