De schat in het Zilvermeer

Chapter 31

Chapter 314,020 wordsPublic domain

Na verloop van een vrij langen tijd liep dit pad uit op een open vlakte, met in het midden verscheiden groote op elkander gestapelde rotsblokken. Hier hield Old Shatterhand halt, terwijl hij zei: "Hier is de plaats, waar wij aan onze paarden een poosje rust willen gunnen, en in dien tijd kunnen wij onze prairie-honden braden en water hebben wij ook, zooals gij ziet."

Er stroomde namelijk van onder die steenen een beekje te voorschijn, dat kronkelend de vlakte doorliep, en dan in het bosch onzichtbaar werd. De ruiters stegen af, ontdeden de paarden van hun gebit, om hen te laten grazen, en zochten toen droog hout op, om vuur aan te maken. Jemmy nam de taak op zich, de prairie-honden van hun huid en ingewand te ontdoen en Old Shatterhand ging op verkenning uit of zij hier veilig waren.

Het bosch was namelijk slechts drie kwartier gaans breed, en werd dwars door het Indianen-pad doorsneden. De open vlakte lag ongeveer in het midden.

Het duurde niet lang of het vleesch, dat over het vuur hing, begon te braden en een niet onaangename geur vervulde den omtrek. Toen keerde Old Shatterhand terug. Hij was met snelle schreden naar den anderen zoom van het bosch gegaan, waar men het uitzicht had ver weg over een open prairie. Zijn oog had niets verdachts ontdekt, zoodat hij aan het drietal kwam mededeelen, dat men hier veilig was en geen overrompeling te vreezen had.

Een uur later waren de prairie-honden gebraden, en Old Shatterhand nam er een stuk van.

"Hum!" bromde Hobble-Frank. "Hondenvleesch eten! Als iemand het vroeger in zijn hersens gekregen had, mij te voorspellen, dat ik den besten vriend van den mensch tusschen mijn tanden fijn zou kauwen, zou ik hem een antwoord gegeven hebben, waarvan hem de haren te berge gerezen zouden zijn. Maar ik heb honger nu, en ik moet het dus probeeren."

"Maar 't is geen hond!" zei Jemmy. "Gij hebt immers gehoord, dat dit mormeldier louter prairie-hond genoemd wordt, omdat het zulk een keffende stem heeft."

"Dat verandert aan de zaak zelf niemendal. Dat maakt het veeleer nog erger. Gebraden mormeldier! Wie zou het in zijn hersens kunnen krijgen er naar te talen! Een mensch is toch tusschenbeide genoodzaakt tot vreemde dingen. Enfin, wij zullen zien."

Hij nam een stukje borstvleesch, en proefde het met lange tanden; maar zijn gezicht klaarde op; hij stak een grooter stukje in zijn mond, en zei kauwende: "Warendig niet kwaad! Het smaakt bijna als karniekl, maar toch niet zoo fijn als een gebraden sikje. Jongens! ik vrees dat er van die twee honden niet veel over zal blijven."

"Ja, wij moeten toch iets voor den avond bewaren," antwoordde Jemmy. "Wij weten niet of wij vandaag nog wel iets zullen schieten."

"Ik zorg nooit voor de toekomst; ik zeg altijd maar: Geen ellende vóór den tijd. Als ik moe ben, en mij in de armen van Orpheus kan werpen, ben ik voorshands alweer tevreden."

"Morpheus heet hij," verbeterde Jemmy.

"Verkoop nu maar geen wijsneuzerij. Gij zult mij zoo mal niet krijgen, dat ik mijn Orpheus nog met een Emme opscheep. Ik weet hoe zijn naam is. In het dorp Klotsche bij Moritzburg hadden wij een zangvereeniging, die Orpheus in de Bovenwereld heette; die kerels zongen zoo verrukkelijk, dat de toehoorders altijd in een zoeten dut er van vielen. En daarom is uit Klotsche ook het spreekwoord afkomstig: In de armen van Orpheus zinken. Houdt dus uw wijsheid maar thuis, en eet uw prairie-hond liever zonder praatjesmakerij, die met een man van mijn ondervinding niet opgaat. Gij weet, ik ben geen kwade kerel; maar als iemand mij onder mijn eten met een Morpheus komt vervelen, dan word ik allicht een beetje kitteloorig!"

Old Shatterhand gaf een wenk aan Jemmy, dat hij maar zwijgen moest, opdat men ten minste ongestoord af zou kunnen eten. Maar dit belette niet, dat er toch een andere stoornis op de komst was, en niet uitging van den kleinen, kort aangebonden Hobble-Frank.

Toen de vier mannen zich volkomen veilig waanden, verkeerden zij in een groote dwaling. Er was gevaar voor hen in aantocht, in de gedaante van twee troepen ruiters, die hun koers genomen hadden op het bosch aan.

De een van die troepen was klein: hij bestond slechts uit twee ruiters, die van het noorden afkwamen en op het spoor van Old Shatterhand en zijn metgezellen stootten. Zij hielden halt en sprongen van hun paarden, om het spoor te onderzoeken. De manier, waarop zij daarbij te werk gingen, deed vermoeden, dat zij geen onervaren Westmannen waren. Zij waren goed gewapend; maar hun kleeding zag er vrij haveloos uit. Aan sommige kleinigheden kon men zien, dat zij in den laatsten tijd stellig geen goede dagen beleefd hadden. Wat hun paarden betrof, die waren flink en goed gevoed, maar zonder zadel, ook ongetoomd, en slechts van een halster voorzien. Op die wijze laten de Indianen doorgaans hun paarden grazen in de nabijheid van hun legerplaats.

"Wat denkt gij van dit spoor, Knox?" vroeg een der twee. "Zouden wij misschien Roodhuiden voor ons hebben?"

"Neen," antwoordde de andere zeer bepaald.

"Blanken dus? Waar maakt gij dat uit op?"

"De paarden waren beslagen, en de ruiters reden niet achter elkander, zooals de Roodhuiden doen, maar naast elkander."

"En met hun hoeveel zijn zij?"

"Slechts met hun vieren. Wij hebben dus niets te vreezen, Hilton!"

"Behalve wanneer het soldaten zijn."

"_Pshaw!_ Ook dan niet. Op een fort durven wij ons wel niet laten zien; want daar zijn zooveel oogen en vragen, dat wij ons stellig verraden zouden. Maar vier cavaleristen, die zullen niet veel uit ons krijgen. Hoe zouden zij overigens op het vermoeden kunnen komen, dat wij tot de blanken behooren, die de Utahs overvallen hebben?"

"Dat denk ik nu ook wel niet; maar de duivel speelt den mensch somwijlen rare parten, zonder dat men er van te voren iets van vermoed heeft. Wij verkeeren eigenlijk in een ellendigen toestand. Door de Roodhuiden zoogoed als vogelvrij verklaard, en door de soldaten overal gezocht, dolen wij in het gebied der Utahs rond. Het is van ons dom geweest, dat wij ons door dien roodharigen kornel en zijn tramps gouden bergen hebben laten voorspiegelen."

"Dom? Neen, dat niet. Spoedig rijk te kunnen worden, is een mooi ding; en ik wanhoop er nog volstrekt niet aan. De kornel zal met den anderen troep wel spoedig komen opdagen, en dan behoeven wij ons niet ongerust meer te maken."

"Maar tusschen nu en dan kan er heel wat gebeuren."

"Dat ben ik met u eens. Wij moeten trachten hoe eer hoe beter uit den benarden toestand van het oogenblik te komen. Als ik daarover nadenk, zie ik maar één middel daartoe: en dat middel biedt zich thans aan als vanzelf."

"En waarin bestaat dat middel?"

"Wij moeten ons best doen om blanken te vinden, bij wie wij ons kunnen aansluiten. In hun gezelschap zullen wij voor jagers doorgaan, en niemand zal op de gedachte komen, om ons voor lieden te houden, die in eenigerlei betrekking staan met hen, die de Utahs genoodzaakt hebben om hun oorlogstuig op te graven."

"En denkt gij, dat wij zulke mannen vóór ons hebben?"

"Ja, dat vermoed ik. Zij zijn naar het bosch. Wij zullen hen volgen."

Zij reden, Old Shatterhands spoor volgende, op het bosch aan. Daarbij spraken zij over hetgeen zij reeds beleefd hadden, en over hetgeen zij nu van plan waren te doen. Uit hetgeen zij elkander vertelden, bleek nu tamelijk duidelijk, dat zij volgelingen waren van den roodharigen kornel.

Deze had zijn troep, die, zooals men zich herinneren zal, uit de twintig aan den Eagle-tail den dans ontsprongen tramps bestond, trachten te vergrooten. Hij was tot het besef gekomen, dat zijn handvol onderhebbenden hoogst waarschijnlijk daarboven in het gebergte erg gedund zou worden door de Indianen, en dat twintig man dus veel te weinig waren. Daarom had hij op zijn rit door Colorado getracht, overal aanhangers te werven. Dat waren natuurlijk allen menschen zonder middel van bestaan, naar wier moraliteit geen onderzoek noodig was. Onder hen bevonden zich ook Knox en Hilton, de twee, die nu op het bosch aanreden. De troep van den kornel was al spoedig zoo groot geworden, dat die opzien moest baren, en dat het proviandeeren voor zooveel monden van dag tot dag moeilijker werd. Daarom had de kornel besloten zijn troep te splitsen. Met de eene helft wilde hij in de streek van La Veta over de Rocky Mountains gaan, en de andere helft zou de richting naar Morriso en Georgetown nemen, om van daar het gebergte over te komen. Daar Knox en Hilton mannen van ondervinding waren, moesten die de tweede afdeeling commandeeren, een opdracht die zij gaarne op zich genomen hadden. Zij waren gelukkig over de bergen gekomen, en hadden in de streek van Breekenridge halt gehouden. Daar was hun het ongeluk overkomen, dat de losgebroken stoeterij van een haciendero hun voorbij was gedraafd, en dat hun eigen paarden zich losgerukt hadden, en met de andere op den loop waren gegaan. Om in het bezit van nieuwe paarden te komen, hadden zij later de legerplaats van een troep Utah-Indianen overvallen, en waren door de Indianen vervolgd en verslagen geworden. Slechts zes waren het ontkomen. Maar de Roodhuiden zaten ook de zes op de hielen; vier hunner waren gisteren nog gevallen, en de twee aanvoerders, Knox en Hilton, waren de eenigen, die het geluk gehad hadden aan de wrekende pijlen der Indianen te ontkomen.

Daarover waren zij aan het spreken, toen zij het bosch naderden. Daar aangekomen, vonden zij het Indianen-pad en volgden dat. Zoo bereikten zij de open vlakte, juist op het oogenblik, toen de kleine kibbelpartij tusschen Jemmy en Hobble-Frank geëindigd was.

Toen zij het bij het vuur zittende gezelschap gewaarwerden, hielden zij een oogenblik halt, doch begrepen dadelijk, dat zij van die lieden slechts goed en geen kwaads te verwachten hadden.

"Dus, jagers, begrepen?" fluisterde Knox tegen Hilton.

"Ja," antwoordde deze. "Maar zij zullen ons vragen waar wij vandaan komen!"

"Dan laat gij mij maar antwoorden."

Nu zag Old Shatterhand de twee. Een ander zou geschrikt zijn; maar bij hem was schrikken een onmogelijkheid. Hij nam zijn karabijn in de hand, en nam hen, terwijl zij naderbij kwamen, goed op van het hoofd tot de voeten.

"_Good day_, messieurs!" groette Knox. "Is het ons vergund, hier bij u een weinig uit te rusten?"

"Ieder eerlijk man is ons welkom," antwoordde Old Shatterhand, terwijl hij met een doordringenden blik nogmaals de ruiters en toen hun paarden opnam.

"Wij willen hopen, dat gij ons niet voor het tegendeel houdt," zei Hilton, terwijl hij den scherpen blik van den jager, naar het scheen, goed doorstond.

"Ik oordeel over mijn medemenschen alleen dan, wanneer ik hen heb leeren kennen."

"Nu, vergun ons dan, dat wij u de gelegenheid daartoe geven."

De twee waren afgestegen, en namen plaats bij het vuur. Zij hadden stellig honger, want zij wierpen vrij verlangende blikken naar het gebraden vleesch. De goedhartige Jemmy schoof hun eenige stukken er van toe, en spoorde hen aan om te eten, hetgeen zij zich geen tweemaal lieten zeggen. Nu verbood de wellevendheid vragen tot hen te richten; de tijd totdat zij genoegzaam hun honger gestild hadden, werd dus zwijgend doorgebracht.

De reeds vermelde andere troep, die van de andere zijde op het bosch aankwam, bestond uit een schaar van omstreeks tweehonderd Indianen. Old Shatterhand was wel ook aan dien kant op verkenning uit geweest; maar toen hij de prairie, die zich daar opende, overzag, had hij de in vollen ren aankomende Roodhuiden nog niet kunnen zien, doordien ze zich op dat oogenblik nog achter een vooruitspringenden hoek van een bosch bevonden. Ook zij moesten de streek nauwkeurig kennen, want zij hielden regelrecht op den uitgang van het smalle woudpad aan, langs welks ingang de blanken naar de open ruimte waren gekomen.

De Roodhuiden bevonden zich op een krijgstocht: dat kon men zien aan de schelle kleuren, waarmede zij hun gezichten geverfd hadden. De meesten waren gewapend met geweren, slechts enkelen met pijl en boog. Aan het hoofd van den troep reed een reusachtige gestalte, die hun hoofdman was, want vóór op zijn schedel droeg hij de veer van een adelaar. Zijn ouderdom was niet te herkennen, want ook zijn gelaat was geheel bedekt met zwarte, gele en roode strepen. Aan het pad aangekomen, steeg hij, om dat te onderzoeken, af. De voorste krijgslieden van den stoet, die vlak achter hem waren, zagen in gespannen verwachting aan hoe hij begon. Daar snoof een paard. Hij hief waarschuwend de hand omhoog, en de berijder van dat dier hield het terstond de neusgaten dicht. Daar de hoofdman door zijn waarschuwende handbeweging tot de grootste stilte aanmaande, moest hij iets verdachts ontdekt hebben. Hij liep langzaam, voetje voor voetje en met zijn bovenlijf diep ter aarde gebogen, een kort eind weegs op het pad verder het bosch in. Vervolgens terugkeerende, zei hij fluisterend in de taal der Utahs, die deel uitmaakt van den Sjosjonischen tak van den Sorarataalstam: "Er is hier een bleekgezicht geweest vóór den tijd, dien de zon noodig heeft om een spanne ver te loopen. De krijgslieden der Utahs zullen zich met hun paarden onder de boomen verbergen. Owoets-awaat zal gaan om het bleekgezicht te zoeken."

De hoofdman, die nog iets langer, breeder en dikker was dan Old Firehand, heette dus Owoets-awaat, hetgeen beteekent: de Groote Wolf. Hij sloop toen weer het bosch in. Toen hij ongeveer een half uur later terugkwam, was er niet een van zijn onderhebbenden te zien. Hij floot even, en dadelijk kwamen de Roodhuiden van onder de boomen te voorschijn, terwijl zij de paarden daar achterlieten. Hij gaf een wenk, waarop de onder-aanvoerders, vijf of zes in getal, op hem toetraden.

"Zes bleekgezichten kampeeren bij de rotsen," sprak hij tot hen. "Dat zijn waarschijnlijk de zes, die het gisteren ontkomen zijn. Zij eten vleesch, en hun paarden loopen te grazen bij hen. Mijn broeders kunnen mij volgen tot daar, waar dit pad ten einde loopt; dan splitsen zij zich; de eene helft sluipt naar rechts, de andere helft naar links, totdat hun legerplaats omsingeld is. Dan zal ik het sein geven, waarop de roode krijgslieden dadelijk te voorschijn komen. De blanke honden zullen zoo verschrikt zijn, dat zij er niet aan denken tegenweer te bieden. Wij zullen hen met onze handen kunnen grijpen en naar het dorp sleuren, om hen daar aan een paal te binden. Vijf man blijven hier om de vastgebonden paarden te bewaken. _Howgh!_"

Dit laatste woord dient ter bekrachtiging, en heeft ongeveer dezelfde beteekenis als onze woorden: "Het zij zoo" of "basta" of "daarmee afgepraat!" Als een Indiaan dat woord uitspreekt, geeft hij daarmee te kennen, dat hij het onderwerp beschouwt als geheel afgehandeld.

Met hun hoofdman voorop, drongen de Roodhuiden het pad in het bosch in, zoo zacht, dat er geen zweempje van gedruisch of geritsel gehoord werd. Toen zij de plaats bereikten, waar het pad op de open vlakte uitliep, gingen zij naar weerszijden uit elkander, om de open ruimte te omsingelen. Te paard zou niemand zich in het bosch een doortocht hebben kunnen banen; maar te voet, en vooral voor de lenige gestalte van de Indianen, was dat mogelijk.

De blanken hadden pas hun maaltijd geëindigd. Hobble-Frank schoof zijn bowie-mes in zijn gordel en zei, om door de twee pas aangekomenen verstaan te worden natuurlijk in het Engelsch: "Nu hebben wij gegeten en de paarden zijn uitgerust, dus kunnen wij nu opbreken, om nog vóór den nacht de plaats van onze bestemming te bereiken."

"Ja," merkte Jemmy aan. "Maar vóór alles dienen wij toch elkander te leeren kennen, en te vernemen of onze wegen niet uiteenloopen."

"Juist!" zeide Knox, met een vriendelijk hoofdknikje. "Als ik vragen mag, wat is vandaag de plaats van uw bestemming?"

"Wij rijden naar de Elk-bergen."

"Wij ook. Dat treffen wij al zeer mooi. Dan kunnen wij de reis gezamenlijk doen."

Old Shatterhand zei geen woord. Hij gaf tersluiks een wenk aan Jemmy, om voort te gaan met vragen; want hij wilde eerst dan spreken, als hij den tijd daartoe gekomen achtte.

"Dat vind ik niet kwaad," antwoordde de dikke. "En waar wilt gij dan verder heen?"

"Dat is nog onbepaald. Misschien naar de Greenrivier, om naar bevers te zoeken."

"Daar zult gij er niet veel vinden. Wie dikstaarten (= bevers) vangen wil, moet meer naar het noorden gaan. Dus gijlieden zijt trappers, beverjagers?"

"Ja. Mijn naam is Knox, en mijn kameraad heet Hilton."

"Maar waar zijn dan uw bever-vallen, master Knox? want als gij die niet hebt, zult gij niet veel vangen, vrees ik."

"Die zijn ons daarbeneden aan de San Juan-rivier, door dieven ontstolen, waarschijnlijk door Indianen. Misschien komen wij wel aan een kamp, waar wij andere zullen koopen. Dus hebt gij er niets tegen, dat wij ons naar de Elk-bergen bij u aansluiten?"

"Mij is het goed, als mijn kameraden het ook goedvinden."

"Mooi, master! mogen wij dan nu ook naar uw namen vragen?"

"Waarom niet? Mij noemt men den dikken Jemmy; en mijn buurman rechts..."

"Stellig den langen Davy?" viel Knox hem schielijk in de rede.

"Juist! Dat hebt gij goed geraden."

"Natuurlijk! Gij zijt beiden wijd en zijd overbekend; en waar de dikke Jemmy is, daar behoeft men ook niet lang naar zijn Davy te zoeken. En die kleine master hier aan uw linkerhand?"

"Dien noemen wij Hobble-Frank, een ferm kereltje, zooals u spoedig genoeg blijken zal."

Frank wierp, zichtbaar gestreeld, een dankbaren blik op den spreker, en deze vervolgde: "En de laatste naam, dien ik u nog te noemen heb, is stellig nog beter bekend, dan de mijne. Ik denk ten minste wel, dat gij wel eens van Old Shatterhand hebt hooren spreken."

"Old Shatterhand?" riep Knox, met alle kenteekenen van aangename verrassing. "Is het wezenlijk waar, sir! dat gij Old Shatterhand zijt?"

"Waarom zou dat niet waar zijn?" antwoordde de genoemde.

"Vergun mij dan u te zeggen, dat het mij onuitsprekelijk veel genoegen doet, kennis met u te maken."

Dit zeggende stak hij den jager de hand toe, en keek meteen vluchtig Hilton aan met een blik, die aan dezen duidelijk te kennen gaf: "Toon ook, dat gij blijde zijt, want nu zijn wij geborgen. Als wij bij dezen beroemden man zijn, hebben wij niets meer te vreezen."

Old Shatterhand deed echter alsof hij de hem toegereikte hand niet zag, en antwoordde ijskoud: "Doet u dat inderdaad genoegen? Dan is het jammer, dat ik in uw genoegen niet kan deelen."

"Waarom niet, sir?"

"Omdat gij beiden lieden zijt, met wie het iemand volstrekt geen genoegen kan doen kennis te maken."

"Hoe bedoelt ge dat?" vroeg Knox, geheel uit het veld geslagen door zulk een onverbloemd antwoord. "Ik houd het er voor, dat gij schertst, sir!"

"Integendeel, ik zeg u in vollen ernst wat ik meen. Gij zijt zulk een paar zwendelaars, en misschien iets nog veel ergers."

"Oho! Denkt gij, dat wij ons zulk een beleediging zoetsappig zullen laten welgevallen?"

"Ja, dat is juist wat ik denk. Wat zoudt gij anders kunnen doen?"

"Kent gij ons dan?"

"Volstrekt niet. En dat zou ook geen eer voor mij zijn."

"Sir! gij wordt hoe langer hoe kwetsender. Men beleedigt geen mensch, met wien men kort van te voren zijn maaltijd heeft gedeeld. Kunt gij ons bewijzen, dat wij zwendelaars zijn?"

"Waarom zou ik dat niet kunnen?"

"Omdat het u onmogelijk is. Gij erkent zelf, dat gij ons volstrekt niet kent. Gij hebt ons nooit gezien. Hoe wilt gij dan bewijzen, dat uw woorden op waarheid gegrond zijn?"

"_Pshaw!_ Geef u toch geen noodelooze moeite; en houdt toch in 's hemels naam Old Shatterhand niet voor zóó dom, dat hij zich door lieden van uw stempel knollen voor citroenen laat verkoopen. Zoodra ik u zag heb ik geweten, waaraan ik mij met u te houden had, en wat gijlieden zijt. Dus, beneden aan den San Juan hebt gij vallen opgezet? Wanneer is dat geweest?"

"Vier dagen geleden."

"Dus zijt gij regelrecht van daar naar hier gekomen?"

"Ja."

"Dat zou dus zijn van het zuiden hierheen, en is bijgevolg een leugen. Gij zijt zeer kort na ons gekomen, zoodat wij u buiten op de open prairie hadden moeten zien. Maar naar het noorden springt het bosch verder vooruit, en achter dien uitsprong van het bosch hebt gij u bevonden, toen ik den laatsten keer, eer wij het pad insloegen, goed overal rondgekeken heb. Gij zijt van het noorden gekomen."

"Neen, sir! ik heb u de waarheid gezegd. Gij zult ons niet gezien hebben."

"Ik? U niet gezien hebben? Als ik zulke slechte oogen had, ware ik reeds duizendmaal verloren geweest. Neen, gij maakt mij niets wijs! En nu verder: Waar hebt gij uw zadels?"

"Die hebben ze ook gestolen."

"En het paardetuig?"

"Dat ook."

"Man! denk toch niet, dat gij met een onnoozel kind te doen hebt!" riep Old Shatterhand, vol minachting lachende. "Dus gij hebt zadels en paardetuig met de bever-vallen in het water gestoken, zoo, dat u alles tegelijk ontstolen is kunnen worden. Welke jager ontdoet zijn paard van den toom? En hoe komt gij nu aan die Indiaansche halsters?"

"Die hebben wij van een Roodhuid gekocht."

"En de paarden ook misschien?"

"Neen," antwoordde Knox, die begreep dat hij onmogelijk ook deze leugen zou kunnen staande houden--die zou al te groot, al te onbeschaamd geweest zijn.

"Dus, de Utah-Indianen doen negotie met halsters! Dat wist ik nog niet. En waar zijt gij aan uw paarden gekomen?"

"Die hebben wij gekocht van Fort Dodge."

"Zóó ver hier vandaan? En ik zou durven wedden, dat die dieren tot pas zeer kort geleden wekenlang achtereen in de wei geloopen hebben. Een paard, dat zijn ruiter van Fort Dodge af naar hier heeft gedragen, ziet er heel anders uit. En hoe komt dat, dat uw paarden niet beslagen zijn?"

"Dat zoudt ge aan den koopman dienen te vragen, die ze aan ons verkocht heeft."

"Koopman! Onzin! Die paarden zijn in het geheel niet gekocht!"

"Wat dan?"

"Gestolen!"

"Sir?" riep Knox, terwijl hij naar zijn mes greep. Ook Hilton tastte met de hand naar zijn gordel.

"Laat de messen maar zitten, of ik sla u beiden neer als een paar kegelpoppen," dreigde Old Shatterhand. "Of denkt gij, dat ik niet gezien heb, dat die paarden op zijn Indiaansch gedresseerd zijn?"

"Hoe kunt gij dat gezien hebben? Gij hebt ons immers niet zien rijden! Alleen dat korte eindje van het voetpad naar hier hebt gij ons te paard zien zitten. En dat is niet voldoende om een oordeel te vellen."

"Maar ik merk, dat zij onze paarden mijden, dat zij dicht bij elkander blijven. Die paarden zijn ontstolen van de Utahs, en gij beiden behoort onder het gespuis, dat die arme Roodhuiden overvallen heeft."

Knox wist niet meer wat hij zeggen zou. Tegen de scherpzinnigheid van dezen man was hij niet opgewassen. Zooals het met zulke lieden in dergelijke gevallen doorgaans gaat, ging het ook met hem: Hij nam ten laatste zijn toevlucht tot grofheden.

"Sir! ik heb veel van u gehoord, en u voor een gansch ander mensch gehouden," zei hij. "Gij redeneert als iemand, die droomt. Wie zich dingen verbeeldt, zooals gij doet, moet volslagen krankzinnig zijn. Onze paarden op zijn Indiaansch gedresseerd! Het zou wezen om zich dood te lachen, als men er zich niet over ergeren moest. Ik begin te begrijpen, dat wij volstrekt niet bij elkander passen, en om niet langer genoodzaakt te zijn uw verder geraaskal aan te hooren, zullen wij opbreken."

Hij stond op, en Hilton insgelijks. Maar Old Shatterhand stond óók op, vatte hem bij den arm, en zei gebiedend: "Gij blijft hier!"

"Hier blijven, sir? Moet dat bijgeval een bevel zijn?"

"Natuurlijk!"

"Hebt gij dan iets over ons te zeggen?"

"Ja. Ik zal u overleveren aan de Utahs; dan kunnen die u straffen."

"Ei, ei! Dat zou nog een sportje gekker wezen, dan de Indiaansche dressuur!"

Hij zei dat met een hoonenden glimlach; maar zijn lippen beefden, en men kon duidelijk aan hem zien, dat hij niet zoo op zijn gemak was, als hij moeite deed om te schijnen.

"Maar het zal precies zoo geraden zijn, als bij de dressuur," antwoordde de jager, "Dat uw paarden aan de Utah's toebehoord hebben, blijkt ook...... verduiveld, wat is dat?"