De schat in het Zilvermeer

Chapter 32

Chapter 324,047 wordsPublic domain

Terwijl hij over de paarden sprak, had hij zijn oogen op die dieren gericht en daarbij iets opgemerkt, dat in hooge mate de aandacht trok. Zij hielden namelijk de neusgaten in de hoogte, draaiden zich om naar alle richtingen, slurpten zoo de lucht in, en renden toen, als verheugd hinnikend, op den zoom van de open vlakte aan.

"Ja, wat kan dàt zijn?" riep ook Jemmy. "Er zijn Roodhuiden in de nabijheid."

Het zich nooit vergissend oog van Old Shatterhand doorzag ineens den omvang van het gevaar dat dreigde. Hij antwoordde: "Wij zijn omsingeld, stellig door de Utahs, wier nabijheid ons door de paarden verraden is; en die zullen nu genoodzaakt zijn ons onverhoeds te overvallen."

"Wat dan?" vroeg Davy. "Moeten wij ons verweren?"

"Wij zullen hun eerst toonen, dat wij met die twee bandieten niets te maken hebben. Dat is de hoofdzaak. Dus afgepraat met hen!"

Met zijn gebalde vuist gaf hij Knox een slag tegen zijn hoofdslaap, zoodat hij als een koekzak op den grond viel; en toen kreeg Hilton, eer hij het ontwijken kon, een dito slag met hetzelfde gevolg.

"Nu gauw de rots op!" gebood Old Shatterhand; "dààr zijn wij gedekt, hierbeneden niet. Dan moeten wij het verdere afwachten." De kolossale steenmassa's waren niet gemakkelijk te beklimmen; maar in toestanden, als die van dit oogenblik, kan de mensch oneindig meer, dan hij zelf voor mogelijk zou hebben gehouden. In drie, vier, vijf seconden waren de jagers boven, en achter de hoeken, kanten en struiken, waarachter zij neerdoken, verdwenen. Sedert het blijde hinniken der twee Indianen-paarden kon er hoogstens een minuut verloopen zijn. De hoofdman had dadelijk het sein tot den aanval willen geven; doch hij had dat niet gedaan, toen hij zag, dat het eene bleekgezicht twee andere bleekgezichten neersloeg. Dat begreep hij niet, en hij aarzelde; daardoor had het viertal tijd gehad om op de rotsen te komen.

Nu deed "de Groote Wolf" aan zich zelf de vraag, wat hij, in de gegeven omstandigheden, nu moest doen. De blanken te overrompelen, die gelegenheid had hij zich laten ontglippen. Nu waren zij boven, en konden door de kogels en pijlen niet bereikt worden; maar wel waren zij in staat, om uit de hoogte de gansche open ruimte te beheerschen, en hun kogels naar alle richtingen te zenden. Tweehonderd Roodhuiden tegen vier of hoogstens zes blanken! Voor eerstgenoemden was de overwinning zeker. Maar hoe, op welke manier konden zij zich die verschaffen? Zouden zij de rots bestormen? Het liet zich voorzien, dat veel Indianen het leven daarbij zouden inschieten. Wanneer het wezen moet is de Roodhuid dapper, onverschrokken, vermetel zelfs; maar als hij zijn doel bereiken kan door list, en zonder zich aan gevaar bloot te stellen, zal hij er niet aan denken iets te doen, waardoor zijn leven op het spel gezet kon worden. De hoofdman riep dan ook, door even te fluiten, zijn onderbevelhebbers tot zich, om met hen te beraadslagen.

De uitslag van die beraadslaging was zeer spoedig te zien, of juister gezegd te hooren. Van den zoom der open vlakte klonk een luide stem. Daar die vlakte hoogstens vijftig passen breed was, en de afstand tusschen de rots en de plaats, waar die stem zich deed hooren, slechts de helft, dus slechts vijf en twintig passen bedroeg, kon men ieder woord duidelijk verstaan. De hoofdman achter een boom staande, riep: "De bleekgezichten zijn door vele Roodhuiden omsingeld, en kunnen naar beneden komen."

Dit was zoo kinderachtig, dat er niet eens antwoord op gegeven werd. De Roodhuid herhaalde die opeisching nog tweemaal, en toen hij ook nog geen antwoord ontving, liet hij er op volgen: "Als de blanke mannen niet gehoorzamen, zullen wij hen dooden!" Daarop gaf Old Shatterhand nu ten antwoord: "Wat hebben wij den rooden krijgslieden gedaan, dat zij ons omsingeld hebben en ons overvallen willen?"

"Gijlieden zijt de honden, die onze mannen gedood en onze paarden geroofd hebben."

"Daar vergist gij u in! Slechts twee van die boosdoeners zijn hier; die zijn pas kort geleden bij ons gekomen; en zoodra ik vermoedde, dat zij tot de vijanden der Utahs behoorden, heb ik hen neergeveld. Zij zijn niet dood, en zullen spoedig weer tot bewustzijn komen. Wanneer gij hen hebben wilt kunt gij hen weghalen."

"Gij wilt ons op de vlakte lokken, om ons te kunnen dooden!"

"Neen."

"Ik geloof u niet."

"Wie zijt gij? Hoe is uw naam?"

"Ik ben Owoets-awaat, de hoofdman der Utahs."

"Ik ken u. De Groote Wolf is sterk naar lichaam en naar geest. Hij is de krijgs-overste der Yampa-Utahs, die dapper en rechtvaardig zijn, en die geen onschuldigen voor de euveldaden der schuldigen zullen doen boeten."

"Gij praat als een vrouw. Gij jammert om uw leven. Gij noemt u onschuldig, omdat gij bang zijt voor den dood. Ik veracht u. Hoe is uw naam? Stellig de naam van een ouden, blinden hond?"

"Is de Groote Wolf zelf niet blind? Hij schijnt onze paarden niet te zien. Hebben die ooit aan de Utahs toebehoord? Er is een muilezel bij. Is die hun ontstolen? Hoe kan de Groote Wolf ons voor paardendieven aanzien? Als hij mijn zwarte hengst maar eens bekijkt! Hebben de Utahs ooit zulk een paard in hun bezit gehad? Dat is er een van het bloed, dat alleen voor Winnetou, den hoofdman der Apachen, en voor zijn vrienden aangefokt wordt. Moet de Groote Wolf daaruit niet begrijpen, dat ik een vriend van dien grooten man ben? Mag hij mij dan wel van bangheid en lafheid betichten? De krijgslieden der Utahs kunnen hooren of mijn naam die van een hond is. De bleekgezichten noemen mij Old Shatterhand; en in de taal der Utahs word ik Pokai-Moe (= de doodende hand) genoemd."

De hoofdman antwoordde niet dadelijk, en de nu ingetreden stilte duurde eenige minuten. Dat was bepaald een teeken, dat de naam van den jager indruk gemaakt had. Eerst na verloop van eenige minuten deed de stem van den Grooten Wolf zich weer hooren: "Het bleekgezicht wil ons wijsmaken, dat hij Old Shatterhand is; maar wij gelooven hem niet. Hij weet dat die beroemde blanke jager bij alle Roodhuiden in hooge achting staat, en neemt zijn naam aan, om ons te misleiden, en den dood te ontgaan. Wij maken uit zijn gedrag op, dat die naam hem niet toekomt."

"Hoe dat zoo?" vroeg de jager.

"Old Shatterhand kent geen vrees; maar u heeft de angst den moed benomen, om u aan ons te vertoonen."

"Als dat opging, gevoelden de krijgslieden der Utahs nog meer angst dan ik. Ik laat mij niet zien, en gijlieden telt vele, zeer vele gewapenden; maar gijlieden houdt u allen schuil voor slechts vier man! Wie is nu banger, ik of gij? Overigens wil ik u wel bewijzen, dat ik geen bangheid ken. Gij zult mij zien!"

Hij trad uit zijn schuilplaats te voorschijn, beklom het hoogste punt van de rots, staarde langzaam in het rond, en stond daar in de hoogte zoo vrij en onbevangen, alsof er geen één geweer was, waaruit de kogel hem raken kon.

"Ing Pokai-moe, ing Pokai-moe, howgh!" klonken luid verscheiden stemmen (= het is de doodende hand, het is de doodende hand, zonder twijfel).

Dat waren mannen, die hem kenden, doordien zij hem vroeger gezien hadden. Hij bleef zonder vrees staan, en riep den hoofdman toe: "Hebt gij de getuigenis van uw krijgslieden gehoord? Gelooft gij nu, dat ik werkelijk Old Shatterhand ben?"

"Nu geloof ik het. Uw moed is groot. Onze kogels dragen ver, veel verder dan waar gij staat. Hoe licht kan een van onze geweren afgaan."

"Dat zal niet gebeuren; want de krijgslieden der Utahs zijn dappere mannen maar geen moordenaars. En als ik door u gedood werd, zou mijn dood ontzettend aan u gewroken worden."

"Wij zijn niet bang voor wraak."

"Die zou u treffen en verdelgen, zonder te vragen of gij er bang voor zijt of niet. Ik heb aan het verlangen van den Grooten Wolf voldaan en mij aan hem vertoond. Waarom blijft hij zich nu nog schuilhouden? Is hij nu nòg bang, of houdt hij mij voor een sluipmoordenaar die hem zoekt te dooden?"

"De hoofdman der Utahs is zonder vrees. Hij weet, dat Old Shatterhand alleen naar de wapenen grijpt, wanneer hij aangevallen wordt. En daarom zal hij zich nu óók laten zien."

Hij trad van achter den boom te voorschijn, zoo, dat zijn kolossale gestalte duidelijk te zien kwam.

"Is Old Shatterhand nu voldaan?" vroeg hij.

"Neen!"

"Wat verlangt hij dan nog meer?"

"Ik wil met u spreken in dichtere nabijheid, om beter te vernemen wat uw verlangen is. Kom dus naderbij, tot op de helft van den afstand, die nu tusschen ons ligt. Ik zal van de rots afklimmen en u tegemoet komen. Dan gaan wij bij elkander zitten, zooals het aan degelijke krijgslieden en hoofdmannen voegt, om te beraadslagen."

"Wilt gij niet liever bij ons komen?"

"Neen; wij behooren elkander te eeren door ieder van zijn kant den andere halverwegen tegemoet te komen."

"Dan zou ik met u op het open grasveld zitten, en onbeschut blootgesteld zijn aan de kogels van uw metgezellen."

"Ik geef u mijn woord, dat u geen leed geschieden kan. Zij zouden alleen dan schieten, als uw krijgslieden mij een kogel zonden. Dan waart gij natuurlijk een verloren man."

"Als Old Shatterhand zijn woord geeft kan men er op vertrouwen: dat is hem even heilig als de groote eed. Ik zal dus komen. Hoe zal de groote blanke jager gewapend zijn?"

"Ik zal al mijn wapenen afleggen en hier achterlaten; maar u staat het vrij, te doen zooals gij goedvindt."

"De Groote Wolf zal geen schande op zich laden, door minder moed en vertrouwen aan den dag te leggen. Kom dus maar naar beneden!"

De hoofdman legde zijn wapenen neer waar hij stond, in het gras, en wachtte toen Old Shatterhand af.

"Gij waagt te veel," antwoordde Jemmy hem. "Zijt gij inderdaad overtuigd, dat gij het durft besteken?"

"Ja. Als de hoofdman eerst achteruit was getreden om met de zijnen te beraadslagen, of hun een bevel of een wenk te geven, dan zou ik argwaan opgevat hebben. Maar daar hij dat niet gedaan heeft, moet ik hem vertrouwen."

"En wat moeten wij ondertusschen doen?"

"Niets. Zonder dat men het beneden merkt legt gij uw geweren op hem aan, en schiet hem terstond neer als ik aangevallen word."

Hij klom van de rots af, en toen traden de twee langzaam op elkander aan. Zoodra zij dicht genoeg bij elkander waren, stak Old Shatterhand den hoofdman de hand toe, en zei: "Ik heb den Grooten Wolf nog nooit gezien; maar ik heb dikwijls gehoord, dat hij in de beraadslaging de verstandigste en in het gevecht de dapperste is. Het doet mij dus genoegen thans zijn aangezicht te zien, en hem als vriend te kunnen begroeten."

De Indiaan deed juist alsof hij niet zag, dat de blanke hem de hand aanbood, nam hem met een doordringenden blik op van het hoofd tot de voeten, en toen op den grond wijzende, antwoordde hij: "Laat ons gaan zitten! De weerbare mannen der Utahs hebben hun strijdbijlen tegen de bleekgezichten moeten opgraven, en er is dus niet één blanke, dien ik als vriend begroeten kan."

Hij ging zitten, en Old Shatterhand deed insgelijks, vlak tegenover hem. Het vuur was uitgegaan; naast de asch lagen nog altijd Knox en Hilton, die òf in erge mate bewusteloos òf misschien wel dood moesten zijn, daar zij nog altoos bewegingloos lagen. Old Shatterhand's mustang had de indianen geroken, nog eer de hoofdman zijn stem had doen hooren, en was snuivend achterwaarts geweken tot bij de rots. Ook de oude muilezel van Davy had zulk een fijnen neus, en had het voorbeeld van den hengst gevolgd. De paarden van Frank en Jemmy, ziende wat de andere deden, deden insgelijks, zoodat de vier dieren nu vlak bij de rots stonden; en uit hun houding en geheele manier van zijn bleek ten duidelijkste, dat ook zij het gevaar beseften, waarin zoowel zij en hun meesters verkeerden.

Geen der twee tegenover elkander zittenden scheen het gesprek te willen beginnen. Old Shatterhand zat rustig wachtende op den grond te kijken, en scheen zoo onbekommerd, alsof hem hoegenaamd niets kwaads overkomen kon. De Roodhuid daarentegen kon zijn uitvorschend oog niet van den blanke afhouden. De verf, die dik op zijn aangezicht gesmeerd zat, maakte het onmogelijk de uitdrukking er van te bespieden; maar de breed en min of meer naar beneden getrokken mondhoeken schenen aan te duiden, dat hij zich van den veel besproken jager een geheel andere voorstelling gemaakt had, waaraan zijn uiterlijke gedaante, zooals hij die thans vóór zich zag, volstrekt niet beantwoordde. Dit bleek, toen hij eindelijk de bijna als ironie klinkende opmerking maakte: "De roep van Old Shatterhand is groot; maar de groei van zijn gestalte is daaraan niet geëvenredigd."

Old Shatterhand was wel is waar iets grooter dan de meeste mannen van middelbare lengte; maar een reuzengestalte had hij volstrekt niet. En de Roodhuid had zich den jager altijd voorgesteld als een echten Goliath. Met een glimlachje antwoordde Old Shatterhand: "Wat heeft de groei der gestalte te maken met den roep? Zou ik, van mijn kant, nu den hoofdman der Utahs moeten antwoorden: De gestalte van den Grooten Wolf is groot, maar zijn roep, zijn dapperheid, is daaraan niet geëvenredigd?"

"Dat zou een beleediging zijn," antwoordde de Roodhuid met vlammenschietende oogen, "waarop ik u terstond verlaten zou, om bevel te geven den strijd te beginnen."

"Waarom veroorlooft gij u dan zulk een opmerking over mijn gestalte? Wel kunnen uw woorden een Old Shatterhand niet beleedigen, maar zij verraden toch een kleinachting, die ik niet mag dulden. Ik ben minstens een even groot hoofdman als gij; ik zal wellevend met u spreken en verlang van u dezelfde wellevendheid. Dat moet ik u zeggen, voordat wij ons onderhoud beginnen, want anders zou dat toch niet tot een gewenscht doel kunnen leiden."

Hij was het aan zich zelf en zijn drie medestanders verplicht, den Roodhuid deze terechtwijzing te geven. Hoe krachtiger hij optrad, des te meer indruk maakte hij; en juist van den indruk, dien hij op dit oogenblik maakte, hing grootendeels af, hoe de toestand, waarin hij en de zijnen zich bevonden, zou eindigen.

"Er is maar één doel en geen ander," verklaarde de Groote Wolf.

"En dat is?"

"Uw dood!"

"Dat zou een moord zijn, want wij hebben u niets gedaan."

"Wij vinden u in gezelschap van de moordenaars, die wij vervolgen!"

"Gelooft gij dan, dat ik er bij geweest ben, toen zij u des nachts overvallen hebben?"

"Neen! Old Shatterhand is geen paardendief: hij zou hen daarvan teruggehouden hebben."

"Welnu, waarom behandelt gij mij dan nog als vijand?"

"Omdat gij met hen meegereden zijt."

"Neen, dat is onwaar. Zend een uwer lieden terug op ons spoor. Hij zal spoedig ontdekken, dat die twee kerels na ons gekomen zijn en toen ons spoor hebben gevolgd."

"Dat verandert niets aan de zaak. De bleekgezichten hebben ons in vollen vrede overvallen, onze paarden geroofd, en velen van onze krijgslieden gedood. Onze verbittering was groot, en onze bedachtzaamheid niet kleiner. Wij hebben wijze mannen afgevaardigd, om straf voor de schuldigen en schadevergoeding voor onze verliezen te vragen. Men heeft hen uitgelachen en afgewezen. Daarom hebben wij de tomahawks opgegraven en gezworen, dat, tot onze wraak voleindigd is, iedere blanke, die in onze handen valt, gedood zal worden. Dien eed moeten wij houden, en gij zijt een blanke."

"Maar een blanke, die onschuldig is."

"Waren mijn krijgslieden, die men gedood heeft, dan óók niet onschuldig? Verlangt gij van ons, dat wij barmhartiger moeten zijn, dan onze tegenstanders en moordenaars?"

"Wat er gebeurd is betreur ik. De Groote Wolf moet weten, dat ik een vriend der roode mannen ben."

"Dat weet ik; en toch zult ook gij moeten sterven. Als de onrechtvaardige bleekgezichten, die met onze klachten spotten, vernemen, dat zij door hun gedrag den dood van vele onschuldigen en zelfs den dood van Old Shatterhand op hun geweten hebben, dan zal dat hun misschien een leer zijn voor het vervolg, om verstandiger en rechtvaardiger te handelen."

Dat klonk gevaarlijk. De Indiaan sprak in vollen ernst, en de gevolgtrekking, die hij maakte, was allesbehalve onlogisch. Maar toch antwoordde Old Shatterhand: "De Groote Wolf denkt slechts aan zijn eed, maar niet aan de gevolgen daarvan. Wanneer gij ons ter dood brengt, zal er een kreet van verontwaardiging over de bergen en prairiën weergalmen, en duizenden bleekgezichten zullen zich ten strijde opmaken, om onzen dood te wreken. Die wraak-oefening zal des te strenger wezen, omdat wij altijd de vrienden der roode mannen geweest zijn."

"Wij--dus gij niet alleen? Bedoelt gij met dat woord uw drie metgezellen? Wie zijn dat dan?"

"De eene heet Hobble-Frank, en dien zult gij misschien niet kennen; maar den naam der twee anderen hebt gij stellig dikwijls gehoord: den dikken Jemmy en den langen Davy."

"Ja, die twee ken ik. Men heeft nooit den een zonder den ander gezien, en ik heb nooit gehoord dat zij vijanden van de Indianen zijn. Maar juist daarom zal hun dood aan de onrechtvaardige hoofdmannen der blanken doen zien, hoe onverstandig het van hen geweest is, onze afgevaardigden kortweg af te wijzen. Uw lot is beslist; maar gij zult een eervollen dood sterven. Gijlieden zijt dappere en beroemde mannen, en zult den allerfolterendsten dood sterven dien wij voor u kunnen uitdenken. Dien zult gij doorstaan, zonder dat uw ooghaartjes zich bewegen, en de mare daarvan zal weerklinken door het gansche land. Daardoor zal uw roem nog schitterender worden, dan die tot nu toe reeds was, en in de eeuwige jachtgronden zult gij tot de hoogste eer geraken. Ik hoop dat gij erkennen zult, welk een eer wij u zoodoende bereiden, en dat gij er ons dankbaar voor wezen zult."

Old Shatterhand voelde zich volstrekt niet gestreeld door de groote onderscheiding, die hem in uitzicht gesteld werd. Hij liet echter niets daarvan blijken, en antwoordde: "Uw bedoeling is zeer goed, en ik ben er u dankbaar voor. Maar degenen, die ons wreken zullen, zullen er volstrekt niet dankbaar voor zijn."

"Ik belach hen; zij kunnen komen!"

"Verbeeldt gij u, dat gij hen overwinnen zult, dat gij hen bij honderdtallen zult kunnen tellen?"

"Owoets-awaat is niet gewend om zijn vijanden te tellen. En weet gij niet hoe talrijk wij dan zullen zijn? Al de krijgslieden zullen zich verzamelen van de Weawers, van de Oeienta, van de Yampa, van de Sampietsjes, van de Pah-vants, van de Wimminoetsjes Elks, van de Capotes, van de Païs, van de Tasjes, van de Moeatsjes en van de Tabequatsjes. Al die volkeren behooren tot den stam der Utahs: zij zullen de blanke krijgslieden verpletteren!"

"Ga dan eens naar het Oosten, en tel ook de blanken eens! En welke krijgsoversten zullen zij hebben! Er zullen ons wrekers opstaan, waarvan een enkele opweegt tegen vele, vele Utahs!"

"Wie dan alzoo?"

"Ik zal er maar één noemen, namelijk Old Firehand."

"Dat is een held; hij is onder de bleekgezichten, wat de Grizly onder prairie-honden is," erkende de hoofdman. "Maar dat zou ook de eenige zijn: een tweede kunt gij mij niet noemen."

"O, ik zou er nog vele, zeer vele kunnen noemen; maar van slechts één wil ik u nog den naam zeggen: Winnetou, dien gij wel kennen zult."

"Wie zou dien niet kennen; maar als ik hem hier had, zou hij ook moeten sterven; hij is onze vijand."

"Neen, hij waagt zijn leven voor den minste zijner roode broeders."

"Zwijg daarover! Hij is de hoofdman der Apachen. De blanken voelen zich te zwak tegen ons; zij hebben naar de Navajos gezonden, en die tegen ons opgehitst."

"Weet gij dat al?"

"De oogen van den Grooten Wolf zijn scherp, en aan zijn ooren kan het minste geruisch niet ontgaan. Behooren de Navajos niet tot den stam der Apachen? Moeten wij dus Winnetou niet als onzen vijand beschouwen? Wee hem als hij in onze handen valt."

"En wee dan ook u? Ik waarschuw u. Gij zoudt niet alleen de krijgslieden der blanken tegen u hebben, maar tevens vele duizenden der krijgslieden van de Mescaleros, van de Llaneros, van de Xicarillas, Taracones, Navajos, Tsjiriguamïs, Pilanenjos, Lipans, Coppers, Gilas en Mimbrenjos, die immers allen tot den stam der Apachen behooren? Die allen zouden tegen u te velde trekken; en de blanken zouden niets anders behoeven te doen, dan rustig gade te slaan, hoe de Utahs en de Apachen bezig waren elkander te verdelgen. Wilt gij aan uw bleeke vijanden werkelijk dat pleizier verschaffen?"

De hoofdman keek voor zich op den grond, en antwoordde na een korte pauze: "Gij hebt de waarheid gezegd; maar de bleekgezichten dringen van alle kanten op ons aan, zij overstroomen ons, en de roode man is gedoemd, om een langzamen en smartelijken marteldood te sterven. Is het dan niet beter voor hem, den strijd zoo te voeren, dat hij spoediger sterft en spoediger vernietigd wordt? De blik, dien gij mij in de toekomst laat slaan, kan mij niet weerhouden, maar moet mij veeleer aansporen, de strijdbijl zonder genade en zonder aanzien des persoons te gebruiken. Geef u dus geen verdere moeite, het blijft bij hetgeen ik gezegd heb."

"Dat gij ons dus aan den martelpaal wilt laten sterven?'

"Ja. Wilt gij u schikken in het lot, dat mijn woorden u hebben aangekondigd?"

"Ja," antwoordde Old Shatterhand zoo doodbedaard, dat de Roodhuid als in verrassing uitriep: "Geef dan uw wapenen maar over!"

"Neen, dat zullen wij nu eigenlijk nog niet doen!"

"En gij zegt, dat gij u in uw lot wilt schikken!" riep de andere op een toon van groote verwondering.

"Natuurlijk! Wij zullen ons schikken in het lot, dat uw woorden ons aangekondigd hebben. Maar wat hebt gij gezegd? Dat gij iederen blanke, die in uw handen valt, dooden zult. Is het niet zoo?"

"Ja, dat heb ik gezegd," knikte de Roodhuid toestemmend, zichtbaar nieuwsgierig wat Old Shatterhand nu nog kon antwoorden.

"Welnu, dood ons dan, zoodra wij in uw handen gevallen zijn; maar op dit oogenblik is dat het geval nog niet."

"Oef! Denkt gij ons dan nog te kunnen ontkomen?"

"Zeer zeker denk ik dat."

"Maar dat is immers onmogelijk! Weet gij wel hoeveel krijgslieden ik bij mij heb? Over de tweehonderd!"

"Zoo weinig maar?! Gij hebt toch stellig wel eens hooren vertellen, dat reeds vrij wat talrijker troepen tevergeefs getracht hebben mij te vangen of vast te houden."

"Maar tweehonderd en gij slechts met uw vieren! En er is geen enkel gaatje waardoor gij ontsnappen kunt."

"Dan zullen wij zulk een gaatje maken."

"Daarbij wordt gij immers gedood!"

"Misschien ja. Maar hoeveel krijgslieden van u zullen daarbij het leven inschieten? Ieder van mijn metgezellen neemt er minstens twintig voor zijn rekening; en ik voor mij, ik zal er stellig ver over de vijftig het licht uitgeblazen hebben, eer gij mij in handen krijgt."

Hij zei dit op zulk een toon van vaste overtuiging, dat de Roodhuid hem vol verbazing aankeek, maar dadelijk daarop in een akeligen schaterlach uitbarstte; en een minachtende beweging met zijn hand makende, zei hij: "Nu loopen uw gedachten te spelen, geloof ik. Gij zijt een knap jager, maar hoe zoudt gij vijftig man kunnen doodschieten?"

"O, zeer gemakkelijk! Hebt gij nooit gehoord welk wapen ik heb?"

"Ze zeggen dat gij een geweer hebt, waarmee gij kunt schieten in het oneindige zonder dat gij ooit behoeft te laden; maar daar geloof ik niets van; want dat is een onmogelijkheid."

"Wil ik u dat eens laten zien?"

"Ja, laat mij dat eens zien!" riep de hoofdman, als geëlectriseerd door de gedachte, dat hij dat geheimzinnige wonder-geweer, waarover zooveel fabelachtige praatjes in omloop waren, eens zou kunnen zien.

Hij stond op, om zijn karabijn te halen. Zooals de zaken stonden, moest hij allereerst trachten, den Indianen, in weerwil van hun groote overmacht, vrees aan te jagen; en daartoe was die karabijn het beste middel. Hij wist welke en hoeveel legenden over dat wapen onder de Roodhuiden in omloop waren. Zij hielden het voor een toover-geweer, dat de groote Manitou aan den jager gegeven had, om hem onverwinnelijk te maken.

"Hier is het geweer; bekijk het nu maar eens goed!"

De Indiaan stak er gretig zijn hand naar uit; maar hij trok die terstond weer achteruit, en vroeg: "Mag ook iemand anders dan gij het aanraken? Als het werkelijk het toover-geweer is, moet het ieder, aan wien het niet toebehoort, zoodra hij het aanraakt gevaar brengen."