Chapter 30
Hij nam de teugels van Old Shatterhand's paard, en reed met Davy en Jemmy verder. Old Shatterhand echter sloeg zijwaarts af, waar men een aantal heuvels in het gras zag liggen. Daar bevond zich een kolonie van prairie-honden zooals de Amerikaansche mormeldieren om hun keffende stem genoemd worden. Dat zijn onschadelijke niemand kwaaddoende, maar zeer nieuwsgierige dieren, die, zonderling genoeg, bij voorkeur met ratelslangen en uilen samenwonen. Als iemand hen nadert, staan zij op, om hem aan te kijken, waarbij zij de potsierlijkste standen en bewegingen vertoonen. Krijgen zij argwaan, dan duiken zij pijlsnel weg in hun holen, en zijn niet meer te zien. Als de jager een ander stuk vleesch machtig kan worden, zal hij naar dat van deze dieren niet talen, niet omdat het onsmakelijk of bijna oneetbaar is, maar eenvoudig omdat hij er een vooroordeel tegen heeft. Wil hij echter een prairie-hond schieten, dan behoeft hij niet te probeeren om dat dier heimelijk te besluipen; want die dieren letten zóó op alles, dat zulks den knapsten jager niet gelukken zou. Hij moet hen nieuwsgierig weten te maken, en hun nieuwsgierigheid weten gaande te houden, totdat hij hen onder schot heeft. Dit doel kan hij echter niet bereiken, zonder zelf de allerkoddigste standen aan te nemen en de allerzotste bewegingen te maken. De prairie-hond weet dan niet hoe hij het heeft en wat hij van den naderende denken moet. Dit wist Old Shatterhand. Hij begon dus, zoodra hij bespeurde, dat hij door de zittende dieren opgemerkt was, allerlei kromme sprongen en cabriolen te maken, dook op den grond neer, sprong weer in de hoogte, draaide in de rondte als een tol, liet zijn armen zwaaien als de wieken van een windmolen, en had bij dat alles slechts één doel voor oogen, namelijk, om dichterbij te komen.
Hobble-Frank, die nu naast Jemmy en Davy reed, zag al die fratsen, en zei op een toon van bezorgdheid: "Heerejéminie! Wat zal ons nu overkomen? Is hij ineens krankzinnig geworden? Hij doet precies als iemand, die Bellamadonna gedronken heeft!"
"Belladonna, wilt gij zeggen," verbeterde Jemmy.
"Zwijg!" gebood de kleine. "Belladonna beduidt niemendal. Het heet Bellamadonna. Dat moet ik, die in Moritzburg geboren ben toch wel weten. Daar in het bosch groeit de Bellamadonna in het wild, en ik heb die wel duizendmaal zien staan. Hoort! Hij schiet!"
Old Shatterhand had juist twee schoten gelost, zoo snel achter elkander, dat ze beide als één schot knalden. Zij zagen hem op een draf een eind weegs voortloopen, en tweemaal bukken om iets op te rapen. Toen keerde hij tot hen terug. Hij had twee prairie-honden geschoten, stak die in de zadeltasch, en steeg toen weer te paard. Hobble-Frank zette een zeer twijfelend gezicht, en vroeg toen: "Is dat misschien het stukje vleesch, dat gij ons bezorgen zoudt? Dan zal ik u vriendelijk bedanken, sir!"
"Waarom dat?"
"Zulk spul lust ik niet."
"Hebt gij wel eens prairie-hond gegeten?"
"Neen, dat is nooit in mijn hersens opgekomen."
"Dan kunt gij er ook niet over oordeelen, of een prairie-hond eetbaar is of niet. Hebt gij wel eens vleesch van een jonge geit gegeten?"
"Vleesch van een jong sikje? Nu, dat zal waar zijn!" antwoordde Frank terwijl bij met zijn tong smakte; "òf ik dat gegeten heb! Dat's een vleeschje voor koningen en prinsen!"
"Zoo, vindt gij dat?" vroeg Old Shatterhand glimlachende.
"Ja op mijn woord van eer! Dat is een lekkernij, zooals er geen tweede bestaat."
"En duizenden trekken er den neus voor op!"
"Nu, maar dan zijn die duizenden domkoppen. Ik verzeker u, dat wij Saksen op lekker eten en drinken uitgeslapen zijn, meer dan de knapste natie in Europa. Een jong sikje in de pan, een klein klauwtje knoflook en een paar stengeltjes marjolein daarbij, en dat goed met een bruin korstje gebraden, dat is een kostje voor de heeren en dames van den Olympus. Ik weet er van mee te praten: want zoo omstreeks Paschen, als er een macht van jonge geitjes is, eet geheel Saksen op Zon- en feestdagen gebraden sikjes."
"Nu goed! Maar vertel mij nu ook, of gij wel eens lapijn gegeten hebt."
"Lapijn? Wat is dat voor een ding?"
"Dat is tamme haas of koe-haas, of wat ze in Saksen karnieal noemen. De eigenlijke naam is konijn."
"O, karniekl! A la bonne heure! Dat is óók nog iets van de bovenste plank. In Moritzburg en omstreken waren er in mijn tijd met kermis altijd karniekls in overvloed. Dat is me óók een vleeschje, zoo malsch als boter, en het kleeft letterlijk aan iemands verhemelte!"
"En toch zijn er velen, die u zouden uitlachen, als zij het u hoorden zeggen."
"Dan zijn zij in hun hersens gepikt. Zulk een karniekl, die niet anders vreet dan de puntjes van de fijnste kruiden, moet immers het fijnste vleesch hebben dat er bestaan kan! dat is zoo klaar als een klontje, dunkt me. Of gelooft gij dat ook niet."
"Ik geloof, dat gij met kennis van zaken spreekt; maar nu verlang ik ook, dat gij niet op mijn prairie-hond zult schimpen. Gij zult zien, dat hij juist smaakt als uw gebraden sikje, en bijna net zoo lekker als uw karniekl."
"Dat heb ik nog van mijn leven niet gehoord!"
"Maar gij hebt het nu gehoord, en proeven zult gij het ook. Ik zeg u, dat.... he, zijn dat geen ruiters, die daar aankomen?"
Hij wees naar het zuidwesten, waar zich een menigte gedaanten bewoog. Ze waren nog zóó ver weg, dat men nog niet onderscheiden kon of het dieren waren, misschien buffels, dan wel ruiters. De vier jagers reden langzaam verder, en hielden het oog aanhoudend op dien troep gericht. Het duurde niet lang, of men zag duidelijk dat het ruiters waren, en reeds ontdekte men nu, dat het ruiters waren in uniform: het waren soldaten.
Die hadden eigenlijk in een noordoostelijke richting gereden; maar zoodra zij de vier in het oog kregen, veranderden zij van koers en kwamen in galop op hen aanrennen. Er waren er twaalf, onder commando van een luitenant. Tot op ongeveer dertig passen afstands genaderd, hielden zij halt. De officier monsterde de vier ruiters met een somberen blik, en vroeg: "Waar komt gijlieden vandaan, boys?"
"Wel heb ik ooit!" prevelde Hobble-Frank. "Zullen wij ons nu met het woord _boys_ (= jongens) laten aanspreken? Die kerel moet toch zien dat wij tot den goeden stand behooren."
"Wat fluistert gij daar?" riep de luitenant op strengen toon. "Ik wil weten waar gij vandaan komt."
Frank, Jemmy en Davy keken naar Old Shatterhand, wat die doen of zeggen zou. Hij antwoordde op een doodbedaarden toon: "Uit Leadville."
"En waar wilt gij naar toe?"
"Naar de Elk Mountains."
"Dat is een leugen!"
Old Shatterhand gaf zijn paard de sporen, en in een oogwenk stond het vlak naast het paard van den officier. Nu vroeg hij, nog altijd op denzelfden bedaarden toon:
"Hebt gij reden, om mij voor een leugenaar uit te maken?"
"Ja."
"Welke reden dan?"
"Gij komt niet uit Leadville, maar van Indian Fort."
"Daarin vergist gij u."
"Ik vergis mij niet. Ik ken u."
"Zoo? Wie zijn wij dan?"
"De namen ken ik niet. Maar die hebt gij mij terstond te zeggen."
"Ei! En als wij het nu eens niet doen?"
"Dan neem ik u mee!"
"En als wij ons nu eens niet laten meenemen, sir?"
"Dan zult gij de gevolgen te wijten hebben aan u zelf. Wie en wat wij zijn, en wat deze uniform beduidt, is u bekend. Wie van uw vieren naar zijn wapen grijpt schiet ik neer!"
"Meent gij dat?" vroeg Old Shatterhand met een glimlachje. "Probeer dan eens of ge dat klaarspelen kunt. Hier ben ik!"
Hij had zijn geweer in de rechterhand, en hield dat bij wijze van pistool op den officier gericht; meteen had hij ook zijn revolver uitgehaald. Ook Frank, Davy en Jemmy stonden dadelijk gereed om vuur te geven.
"Wat...." riep de officier, een paar vloeken uitbrakende en meteen naar zijn gordel grijpende. "Ik...."
"Halt!" viel Old Shatterhand's geweldige stem hem in de rede. "Hand weg van den gordel, boy! Alle handen in de hoogte, of wij vuren!"
In oogenblikken als dit--indien ze ernstig gemeend zijn, hetgeen hier het geval niet was--komt het er maar op aan, wie het eerst zijn wapenen gereed heeft te schieten. Deze eischt den tegenstander op, om de handen omhoog en dus zoo ver mogelijk van den gordel of van de in den zak zittende wapenen af te houden. Voldoet de opgeëischte niet oogenblikkelijk daaraan dan is ook zijn sterfuur daar, want dan krijgt hij terstond den kogel. Dat wist de officier, en ook zijn onderhebbenden wisten het. In het besef van hun overmacht hadden zij verzuimd hun vuurwapenen gereed te hebben; nu zagen zij de loopen van vier geweren en van vier revolvers op zich gericht, en zij hielden zich overtuigd, te doen te hebben met vier booswichten; zij gehoorzaamden dus oogenblikkelijk aan het ontvangen bevel, en staken hun handen in de hoogte.
Het was eigenlijk een lachverwekkend gezicht, om zooveel goed gewapende cavaleristen met hoog omhooggeheven armen op hun paarden te zien zitten. Er gleed dan ook een glimlachje over Old Shatterhand's doorgaans altijd zeer ernstig gelaat, terwijl hij vervolgde: "Zoo! Wat denkt ge nu wel, dat wij doen zullen, boy?"
"Schiet maar toe!" antwoordde de luitenant, tot wien die vraag gericht was. "Maar de wraak zal u achtervolgen tot die u ingehaald heeft."
"_Pshaw!_ Wat zouden wij er aan hebben, onze goede kogels te verspillen aan lieden, die zich door vier menschen, die zij voor ellendige schavuiten aanzien, zóó bang laten maken, dat zij allen de armen omhoogsteken, ten teeken dat zij om genade vragen. Roem zouden wij daarmee niet behalen! Ik heb u maar eens een lesje willen geven. Gij zijt nog jong, en het zal u tot een leer kunnen strekken. Wees altijd zoo wellevend mogelijk, sir! Een gentleman laat zich niet gaarne door den eersten den besten, dien hij tegenkomt, met _boy_ aanspreken. En dan ook, zeg nooit dat iemand liegt, als gij niet overtuigend bewijzen kunt, dat hij een leugenaar is; gij kondt u anders allicht vergaloppeeren, zooals gij dat met ons gedaan hebt. En in de derde plaats, als gij hier in het Westen lieden aantreft, met wie gij denkt wat kras te moeten omspringen, zorg dan, dat gij uw geweer klaar hebt; anders zoudt gij gevaar loopen, om nog eens de vertooning te moeten maken van een schooljongen, die straf verdiend heeft, zooals op dit oogenblik het geval is geweest. Gij hebt u in ons vergist: wij zijn geen _boys_, en leugenaars evenmin. Nu kunt gij uw armen weer neerlaten; wij hebben geen plan om gaten in uw huid te schieten."
Hij stak zijn revolver in zijn gordel, en trok zijn geweer terug; zijn drie metgezellen volgden zijn voorbeeld. Daarop lieten ook de soldaten hun armen weer naar omlaag gaan. De officier, rood van schaamte en van verkropte woede, bulderde nu uit: "Hoe hebt gij het hart, sir! Zulk een flauwe komedie met ons te spelen? Weet gij wel, dat ik de macht heb, u daarvoor te straffen?"
"De macht?" vroeg Old Shatterhand lachende. "Den lust, ja, dat begrijp ik; maar de macht volstrekt niet; dat heb ik u duidelijk genoeg laten zien, dunkt mij. Ik zou wel eens willen weten hoe gij het zoudt aanleggen om ons te straffen. Ik geloof, dat gij u nog belachelijker zoudt maken dan daareven."
"Wacht! nu zal ik u wel....."
Verder bracht hij het niet. Zijn hand wilde naar zijn revolver in den gordel grijpen; maar op hetzelfde moment voelde hij zich bij den kraag gegrepen, uit den zadel getild en overgewipt naar Old Shatterhand, die hem dwars voor zich over zijn paard legde, en hem het snel als een weerlichtstraal getrokken mes op de borst zette, en toen, nogmaals lachende, uitriep: "Spreek verder, sir: U wilde nog iets zeggen, geloof ik. Maar zoodra een van uw manschappen zich verroert, gaat mijn mes door uw uniform heen. Probeer dat maar eens!"
Zijn ruiters zaten verbluft op hun paarden. Zulk een spierkracht, behendigheid en vlugheid hadden zij niet verwacht. Zij waren zoo verschrikt en beteuterd, dat de gedachte, dat zij wapenen hadden en driemaal zoo sterk in aantal waren, niet eens in hen opkwam.
"Wat ... (alweer met een vloek)!" schreeuwde de officier; doch hij waagde het niet een vinger te verroeren: "Wat begint gij nu? Laat mij los."
"Wat ik nu begin? Ik begin u nu het bewijs te leveren, dat gij met andere personen te doen hebt, dan gij u hebt gelieven te verbeelden. Voor zooveel man, als gij hier bij u hebt, zijn wij volstrekt niet bang. Al had gij een geheel eskadron bij u, dan zouden wij er nog niet over inzitten. Nu gaat gij daar staan, en hoort beleefd aan wat ik nog zeggen zal."
Meteen pakte hij hem bij zijn kraag, tilde hem met één hand van het paard af, en zette hem daarnaast in het gras neer. Toen vervolgde hij: "Hebt gij nog nooit iemand van ons vroeger gezien?"
"Neen!" antwoordde de gevraagde, terwijl hij diep ademhaalde. Hij gloeide van woede, doch had het hart niet, iets daarvan te laten blijken. Hij voelde, dat hij in de oogen van zijn onderhebbenden een allererbarmelijkst figuur had gemaakt, en hij zou graag zijn sabel getrokken en die Old Shatterhand door het lijf gejaagd hebben; doch na proefjes, die hij reeds gehad had, begreep hij, dat hij ook op zulk een poging niet veel frisch weer zou treffen. "Ik ken zoo min den persoon als zijn naam," bromde de officier.
"Dus niet?" zei de jager. "En toch ben ik overtuigd, dat gij ons kent. Onze namen zult gij ten minste wel eens gehoord hebben. Heeft men u nooit eens iets van Hobble-Frank verteld! Die staat daar vlak vóór u."
"Maar van den langen Davy en en den dikken Jemmy hebt gij toch wel eens gehoord?"
"Wilt gij daarmee zeggen, dat dit die twee zijn?"
"Juist!"
"_Pshaw!_ Dat geloof ik niet."
"Dus alweer zoogoed alsof gij mij voor een leugenaar houdt? Dat moest gij niet meer doen, sir! Old Shatterhand zegt nooit iets, of hij kan bewijzen dat het waar is."
"Old Shat.....!" riep de luitenant uit, terwijl hij een schrede achteruit deed, en den jager met een paar groote oogen vol verbazing aanstaarde. De laatste twee lettergrepen van den naam waren hem in de keel blijven steken.
Ook zijn manschappen lieten zichtbare teekenen blijken van ver-, of juister gezegd van bewondering. Men hoorde zelfs meer dan één "O!" van verbazing dat over hun lippen kwam.
"Ja, Old Shatterhand!" zei deze. "Kent gij dien naam?"
"Ja, dien ken ik; en dien kennen wij allen zeer goed. En wilt gij.....gij die man zijn, sir?"
Uit zijn toon en uit het gezicht waarmee hij den jager aanzag, sprak nog maar al te duidelijk twijfel. Maar daar viel zijn oog op het geweer met korten loop en eigenaardig bolvormig slot, en terwijl eensklaps zijn gelaat geheel veranderde, liet hij er dadelijk op volgen: "_Behold!_ Is dat niet een Henry-karabijn sir?'
"Natuurlijk!" zei Old Shatterhand met een bevestigend hoofdknikje. "Kent gij die soort van geweren?"
"Gezien heb ik er nooit een, maar men heeft er mij een nauwkeurige beschrijving van gegeven. De uitvinder moet een zonderling man geweest zijn, en er slechts eenige van gemaakt hebben, omdat hij bang was, dat de Indianen en de buffels spoedig uitgeroeid zouden zijn, als deze revolver-karabijn algemeen in gebruik kwam. De weinige door hem vervaardigde exemplaren zijn verloren geraakt, en Old Shatterhand moet de eenige zijn, die er nog een, en wel het allerlaatste, bezit."
"Zoo is het, sir! Van de twaalf Henry-karabijnen, die er in het geheel geweest zijn, bestaat alleen het mijne nog, zooals gij ziet; de andere zijn met hun eigenaars in het wilde Westen verdwenen."
"Dus zijt gij dan toch werkelijk, werkelijk die Old Shatterhand, die wijdberoemde Westman, die den kop van een volwassen buffelstier op den grond duwt en den sterksten Indiaan met een enkelen vuistslag doodslaat?"
"Ik heb u immers reeds gezegd, dat ik het ben. Als gij er nu nog aan twijfelt, zal ik u gaarne het bewijs leveren. Niet enkel aan Indianen, maar, als de gelegenheid het meebrengt, ook aan blanken geef ik mijn vuist. Wilt gij er van gediend zijn?"
Bij deze vraag boog hij in den zadel voorover naar den officier, en haalde uit met de gebalde vuist, als om te slaan. Maar de andere sprong schielijk achteruit, en riep: "Dank u sir! dank u. Ik wil u veel liever op uw woord gelooven, zonder dat bewijs. Ik heb maar één hersenpan, en zou niet weten waar aan een andere te komen, als gij mij die insloegt. Neem het niet langer kwalijk, dat ik aanvankelijk niet zeer beleefd ben geweest! Wij hebben alle reden om sommige lieden scherp in de oogen te zien. Zoudt gij niet de goedheid willen hebben, ons te vergezellen? Mijn manschappen zouden daarover niet slechts even verheugd zijn als ik, maar wij zouden het tevens als een bijzondere eer voor ons beschouwen, als gij besluiten kondt onzen gast te zijn."
"Waar naar toe?"
"Wij moeten naar Fort Mormon."
"Dan kan ik tot mijn leedwezen van uw vriendelijke uitnoodiging geen gebruik maken; want wij moeten juist in tegenovergestelde richting, om op den bepaalden tijd onze vrienden daar te treffen."
"Dat spijt mij geweldig. Mag ik ook vragen, waar gij naar toe gaat sir?"
"Eerst naar de Elk Mountains, zooals ik u reeds gezegd heb. En van daar gaan wij naar de Book Mountains."
"Dan moet ik u waarschuwen sir!" zei de officier die nu een toon aangeslagen had zoo eerbiedig, alsof hij tegenover den opperbevelhebber van zijn korps stond.
"Hoe zoo dat? Waarvoor of voor wie?"
"Voor de Roodhuiden."
"Dank u. Voor de Indianen behoef ik niet bang te zijn. Overigens weet ik ook niet, welk gevaar van dien kant zou kunnen dreigen. De Roodhuiden leven op dit oogenblik in vollen vrede met de blanken, en zelfs de Utahs, met wie men hier te doen heeft, hebben sedert jaren niets gedaan, waardoor zij wantrouwen jegens zich hadden kunnen opwekken."
"Dat is zoo. Maar juist daarom zijn zij thans des te erger verbitterd. Wij weten zeer bepaald, dat zij sedert kort hun strijdbijlen weer opgegraven hebben en daarom moeten wij van Fort Mormon en van Indian Fort aanhoudend patrouille rijden."
"Zoo? Daarvan weten wij nog niets."
"Dat geloof ik graag; want gij komt van Colorado, en zoo ver kan dat nieuws nog niet doorgedrongen zijn. Uw weg loopt midden door het territoor der Utah-Indianen. Ik weet, dat de naam van Old Shatterhand bij de Roodhuiden van alle natiën een grooten invloed heeft. Maar toch, sir! neem de zaak niet al te licht op. Juist de Utahs hebben alle reden, om op de blanken verbitterd te wezen."
"Waarom dat?"
"Een troep blanke goudzoekers heeft een legerplaats der Utahs overvallen om paarden te rooven; het was in den nacht; maar de Utahs zijn wakker geworden en hebben zich te weer gesteld, waarbij verscheiden hunner door de veel beter gewapende blanken gedood zijn. De aanvallers zijn het met de geroofde paarden en veel andere in hun handen gevallen voorwerpen ontkomen; doch de Roodhuiden hebben hen den volgenden morgen achternagezet. De roovers werden ingehaald; en toen volgde er weer een gevecht, dat andermaal verscheiden menschenlevens gekost heeft. Daarbij moeten zestig Indianen doodgeschoten, maar ook slechts zes blanken ontkomen zijn. Nu dolen de Utahs rond, om die zes bleekgezichten te vinden; en tevens hebben zij een gezantschap naar Fort Union gezonden, ten einde schadevergoeding te erlangen; voor ieder paard een ander, voor de andere verloren voorwerpen ineens een som van duizend dollars, en voor elken gedooden Indiaan twee paarden en een geweer."
"Dat vind ik zeer billijk. Is daarin bewilligd?"
"Neen. De blanken willen er niets van weten, aan de Roodhuiden het recht op schadevergoeding toe te kennen. Het gezantschap is onverrichterzake teruggekeerd, en dientengevolge zijn de tomahawks opgegraven. De Utahs staan in massa op; en daar wij hier in het territoor, jammer genoeg, geen voldoende militaire macht bezaten, om hen in één slag te vernietigen, heeft men naar bondgenooten omgezien. Er zijn eenige officieren naar de Navajos gezonden, om die tegen de Utahs te winnen, en dat is gelukt."
"En wat is aan de Navajos geboden voor hun hulp?"
"Alles wat zij buitmaken."
Het gezicht van Old Shatterhand betrok toen hij dit hoorde. Hij schudde zijn hoofd, en zei: "Dus eerst worden de Utahs overvallen en beroofd, en verscheiden hunner gedood. Toen zij vroegen om bestraffing van de boosdoeners en om een billijke schadevergoeding, wordt hun verzoek van de hand gewezen. En nu zij hun zaak zelf in handen nemen, hitst men de Navajos tegen hen op, en betaalt die met den buit, dien zij aan de beleedigden zullen ontweldigen. Is het dan wel wonder, dat zij zich tot het uiterste gedreven voelen? Hun verbittering moet groot zijn, en wee nu stellig iederen blanke, die in hun handen valt!"
"Ik moet natuurlijk gehoorzamen aan de bevelen, die ik ontvang, en heb het recht niet om een eigen oordeel te vellen. Ik heb u deze mededeeling gedaan, om u te waarschuwen. Onze zienswijzen kunnen niet dezelfde zijn."
"Neen, dat begrijp ik. Ontvang mijn dank voor uw waarschuwing; en mocht gij in het Fort van uw ontmoeting met ons gewag maken, wees dan zoo goed er bij te zeggen, dat Old Shatterhand geen vijand van de Roodhuiden is, en dat hij het diep betreurt, dat een rijk begaafde natie ten onder moet gaan, doordien men haar den tijd niet geeft, om zich geleidelijk te wennen aan de wetten der maatschappelijke beschaving, maar van haar verlangt, dat zij in een ommezien tijds van een jagervolk herschapen wordt in een staatsburgerlijke maatschappij. Volkomen met hetzelfde recht kan men een schooljongen ter dood brengen, omdat hij nog de knapheid of de kunde niet bezit, om generaal of professor in de sterrenkunde te zijn. _Good b'ye, Sir!_"
Hij wendde zijn paard om, en reed, gevolgd door zijn drie metgezellen, weg, zonder verder naar de soldaten om te zien, die hem verbluft nastaarden, en toen hun afgebroken rit vervolgden. De drift had hem tot zijn laatste, en zooals hij zelf zeer goed begreep, totaal vergeefsche woorden verleid, maar des te minder spraakzaam was hij thans, nu hij bij zich zelf overwoog, dat het vruchtelooze moeite is "Broeder Jonathan" aan het verstand te willen brengen dat hij geen grooter recht om daar te zijn heeft dan die Indianen, die van oord tot oord, en van plaats tot plaats verjaagd worden, totdat zij, zooals te voorzien is, letterlijk doodgejaagd hun leven zullen eindigen zonder ergens medelijden te hebben gevonden.
Er verliep een half uur, eer Old Shatterhand uit zijn overpeinzingen ontwaakte, om zijn aandacht te vestigen op den horizon, die thans de gedaante had aangenomen van een donkere, ieder oogenblik breeder wordende streep. Zijn hand daarnaar uitstrekkende zei hij: "Daar ligt het bosch, waarover ik u gesproken heb. Geef uw paard de sporen, dan zullen wij er in vijf minuten zijn."
De paarden werden in galop gebracht, en spoedig bereikten de vier ruiters een hoog, dicht pijnboomen-bosch, welks zoom zoo vast gesloten scheen te zijn, dat er te paard aan geen doorkomen te denken viel. Maar Old Shatterhand wist raad. Hij reed regelrecht op een plaats aan, dreef zijn paard door het smalle kreupelhout, en bevond zich nu op een zoogenaamd Indianen-pad, een door de zich hier ophoudende Roodhuiden begaan voetpad van hoogstens drie voet breedte. Toen steeg hij van zijn paard af, om te onderzoeken, of hij er ook sporen ontdekken kon, doch er geen vindende besteeg hij zijn paard weer, en verzocht zijn metgezellen hem te volgen.
Hier, in dit geheimzinnige oer-woud bewoog zich geen windje, en behalve de voetstappen der paarden hoorde men geen het minste gedruisch. Old Shatterhand hield zijn karabijn, gereed om te schieten, in de rechterhand, en met zijn oogen wijd open voor zich uitgericht, ten einde bij een mogelijke vijandelijke ontmoeting de eerste te zijn, wiens wapen den tegenstander bedreigde. Als de Roodhuiden te paard door een streek trokken, waren er doorgaans zooveel bijeen, dat zij stellig zulk een pad niet zouden opzoeken waar niets te ontdekken viel, en waar de dichtheid van het woud de vrije beweging zeer belemmerde. Er waren op dit pad slechts weinige plaatsen, waar een ruiter met zijn paard zou hebben kunnen keeren. Een talrijke schaar Indianen zou hier, aangevallen door een klein aantal mannen te voet, verloren geweest zijn.