De schat in het Zilvermeer

Chapter 35

Chapter 353,976 wordsPublic domain

"Wel verduiveld! Dat zou wat moois wezen. Dat zou precies hetzelfde zijn als vermoordden zij ons op staanden voet, want zij zouden de voorwaarden zóó stellen, dat wij er het hachje bij moesten inschieten."

"Dat is zoo. Maar daarom behoeven wij den moed nog niet op te geven. De blanken hebben veel van de Roodhuiden geleerd. Wij bezitten evenveel list en vlugheid als zij, en wat taaiheid om lang veel te verduren betreft, zijn wij hen de baas. Dat weten wij allen bij ondervinding, en het zal ditmaal niet falen. Alles wel beschouwd, kom ik tot de slotsom, dat in een open gevecht drie blanken opwegen tegen vier Indianen, mits de wapenen en de lichaamskrachten gelijkstaan. Maar de krijgsmanstrots der Roodhuiden zal hun wel beletten een te groot aantal kampioenen tegenover ons te stellen. Mochten zij dat echter doen, dan zouden wij hen door spotternij dwingen om de kansen meer gelijk te maken."

"Maar," zei Hobble-Frank, die tot nu toe gezwegen had, "het vooruitzicht dat gij ons daar voorspiegelt, is allesbehalve bemoedigend. De kerels zullen ons de zaak natuurlijk zoo zuur maken als zij maar kunnen. Gij, met uw reuzenkracht en olifantssterkte, gij hebt goed praten; gij stoot u door alles heen; maar wij andere drie ongelukkige slampampers, wij zullen vandaag voor het laatst de genietingen van ons aardsche aanzijn genoten hebben."

"Genietingen? Bedoelt gij in de gedaante van gebraden Elandsvleesch?" vroeg Jemmy.

"Begint gij weer. Mij dunkt, dat onze toestand van dien aard is, dat gij wel mocht nalaten uw besten vriend en krijgsmakker het leven te verzuren zoo kort vóór zijn laatste hemelvaart. Versplinter toch mijn denkvermogen niet! Ik heb nu al mijn gedachten te scherpen op middelen, om ons te redden. Of denkt gij, dat het zeer edelmoedig en ook heldhaftig is, een aan het hippollogische gezicht gewijde mensch vier uur vóór zijn competenten dood met flauwe spotternijen het land op te jagen?"

"Hippocratisch gezicht bedoelt ge; hippologisch is heel wat anders," merkte Jemmy aan.

Maar nu werd de kleine zoo boos, dat hij uitriep: "Nu wordt het al te erg, nu loopt het de spuigaten uit. Uit vriendschap heb ik veel van u verdragen, maar nu is het met onze vriendschap gedaan! Uw koude temperament zal nooit meer gekoesterd worden door de warme zonnestralen van mijn geest. Addio, Jemmy, addio voor eeuwig. Op dit oogenblik verdwijnt uw planeet in den duisteren nacht der eeuwen. _Requiriescat in pänem_!"

Hij vlijde zich neer, en deed zijn oogen dicht. Uit een ander hoekje van de tent hoorde men een half onderdrukt gegichel: maar hij sloeg er geen acht op. Ook de andere twee zetten hun gesprek niet voort, en nu heerschte er een diepe stilte, die niet anders gestoord werd dan nu en dan door het geknapper van het vuur.

Langzamerhand ontfermde zich de slaap over de vermoeide oogleden die zich niet weer openden, dan toen zich daarbuiten een luid geroep deed hooren, en de deurmat van de tent opengemaakt werd. Een Roodhuid keek naar binnen, en zei: "De bleekgezichten kunnen opstaan en met mij medegaan."

Zij stonden op, namen hun wapenen, en volgden hem.

Voor en tusschen de hutten en tenten stonden of bewogen zich roode gestalten, die zich in vollen krijgstooi gedost hadden, om het feestelijk ter dood brengen bij te wonen van de twee moordenaars. Zij traden wellevend ter zijde, toen de vier blanken voorbijgeleid werden, wier gestalten zij opnamen met oogen, waaruit eer nieuwsgierigheid sprak, dan bepaald vijandige gezindheid.

"Wat scheelt dat volkje?" vroeg Frank. "Zij staan mij aan te gapen, zooals men een paard bekijkt dat men koopen wil."

"Zij nemen onzen lichaamsbouw eens op," antwoordde Old Shatterhand. "Dat is mij een teeken, dat mijn vermoeden juist is geweest. Wat waarschijnlijk ons lot zal wezen, is hun reeds bekend. Wij zullen om ons leven moeten wedstrijden."

"Goed! Het mijne zullen zij niet heel goedkoop krijgen. Hoe denkt gij er over, Jemmy? Zijt gij bang?"

Zijn verbolgenheid op den dikke was reeds geheel over. Aan zijn vraag kon men duidelijk hooren, dat hij meer aan zijn vriend dan aan zich zelf dacht.

"Bang ben ik niet, maar wel een beetje ongerust, zooals heel natuurlijk is. Bangheid zou ons niet anders dan kwaad kunnen doen. Het is nu zaak voor ons, kalm en bedaard te blijven."

Buiten de legerplaats waren twee palen in den grond geheid; dicht daarbij stonden vijf met vederen getooide krijgslieden; een hunner was de Groote Wolf. Hij kwam eenige schreden naar de blanken toe, en zei: "Ik heb de bleekgezichten laten halen, om hun eens te laten zien hoe de roode krijgslieden hun vijanden straffen. Men zal dadelijk de moordenaars hier brengen, om hen aan den paal te doen sterven."

"Wij zouden dat liever niet willen zien," antwoordde Old Shatterhand.

"Zijt gijlieden dan lafhartigen, die bang zijn om het stroomende bloed te zien? In dat geval moeten wij u als zoodanig behandelen, en behoeven wij ons niet aan mijn belofte te houden."

"Wij zijn christenen. Wij dooden onze vijanden, als wij daartoe genoodzaakt zijn; maar wij martelen hen niet."

"Gij zijt nu bij ons, en hebt u naar onze gebruiken te voegen. Wilt gij dat niet doen, dan beleedigt gij ons, en wordt daarvoor met den dood gestraft."

Old Shatterhand wist, dat de hoofdman in vollen ernst sprak, en dat hij zich zelf en de drie anderen aan het grootste gevaar zou blootstellen, indien hij weigerde de terdoodbrenging bij te wonen. Daarom verklaarde hij met tegenzin: "Welnu, wij zullen blijven."

"Zet u dan bij ons neder! Als gij u naar onze gebruiken schikt, zal u een _eervolle_ dood beschoren zijn."

Hij nam plaats in het gras, met zijn gezicht naar de palen gekeerd. De andere hoofdmannen deden insgelijks, en de blanken waren gedwongen hun voorbeeld te volgen. Toen liet de Groote Wolf een heinde en verre weergalmenden roep hooren, die met een algemeen triomfgehuil beantwoord werd. Dat was het sein, dat het walgingwekkende schouwspel zou aanvangen.

De krijgslieden kwamen dichterbij, en vormden een halven cirkel om de palen heen, waarin de hoofdmannen met de blanken zaten. Toen kwamen ook de vrouwen en de kinderen; en die schaarden zich in den vorm van een boog tegenover de mannen, zoodat de cirkel gesloten was.

Nu bracht men Knox en Hilton, die zoo zwaar geboeid waren, dat zij niet loopen konden, maar telkens een eindje weegs gedragen moesten worden. De riemen sneden zoo diep in hun vleesch, dat Hilton er van kermde. Knox was stil; hij lag in een zware wondkoorts, en had pas zooeven opgehouden te ijlen. Hij zag er letterlijk schrikwekkend uit. Beiden werden recht overeind aan de palen vastgebonden, en wel met natte riemen, die, als zij droog werden, zoo moesten krimpen, dat de slachtoffers van een wreede gerechtigheid alleen daardoor reeds de gruwzaamste pijnen zouden lijden.

De oogen van Knox waren dicht, en zijn hoofd hing zwaar op zijn borst neer; hij had zijn bewustzijn verloren, en wist niet wat er met hem voorviel. Hilton liet zijn angstige oogen rondgaan. Toen hij de vier jagers gewaarwerd, riep hij hun toe: "Redt mij, messieurs! redt mij! Gij zijt immers geen Heidenen. Gij kunt toch niet hier gekomen zijn, om ons zulk een verschrikkelijken dood te zien sterven, en u te vergasten aan de folteringen, die ze ons zullen aandoen?"

"Neen," antwoordde Old Shatterhand; "wij zijn zelf gedwongen hier, en kunnen niets voor u doen!"

"Ja, ja, dat kunt gij wel, dat kunt gij wel, als gij maar wilt. De Roodhuiden zullen wel naar u luisteren."

"Neen. Al wat gij te lijden hebt is uw eigen schuld. Wie den moed heeft euveldaden te doen, moet ook den moed hebben om de straf er voor te dragen."

"Ik ben onschuldig. Ik heb geen Indiaan doodgeschoten. Dat heeft Knox gedaan!"

"Lieg niet! Het is een schaamtelooze lafhartigheid, de schuld op hem alleen te willen schuiven. Voel liever berouw over alles, wat gij misdreven hebt, opdat het u vergeven moge worden in de wereld hiernamaals!"

"Maar ik wil niet sterven; ik kan niet sterven! Help, help, help!"

Hij brulde zoo hard, dat het weergalmde over de gansche vlakte, en wrong daarbij zoo geweldig in zijn boeien, dat het bloed uit zijn vleesch spoot. Toen stond de Groote Wolf op, en gaf met de hand een teeken, dat hij spreken wilde. Aller oogen waren dadelijk op hem gevestigd. Hij verhaalde op de korte, krachtige en toch hoogdravende manier van een Indiaanschen improvisator, wat er gebeurd was, en schilderde het verraderlijke gedrag der bleekgezichten, met wie men in vrede had geleefd, en die men door niets had beleedigd; hij deed dat met zooveel vuur en in bewoordingen, die een zoo diepen indruk op de Roodhuiden maakten, dat zij met hun wapenen begonnen te rammelen en kletteren. Daarop verklaarde hij, dat de twee moordenaars veroordeeld waren om aan den martelpaal te sterven, en dat de terechtstelling een aanvang zou nemen. Toen hij geëindigd en weer plaats genomen had, verhief Hilton andermaal zijn stem, ten einde Old Shatterhand te bewegen een goed woord voor hem te doen.

"Nu, ik zal het probeeren," zei deze. "Van den dood zal ik u niet kunnen redden; maar misschien verkrijg ik wel, dat zij de marteling wat spoediger ten einde brengen."

Hij wendde zich tot den hoofdman, doch eer hij nog den mond geopend had om te spreken, snauwde de Groote Wolf hem op een toon van verbolgenheid toe: "Gij weet, dat ik de taal der bleekgezichten spreek, en dat ik dus heb kunnen verstaan wat gij dien hond daar beloofd hebt. Is het niet genoeg, dat ik voor u zulk een gunstige uitzondering gemaakt heb? Wilt gij tegen ons vonnis spreken, en onze krijgslieden daardoor zoo in toorn doen ontsteken, dat ik u niet meer beveiligen kan voor hun woede? Zwijg dus, en spreek geen woord! Mij dunkt, dat gij genoeg over u zelf te denken hebt, en dat gij u waarlijk niet over anderen behoeft te bekommeren. Als gij partij voor die twee moordenaars trekt, stelt gij u met hen gelijk, en zult gij hetzelfde lot als zij ondergaan."

"Mijn godsdienst gebiedt mij een goed woord voor hen te doen." Dit was de eenige verontschuldiging, die de blanke zich durfde veroorloven.

"Naar welken godsdienst hebben wij ons hier te regelen, naar den uwen of den onzen? Heeft uw godsdienst aan die honden geboden, ons in diepen vrede te overvallen, onze paarden te rooven en onze krijgslieden te dooden? Neen! Dus moet uw godsdienst ook geen invloed uitoefenen op de straf, die de daders ondergaan zullen."

Hij keerde zich om, en gaf een teeken met de hand, waarop wel een dozijn krijgslieden te voorschijn traden. Daarop wendde hij zich nog eens tot Old Shatterhand, en zei: "Dit zijn de bloedverwanten van hen, die door de bleekgezichten vermoord zijn. Aan hen komt het recht toe, de strafoefening te beginnen."

"Waarin bestaat die?" vroeg de jager.

"In verschillende martelingen. Het eerst wordt er met messen naar hen geworpen."

Als bij de Roodhuiden een vijand aan den martelpaal moet sterven, zoeken zij de folteringen zoo lang mogelijk te rekken. De verwondingen, die hem toegebracht worden, zijn aanvankelijk niet zeer erg, maar worden van lieverlede zwaarder. Gewoonlijk begint men met het messenwerpen, waarbij zoo te werk wordt gegaan, dat achtereenvolgend de verschillende ledematen en lichaamsdeelen worden genoemd, die geraakt moeten worden of waarin de messen moeten blijven zitten. Men regelt die opsomming zoo, dat er niet veel bloed vergoten wordt, opdat de gemartelde niet ontijdig aan bloedverlies zou bezwijken.

"Den rechterduim!" gebood de Groote Wolf.

De armen der gevangenen waren zoo gebonden, dat de handen vrij hingen. De voor het front getreden Roodhuiden splitsten zich in twee groepjes, het eene was voor Hilton, het andere voor Knox. Zij namen een afstand van twaalf passen, en stonden achter elkander. De voorste nam zijn mes in de opgeheven rechterhand, tusschen de eerste drie vingers, mikte, wierp, en raakte den duim. Hilton stiet een gil van pijn uit. Knox werd ook geraakt, doch verkeerde in zulk een staat van bewusteloosheid, dat hij er niet eens door bijkwam.

"Den wijsvinger!" gebood de hoofdman.

Op die manier ging hij voort, telkens den vinger noemende die geraakt moest worden. Had Hilton den eersten keer een enkelen gil gegeven, nu brulde hij zonder ophouden door. Knox kwam pas tot bewustzijn, toen zijn linkerhand tot mikpunt werd gekozen. Hij staarde als wezenloos om zich heen, deed toen zijn met bloed onderloopen oogen weer dicht, en hief toen een niets naar het geluid van een mensch gelijkend gehuil aan. Hij had gezien wat men met hem voorhad; de koorts greep hem weer aan, en koortsijling en doods-angst beide deden hem geluiden voortbrengen, waartoe voorzeker niemand de menschelijke stem in staat zou achten.

Onder het onafgebroken gebrul van die twee werd de straf-oefening voortgezet. De messen troffen het bovengedeelte der handen, de handgewrichten, de spieren van den onder-arm, en dezelfde volgorde werd ook bij de beenen gevolgd. Dat alles duurde ongeveer een kwartier, en was het spelende begin van de marteling, die urenlang achtereen duren zou. Old Shatterhand en zijn drie metgezellen hadden het hoofd ter zijde gewend. Het was hen niet mogelijk, dat schouwspel met hun oogen te blijven volgen. Maar het gejammer en gekerm moesten zij blijven aanhooren.

Een Indiaan wordt van zijn prilste jeugd af in het verduren van lichamelijke pijnen geoefend. Daardoor brengt hij het zoo ver, dat hij de ergste pijnen kan uitstaan zonder te verblikken of verblozen. Misschien ook zijn de zenuwen der Roodhuiden minder gevoelig, dan die der blanken. Wanneer de Indiaan gevangen wordt en aan den martelpaal moet sterven, verduurt hij de ijselijkste folteringen met een lachend gezicht, zingt met luider stemme zijn lijkzang, en breekt dien slechts nu en dan af, om hen, die hem pijnigen, uit te schelden en uit te lachen. Een jammerende man aan den martelpaal is bij de Roodhuiden een onmogelijkheid. Wie over pijnen klaagt, wordt veracht, en hoe luider het klagen wordt, des te grooter wordt de verachting. Het is zelfs gebeurd, dat gemarteld wordende blanken, die sterven moesten, op vrije voeten gesteld werden, omdat zij door hun onmannelijk jammeren en weeklagen bewezen, dat zij lafhartige ellendelingen waren, die men niet behoefde te vreezen, zoodat het voor den overwinnaar een schande geweest zou zijn hen te dooden.

Men kan zich dus verbeelden welk een indruk het gelamenteer van Knox en Hilton maakte. De Roodhuiden wendden het hoofd af, en lieten uitroepen van ergernis en verachting hooren. Toen de bloedverwanten van de vermoorde Utahs hun hart aan de moordenaars opgehaald hadden, werden andere krijgers opgeroepen, om het werk der wrake met nieuwe pijnigingen voort te zetten; doch er was er niet één, die zich daartoe aanbood. Aan zulke honden, coyoten en padden wilde niemand zijn handen vuilmaken. Toen stond een der hoofdmannen op, en sprak: "Die twee ellendelingen zijn niet waard, dat een dapper krijgsman de hand tegen hen opheft; dat beseffen al mijn broeders. Wij zullen hen dus overlaten aan de vrouwen. Wie door de hand van een vrouw sterft, diens ziel neemt in de eeuwige jachtgronden de gedaante van een vrouw aan, en moet werken in alle eeuwigheid. Ik heb gezegd."

Dit voorstel werd na een korte beraadslaging aangenomen. De vrouwen en moeders der vermoorden werden opgeroepen; zij kregen messen, om er de ten doode gedoemden kleine sneetjes mede te geven, ook weer in de volgorde, die de Groote Wolf zou afroepen.

Een beschaafd Europeaan zal moeite hebben om te gelooven, dat een vrouw zich tot dergelijke wreedheden verlagen kan. Maar de Roodhuiden zijn eerstens nog niet beschaafd, en ten andere verbande de dorst naar wraak over de gepleegde moorden elke zachte gewaarwording. De vrouwen, voor verreweg het meerendeel bejaarde, begonnen het tweede gedeelte van de straf-oefening, en het gekerm en gebrul van de twee blanken begon van voren af aan en wel zoo dat het zelfs voor de ooren der Roodhuiden onuitstaanbaar werd. De Groote Wolf gebood stilte, en sprak: "Deze lafaards zijn niet eens waard, na hun dood vrouwen te zijn. Geen Roodhuid zal durven aanraden, hen op vrije voeten te stellen, want hun schuld is veel te groot; zij moeten sterven maar zij zullen de eeuwige jachtgronden betreden als coyoten, rusteloos nagejaagd en vervolgd. Ik stel voor hen over te geven aan de honden. Ik heb gezegd!"

Nu volgde er een beraadslaging, waarvan de uitslag door Old Shatterhand voorzien en met afgrijzen verwacht werd. Hij waagde het, een goed woord voor de twee gemartelden te doen, doch werd op zulk een krasse manier afgewezen, dat hij blijde mocht zijn er zóó van af te komen. Het besluit dat viel, was geheel in overeenstemming met het voorstel van den Grooten Wolf. Eenige Roodhuiden verwijderden zich, om de honden te halen. De hoofdman wendde zich tot de vier blanken, en zei: "De honden der Utahs zijn op de bleekgezichten gedresseerd; zij doen hen niets; alleen dan, wanneer zij er toe aangehitst worden, werpen zij zich op hen; maar dan verscheuren zij ook iederen blanke, die zich in de nabijheid bevindt. Ik zal u daarom wegbrengen, en in een tent laten bewaken, totdat de dieren weer vastgebonden zijn."

Op zijn bevel werden de vier naar een tent in de nabijheid gebracht, en daar door verscheiden Roodhuiden bewaakt. Het was hun alsof zij zelf bestemd waren om het lot te ondergaan, dat den beiden moordenaars wachtte. Den dood hadden die verdiend; maar bij levenden lijve door honden verscheurd te worden, dat was een ijzingwekkend uiteinde.

Daarbuiten heerschte wel tien minuten lang een stilte, welke slechts nu en dan werd afgebroken door het gejammer van Hilton, die zijn lot nog niet kende. Toen hoorde men een even hard, als verwoed geblaf, dat terstond in een bloeddorstig gehuil overging; twee luid-gillende menschenstemmen, die den vier blanken door merg en been gingen; en toen werd alles weer stil.

"Luister!" zei Jemmy. "Ik hoor beenderen kraken. Ik geloof, dat zij die twee door de honden laten opvreten."

"Het is mogelijk, maar ik geloof het niet," antwoordde Old Shatterhand. "Dat gij beenderen hoort kraken, is een spel van uw overspannen verbeelding. Ook de mijne is in een zeer opgewonden toestand. Wij mogen van geluk spreken, dat zij ons niet gedwongen hebben het barbaarsche schouwspel mee aan te zien."

Nu werden zij weer uit de tent gelaten, om naar de plaats der terechtstelling teruggebracht te worden. Een eind verder in de legerplaats zag men vier of vijf Roodhuiden loopen, die de honden aan stevige riemen hadden. Of die dieren het spoor der blanken rooken.... een der honden was bijna niet voort te krijgen; hij keek om, en kreeg de vier jagers in het oog; met een geweldigen ruk trok hij zich los, en holde op het viertal aan. Een algemeen gegil van schrik en ontzetting weerklonk. Die hond was zoo groot en sterk, dat geen mensch het voor mogelijk hield het dier in zijn bloeddorstige woede te stuiten. En toch wilde geen der Indianen er op schieten, omdat het een colossus was van zeer hooge waarde. Jemmy legde zijn geweer aan, en mikte.

"Niet schieten!" gebood Old Shatterhand. "De Roodhuiden zouden het ons zeer kwalijk nemen, als wij dien prachtigen hond doodschoten, en ik wil hun meteen eens laten zien wat de vuist van een blanken jager vermag."

Die woorden werden gejaagd uitgesproken. Overigens geschiedde alles veel sneller, dan het beschreven kan worden, want de hond had den ganschen afstand, met echte panter-sprongen, in tien à twaalf seconden afgelegd. Old Shatterhand trad hem met een vlugge beweging in den weg, zijn handen naar omlaag houdende.

"Gij zijt verloren!" riep de Groote Wolf hem toe.

"Wacht het af!" antwoordde de jager.

Nu was de hond daar. Hij had den met groote tanden gewapenden bek wijd opengesperd, en wierp zich met roofdierachtig gesnuif op zijn tegenstander. Deze hield zijn oogen strak op die van het dier gericht, en toen het een zetje nam om den beslissenden sprong te doen, en zich reeds in de lucht bevond, sprong hij met snel uitgespreide armen het beest te gemoet--een botsing van hond en mensch.--Old Shatterhand sloeg zijn armen om den nek van het dier, dat hem naar de keel was gesprongen, en drukte den kop van den hond zoo vast tegen zich aan, dat die niet bijten kon. Een nog steviger druk, en de hond kon geen adem meer halen; zijn spartelende achterbeenen vielen slap naar beneden. Met een vlugge beweging zijner linkerhand trok de jager den kop van zich af, gaf hem met zijn rechtervuist een slag op zijn snoet, en smeet hem toen op den grond.

"Daar ligt hij!" riep hij, zich omkeerende, den hoofdman toe. "Laat hem vastbinden opdat hij, als hij weer bijkomt, geen kwaad meer kan doen."

"Oef, oegh, oegh, oef!" klonk het van de lippen der verbaasde Roodhuiden. Dat zou niemand van hen gewaagd hebben; dat hadden zij bepaald voor onmogelijk gehouden. De Groote Wolf gaf bevel, om het dier weg te brengen, kwam naar Old Shatterhand toe, en zei op bewonderenden toon: "Mijn blanke broeder is een held! In plaats van zich door den bloedhond te laten omverwerpen en verscheuren, heeft hij het dier gegrepen en op den grond gesmeten. Geen Roodhuid had zoo vast op zijn beenen kunnen staan, en de borst van geen mensch ware tegen zulk een schok bestand geweest; van ieder ander waren de ribben ingedrukt. Maar waarom liet Old Shatterhand niet schieten?"

"Omdat ik u dat prachtige dier niet wilde laten verliezen."

"Welk een onvoorzichtigheid! Als het u nu eens verscheurd had."

"_Pshaw!_ Old Shatterhand laat zich niet verscheuren door een hond. Wat denken de krijgslieden der Utahs nu te doen?"

"Zij gaan nu over u beraadslagen, want de tijd daartoe is gekomen. Willen de bleekgezichten niet om medelijden verzoeken?"

"Medelijden? Zijt gij krankzinnig? Gij moest mij liever vragen of ik genegen ben om met u medelijden te hebben."

De hoofdman bracht hem, met een blik, die evenzeer verbazing als bewondering uitdrukte, ter zijde, waar de vier blanken buiten den kring der Roodhuiden konden gaan zitten, zonder dat zij er iets van de beraadslaging konden afluisteren.

Nu begon de beslissende vergadering, die geheel op Indiaansche manier gehouden werd. De eerste spreker was de Groote Wolf, die een lange rede hield; op hem volgden de hoofdmannen een voor een; de Groote Wolf nam andermaal het woord, na hem de andere vorige sprekers insgelijks; de gewone krijgslieden mochten het woord niet voeren, zij stonden eerbiedig luisterend in den kring. De Indiaan is van nature weinig spraakzaam: maar bij beraadslagingen spreekt hij gaarne en veel. Er zijn Roodhuiden, die als redenaar een groote vermaardheid verworven hebben.

De beraadslaging duurde ruim twee uur: een langen tijd voor hen, wier lot afhing van het daarin te nemen besluit. Eindelijk kondigde een algemeen met luider stemme geroepen "howgh" het einde van de vergadering aan. De blanken werden gehaald; zij werden midden in den kring geleid, om daar te vernemen wat over hen besloten was. De Groote Wolf stond van den grond op, om het hun aan te kondigen. "De vier bleekgezichten," sprak hij, "hebben reeds gehoord waarom wij de strijdbijlen hebben opgegraven; dat behoef ik dus niet te herhalen. Wij hebben gezworen dat wij alle blanken, die in onze handen vallen, zullen vermoorden en ik mocht met u lieden geen uitzondering maken. Gij zijt met mij herwaarts gekomen, opdat er over uw lot beslist zou worden, en gij hebt mij beloofd dat gij u tegen ons besluit niet zult verzetten. Wij weten dat gijlieden vrienden der roode mannen zijt, en daarom zult gij niet het lot deelen van de andere bleekgezichten, die wij gevangennemen. Die komen terstond aan den martelpaal maar gij zult om uw leven mogen kampen."

Hier maakte hij even een pauze, waarvan Old Shatterhand partij trok, om de vraag tot hem te richten: "Met wie? Wij met ons vieren tegen u allen? Goed, het is mij wel. Mijn Geweer van den Dood zal een zoodanige opruiming onder u houden, dat de eeuwige jachtgronden nog nooit door zulk een toevlucht van nieuwelingen tegelijk zijn bestormd."