De schat in het Zilvermeer

Chapter 34

Chapter 343,999 wordsPublic domain

"Val mij toch niet in de rede met uw onbekookte aanmerkingen," zei de kleine driftig. "Ik weet wat ik zeg. Er is geen vergrootglas toe noodig, om in te zien, dat onze beroemde Old Shatterhand daarbij nog een allerliefst achterdeurtje opengehouden heeft. Dat wij alles voor zoete koek zullen moeten opeten, wie heeft dat ooit op de viool hooren spelen? Er is gezworen, dat wij aan geen verzet zullen denken. Opperbest, dat zullen wij ook niet. De raad der oudsten kan over ons beslissen, al wat hij wil, verzetten zullen wij ons in geen geval. Maar tusschen verzet en list is een groot onderscheid. List, dat is de ware Jacob. Als de souffleur ons ter dood veroordeelt, verdwijnen wij eensklaps als in een afgrond, maar komen aan den anderen kant van het hof-theater weder op het tooneel met geconcentreerde grandifloria."

Bij die twee laatste woorden speelde er een ironiek lachje om de lippen van Jemmy, die alweer een kleine terechtwijzing op de tong had. Maar Old Shatterhand wenkte hem, om maar liever te zwegen, en zei toen: "Frank heeft mij goed begrepen. Tot verzet zullen wij onze toevlucht niet nemen, dat mogen wij niet; maar van list zullen wij ons kunnen bedienen, zonder onzen eed te schenden. Ik hoop echter, dat er nog wel iets anders op te vinden zal zijn, wanneer de nood werkelijk aan den man komt. Maar nu hebben wij ons voorloopig bezig te houden met het tegenwoordige oogenblik."

"En dan is allereerst de vraag," merkte Davy op, "of wij den Roodhuid kunnen vertrouwen. Zal de Groote Wolf zijn woord houden?"

"Zeer zeker. Nog nooit heeft een hoofdman den eed geschonden, waarbij hij de vredespijp gerookt had. Tot op het oogenblik der beraadslaging kunnen wij ons gerustelijk slapend aan de Utahs toevertrouwen. Laat ons van de rots afklauteren naar beneden en te paard stijgen. De Roodhuiden maken aanstalten om op te breken."

Knox en Hilton waren door de Indianen op hun paarden vastgebonden. Eerstgenoemde, die nog steeds volslagen bewusteloos was, lag overlangs op het paard, om welks hals men zijn armen had bevestigd. De Utahs verdwenen, de een voor en de andere na op het smalle pad. De hoofdman was de laatste: hij wachtte op de blanken, om zich bij hen aan te sluiten. Dat was een goed teeken; want het was juist het tegenovergestelde van de vijandige behandeling, die men verwacht had. De jagers hadden gedacht, dat zij hen in hun midden nemen en zeer streng bewaken zouden. Nu was echter aan te nemen, dat de Groote Wolf geen wantrouwen koesterde, maar aan de belofte van Old Shatterhand ten volle geloof hechtte.

Toen hij met hen het smalle Indianen-pad afgelegd had en aan den zoom van het bosch kwam, hadden de Roodhuiden hun paarden reeds onder de boomen vandaan gehaald, en stegen in den zadel. De stoet zette zich in beweging. De vier blanken bleven met den hoofdman achteraan.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

OP DOOD EN LEVEN

De Roodhuiden schenen grooten spoed te maken; zij reden meestal in vollen draf. Tegen den avond bereikte men de eerste uitloopers der bergen. De Roodhuiden sloegen een langwerpig smal zijdal in, aan beide kanten begrensd door bosch. Daarna ging het door verscheiden zulke zijdalen, aanhoudend berg-op; en in weerwil van de ingevallen duisternis vonden de Indianen hun weg zoo gemakkelijk, als ware het klaarlichte dag.

Later kwam de maan op, en verlichtte met haar matte schijnsel de dicht met boschgroei bedekte rotshellingen, tusschen welke de ruiters zich stil en statig voortbewogen. Eerst tegen middernacht scheen men in de nabijheid te komen van de plaats van bestemming; want de hoofdman gaf aan eenigen der zijnen bevel, om vooruit te rijden en de aankomst der krijgslieden aan te kondigen. Zwijgend gehoorzaamden die boodschappers aan dat bevel, en reden weg.

Vervolgens kwam men aan een stroomend water van tamelijke breedte, welks hooge oevers, die men volgde, aanhoudend breeder van elkander afweken, totdat men den oever aan de overzijde, in weerwil van het thans helder geworden maanlicht, bijna niet meer kon herkennen. Het bosch, dat aanvankelijk aan beide zijden bijna tot aan het water reikte, week later terug en opende een grazige savanne, op welke men in de verte de vuren zag branden.

"Oef!" liet de hoofdman nu voor het eerst gedurende den rit zijn stem hooren. "Daar liggen de tenten van mijn stam, en daar zal uw lot beslist worden."

"Vandaag nog?" vroeg Old Shatterhand.

"Neen. Mijn krijgslieden hebben rust noodig; en uw doodsstrijd zal langer duren en ons meer vermaak verschaffen, als gij eerst uit den slaap nieuwe krachten geput hebt."

"Dat klonk niet onakelig!" zei de dikke Jemmy in het Duitsch, om niet door de Roodhuiden verstaan te worden. "Onze doodsstrijd! Hij schijnt dus van idee, dat wij den martelpaal niet ontgaan kunnen. Wat zegt gij daarvan, oude Frank?"

"Vooreerst nog niemendal," antwoordde de kleine Saks. "Spreken zal ik eerst later, als de congressieve tijd daartoe gekomen is. Er sterft geen mensch vóór zijn tijd, en ik heb warendig geen trek, om een uitzondering op dien wereld-historischen regel te maken. Alleen wil ik daarbij voegen, dat ik op dit oogenblik nog volstrekt geen aanleg voel om te sterven. Wij dienen de zaak dus af te wachten. Maar als zij zich verbeelden, dat ik mij door brutaal geweld zoo ontijdig bij mijn voorvaderen zal laten verzamelen, dan ben ik van plan toch ook een woordje mee te spreken; en ik weet vooruit reeds zeker, dat er dan later op mijn grafgesteente een eindeloos geween en gejammer zal zijn van al de weduwen en weezen van hen, die ik voor mij uit naar de Elize geëxpediëerd heb."

"Bedoelt gij naar het Elyzee?" vroeg de dikke.

"Praat toch zoo onverstandig niet. Wij spreken immers Duitsch nu, en Elize is echt Germaansch. Ik ben een goed Christen, en met een heidensche Elyzee van de oude Romeinen wil ik niets te maken hebben. Het is toch wonderlijk, dat juist die menschen, die het minste verstand hebben, altijd doen als hadden zij de wijsheid in pacht! Maar het is altijd zoo geweest, en zal wel altijd zoo blijven; de leege vaten klinken het hardst."

Hij zou aan zijn ergernis over de ontvangen terechtwijzing waarschijnlijk nog verder lucht gegeven hebben, indien hij den tijd daartoe gehad had. Maar die tijd ontbrak hem, want het oogenblik van de ontvangst was daar. De bewoners van het dorp hadden zich opgemaakt, om de terugkeerende krijgslieden te begroeten. Zij kwamen hen in dichte drommen te gemoet; voorop de mannen en de jongens, daarachter de vrouwen en de meisjes, allen schreeuwende en brullende om het hardst, zoodat het klonk, alsof de gansche menigte uit louter wilde beesten bestond.

Old Shatterhand had verwacht een gewoon tentendorp te zullen vinden, maar moest erkennen, dat hij zich daarin deerlijk vergist had. Het groote aantal der vuren bewees hem, dat er vele, zeer vele krijgslieden meer aanwezig waren, dan de tenten konden herbergen. De bewoners van vele andere Utah-dorpen waren hier bijeengekomen, om over den wrekenden krijgstocht tegen de blanken te beraadslagen. De vooruitgezonden boodschappers hadden verteld, dat de hoofdman zes bleekgezichten meebracht, en de Roodhuiden gaven aan hun blijdschap daarover lucht op een wijze, waartoe slechts wilde volken in staat zijn. Zij zwaaiden met hun wapenen en schreeuwden zich letterlijk heesch, waarbij zij de verschrikkelijkste bedreigingen uitbraakten.

Toen men in de legerplaats aankwam, zag Old Shatterhand dat die bestond uit tenten van buffelhuiden, en uit inderhaast van boomtakken vervaardigde hutten--tenten en hutten een grooten cirkel vormende, in welks midden de stoet halt maakte. Hier werden de twee geboeiden van de paarden losgebonden en op den grond gesmeten. Het akelige gekerm van den gescalpeerden Knox ging geheel verloren in het jubelend gehuil der Roodhuiden. Toen werden ook de andere vier bij deze twee gebracht. De krijgslieden vormden een wijden kring om hen heen, en toen kwamen de vrouwen en meisjes in den kring, om met een oorverscheurend gezang om de blanken heen te dansen.

Dat was een der grootste beleedigingen, die men zich denken kan. Het is voor de gevangenen een verklaring, dat zij allen moed en alle eergevoel hebben verloren, wanneer de vrouwen een rondedans om hen heen komen doen. Wie zich dat laat welgevallen zonder verzet, wordt voor nog minder dan een hond gehouden. Men had de vier jagers tot nu toe in het bezit van hun wapenen gelaten. Old Shatterhand riep zijn metgezellen eenige woorden toe, waarop zij neerknielden en hun geweren aanlegden. Hij zelf schoot zijn berendooder af, waarvan de knal boven het gehuil uit klonk, en legde terstond daarop de karabijn aan zijn wang. Oogenblikkelijk werd alles doodstil.

"Wat is dat?" riep hij zoo luid, dat allen het hoorden. "Zijn wij gedwongen geweest, om met u mee te komen, of hebben wij dat vrijwillig gedaan? Hoe kunnen de roode mannen ons als gevangenen behandelen? Ik heb met den Grooten Wolf de pijp der beraadslaging gerookt, en ben met hem overeengekomen, dat de krijgslieden der Utahs met elkander beraadslagen zouden, of wij als vijanden, dan wel als vrienden behandeld moeten worden. Zelfs indien de Utahs ons als vijanden wilden beschouwen, zijn wij toch nog hun gevangenen niet. En zelfs indien wij gevangen waren, zouden wij nog niet dulden, dat men de vrouwen en de meisjes om ons heen liet dansen als om coyoten. Wij zijn slechts met ons vieren, en de mannen der Utahs zijn te tellen bij honderden; en toch vraag ik: wie uwer heeft het hart Old Shatterhand te beleedigen? Dat hij opkome om met mij te vechten, of ik zal hem voor een lafaard moeten houden. Neemt u in acht! Gij hebt mijn geweer gezien, en gij weet hoe het schiet. Zoodra de vrouwen het hart hebben, den dans der beleediging nog eens te beginnen, zullen wij onze geweren laten spreken, en deze plaats zal geverfd worden met het bloed van hen die trouweloos genoeg zijn, om de pijp der beraadslaging, die voor alle dappere roode krijgslieden heilig is, ten spot te maken!"

De indruk, dien deze woorden maakten, was groot. Dat de beroemde jager den moed had, tegenover zulk een overmacht met bedreigingen op te treden, daarin vonden de Roodhuiden niets onzinnigs; het imponeerde hen. Zij wisten, dat zijn woorden geen holle klanken waren, maar dat hij de man was om te doen wat hij dreigde. De vrouwen en meisjes trokken zich terug, zonder een bevel daartoe af te wachten. De mannen fluisterden elkander half hardop hun gedachten toe, waarbij de woorden "Old Shatterhand" en "Geweer des doods" duidelijk gehoord werden. Er traden eenige met veeren getooide krijgslieden op den Grooten Wolf aan, en spraken met hem, waarop hij naar de vier jagers kwam, die zich nog altijd in den cirkel bevonden; en in de taal der Utahs, waarvan ook Old Shatterhand zich bediend had, sprak hij: "De hoofdman der Yampa-Utahs is niet trouweloos; hij houdt den calumet der beraadslaging in eere, en weet wat hij beloofd heeft. Morgen, als het dag geworden is, zal over het lot der vier bleekgezichten beslist worden, en tot zoolang zullen zij in de tent blijven, die ik hun nu zal aanwijzen. De twee anderen echter zijn moordenaars, en hebben met mijn belofte niets te maken; zij zullen sterven, zooals zij geleefd hebben, druipende van bloed, Howgh! Is Old Shatterhand met mijn woorden tevreden?"

"Ja," antwoordde deze. "Maar ik verlang, dat onze paarden in de nabijheid van onze tent zullen blijven."

"Ook dat wil ik toestaan, ofschoon ik niet begrijp met welk inzicht Old Shatterhand dat verlangt. Denkt hij misschien, dat hij nog kans heeft om te ontkomen? Ik zeg hem, dat zijn tent omringd zal zijn door een drie-, vier-dubbel cordon van krijgslieden, zoodat hij onmogelijk ontkomen kan."

"Ik heb beloofd, dat ik den uitslag van uw beraadslaging zal afwachten; gij behoeft dus geen bewakers op post te zetten. Maar wilt gij dat toch doen, dan heb ik er niets tegen."

"Komt dan maar mee."

Toen het viertal nu den hoofdman volgde, schaarden de Indianen zich aan twee rijen; en toen Old Shatterhand daar tusschendoor liep, keken zij hem met een soort van eerbiedige schuchterheid aan. De tent, die aan de blanken werd aangewezen, was een der grootste. Verscheiden lansen staken aan weerszijden van den ingang in den grond, en de drie adelaarsveeren, waarmede het bovengedeelte prijkte, deden vermoeden, dat het eigenlijk de woning van den Grooten Wolf was.

De deur bestond uit een breede mat, die op dit oogenblik openhing. Hoogstens vijf schreden van daar brandde een vuur, waardoor het inwendige van de tent verlicht werd. De jagers traden binnen, legden hun geweren af, en gingen zitten. De hoofdman verwijderde zich; doch reeds spoedig kwamen verscheiden Roodhuiden, die zich op een betamelijken afstand zoo om de tent neervlijden, dat die van alle kanten ten scherpste bewaakt werd.

Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen, die twee voorwerpen voor de blanken neerzette, en zich toen, zonder een woord te zeggen, weer verwijderde. Het eene voorwerp was een oude pot met water, en het andere een groote ijzeren pan waarin verscheiden stukken vleesch lagen.

"Oho!" zei Hobble-Frank lachende. "Dat is vast ons avondeten. Een pot vol met water, dat is nobel. De kerels halen uit van avond. Wij moeten verbaasd staan over hun civilisatorische keuken-benoodigdheden. En buffelvleesch, minstens acht pond! Zij zullen het toch niet ingewreven hebben met rattenkruit?"

"Rattenkruit?" lachte de dikke. "Waar zouden de Utahs zulk spul vandaan halen? Overigens is het vleesch van een eland, en niet van een buffel."

"Weet gij het alweer beter dan ik? Ik kan toch maar doen of zeggen wat ik wil, gij hebt er altijd het een of het ander op aan te merken. Daar schijnt maar geen beterschap op. Doch ik wil vandaag niet met u redetwisten, maar u louter een geëxtemporeerden blik toewerpen, waaruit gij ontwaren kunt, hoe oneindig ik mijn persoonlijkheid verheven acht boven uw pigment-gestalte."

"Pygmeën-gestalte," verbeterde Jemmy.

"Wilt gij nu wel eens handig uw mond houden!" gebood de kleine. "Breng mijn gal niet in pneumatische beweging, maar bewijs mij de hoogachting, waarop ik door mijn buitengewonen levensloop met het volste recht aanspraak kan maken! Want enkel op die voorwaarde kan ik mij zoo populair maken; aan dat vleesch den zegen van mijn onbetwistbare kookkunstvaardigheid ten goede te laten komen."

"Ja, braad maar!" knikte Old Shatterhand, om aan de ergernis van den kleine een afleiding te geven.

"Dat is heel gemakkelijk gezeid. Maar hoe kom ik aan uien en aan laurierbladeren? Overigens weet ik nog niet, of ik met de pan wel de tent uit mag om aan het vuur te komen."

"Dat zult gij dienen te probeeren!"

"Ja, probeeren! Als de kerels het niet hebben willen, en ze zenden mij een kogel in de maagstreek, dan is het mij precies hetzelfde of dat vleesch van een eland of van een buffel gegroeid is. Maar bang ben ik niet zoolang mij de echte kloekmoedigheid maar bijblijft; _feni, fidi, fidzji_--ik ga er uit!"

Hij droeg de pan met het vleesch naar het vuur, en begon daar voor kok te spelen, zonder dat hij door de bewakers daarin verhinderd werd. De andere drie bleven in de tent zitten, en sloegen door de open deur de drukke bedrijvigheid van de Indianen gade.

De maan scheen nu zoo helder, alsof het daglicht was. Haar volle schijnsel viel op de steile plek van een nabij zijnden, met donkeren boschgroei bedekten berg, van welken een breede, glinsterende zilverstreep naar beneden kronkelde, een riviertje, of juister gezegd een snelstroomende beek, die zich beneden in een vrij groot, bijna een meer gelijkend waterbekken ontlastte. De uitwatering van dat bekken vormde een waterloop, langs welks oever men in de legerplaats gekomen was. Boschgroei of geboomte scheen daar in de nabijheid niet te zijn; de omtrek van dat meer was vlak en effen.

Aan ieder vuur zaten Indianen, die naar hun met het vleeschbraden bezige vrouwen keken. Nu en dan stond er eens een van hen op, om langzaam voorbij de tent te loopen en meteen een schuinschen blik op de blanken te werpen. Van Knox en Hilton was niets te zien, en evenmin iets te hooren; maar toch kon men veronderstellen, dat hun toestand niet zoo bevredigend was als op dit oogenblik die van Old Shatterhand en zijn metgezellen.

Na verloop van een uur kwam Hobble-Frank met de heet wasemende pan in de tent terug; hij zette die voor zijn lotgenooten neer, en zei op een toon van groote zelfvoldoening: "Hier is de lekkernij! Ik ben benieuwd naar de groote oogen, die gij allen zult opzetten. Ik had wel niets om het vleesch geurig gekruid te maken, maar mijn aangeboren talent heeft mij in staat gesteld, om in dat gemis behoorlijk te voorzien."

"Op welke manier?" vroeg Jemmy, terwijl hij zijn kleine neusje even boven de pan hield. Het vleesch snerkte niet slechts, maar het rookte, en niet zuinig ook; in den tijd van eenige seconden was het in de tent bijna niet uit te houden van de scherpe brandlucht.

"Op een manier zoo eenvoudig, dat het resultaat in waarheid een wonder genoemd mag worden," antwoordde de kleine. "Ik heb eens gelezen, dat houtskool niet alleen het zout kan remplaceeren--en dat mankeert ons hier--maar dat het zelfs aan vleesch, waaraan reeds een erg luchtje is, dien hookoe-reuk geheel ontneemt. Ons vleesch nu riekte reeds allesbehalve versch, en daarom heb ik dat middeltje te baat genomen en het laten smoren in de heete asch van dat houtvuur. Dat de vlam daarbij een keer of drie in de pan geslagen is, kan volstrekt geen kwaad. Mijn geniaal keukenverstand zegt mij, dat het vleesch juist daardoor meer lekkere bruine korstjes zal hebben, waarover ieder, die eenig fijn gevoel en goeden smaak bezit, in de wolken zal zijn als hij het proeft."

"O wee! Elandsvleesch in heete houtskool-asch gebraden! Zijt gij dan van uw verstand beroofd!"

"Maak toch zulk een spektakel niet. Ik heb mijn volle verstand nog; en dat weet ik altijd te gebruiken ook. Mij dunkt, dat gij daarvan toch al lang overtuigd moest wezen. De asch is een chemisch product, dat alle alchimistische onreinigheden vernietigt. Gebruik dus ons elandvleesch, met uw gezonde menschenverstand; dan zal het u zeer goed bekomen en aan uw constitutie naar lichaam en geest die krachten schenken zonder welke de mensch door het snoode onorganismus geheel ten onder gebracht zou worden."

"Maar," hernam Jemmy hoofdschuddende, "gij zegt zelf, dat de vlam eenige keeren in de pan geslagen is. Dus is het vleesch verbrand of aangebrand, met andere woorden oneetbaar geworden."

"Praat niet, maar kauw!" viel Frank uit. "Het is zeer ongezond, onder het eten te zingen of te praten, want daardoor gaat de klep van het verkeerde keelgat open, en komt het eten, in plaats van in de maag in de milt terecht."

"Ja, kauwen! Wie kan zulk een spul kauwen! Kijk zelf, is dat nog vleesch?"

Meteen stak hij een stuk aan zijn mes, en hield dat den kleine onder zijn neus. Het vleesch was zwart gebrand en rondom bedekt met een donkere, vettige laag asch.

"Natuurlijk is het vleesch. Wat zou het anders wezen?" antwoordde Frank.

"Maar het is zoo zwart, zoo zwart als roet."

"Hap er maar eens in! Dan zult gij verwonderd zijn over hetgeen gij proeft."

"Dat geloof ik graag; dan zal ik asch proeven."

"Neen, die wordt er eerst afgeveegd."

"Doe mij dat dan eens voor."

"Met koninklijk gemak!"

Hij nam een stuk uit de pan, en wreef dat zoolang tegen den leeren wand van de tent aan, totdat al de asch daaraan gekleefd zat.

"Dat doet men zoo!" sprak hij triomfantelijk. "Het mankeert u altijd aan de noodige vingervaardigheid en tegenwoordigheid van geest. En nu zult gij zien hoe delicaat dat smaakt, als ik er een stukje van afbijt en dat tusschen tong en verhemelte fijnmaak. Dat...."

Eensklaps zweeg hij. Hij had in het vleesch gebeten, sperde zijn twee rijen tanden ver van elkander af, en, met zijn mond wijd open, keek hij ontsteld een voor een zijn drie metgezellen aan.

"Nu," lachte Jemmy, "bijt maar toe!"

"Bijt maar toe....hoe? Dat mag de drommel weten. Het kraakt en knarst als..... als..... als een gebraden schoenschuier. Mijn verstand staat er stil bij."

"Dat was toch licht te voorzien. Ik houd het er voor, dat die oude pan nog eer klein te bijten zou zijn, dan dat vleesch. Nu kunt gij die schepping van uw keukentalent zelf oppeuzelen."

"Oho! Er moet niet van mij gezegd kunnen worden, dat mijn vrienden door mijn toedoen honger moeten lijden. Zouden wij het niet wat malscher kunnen kloppen?"

"Probeer dat maar eens!" zei Old Shatterhand lachende. "Maar ik, ik zal liever eerst eens kijken of alles bedorven is."

"Ja, misschien is er nog wel een stuk bij, dat niet tot zooveel vastheid van karakter gekomen is. Ik zal wel eens zoeken, en het afvegen."

Gelukkig waren er eenige stukken, die nog niet volslagen oneetbaar waren geworden, en waaraan zij met hun vieren genoeg hadden. Maar Frank was veel minder spraakzaam geworden; hij ging in een donker hoekje zitten, en hield zich alsof hij sliep. Hij hoorde echter alles wat er gesproken werd, en zag ook wat daarbuiten in de legerplaats voorviel.

Morgen zouden Knox en Hilton aan den martelpaal sterven, en de andere blanken misschien hetzelfde lot ondergaan. Dat was voor de Roodhuiden een groot feest, waartoe zij vroegtijdig gereed moesten zijn. Daarom begaven zij zich, na zoo laat hun avondeten genuttigd te hebben, dadelijk ter ruste. De vuren gingen uit op twee na, namelijk, dat voor de tent, waar Old Shatterhand met zijn metgezellen verblijf hield, en dat, waar Knox en Hilton met hun bewakers lagen. Rondom eerstgenoemd vuur lag een drievoudig cordon van Roodhuiden, en buiten, vóór het dorp, waren talrijke wachtposten uitgezet. Aan ontkomen uit hun feitelijke gevangenschap behoefden de vier dus niet te denken; zoo niet totaal onmogelijk, zou elke poging daartoe een allergevaarlijkst waagstuk geweest zijn.

Maar de gedachte om te willen ontsnappen kwam ook niet in hen op.

Om niet den ganschen nacht de oogen der Roodhuiden op zich gevestigd te hebben, had Old Shatterhand de mat, die als deur diende, neergelaten. Nu lagen de vier blanken in het donker, en deden vergeefsch alle mogelijke moeite om in slaap te komen.

"Hoe zal het morgen om dezen tijd met ons gesteld zijn!" sprak Davy. "Misschien hebben de Roodhuiden ons dan reeds over doen springen op de eeuwige jachtgronden."

"Ten minste een of twee of drie van ons." antwoordde Jemmy.

"Hoe dat zoo?" vroeg Old Shatterhand.

"Ik denk niet, dat zij het hart zullen hebben zich aan u te vergrijpen."

"Dus enkel aan u? Hum! Wat denkt gij dan van mij? Wij behooren immers bij elkander; en niemand mag er aan denken, zich aan het lot, dat den anderen treft, te onttrekken. Als gijlieden bestemd wordt om te sterven, zal het niet in mij opkomen, voor mij zelf lijfsgenade van hen aan te nemen. In dat geval zouden wij vechten, totdat de laatste van ons vieren viel."

"Maar gij hebt immers beloofd, dat gij u niet verzetten zult."

"Natuurlijk. En die belofte zal ik letterlijk nakomen. Maar ik heb niet beloofd, dat ik niet zal vluchten. Dat zouden wij ten minste probeeren; en wie ons bij die poging in den weg trad, zou het aan zich zelf te wijten hebben als hij uit den weg werd geruimd. Overigens ben ik bang voor heel iets anders; ik vrees, dat de Roodhuiden niet dadelijk tot onzen dood zullen besluiten."

"Dus, dat zij ons op vrije voeten zullen stellen?"

"Ook dat niet. Hun verbittering tegen de blanken is zoo groot, en ik moet erkennen zoo gerechtvaardigd, dat zij aan geen gevangengenomen bleekgezicht zoo maar zoetsappig zijn vrijheid terug zullen geven. Maar onze namen hebben een goeden klank bij hen, en daarbij zijn zij bevreesd voor mijn karabijn: daar zijn zij zoo bang voor, dat zij die niet eens durven aanraken. Ik houd het dus niet alleen voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij met ons een uitzondering zullen maken. Dat wil zeggen, zij zullen ons niet leven en vrijheid schenken, maar zij zullen ons er om laten vechten."