De schat in het Zilvermeer

Chapter 36

Chapter 364,080 wordsPublic domain

Dit zeggende hief hij zijn karabijn omhoog. De hoofdman was niet in staat zijn angst te verbergen; hij maakte een snelle beweging met de hand, en antwoordde: "Old Shatterhand vergist zich: ieder uwer zal slechts één tegenstander hebben, met wien hij den kampstrijd voert, en de overwinnaar zal het recht hebben om den overwonnene te dooden."

"Dat is billijk en rechtvaardig. Maar wie zal het recht hebben om onze tegenstanders te kiezen, wij of gij?"

"Wij natuurlijk. Ik zal een oproeping doen, dan kunnen er zich vrijwilligers voor aanmelden."

"En hoe of met welke wapenen zal er gekampt worden?"

"Dat zal de kampioen, die zich aanmeldt, zelf bepalen."

"O zoo! Dus wij zullen volstrekt geen keus hebben?"

"Neen."

"Dat is onbillijk."

"Volstrekt niet. Het is zoo billijk als het maar behoeft. Gij moet in aanmerking nemen, dat wij het voordeel aan onze zijde hebben, en dat wij dus ook een voordeel verlangen kunnen."

"Het voordeel aan uw zijde? Hoe bedoelt gij dat?"

"Wel, zoo velen tegen vier!"

"_Pshaw!_ Wat beteekenen al uw wapenen tegen mijn Geweer des Doods? Alleen hij, die bang is, verlangt dat zijn tegenstander hem iets zal voorgeven."

"Die bang is?" vroeg de Groote Wolf met vlammen-schietende oogen. "Wilt gij mij beleedigen? Wilt gij bijgeval te kennen geven, dat _wij_ bang zijn?"

"Wat ik zeg, doelt niet op u; ik spreek in het algemeen. Als een slecht looper moet harddraven tegen een goed looper, krijgt hij gemeenlijk een zekeren afstand voor. Daar gij ons in het nadeel stelt, geeft gij mij daardoor het recht om het er voor te houden, dat gij ons voor betere krijgslieden houdt dan gij zelf zijt. En zoo iets zou ik, als ik hoofdman van de Utahs was, niet doen."

De Groote Wolf keek een heele poos voor zich op den grond. Hij kon den jager geen ongelijk geven, maar gelijk geven wilde hij hem ook niet. Daarom zei hij eindelijk: "Wij hebben reeds zooveel inschikkelijkheid met u gebruikt, dat gij niet nog meer van ons verlangen kunt. Of wij bang voor u zijn zult gij bij den wedkamp wel gewaarworden."

"Goed! Maar ik verlang eerlijke voorwaarden."

"Hoe bedoelt gij dat?"

"Gij zegt dat de overwinnaar het recht zal hebben, den overwonnene te dooden. Gesteld nu, dat ik een van uw krijgslieden overwin en dood, kan ik dan vrij en veilig deze plaats verlaten?"

"Ja."

"Dus zal niemand mij dan iets doen?"

"Neen; maar gij zult niet overwinnen. Niemand van uw vieren zal overwinnen!"

"Ik begrijp u. Gij zult uw keus onder de uwen zóó doen, en den aard van den kampstrijd zóó bepalen, dat wij het onderspit moeten delven. Maar reken daar niet al te vast op. Het is best mogelijk, dat het anders uitvalt dan gij denkt."

"Hoe het uit zal vallen weet ik zóó precies, dat ik zelfs nog een voorwaarde zal stellen, namelijk deze: dat de overwinnaar eigenaar zal worden van alles, wat de overwonnene bezeten heeft."

"Die voorwaarde is hoognoodig; want zonder dat zou waarschijnlijk niemand der uwen trek hebben, om den strijd met ons aan te binden."

"Word niet te stekelig, pas op!" snauwde de hoofdman hem driftig toe. "Gij hebt eenvoudig te zeggen of gij mijn voorwaarden aanneemt, ja of neen."

"En als wij dat nu eens niet doen?"

"Dan schendt gij uw belofte; want gij hebt gezegd, dat gij er niet aan denken zult u te verzetten."

"Mijn belofte zal ik houden; maar ik wil uw woord hebben, dat elk onzer, die als overwinnaar uit den strijd komt, door u beschouwd en behandeld zal worden als vriend."

"Dat beloof ik u!"

"Laat ons dan de vredespijp daarop rooken!"

"Gelooft gij mij dan niet?" riep de Groote Wolf.

Old Shatterhand begreep, dat hij zijn streng niet al te strak moest houden, als hij geen gevaar wilde loopen, de reeds verkregen gunstige bepalingen weer te verliezen. Daarom verklaarde hij: "Kom aan, ik geloof u op uw woord. Roep nu de vrijwilligers voor den kampstrijd maar op!"

Nu ontstond er een groote beweging onder de Indianen; zij liepen en drongen vragende en schreeuwende door elkander. Old Shatterhand zei tegen zijn metgezellen: "Ik heb mijn streng, tot mijn leedwezen, niet al te strak durven houden; want ik was bang dat die zou breken. Ik ben met de bedongen voorwaarden allesbehalve in mijn schik."

"Wij moeten er tevreden mee zijn, aangezien er geen betere te bedingen waren," zei de lange Davy.

"Wat mij zelf aangaat, maak ik mij volstrekt niet ongerust. De Roodhuiden zijn zoo bang voor mij, dat ik benieuwd ben of er wel één zal opkomen om met mij aan te binden."

"O, zeer zeker."

"Wie dan?"

"De Groote Wolf zelf. Daar zich geen ander zal aanmelden, dient hij de eer van zijn stam op te houden. Hij is een reusachtige kerel, een echte olifant."

"Bah! Ik ben niet bang voor hem. Maar voor u zal hij de gevaarlijkste tegenstanders kiezen, en voor ieder onzer den aard van den kampstrijd zóó bepalen, dat hij vooruit bijna zeker is van onze minderheid. Zoo zal hij zich, bij voorbeeld, wel wachten, met mij een vuistgevecht te kiezen."

"Wij zullen het maar afwachten," zei Jemmy. "Al maken wij ons nòg zoo ongerust, dat helpt ons niet. Wij zullen de spieren maar stevig en de oogen maar open houden."

"En het hoofd op de rechte plaats," voegde Hobble-Frank er bij. "Wat mij aangaat, ik ben zoo kalm als een mijlpaal aan een straatweg. Ik weet zelf niet hoe het komt, maar het is wezenlijk de waarheid, ik voel mij niets bang, hoegenaamd niets. Die Utahs zullen vandaag een Saksischen Moritzburger leeren kennen. Ik zal mij zóó weren, dat de vonken heel tot Groenland spatten."

Nu begon de orde zich onder de Roodhuiden te herstellen. De kring werd weer gevormd, en de Groote Wolf liet drie krijgslieden voor het front komen, die hij voorstelde als de zich aangeboden hebbende vrijwilligers.

"Wijs nu dan de paren maar aan," verzocht Old Shatterhand.

De hoofdman schoof den eerste naar langen Davy toe, en zei: "Hier staat Pagoe-angara (= de roode visch), die met dit bleekgezicht om zijn leven wil zwemmen."

De keus was voor de Roodhuiden goed getroffen. Men kon het den langen, skeletachtig uitgedroogden Davy aanzien, dat het water volstrekt zijn element niet was. De Roodhuid daarentegen was een kerel met ronde heupen, een breede, goed in het vleesch zittende borst, en forsch gespierde armen en beenen. Hij was stellig de beste zwemmer van den ganschen stam. Had men dat niet reeds kunnen raden door den naam, dien hij droeg, dan zou men het hebben kunnen begrijpen uit den blik vol minachting, die hij op Davy wierp.

Toen nam de hoofdman een langen kerel, breed van schouders en wiens spieren als dunne worstjes zichtbaar op zijn armen en beenen waren, plaatste hem voor den kleinen, dikken, Jemmy, en zei: "Dit hier is Namboh-awaat (= de groote voet), die zal met dit dikke bleekgezicht worstelen. Zij zullen rug aan rug worden gebonden. Ieder krijgt een mes in de rechterhand, en wie den ander het eerst op den grond krijgt, mag hem doodsteken."

De Groote Voet droeg zijn naam met het volste recht. Hij had ontzaglijk groote en breede voeten, waarop hij stellig zóó vast stond, dat er aan hem geen verwikken of verwegen zou zijn, zoodat de kleine dikke Jemmy geen heel plezierig vooruitzicht had.

Nu stond daar de derde nog, een beenderige kerel, bijna vier el lang, ijl en smal maar met een hooggewelfde borst en eeuwig lange armen en beenen. Dezen plaatste de hoofdman voor Hobble-Frank, en zei: "Hier is To-ok-tey (= het springende hert), die bereid is, om met dit bleekgezicht om het leven te harddraven."

Arme Hobble-Frank! Als dat Springende Hert met zijn zevenmijlsbeenen twee voetstappen deed, moest de kleine er minstens tien doen! Ja, de Roodhuiden waren wel bedacht geweest op hun voordeel!

"En wie is mijn tegenstander?" vroeg Old Shatterhand.

"Ik!" antwoordde de Groote Wolf op hooghartigen toon, terwijl hij zijn giganten-gestalte met fierheid oprichtte. "Gij hebt zeker gedacht, dat wij bang voor u waren; ik zal u laten zien, dat gij u daarin vergist hebt."

"Dat doet mij genoegen," antwoordde de blanke vriendelijk. "Ik heb tot nu toe altijd mijn tegenstanders onder de hoofdmannen gezocht."

"Gij zult het onderspit delven."

"Old Shatterhand wordt nooit overwonnen."

"En Owoets-awaat ook niet! Geen mensch ter wereld kan vertellen, dat hij mij overwonnen heeft!"

"Dat zal _ik_ vandaag reeds vertellen."

"En zal _ik_ meester van uw leven zijn."

"Laat ons niet langer vechten met woorden, maar met het geweer!"

Old Shatterhand zei dit op ietwat spottenden toon. Hij wist zeer goed, dat de hoofdman daar geen ooren naar hebben zou. En werkelijk antwoordde deze schielijk: "Ik heb niets met uw Geweer van den Dood te maken. Tusschen ons zal het mes en de tomahawk beslissen."

"Ook dat vind ik goed."

"Dan zult gij zeer spoedig een lijk zijn, en dan wordt al wat van u is dus ook uw paard, mijn eigendom."

"Ik geloof, dat mijn paard u de keel afbijt; maar het toovergeweer heeft nog veel grootere waarde. Wat zult gij daarmee aanvangen?"

"Dat wil ik niet hebben, en een ander heeft er ook geen begeerte naar. Het is te gevaarlijk; want wie het aanraakt, schiet er zijn beste vrienden mee dood. Wij zullen het in den grond begraven, dan kan het daar verroesten en verrotten."

"Dan mag hij, die het begraven moet, wel zeer voorzichtig zijn, want anders zal hij ramp en rouw over den ganschen stam der Yampa-Utahs brengen. Maar nu moest gij mij eens zeggen in welke volgorde de verschillende wedkampen zullen plaats hebben."

"Het eerst zal er gezwommen worden. Maar ik weet, dat de christenen gaarne vóór hun dood geheimzinnige gebruiken volgen. Ik zal ulieden daartoe een tijdruimte geven, die de bleekgezichten een uur noemen."

De Roodhuiden hadden den kring om de blanken heen weer gesloten, om allen goed te kunnen zien hoe verschrikt de bleekgezichten zouden kijken, als zij hoorden met welke tegenstanders zij te doen zouden krijgen. Maar van schrik en ontsteltenis hadden zij hoegenaamd niets bespeurd, en daarom gingen zij nu weer uit elkander. Zij schenen zich nu volstrekt niet meer om de jagers te bekommeren; maar toch wisten dezen zeer goed, dat er scherp het oog op hen gehouden werd. Zij zaten bij elkander en spraken over de kansen, die hun voor de deur stonden. Voor langen Davy was het gevaar het dichtst ophanden, daar hij de eerste was, die den kampstrijd beginnen moest. Hij zette wel geen radeloos, maar toch een zeer ernstig gezicht.

"De Roode Visch!" mompelde hij. "Dien naam hebben ze natuurlijk aan den schobbejak gegeven, omdat hij een baas in het zwemmen is."

"En gij?" vroeg Old Shatterhand. "Ik heb u wel eens zien zwemmen, maar niet anders dan bij het baden of bij het oversteken van een rivier. Hoe is het met uw knapheid gesteld?"

"Niet al te best."

"O wee!"

"Ja, o wee! Het is mijn schuld niet, dat mijn lichaam slechts uit zware bonken en schonken bestaat. Ik geloof, dat mijn beenderen veel zwaarder zijn dan die van een gewoon menschenkind."

"Dus, wat de snelheid betreft, is het mis. Maar hoe is het met den duur van uw weerstandsvermogen? Kunt gij lang vermoeienissen uithouden?"

"Uithouden? Dat is mij niets waard, dat kan ik zoolang als gij maar wilt. Aan krachten mankeert het mij niet; maar aan het vooruitkomen hapert het. Ik zal er mijn scalp wel bij inschieten."

"Dat is nog zoo zeker niet te zeggen. Ik geef de hoop nog niet op. Hebt gij wel eens op uw rug gezwommen?"

"Ja; en dan schijnt het iets beter te gaan."

"Juist! Men heeft de ervaring opgedaan, dat magere en ongeoefende menschen op den rug beter zwemmen dan op den buik. Ga dus op uw rug liggen, met uw hoofd goed laag en met de beenen hoog; slaat zeer regelmatig en druk met de voeten; en als gij adem moet halen, houd dan de handen onder den rug."

"_Well!_ Maar het zal mij niet helpen; die Roode Visch zal mij het loodje wel laten leggen."

"Misschien ook niet, als ten minste mijn list mij gelukt."

"Welke list?"

"Gij moet met den stroom meezwemmen en hij tegen den stroom in."

"Ja, als dàt kon! Maar is er dan een strooming?"

"Ik denk ja. Als dat het geval niet is, zijt gij bepaald verloren."

"Wij weten niet eens _waar_ gezwommen moet worden."

"Natuurlijk daarboven in het meer, dat eigenlijk slechts een vijver is. Hij is langwerpig rond, vijfhonderd passen lang en driehonderd passen breed, naar ik gis, hier vandaan begroot. Het bergwater stort zich met een groot verval er in, en wel, naar het schijnt, op den linker-oever aan. Dat geeft dus een strooming, die langs dien oever loopt, drie vierden der lengte van het meer tot aan de uitwatering. Laat mij maar eens begaan. Als het eenigszins mogelijk is, zal ik het daarheen leiden, dat gij met die strooming uw tegenstander slaat."

"Dat zou een uitkomst zijn, sir! En gesteld eens, dat het mij gelukt, moet ik dan den kerel overhoopsteken?"

"Hebt gij daar trek in?"

"Hij zou mij stellig niet sparen, al ware het louter om het luttele beetje goed, dat ik bezit."

"Dat stem ik u toe. Maar behalve de overweging dat wij Christenen zijn, is het bepaald in ons eigen belang als wij zachtmoedigheid betrachten."

"Goed! Maar wat zult gij doen, als hij mij overwint, en met zijn mes op mij afkomt? Ik mag immers geen tegenstand bieden?"

"In dat geval zal ik trachten te bewerken, dat er met dooden gewacht wordt, totdat alle vier de kampstrijden gestreden zijn."

"_Well_, dat is ten minste een troost zelfs in het allerergste geval, en nu ben ik gerust. Maar hoe staat het met Jemmy?"

"Niets beter," antwoordde de dikke. "Mijn tegenstander heet Groote Voet. Weet gij wat dat te beduiden heeft?"

"Nu?"

"Dat hij zoo vast op zijn voeten staat, dat geen mensch hem ten onderste boven kan krijgen. En dat moet ik nu probeeren, ik, die twee hoofden kleiner ben dan hij. En spieren heeft de kerel als een nijlpaard. Wat is mijn beetje vet, daarbij vergeleken."

"Laat u maar niet bang maken, beste Jemmy!" troostte Old Shatterhand. "Ik heb hetzelfde tegen mij als gij. De hoofdman is vrij wat langer en breeder dan ik ben; maar het zal hem denkelijk wel haperen aan vlugheid; en ik zou haast durven wedden, dat ik meer spierkracht heb, dan hij."

"Ja, uw spierkracht is verbazend. Maar ik tegen den Grooten Voet! Ik zal mij natuurlijk verweren zoolang als ik kan, maar het eindje is toch dat ik bezwijken zal. Had ik ook maar zulk een strooming! Wist ik ook maar zulk een list te bedenken."

"Dat behoeft niet!" viel Hobble-Frank hem in de rede. "Die list ligt voor de hand. Als _ik_ het met dien platvoeter moest uitvechten, zou ik mij volstrekt niet ongerust maken."

"Gij? En gij hebt minder kracht dan ik!"

"Naar het lichaam, ja, maar niet naar den geest. En met den geest moet men overwinnen. Vat ge mij?"

"Wat kan de geest mij helpen tegen zulk een Herkules?"

"Ziet gij wel, zoo zijt gij! Alles weet gij altijd beter dan ik; maar nu het leven er mee gemoeid is, en als een extraatje nog scalpeeren daarbij komt, nu zit gij daar als een vlieg in een melkkan. Gij spartelt met handen en voeten, maar gij komt er niet uit."

"Welnu, kom er mee op de proppen als gij een goeden inval hebt."

"Inval! Wat is dat nu weer voor mallepraat! Ik heb geen inval noodig; ik ben zonder invallen geestig genoeg. Denk u nu eens goed uw toestand in! Gij gaat beiden tegen elkander staan, rug aan rug, en men bindt u over den buik aan elkander vast, juist als het mooie sterrenbeeld van de Siameesche Tweelingen in den Melkweg. Ieder krijgt een mes in de hand, en dan gaat het ruitergevecht aan den gang. Wie zijn tegenstander onder de knie krijgt, is overwinnaar. Maar hoe kan men in zulk een toestand de tegenpartij onder de knie krijgen? Alleenlijk door te maken dat zijn voeten geen steunpunt meer hebben, en dat doel kan men bereiken door hem van achteren tegen zijn kuiten te schoppen, of een been om het zijne te slaan, en dat weg te trekken. Heb ik gelijk of niet?"

"Ja. Maar verder."

"Zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet, en er is ook volstrekt geen haast bij. Gelukt het experiment, dan tuimelt de tegenstander op zijn neus en men komt op hem te liggen, maar jammer genoeg met den rug op zijn rug, waarbij men het Europeesche evenwicht zeer licht zelf kan verliezen. Eigenlijk moesten de twee zoo aan elkander gebonden worden, dat ze elkaar in het gezicht konden kijken. Of de Roodhuiden, door de tegenovergestelde staatkundige richting te volgen, een list in hun schild voeren, heb ik nog niet kunnen doorzien; maar zooveel weet ik zeker, dat hun list, indien er een achter schuilt, niet anders kan strekken dan tot uw voordeel."

"Hoe zoo dan? Maak het kort!" drong Jemmy.

"Hemeltje-lief! hoe kan een mensch zoo onverstandig iets zeggen; ik spreek immers pas een half uur! Maar luister nu! De Roodhuid zal u van achteren schoppen, om een beentje te lichten en u uw evenwicht te doen verliezen. Dat deert u volstrekt niet; want bij de confessable dikte van uw kuiten, voelt gij zijn schoppen pas veertien maanden later. Nu wacht gij een oogenblik af, dat hij weer schopt, en dus op slechts één been staat. Dan bukt gij met kracht en macht naar omlaag, tilt hem zoodoende op uw rug, snijdt gezwind het touw of den riem door, waarmee gij aan hem vastgebonden zijt, en met een snelle beweging van uw beide handen smijt gij hem over uw hoofd heen op den grond. Maar dan oogenblikkelijk boven op hem, hem bij de keel gepakt, en hem het mes op het hart gezet. Hebt gij mij begrepen, oude sneeuwzifter?"

Old Shatterhand gaf den kleine de hand, en zei: "Frank! gij zijt geen kwade kerel. Ik zou het waarlijk niet beter hebben kunnen uitdenken. Uw raad is uitstekend bedacht, en moet zonder mankeeren tot een goed einde leiden."

Over Frank's eerlijke gezicht gleed een glans van zelfvoldoening toen hij de hem aangeboden hand drukte, en daarbij zei: "Genoeg, genoeg, beste bovenmeester! Op iets, dat zoo eenvoudig als vanzelf spreekt, kan ik mij niet veel laten voorstaan. Mijn merieten en asters bloeien geheel ergens anders. Maar het is alweer een bewijs, dat een diamant door onverstandige menschen dikwijls voor een tegelsteen gehouden wordt. Daarom...."

"Kiezelsteen, niet tegelsteen!" viel Jemmy hem in de rede. "Lieve hemel! wat zou dat voor een diamant zijn, die de grootte van een tegelsteen had!"

"Wilt gij nu wel eens gauw stilzwijgen, oude, onverbeterlijke kibbelaar! Door de grootere scherpzinnigheid van mijn helder verstand, red ik u het leven; en uit dankbaarheid smijt gij mij uw ongeslepen tegelsteen naar het hoofd! Een knappe kerel, die zulke nukken heeft! Hebt gij wel eens een diamant gevonden?"

"Neen."

"Praat dan niet over dingen, waarvan gij geen verstand hebt."

"Hebt gij er dan een gevonden?"

"Ja. De glazenmaker in Moritzburg had den zijnen verloren, en ik vond hem op straat liggen en raapte hem op. Ik was destijds nog jong, en kreeg voor mijn eerlijkheid een geschenk, dat een groote waarde in mijn oogen had. De glazenmaker, namelijk, deed tevens een winkel van zoowat allerlei, en gaf mij een aarden pijpje van twee cent en een half pakje krultabak van drie. Dat is mij altijd onvergetelijk bijgebleven, en gij ziet dus, dat ik het recht heb om over diamanten mee te praten. Als gij niet ophoudt mij altijd en eeuwig te hakketeeren, zal het er warendig nog toe komen, dat ik u de vriendschap opzeg, en dan zult gij ondervinden hoe gij zonder mij door de wereld komt. Het is hier noch de plaats noch de tijd, om aanhoudend met elkander te haspelen; wij staan allen voor ons laatste levenslicht, en op ons rust de heilige verplichting om elkander met raad en daad bij te staan, in plaats van elkander den voet dwars te zetten. Als wij, eer wij een uur verder zijn, afgemaakt moeten worden, waarom zullen wij dan nu onze kostelijke gezondheid gaan benadeelen, en elkander door grofheden het leven vergallen. Mij dunkt, dat het nu eindelijk tijd wordt om ons verstand te gebruiken."

"Dat is zeer juist gedacht," merkte Old Shatterhand aan. "Wij hebben nu te denken aan de kampstrijden die ons te wachten staan. Jemmy zal er zich wel doorheen werken; ik zie aan zijn gezicht, dat zijn hart wel honderd pond lichter is geworden. Maar wat zult gij beginnen, beste Frank?"

"Beste Frank!" herhaalde de kleine. "Wat een heerlijke acoustiek ligt er in die woorden. Het is toch werkelijk heel iets anders dan ordinair, als men met echt beschaafde menschen omgaat. Wat ik beginnen zal? Wel, harddraven! Wat zou ik anders doen?"

"Dat weet ik wel; maar gij zult achterblijven."

"Dat weet ik wel."

"Gij zult minstens drie voetstappen moeten doen, tegen dat hij er één doet."

"Dat is jammer genoeg."

"De groote vraag is maar, welken afstand gij te loopen zult hebben, en of gij het zult kunnen uithouden. Hoe is het met de ademhaling?"

"O, opperbest! Ik heb longen als een hommelbij. Ik gons en brom den ganschen dag, zonder dat het mij aan lucht ontbreekt. En loopen kan ik ook. Daar heb ik als koninklijk Saksisch onderkoddebeier bewijzen genoeg van gegeven."

"Maar tegen dien Indiaan met zijn lange beenen zult gij niet opgewassen zijn."

"Hum! Dat zullen wij zien."

"Ze noemen hem het Springende Hert; dus snelheid in het loopen, vlugheid ter been is zijn voornaamste eigenschap."

"Hoe ze hem noemen, daar lach ik om, als ik maar eer dan hij aan het eind van den rit kom."

"Ja maar, dat is juist wat gij niet zult kunnen."

"Oho! Waarom niet?"

"Dat zeg ik immers al, en gij hebt het beaamd. Kijk uw beenen eens bij de zijne!"

"O zoo, de beenen! Gij verbeeldt u dus, dat het op de beenen aankomt?"

"Natuurlijk! Waar zou het anders op aankomen bij een wedloop, waarbij het om dood en leven gaat?"

"Op de beenen ook een beetje, ja; maar die zijn toch op verre na de hoofdzaak niet. Verreweg het meest komt het op het hoofd aan."

"Daar loopt men toch niet mee!"

"Wel zeker loopt men er mee. Of denkt gij, dat ik mijn beenen alleen zal laten springen, en de rest van mijn corpus laat wachten tot zij terugkomen? Dat zou een gevaarlijke geschiedenis wezen. Als ze mij niet terugvonden, kon ik blijven zitten tot mij nieuwe gegroeid waren, en dat voorrecht hebben alleen de kreeften. Neen, neen, het hoofd moet mee, want daar hangt het voornamelijk van af."

"Ik begrijp u niet," zei Old Shatterhand, verwonderd over de bedaardheid van den kleine.

"Ik ook niet, ten minste nu nog niet. Op dit oogenblik weet ik slechts, dat één goede gedachte beter is, dan een honderdtal voetstappen of sprongen, die het doel voorbijstreven."

"Hebt gij dan zulk een gedachte?"

"Nog niet. Maar nadat ik aan Jemmy een goeden raad heb kunnen geven, verbeeld ik mij, dat ik toch mij zelf niet in den steek zal laten. Ik weet nu nog niet eens wáár geloopen zal moeten worden. Zoodra dat bepaald is, zal ik wel weten hoe de vork eigenlijk in den steel zit. Maak u over mij volstrekt maar niet ongerust! Een inwendige tenor-stem zegt mij, dat ik aan deze wereld vooreerst nog niet den rug zal toedraaien. Ik ben nog tot groote dingen geboren; en wereldhistorische persoonlijkheden sterven nooit, voordat zij hun taak volbracht en van de zachte genietingen der civilisatie hun bescheiden deel gehad hebben."

Nu kwam de Groote Wolf met de andere hoofdmannen de blanken roepen, om zich met hem naar het meer te begeven. Daar wemelde het reeds van menschen van allerlei leeftijd en van beiderlei geslacht, want daar zou de zwemwedstrijd plaats hebben.

Toen zij den oever bereikten, zag Old Shatterhand, dat zijn vermoeden juist was geweest; er ging een vrij sterke strooming. Het meer had de gedaante van een ellips. Boven, aan de eene smalle zijde stortte zich het bergwater in het meer, en stroomde eerst langs de linker lange zijde, en vervolgens langs de onderste smalle zijde op de uitwatering aan, welke zich op de rechter lange zijde en niet heel ver van de invloeiing af bevond. Die strooming volgde dus bijna drie vierden van den oeverzoom. Als Davy daar gebruik van kon maken, was hij misschien gered.