Chapter 33
Van die hem zeer welkome zienswijze moest Old Shatterhand partij trekken. Indien hij en zijn metgezellen zich aan de Roodhuiden over moesten geven, zou hij evenals zij gedwongen zijn, alle wapentuig uit te leveren. In dat geval was het van het hoogste belang, als hij ten minste dit eene geweer behouden kon. Een rechtstreeksche leugen wilde Old Shatterhand niet bezigen, maar hij antwoordde: "De geheimen van dat geweer mag ik aan niemand openbaren. Maar hier is het; probeer het zelf maar eens."
Hij had de karabijn in zijn rechterhand, en bracht, terwijl hij dat zeide, zijn duim aan den patroonbal, om dien door een kleine, onmerkbare beweging zoo naar voren te draaien, dat het schot bij de minste aanraking af moest gaan. Zijn scherpziend oog zag een groep van verscheiden Roodhuiden, die uit nieuwsgierigheid hun gedekte stellingen hadden verlaten, en nu aan den zoom van de vlakte bij elkander stonden. Die groep bood zulk een goed mikpunt aan, dat een schot, al ware het nòg zoo onbeholpen gemikt, bezwaarlijk missen kon, maar stellig den een of den ander moest raken.
Nu kwam het er op aan of de hoofdman het geweer in zijn hand zou nemen of niet. Hij was wel minder bijgeloovig dan de andere Roodhuiden; maar hij vertrouwde de zaak toch niet al te best. "Zou ik het wagen, of zou ik het niet doen?" Die vraag stond in zijn begeerig op het geweer gerichte oogen te lezen. Old Shatterhand nam het nu in zijn beide handen, kwam er wat dichter mee bij hem staan, en hield het ongemerkt zoo, dat de loop precies op gindsche groep Roodhuiden gericht was. De nieuwsgierigheid van den hoofdman was sterker dan zijn vrees; hij greep toe, en Old Shatterhand speelde hem het geweer zóó in de hand, dat hij onvermijdelijk den patroonbal moest aanraken. Paf! knalde het schot; en waar de Indianen stonden, werd een luide gil gegeven. De Groote Wolf liet verschrikt de karabijn uit zijn handen vallen, en een der Roodhuiden riep, dat hij gekwetst was.
"Heb _ik_ hem gekwetst?" vroeg de hoofdman ontsteld.
"Wie anders?" antwoordde Old Shatterhand. "Dat is nu maar gebeurd, om u een kleine waarschuwing te geven. Als gij het geweer nog eens aanraakt zal het minder goed afloopen. Wat mij betreft, kunt gij gerust uw gang gaan; maar ik moet u wèl op het hart drukken, dat de tweede kogel......"
"Neen, neen!" riep de Roodhuid, terwijl hij met beide handen een afwerende beweging maakte. "Het is werkelijk een toovergeweer, en bestemd voor u alleen. Als een ander het opneemt, gaat het af, en met dat schot raakt hij zijn eigen vrienden, of misschien wel zich zelf. Ik taal er niet meer naar, ik taal er niet meer naar!"
"Dat is zeer verstandig van u," sprak Old Shatterhand op een ernstigen toon. "Gij moogt van geluk spreken, dat het ditmaal slechts één keer afgegaan is. Het zal louter geweest zijn om u een klein lesje te geven. Een volgenden keer zou het slimmer afloopen. Ik zal u eens laten zien hoe dikwijls het afgaat. Ziet gij dat ahornboompje daarginder bij de beek? Het is maar een paar vingers dik, en ik zal er tien gaatjes in schieten, die juist de breedte van uw duim van elkander af zullen staan."
Hij nam de karabijn, legde er mee aan, mikte op den ahorn, en trok den haan over; een.... drie... zeven.... tienmaal. Toen zei hij: "Ga nu eens zien, wat er met dat boompje gebeurd is. Ik zou nog ontelbare keeren kunnen schieten, maar dit is voldoende om u te overtuigen, dat ik in één minuut tijds vijftig van uw krijgslieden in het hart zou kunnen raken, als ik dat wilde."
De hoofdman begaf zich naar het boompje. Old Shatterhand zag, dat hij met zijn duim de afstanden tusschen de schoten mat. Verscheiden Roodhuiden, insgelijks door nieuwsgierigheid gedreven, kwamen uit de schuilhoeken te voorschijn en bij hen staan. Van dat oogenblik maakte de jager gebruik om gauw nieuwe patronen in den zich excentrisch bewegenden bol te schuiven.
"Oef! Oef! Oef!" hoorde hij roepen. Was het voor de Indianen inderdaad reeds een wonder, dat hij zooveel schoten gedaan had zonder te laden, in de hoogste mate stonden zij verbaasd, toen zij zagen, dat niet één zijner kogels gemist had, maar dat zij het dunne boompje geraakt hadden, telkens het eene schot een duim breedte hooger dan het andere. De hoofdman keerde terug, ging weer zitten, en maakte een beweging tegen Old Shatterhand, dien hij daardoor uitnoodigde zijn voorbeeld te volgen. Hij bleef een lange poos voor zich neerstaren zonder iets te zeggen, en sprak toen: "Ik zie dat gij een uitverkorene van den Grooten Geest zijt. Ik had veel van dat geweer gehoord, maar ik heb het nooit kunnen gelooven. Maar nu weet ik, dat alles, wat er van verteld wordt, waarheid is."
"Wees dan voorzichtig, en weet wel wat gij doet. Gij wilt ons gevangennemen en dooden. Probeer het; ik heb er niets tegen. Als gij dan de krijgslieden telt, die door mijn kogels getroffen zijn, zal in uw dorp het geweeklaag der vrouwen en kinderen van de gevallenen opgaan; maar aan mij zult gij dan de schuld niet kunnen geven."
"Denkt gij dan, dat wij ons door u zullen laten doodschieten? Gij zult u aan ons moeten overgeven, zonder dat er een schot gelost behoeft te worden. Gij zijt omsingeld, en gij hebt niets te eten. Wij houden u zoo lang belegerd, dat de honger u eindelijk noodzaakt de wapenen neer te leggen."
"Dan zult gij lang kunnen wachten. Wij hebben water om te drinken, en vleesch genoeg om te eten. Daar staan immers onze viervoeters, vier paarden, waarop wij verscheiden weken zullen kunnen teren. Maar zoo ver zal het nooit komen; wij zullen ons door uw cordons heenslaan. Ik ga voorop met mijn toovergeweer in de hand, zend u den eenen kogel voor en den anderen na, en dat ik goed weet te mikken, hebt gij gezien."
"Wij zullen achter de boomen staan!"
"Denkt gij dan, dat dàt u voor mijn toovergeweer beschutten zal? Neem u in acht! Gij zult de eerste zijn, op wien ik vuur. Ik ben een vriend van roode mannen, en het zou mij leed doen er zooveel van u te moeten dooden. Gij hebt nu reeds zware verliezen te betreuren, en als de oorlog met de blanke soldaten en de Navajos begint, zullen alweer vele, zeer vele van uwe manschappen vallen. Daarom moest gij niet ons, uwe vrienden, noodzaken, den dood in uw gelederen te zenden."
Deze ernstige woorden misten hun uitwerking niet. De hoofdman staarde lang voor zich neer op den grond, en zat onbeweeglijk als een steenen beeld. Eindelijk zei hij op een bijna jammerenden toon: "Als wij niet gezworen hadden, dat wij alle bleekgezichten zullen dooden, zouden wij u en uw metgezellen waarschijnlijk loslaten; maar een gezworen eed moet men houden."
"Neen. Een eed, dien men onbedachtzaam gezworen heeft, kan men terugnemen."
"Maar niet anders dan met toestemming van den grooten raad."
"Welnu, vraag dan de toestemming van den grooten raad."
"Hoe kunt gij nog zoo iets zeggen! Ik ben de eenige hoofdman hier! Met wien zou ik dus te rade kunnen gaan!"
Nu had Old Shatterhand den hoofdman waar hij hem hebben wilde. Toen die van beraadslagen begon, was het grootste gevaar reeds geweken. De jager kende de eigenaardigheden van het karakter der Roodhuiden goed. Hij had nu zijn voorloopig doel bereikt, en begreep, dat nu het verstandigste was, niet verder in die richting aan te dringen. Daarom zweeg hij, en wachtte wat de Groote Wolf nu verder zou zeggen.
Deze liet zijn oogen uitvorschend over de open vlakte gaan. Hij zat stellig bij zich zelf te overpeinzen, of het toch, in weerwil van dat gevaarlijke toovergeweer, niet mogelijk zou zijn, de vier blanken hier in zijn macht te krijgen. Toen die overpeinzing echter wat al te lang duurde, zei Old Shatterhand, terwijl hij deed alsof hij wilde opstaan: "De hoofdman der Utahs heeft nu alles gehoord, wat ik hem zeggen kan; meer valt er niet te bespreken, en ik zal dus naar mijn metgezellen terugkeeren. Hij kan doen, wat hem belieft."
"Wacht nog even!" antwoordde de Roodhuid schielijk. "Zult gij ons niet voor lafaards houden, wanneer wij besluiten, niet hier met u te gaan vechten?"
"O, neen! Een hoofdman moet niet enkel dapper en moedig zijn, hij behoort ook verstandig en voorzichtig te wezen. Geen aanvoerder mag zijn onderhebbenden noodeloos opofferen. Ik zelf heb altijd den vijand slechts dan aangetast, wanneer ik zeker was van de overwinning. Iedereen weet, dat de Groote Wolf een dapper krijgsman is; maar als gij hier door vier blanken de helft van uw manschappen liet dooden, zou men aan alle bivak-vuren vertellen, dat gij onzinnig hadt gehandeld en niet meer geschikt waart om de krijgslieden der Utahs ten strijde te voeren. Bedenk, dat de blanken en de Navajos reeds tegen u oprukken, en dat gij uw krijgslieden hoognoodig zult hebben, om die vijanden te verslaan. Het zou dus een te groote dwaasheid zijn, hen hier noodeloos dood te laten schieten."
"Gij hebt gelijk," antwoordde de hoofdman, met een diepen zucht van leedgevoel, dat hij zich met tweehonderd tegen slechts vier man genoodzaakt zag, om inschikkelijkheid te toonen. "Ik zelf kan mijn eed niet terugnemen; door de vergadering der oudsten moet ik er van ontheven worden. Daarom zult gijlieden als mijn gevangenen met ons meegaan, om te vernemen wat die raadsvergadering over u beslissen zal."
"En als wij nu eens weigeren dat te doen?"
"Dan zullen wij ons genoodzaakt zien den strijd te beginnen en u met kogels te overstelpen."
"Van al uw kogels zal er niet één raak zijn. De rotsen hebben holen en gaten genoeg, die ons tot schuilplaats zullen dienen. Maar wij, wij zullen van daarboven in alle richtingen goed kunnen mikken, en elke kogel van ons zal precies zijn man vinden."
"Dan zullen wij wachten dat het donker is, zoo, dat gijlieden niets zien kunt. Dan sluipen wij naar de rots, om hout aan te dragen, dat wij in brand zullen steken. Vroeg, zoodra de zon opkomt, zullen wij dan zien of gij gestikt, dan wel nog in leven zijt."
Hij zei dat op een toon van het grootste zelfvertrouwen; maar Old Shatterhand antwoordde met een glimlachje: "Dat is niet zoo gemakkelijk, als gij schijnt te denken. Zoodra het donker geworden is, zullen wij van de rots af naar beneden komen, en daar zoo post vatten, dat elke roode krijgsman, die het hart heeft binnen ons schot te komen, onmiddellijk weggeblazen wordt! Gij ziet dus, wij zijn op alle manieren in ons voordeel; maar juist omdat ik een vriend van roode mannen ben, en niet gaarne een enkele hunner zou dooden, ben ik bereid, om van al die voordeelen afstand te doen. Ik ben uw vriend, en gij moet niet in den moeilijken toestand blijven, waarin gij u op dit oogenblik bevindt. Ik wil met mijn metgezellen spreken. Misschien zijn zij bereid, om met u mee te gaan. De eenige vraag is dan, welke voorwaarden gij ons dan denkt te stellen. Gevangene kan iemand dan alleen zijn, wanneer hij zich heeft laten vangen. Wilt gij probeeren, of gij dat ons kunt doen, ga dan gerust uw gang; ik heb er hoegenaamd niets tegen; maar dan hebben wij natuurlijk juist den strijd, dien gij vermijden wilt."
"Oef!" riep de hoofdman onwillekeurig. "Uw woorden treffen evengoed als uw kogels. Old Shatterhand is niet alleen een held in den strijd, maar ook een meester in de redekunst."
"Ik spreek niet louter in mijn eigen belang, maar evenzeer in het uwe. Waarom moeten wij vijanden zijn. Gij hebt de tomahawks tegen de soldaten en de Navajos opgegraven; zou het niet van belang voor u zijn, als Old Shatterhand uw bondgenoot kon worden, in plaats van uw vijand te moeten zijn?"
De hoofdman was verstandig genoeg om in te zien, dat de jager gelijk had. Maar door zijn eed waren zijn handen gebonden. Daarom verklaarde hij: "Ik moet u als vijanden beschouwen, totdat de vergadering gesproken zal hebben. Neemt gij daar geen genoegen mee, dan moeten de wapenen maar beslissen."
"Ik neem er genoegen mee; ik zal met mijn metgezellen spreken, en ik twijfel niet of ook zij zullen bereid wezen om met u mee te rijden; maar niet als gevangenen, dat nooit!"
"Als wat dan anders?"
"Als begeleiders."
"Dus, gij zoudt niet uw wapenen willen afgeven, en u ook niet laten binden?"
"Neen, in geen geval!"
"Oef! Dan zal ik u mijn laatste woord laten hooren. Als gij u niet daarmee vereenigt, zullen wij u hier belegeren, in weerwil van uw toovergeweer. Gij zult met ons opbreken naar het dorp; gij behoudt uw wapenen en uw paarden, en gij wordt ook niet geboeid. Wij zullen precies doen alsof wij in vrede met u leefden; maar daartegenover moet gij er op zweren, dat gij u zonder verzet zult onderwerpen aan het besluit der beraadslaging. Ik heb gezegd, Howgh!"
Dat laatste woord was het bewijs, dat hij in geen geval nog meer zou toegeven; maar Old Shatterhand was met den uitslag volkomen tevreden. Als de Roodhuiden hem en de zijnen hier ernstig aangetast hadden zou het volslagen onmogelijk geweest zijn heelhuids uit hun handen te komen. Het was een geluk, dat zij zooveel ontzag voor het toovergeweer hadden; daardoor was thans bereikt, wat er met mogelijkheid bereikt worden kon. En dat ontzag zou stellig ook wel van eenigen invloed moeten zijn op het besluit van de vergadering der oudsten. Daarom antwoordde Old Shatterhand: "De Groote Wolf moet erkennen, dat ik zijn vriend ben. Ik wil niet eens met mijn metgezellen gaan spreken, maar u reeds dadelijk uit hun en mijn naam mijn woord geven. Wij zullen ons zonder verzet in het te vallen besluit schikken."
"Neem dan uw calumet (= vredespijp), en bezweer dat gijlieden zoo handelen zult."
Old Shatterhand maakte zijn vredespijp van het koord los, deed wat tabak in den kop, en stak dat aan met behulp van den punks (= prairie-vuurslag). Eerst blies hij den rook uit hemelwaarts, toen naar den grond, en daarop naar de vier hemelstreken, en zei: "Ik beloof, dat wij aan geen verzet zullen denken!"
"Howgh!" knikte de hoofdman. "Nu is het goed!"
"Neen, want ook gij moet uw belofte bezegelen," verklaarde Old Shatterhand, terwijl hij den Roodhuid de pijp aanbood.
Deze had er misschien heimelijk op gerekend, dat zulks niet van hem gevergd zou worden. In dat geval zou hij zich niet aan zijn belofte gebonden hebben geacht; en zoodra de blanken dan van de rots af beneden waren gekomen, zou hij hebben kunnen handelen zooals hij verkoos. Maar hij schikte zich er in zonder de minste tegenspraak. Hij nam de pijp, blies den rook insgelijks eerst naar het luchtruim, toen naar de aarde, en daarop naar de vier hemelstreken, en zei toen: "Aan de vier blanken zal door ons geen haar gekrenkt worden, voordat de beraadslaging der oudsten beslist zal hebben over hun lot. Howgh!"
Nu gaf hij de pijp aan Old Shatterhand terug, en ging naar Knox en Hilton, die nog precies zoo lagen als zij neergeslagen waren.
"Neen," antwoordde Old Shatterhand, aan wiens scherpen blik het gedurende zijn gesprek niet ontgaan was, dat beiden even het hoofd hadden opgetild, om rond te kijken. "Zij zijn niet dood; zij zijn niet eens bewusteloos meer; maar zij houden zich alsof zij dood zijn, in de hoop, dat wij hen hier zullen laten liggen."
"Dan kunnen de honden opstaan, of ik zal hen vertrappen onder mijn voeten!" riep de hoofdman, meteen aan elk hunner een zoo geweldigen schop gevende, dat zoowel Knox als Hilton geen trek voelde om langer den in zwijm liggende te spelen; zij stonden op. Hun angst was zoo groot, dat de gedachte om te vluchten of om tegenweer te bieden niet eens in hen opkwam.
"Gijlieden zijt van morgen aan mijn krijgslieden ontkomen," zei de hoofdman op zeer strengen toon. "Maar de groote Manitou heeft u nu in mijn handen gegeven; en voor de moorden, die gij gepleegd hebt, zult gij aan den martelpaal huilen en kermen, zoo luid, dat alle bleekgezichten in het gebergte het hooren."
De twee verstonden ieder woord van den Roodhuid, want hij sprak tamelijk goed Engelsch.
"Moorden?" vroeg Knox, die zich nog hoopte te redden door alles te ontkennen. "Daar weten wij niets van. Wien zouden wij vermoord hebben?"
"Zwijg hond! Wij kennen u; en ook deze bleekgezichten, die door uw toedoen in onze handen zijn gevallen, weten wat gij gedaan hebt."
Knox was een sluwe kerel. Hij zag Old Shatterhand ongedeerd en ongedwongen naast den Roodhuid staan. De Indianen hadden het niet gewaagd zich aan den beroemden man te vergrijpen. Wie door hem beschermd werd, had stellig evenmin iets van hen te vreezen als hij zelf; vandaar dat de moordenaar op de gedachte kwam, die hij als zijn eenige redmiddel beschouwde. Old Shatterhand was een blanke; hij moest dus meer op de hand van de blanken dan van de Roodhuiden zijn. Zoo althans dacht Knox, en daarom antwoordde hij: "Natuurlijk moeten zij weten wat wij gedaan hebben, want wij zijn met hen mee komen rijden en reeds weken lang bij hen geweest."
"Lieg niet!"
"Ik zeg de waarheid. Vraag het maar aan Old Shatterhand; die zal u wel bewijzen, dat wij volstrekt niet degenen kunnen zijn, voor wie wij door u aangezien worden."
"Vlei u niet met die ijdele hoop!" voegde Old Shatterhand hem toe. "Als gij denkt, dat ik leugentaal zal spreken, om u te onttrekken aan de welverdiende straf, moet ik u zeggen, dat het niet in mij kan opkomen, mij op één lijn met u te plaatsen. Gij weet, wat ik van u denk; dat heb ik u duidelijk gezegd, en mijn gedachten over u zijn nog volkomen dezelfde als toen."
Dit gezegd hebbende, draaide hij hem den rug toe.
"Maar sir!" riep Knox. "Gij zult ons toch niet aan ons lot overlaten: ons leven is er mee gemoeid!"
"Juist, juist zooals er vroeger het leven mee gemoeid was van hen, die door u vermoord zijn. Gij hebt beiden den dood verdiend, en ik heb volstrekt geen reden om mij voor kerels, gelijk gij zijt, in de bres te stellen."
"Wel... (er volgde een vloek).... denkt gij ons zóó te behandelen, dan weet ik ook wat _mij_ te doen staat. Gij wilt ons niet redden, dan sleepen wij u mee in het verderf." En zich nu van Old Shatterhand afwendende, richtte hij het woord tot den hoofdman. "Waarom behandelt gij de vier met verschooning?" vroeg hij. "Zij hebben immers evengoed paarden meegestolen als wij! evengoed op de Utahs geschoten als wij, en door hun kogels zijn de meesten der uwen gevallen!"
Dit was een onbeschaamdheid zonder weergade. Old Shatterhand maakte een beweging alsof hij zich op den onverlaat wilde werpen, maar hij bedacht zich, en bleef zwijgend staan. Doch de straf liet niet op zich wachten; en welk een straf! De oogen van den hoofdman schoten eensklaps vuur en vlam, en met een bulderende stem voegde hij Knox toe: "Lafaard! Gij hebt den moed niet, om de straf voor uw schanddaden alleen te dragen, en daarom zoekt gij de schuld op de anderen te schuiven, in vergelijking bij wie gij een stinkende padde zijt. Daarom zal de straf voor u niet pas aan den martelpaal beginnen, maar reeds hier op staanden voet. Ik zal uw scalp nemen, en gij zult leven, om hem aan mijn gordel te zien hangen. Nani wietsj, nani wietsj!"
Die twee Utah-woorden beduiden: "mijn mes, mijn mes!" Hij riep dat toe aan de Indianen, die aan den zoom der vlakte stonden.
"Om Godswil neen!" gilde de bedreigde. "Mij levend scalpeeren, neen, neen!"
Hij deed een sprong om te vluchten; maar de hoofdman was even vlug als hij, sprong hem na, en greep hem bij de keel; een druk van zijn stevige vingers, en Knox hing in zijn hand zoo slap als een vaatdoek. Een Indiaan kwam aansnellen, om den hoofdman het mes te brengen. Deze nam het, wierp den halfgewurgde op den grond, knielde op hem neer--drie vlugge sneden, een ruk aan het haar, een allerijselijkst gegil van den onder hem liggende, en hij stond op, met den bloedenden scalp in de linkerhand. Knox verroerde zich niet; hij was weer van zichzelf gevallen; zijn schedel leverde een ontzettenden aanblik op.
"Zoo moet het elken hond gaan, die de roode mannen verdelgt, en dan onschuldigen daarvan beticht!" riep de Groote Wolf, terwijl hij den scalp in zijn gordel stak.
Hilton had met een rilling van afgrijzen gezien wat er met zijn kameraad gebeurd was. De schrik maakte hem als verlamd: hij zeeg langzaam neer naast den gescalpeerde, en bleef zitten zonder geluid te geven.
De hoofdman gaf een sein, waarop de Roodhuiden kwamen aansnellen; weldra wemelde de geheele vlakte van hun aantal. Hilton en Knox werden met riemen geboeid.
Zoodra de Groote Wolf van scalpeeren gesproken had, was Old Shatterhand weer de rots opgeklommen om geen getuige te zijn van het barbaarsche schouwspel, maar aan zijn metgezellen mee te deelen welk resultaat hij bereikt had.
"Dat ziet er niet best uit," merkte Jemmy aan. "Hebt gij ons niet geheel en al vrij kunnen krijgen?"
"Neen, dat was een onmogelijkheid."
"Misschien was het beter geweest, als gij het maar tot een gevecht hadt laten komen."
"Neen, dat zeer stellig niet. Dat zou ons bepaald het leven gekost hebben."
"Oho! Wij zouden ons toch verweerd hebben. En bij de vrees, die de Roodhuiden voor uw karabijn hebben, behoefden wij, geloof ik, niet te wanhopen. Zij zouden het wel uit hun lijf gelaten hebben, ons te na te komen."
"Dat geloof ik ook wel; maar zij zouden ons hebben laten doodhongeren. Daarop had ik hem wel gezegd, dat wij vleesch in overvloed hadden aan onze paarden; maar gij begrijpt wel, dat ik liever van honger zou omkomen, dan mijn prachtigen hengst dood te schieten."
"Dat zoudt gij zelf ook niet hebben behoeven te doen. Want zoodra de vijandelijkheden begonnen, zouden de eerste kogels van de Roodhuiden natuurlijk op onze paarden gemunt geweest zijn."
"En juist daardoor zouden wij van ons beste middel om te ontkomen, beroofd zijn geweest."
"De paarden hadden wij best kunnen missen. Wij zouden ons zelf wel gered hebben. Tweehonderd man als cordon rondom deze gansche vlakte! De Roodhuiden staan dus niet dicht aaneengesloten en ook niet achter elkander. Zoodra het donker was, waren wij van de rots afgeslopen, vier personen dicht bij elkander; en wij hadden allicht hier of daar een gaatje gevonden om er doorheen te glippen; maar stellig hadden wij nergens met meer dan een paar Roodhuiden ieder te doen gehad--twee schoten of twee messteken ieder, en wij waren door hen heen geweest."
"En wat dan? Gij stelt u de zaak geheel anders voor, dan die geworden zou zijn. De Roodhuiden zouden overal rondom de rots vuren aangelegd hebben, zoodat de minste poging van ons, om te ontkomen, dadelijk opgemerkt zou zijn geworden. En zelfs als het ons gelukt was door hen heen te breken, dan hadden wij toch niet ver weg kunnen komen, zonder hen op onze hielen te zien. Dan zouden wij natuurlijk eenigen hunner hebben moeten doodschieten, en zoodoende hadden wij ineens alle kans op eenige verschooning van hun kant verloren."
"Dat is zeer juist gezien," merkte Hobble-Frank aan. "Ik begrijp ook niet hoe het in de hersens van zulk een dikken Jemmy Peperkorrel kan opkomen, wijzer te willen zijn dan onze Old Shatterhand. Gij zijt altijd en eeuwig het ei, man! dat wijzer wil zijn dan het hoen. Old Shatterhand heeft alles gedaan wat mogelijk was; ik geef hem daarvoor een bon met een sterretje er achter; en ik geloof zeer stellig, dat Davy er ook zoo over denkt."
"Dat spreekt vanzelf," antwoordde deze. "Een gevecht zou onvermijdelijk tot onzen ondergang geleid hebben."
"Maar waartoe zal het leiden, dat wij met hen meegaan?" vroeg Jemmy. "Het is toch wel te voorzien, dat de vergadering der oudsten ons ook als vijanden behandelen zal."
"Dat zou ik hun maar niet raden," dreigde Frank. "Bij die geschiedenis heb ik toch ook nog een woordje mee te spreken. Heel gemakkelijk zal ik mij niet aan zulk een martelpaal laten brengen. Ik zou er mij met hand en tand tegen verzetten."
"Dat moogt gij immers niet. Er is immers een eed gezworen! Wij zullen alles, wat zij met ons verkiezen aan te vangen, moeten opeten voor zoete koek."
"Wie heeft u dat verteld? Begrijpt gij dan werkelijk niet, rampzalige zwaartiller! dat zulk een eed eigenlijk een wassen neus is? Men heeft waarlijk geen gastronomischen spiegel-telescoop noodig..."
"Astronomischen wilt gij zeggen," verbeterde Jemmy.