De schat in het Zilvermeer

Chapter 29

Chapter 293,870 wordsPublic domain

Dit alles was in veel minder tijd geschied, dan noodig is geweest om het hier te vertellen, en wat meer zegt veel te gauw, dan dat de tramps zoo spoedig hadden kunnen beseffen in welk een toestand zij zich bevonden. Zij waren al niet op hun gemak geweest toen de trein zoo ijselijk hard reed. Zij hadden nu gehoord, dat Old Firehand op de locomotief stond, en wisten dus, dat hun plan verijdeld was; maar zij hielden zich verzekerd, dat zij daar, waar de trein stil zou houden al ware dat op een druk station, hun vrijheid terug zouden krijgen. Zij waren goed gewapend en zóó talrijk, dat wel niemand het hart zou hebben hen gevangen te willen houden. Nu stond de trein stil, en daarop hadden zij gewacht. Maar toen zij uit de zijraampjes keken, grijnsde hen een onderaardsche duisternis aan. Zij verdrongen elkander om aan het portier van den achtersten wagen te komen en uit den trein te stappen, doch kregen een gewaarwording alsof zij door een nauwen, donkeren koker in een ontzaglijk groot vlammend, knetterend vuur staarden. En zij, die zich in den voorsten wagen bevonden, zagen, dat de locomotief verdwenen, en daarvoor een knapperend en krakend kolenvuur in de plaats getreden was. Een hunner kwam op de juiste gedachte.

"Een tunnel, een tunnel!" riep hij verschrikt; en "een tunnel, een tunnel! wij zitten in een tunnel!" riepen al de anderen hem na. "Er uit! Wij moeten er uit!"

Er volgde een ontzettend geschuif en gedrang, zoodat zij die aan de portieren waren, niet konden uitstappen, maar er letterlijk uitgeworpen werden. De tweede viel neer op den eerste, de derde tuimelde neer op den tweede, en zoo vervolgens. Het was een warboel van menschen-gedaanten, van armen en beenen, van geschreeuw en verwenschingen en vloeken, en dat ging niet zonder dat menigeen gekwetst werd. Er waren er zelfs, die naar hun wapens grepen, om zich te verweren tegen hen, die zich aan hen vastklemden of die op hen lagen.

En aan de duisternis, die door de voor en achter aan den tunnel brandende vuren en door de wagon-lampen niet eens draaglijk verlicht werd, paarde nu de dikke, zware kolendamp, die door den ochtendwind in den tunnel gedreven werd.

"Voor den..... (er volgde een vloek)! Ze willen ons doen stikken!" riep een krijschende stem. "Er uit! Er uit!"

Tien, twintig, vijftig, honderd kelen schreeuwden het hem na, en in waren doodsangst drong, dreef, duwde en worstelde alles op de beide uitgangen van den tunnel aan. Maar daar knetterden en kraakten de beide vuren welker felle vlammen den ganschen uitgang versperden. Wie er uit wilde moest door het vuur springen en was vooruit verzekerd, dat zijn kleeren in brand zouden geraken. Dat beseften de voorsten: zij keerden zich om, en wilden terug; maar de gansche menschenzwerm achter hen bleef opdringen en wilde niet wijken. En daardoor ontstond er in de nabijheid van de beide vuren een verwoede worsteling tusschen lieden, die zoo kort te voren nog kameraadschappelijk eensgezind waren geweest in het nastreven van helsche plannen. Het tunnel-verwulfsel kaatste het gebrul en getier vertienvoudigd terug, zoodat het daarbuiten klonk alsof alle duivelen uit de hel waren losgebroken, om daarbinnen feest te vieren.

Old Firehand was om de rots heen naar het voorste vuur geloopen.

"Wij behoeven niets te doen," riep een der baanwerkers hem toe. "De beesten verscheuren elkander. Hoor maar, sir! Uitmuntender plan, dan het uwe is, had nooit uitgedacht kunnen worden."

"Ja, zij hebben het erg te kwaad met elkander," antwoordde hij. "Maar het zijn menschen, en vermoorden mogen wij hen niet. Maak den ingang een beetje vrij van het vuur!"

"Wilt gij er dan in?"

"Ja."

"Om Godswil, doe dat niet! Zij zullen u aanvliegen en u wurgen!"

"Geen nood! Zij zullen blij zijn, als ik hun de kans bied om zich te redden."

Hij hielp zelf mee het vuur ter zijde te schuiven, zoodat er tusschen de vlammen en den tunnelmuur een opening kwam, groot genoeg voor één man om er doorheen te springen. Hij deed den sprong, en nu bevond hij zich in den tunnel, hij alleen, tegenover al die dollen en razenden. Wel nooit in zijn leven was zijn onverschrokkenheid zóó duidelijk als thans; maar stellig ook nooit in zijn leven was zijn zelfvertrouwen grooter geweest dan op dit oogenblik. Dikwijls had hij bij ondervinding gehad hoe somwijlen de moed van een enkel man in staat is, om duizenden te verbazen en als het ware te verlammen.

"_Hallo, silence!_" weerklonk zijn forsche stem boven het geschreeuw van honderd kelen uit, en allen zwegen stil. "Hoort wat ik u zeg!"

"Old Firehand!" riepen er eenigen, verbaasd over zijn weergalooze onvervaardheid.

"Ja, dat ben _ik_!" antwoordde hij. "En gij hebt het ondervonden, waar _ik_ ben, komt geen weerstand-bieden te pas. Als gij niet stikken wilt, legt dan hier uw wapenen neer en komt dan den tunnel uit, maar één voor één. Ik zal buiten bij het vuur staan, en commandeeren. Wie naar buiten springt zonder mijn commando af te wachten, wordt oogenblikkelijk neergeschoten. En wie iets van zijn wapentuig bij zich houdt, krijgt ook terstond den kogel. Wij zijn talrijk genoeg, baanwerkers, jagers, rafters en soldaten, meer dan genoeg, om mijn bedreiging ten uitvoer te brengen. Overlegt het met elkander! En als gij een pet of een hoed naar buiten werpt, zal dat voor ons het teeken zijn, dat gij u overgeeft. Doet gij dat niet, dan zijn honderd geweren op de vuren gericht om niemand door te laten."

Het had hem, door den rook, moeite gekost de laatste woorden goed verstaanbaar uit te brengen, en meteen sprong hij snel weer den tunnel uit, om niet wellicht het mikpunt te worden van een of ander schot. Die voorzichtigheid was verstandig, maar eigenlijk noodeloos. De indruk, dien zijn verschijning op de tramps gemaakt had, was van dien aard, dat niemand hunner het gewaagd zou hebben zijn geweer op hem aan te leggen.

Nu gaf hij aan zijn baanwerkers bevel hun geweren op de opening van den tunnel aan te leggen, ten einde de tramps, als die een poging mochten doen om zich door de massa heen te slaan, te ontvangen met peloton-vuur. Men kon hooren dat zij met elkander beraadslaagden. Verscheiden stemmen spraken luid, alle tegelijk. De omstandigheden lieten hun niet toe, hun beraadslaging lang te rekken, want de rook, die in den tunnel drong, belemmerde hun ademhaling meer en meer. Tegenover een man als Old Firehand hadden zij den moed geheel verloren; zij wisten, dat hij er de man naar was om te doen wat hij zei: de dood door stiklucht werd hoe langer hoe dreigender, en zij zagen geen anderen uitweg tot redding, dan zich over te geven. Er kwam een hoed uit den tunnel vliegen over het vuur heen, en terstond daarop werden de tramps door de roepstem van Old Firehand verwittigd, dat de eerste hunner uit den tunnel mocht komen. Hij sprong er uit, en moest dadelijk de brug over, waar hij door rafters en jagers in ontvangst werd genomen. Men had zich ingevolge het zoo goed geslaagde plan, dat eigenlijk afkomstig was uit het brein van Winnetou voorzien van touwen, koorden en riemen, en zoodra de eerste tramp over de brug was, werd hij gekneveld. Zoo ging het al zijn kameraden, die na hem kwamen. Zij werden in zulke tusschenpoozen uit den tunnel gelaten, dat men telkens den tijd had om den vorige te knevelen. Maar alles ging toch zoo snel in zijn werk, dat er nog niet ten volle een kwartier verloopen was of al de tramps bevonden zich in handen van de overwinnaars. Maar nu bleek het tot teleurstelling en verdriet der laatsten, dat zij den roodharigen kornel nog niet hadden. Toen men aan de gevangenen naar hem vroeg, vernam men van hen, dat de kornel met een twintigtal anderen in het geheel niet in den trein geweest was. Zekerheidshalve doorzocht men goed den ganschen tunnel en al de wagons; maar men vond hem niet, zoodat men veronderstellen moest, dat de gevangenen de waarheid gezegd hadden.

Zou dan juist die kerel, op wien het voornamelijk gemunt was geweest, den dans ontspringen? Neen! De gevangenen werden aan de bewaking van de soldaten en van de baanwerkers toevertrouwd, en Old Firehand en Winnetou reden met de jagers en de rafters terug, om het spoor van den vermiste te ontdekken, ter plaatse waar de trein halt had gehouden. Daar aangekomen, zond Old Firehand vier rafters verder naar Sheridan, om zijn paard en zijn jachtkostuum, en de twee nog geboeid daar liggende tramps naar den tunnel te laten brengen. Hij wilde niet zelf naar Sheridan terugkeeren, maar met zijn gezelschap dadelijk mee vertrekken naar Fort Wallace, waarheen de tramps gebracht werden, omdat zij daar onder militaire bewaking beter geborgen waren dan ergens elders. De vier boodschappers kregen natuurlijk ook in last, om aan den ingenieur mede te deelen in hoeverre de uitvoering van het plan gelukt was.

Men vond de plaats, waar de tramps gebivakkeerd hadden om den trein af te wachten. Niet ver van daar waren de paarden vastgebonden geweest. Na lang zoeken en nauwlettend beoordeelen van de vele voet- en hoef-indrukken bleek het, dat werkelijk een twintigtal tramps ontkomen waren. Die hadden even zooveel paarden medegenomen, en natuurlijk de beste viervoeters; de overige hadden zij naar alle richtingen uiteengejaagd.

"Die kornel is met sluw overleg te werk gegaan," zei Old Firehand. "Had hij al de paarden meegenomen, dat zou een groote last geweest zijn voor zulk een kleine bende, en het door zooveel paarden achtergelaten spoor zou voor een kind te herkennen geweest zijn. Door de achtergebleven paarden links en rechts uit elkander te jagen, heeft hij ons het zoeken naar zijn spoor zeer moeilijk gemaakt, en daardoor heeft hij zelf veel tijd gewonnen. En daar hij in elk geval niet de slechtste dieren gehouden zal hebben, komt hij ons zoo snel vooruit, dat wij moeite zullen hebben om den verloren afstand in te halen."

"Mijn blanke broeder vergist zich misschien," antwoordde Winnetou. "Dat bleekgezicht heeft stellig deze streek niet verlaten zonder zich eerst te vergewissen hoe het met zijn kornuiten afgeloopen is. Als wij nu zijn spoor volgen, zal dat ons bepaald naar den Eagle-tail brengen."

"Ik ben overtuigd, dat het vermoeden van mijn rooden broeder juist is. De kornel is van hier weggereden, om ons te beluisteren. Hij zal nu weten, waaraan hij zich te houden heeft, en nu zal hij zich in allerijl uit de voeten gemaakt hebben. Maar wij zijn hier gekomen om naar hem te zoeken, en daardoor hebben wij den kostbaarsten tijd te loor laten gaan."

"Als wij snel terugkeeren, zullen wij hem misschien nog wel kunnen inhalen."

"Neen. Mijn broeder moet bedenken, dat wij hem niet terstond kunnen volgen. Wij moeten eerst mee naar Fort Wallace, om daar onze verklaringen af te leggen. Daar is vandaag deze geheele dag mee gemoeid, zoodat wij pas morgen die twintig tramps achterna zullen kunnen gaan."

"Dan zullen zij ons een geheelen dag vooruit zijn!"

"Ja; maar wij weten waar zij naar toe willen, en wij verliezen er dus volstrekt geen tijd mee, als wij hun spoor volgen. Wij gaan regelrecht naar het Zilvermeer."

"Denkt mijn broeder dan, dat zij nu nog daar naar toe willen?"

"O ja, stellig."

"Nu, nadat zij hier zulk een nederlaag geleden hebben?"

"Ja, in weerwil daarvan."

"Maar nu hun plan hier zoo totaal mislukt is, zullen zij nu hun voornemen maar niet liever opgeven?"

"O neen! Zij willen geld hebben, om daarmee hier of daar inkoopen te doen. Doch die inkoopen zijn niet zoo bepaald noodig. Leven kunnen zij van het wild dat zij schieten. Wapenen hebben zij, kruit en lood ook. En mochten zij aan het laatste behoefte krijgen, dan hebben zij onderweg wel gelegenheid, om het zich op een eerlijke of oneerlijke manier te verschaffen. Ik ben overtuigd, dat zij naar het Zilvermeer zullen gaan."

"Dan willen wij hun spoor volgen, om ten minste te weten te komen, waar zij hier vandaan naar toe gereden zijn."

Twintig ruiters laten hoef-indruksels genoeg achter zich; en hier waren genoeg geoefende oogen, aan wie zelfs een veel minder zichtbaar spoor niet had kunnen ontgaan. Het spoor van de tramps liep naar de rivier, en vervolgens altijd langs den rivier-oever naar hoogerop; het was zoo duidelijk zichtbaar, dat men had kunnen galoppeeren zonder het uit het oog te kunnen verliezen.

Aan den Eagle-tail, niet ver van de brug af, hadden de tramps halt gehouden. Een hunner, waarschijnlijk de kornel, was toen, beschut door het daar staande struikgewas, opgeslopen naar de spoorbaan, waar hij stellig getuige geweest was van de gevangenneming van de gansche bende. Na zijn terugkeer hadden zij zich uit de voeten gemaakt.

De jagers en de rafters volgden het spoor nog wel een half uur lang, en keerden toen, toen zij precies wisten welke richting de vluchtenden ingeslagen waren, terug naar de brug. De tramps hadden hun koers naar de Busch-Creek genomen, een bijna zeker teeken, dat zij van plan waren, zich naar Colorado te begeven, en dan van daar stellig naar het Zilvermeer.

Ondertusschen waren de vier rafters uit Sheridan teruggekeerd. Zij hadden ook Hartley en den ingenieur Charoy meegebracht, die insgelijks naar Fort Wallace wilden, waar hun getuigenis van gewicht was. De baanwerkers gingen te voet naar Sheridan; als belooning mochten zij al de wapenen meenemen, die de tramps hadden moeten achterlaten. Voor het transport van de laatstbedoelden waren er wagens genoeg aanwezig. De bouwtrein stond ook daar, en zoo ook de "geldtrein", waarin trouwens geen geld vervoerd was. Zoodra de gevangenen in de wagens geladen waren stapten de anderen in en de twee treinen zetten zich in beweging. De dragonders echter keerden te paard naar Fort Wallace terug.

Daar was intusschen het groote nieuws reeds ten deele bekend geworden; en de bevolking brandde van ongeduld, om te vernemen hoe alles was afgeloopen. Toen de treinen aankwamen, verdrongen de menschen elkander om er bij te komen, en de tramps werden ontvangen op een manier, die hun een voorproefje gaf van hetgeen zij hier later, na hun veroordeeling, te wachten hadden. Ware hun aantal niet zoo groot geweest, en had hun escorte het niet weten te beletten, dan zouden zij stellig gelyncht geworden zijn.

Zij hadden overigens groote verliezen geleden, daar bijna het vierde gedeelte van hun aanvankelijk aantal dood in den tunnel gevonden was. Nog heden ten dage vertelt men elkander gaarne, in die streek, deze vermaarde uitrookerij van de tramps uit den tunnel van Eagle-tail, waarbij natuurlijk de namen van Old Firehand en Winnetou met bewondering genoemd worden.

ELFDE HOOFDSTUK.

IN DE KLEM.

Daar, waar aan gene zijde van den Cumison Rivier de Elk Mountains zich verheffen, reden vier mannen over het hoog-plateau, dat met kort gras was begroeid, en, zoo ver als het oog reikte, noch kreupelhout noch boomen vertoonde. Ofschoon men er in het verre Westen aan gewend is buitengewone figuren te zien, moesten toch deze vier ruiters bijzonder de aandacht trekken van ieder, die hen zag.

Een hunner, aan wien men terstond kon zien, dat hij de voornaamste was van de vier, bereed een prachtigen zwarten hengst, zooals die bij sommige stammen der Apachen gefokt worden. Zijn gestalte was noch te lang noch te breed, en toch maakte die den indruk van groote kracht en van groot weerstandsvermogen tegen vermoeienissen en ontberingen. Zijn door de zon gebruind gelaat was omrand door een donker blonden baard. Hij droeg lederen leggins, een jachthemd van dezelfde stof, en hooge laarzen, die hij tot boven de knieën had opgetrokken. Op zijn hoofd droeg hij een vilten hoed met breeden rand, en het daaromheen zittende lint was rondom versierd met punten van ooren van den Grisly-beer. In den breeden, van verscheiden leeren riemen gevlochten gordel, die met patronen gevuld scheen, staken twee revolvers en een bowie-mes. Verder hingen aan dien gordel twee paar schroefhoefijzers en vier dikke bijna ronde cirkels, gevlochten van biezen en stroo, en voorzien van riemen en gespen. De cirkels moesten stellig dienen, om aan de hoeven der paarden vastgegespt te worden, ingeval het noodig werd vervolgers op een dwaalspoor te brengen. Van den linkerschouder tot aan de rechterheup hing een ineengestrengeld lasso, en om den hals, aan een stevig zijden koord, een vredespijp, versierd met kolobrie-huidjes, die nog prijkten met hun glanzigen vederdos. In zijn rechterhand hield hij een geweer, kort van loop en met een slot, dat van een hoogst eigenaardig samenstel scheen te zijn; en op zijn rug droeg hij, aan een breeden riem, een zeer lang en dik dubbelloops-geweer van een tegenwoordig uiterst zeldzaam model, maar die vroeger veel gebruikt plachten te worden: destijds werden die "berendooders" genoemd, en uit hun loopen schoot men slechts kogels van het allergrootste kaliber. Deze man was Old Shatterhand, de beroemde jager, die dezen bijnaam te danken had aan de bijzonderheid, dat hij een vijand kon doodslaan met een enkelen vuistslag.

Naast hem reed een klein, schriel, baardeloos kereltje, gekleed in een blauwe frak met lange panden en zeer glimmend gepoetste geelkoperen knoopen. Zijn hoofd was gedekt met een grooten vrouwenhoed (een zoogenaamden amazonen-hoed), die met een reusachtige veer prijkte. Zijn broeks-pijpen waren hem veel te kort, en zijn naakte voeten zaten in oude grofleeren schoenen, met groote Mexicaansche sporen. Deze ruiter had een geheel arsenaal van allerhande wapentuig aan en om zijn lijf hangen; maar wie zijn goedig gezichtje aankeek kon niet anders denken, dan dat die vracht van wapentuig louter diende, om vijanden af te schrikken. Dit mannetje was mijnheer Heliogabalus Hobble-Frank genoemd, omdat hij, ten gevolge van een vroegere verwonding, aan één been een weinig kreupel liep.

Achter die twee volgde een ver over de zes voet lange, en daardoor ook des te magerder gestalte, op een ouden kleinen muilezel, die nauwelijks de kracht scheen te hebben om zijn berijder te dragen. Deze droeg een leeren broek, die stellig voor kortere beenen en een dikker lijf gemaakt was. De naakte voeten staken in leeren schoenen, die reeds zoo dikwijls gelapt en gekalefaterd waren, dat ze thans uit louter aaneengeflanste stukjes leer bestonden. Het lijf in buffelleeren hemd, dat de borst onbedekt liet. De mouwen reikten niet verder dan tot de ellebogen. Om zijn langen hals was een katoenen doek gewonden, waarvan de oorspronkelijke kleur niet meer te herkennen was. Op zijn spitse hoofd stond een hoed, die een groot aantal jaren geleden een lichtgrijze "cylinder" was geweest. Misschien had die destijds gediend als hoofddeksel van een millionnair, maar was vervolgens aan het dalen geraakt, hoe langer hoe meer in verval, totdat die eindelijk in de prairie aangeland en in handen van den tegenwoordigen eigenaar gekomen was. Deze had den rand als overtollig beschouwd, en dien dus er afgetrokken; slechts een klein stukje had hij er aangelaten, om te dienen als handvatsel bij het afnemen van dit onbeschrijflijk verbogen en verfrommeld hoofddeksel. In een dik touw, dat hij bij wijze van gordel om zijn middel had, staken twee revolvers en een scalpeer-mes, en bovendien hingen daaraan verscheiden zakken, waaraan al de kleinigheden, die een Westman niet wel ontberen kan. Over zijn schouders hing een caoutchouc-mantel, maar welk een mantel! Dit pronkstuk was bij het eerste regentje zoo gekrompen, dat het zijn aanvankelijke bestemming nooit meer vervullen kon, en dat het voortaan slechts als een huzarenbuis gedragen kon worden. Dwars over zijn verbazend lange beenen had deze man een van die geweren liggen, waarmee een geoefend jager nooit misschiet. Hoe oud dat geweer was kon niemand raden, veel minder zeggen, en evenmin was de ouderdom van zijn muilezel te bepalen. Hoogstens liet zich vermoeden, dat die twee elkander van nabij kenden en reeds menig avontuur te zamen beleefd hadden.

De vierde ruiter zat op een zeer hoog en sterk paard. Hij was zeer, zeer zwaarlijvig, maar zoo klein, dat zijn korte beenen de flanken van het paard slechts ten halve konden omsluiten. Hij droeg, in weerwil dat de zon brandend heet aan den hemel stond, een pelsjas, die echter in den hoogsten graad lijdende was aan haarloosheid. Zijn hoofd werd bedekt met een veel te grooten Panama-hoed, en onder den kalen pels uit kwamen twee reusachtige kaplaarzen te voorschijn. Daar de mouwen van de pelsjas veel te lang waren, kon men van den geheelen man eigenlijk niets anders zien, dan het vette, roode, goedhartige sluwe gezicht. Hij was voorzien van een lang geweer. Welke wapenen hij wellicht nog meer bij zich had, was niet te zeggen, daar de pels alles bedekte.

Deze twee mannen waren David Kroners en Jacob Peperkorrel, overal niet anders bekend, dan onder de namen "Lange Davy" en "Dikke Gemmy". Die twee waren onafscheidelijk; nog nooit had iemand den een gezien, zonder dat de andere er bij of in de nabijheid was. Jemmy was een Duitscher en Davy een Yankee; doch de laatste had in de vele jaren, die deze twee reeds bij elkander waren, zooveel Duitsch geleerd, dat hij zich ook in die taal voldoende kon uitdrukken. Even onafscheidelijk, als die twee ruiters, waren ook hun paarden. Die stonden altijd naast elkander, graasden naast elkander; en als zij hier of daar op een legerplaats genoodzaakt waren het gezelschap van andere rijpaarden te dulden, wisten zij zich altijd een eindje daarvan af te zonderen, en drongen zij nog des te dichter bijeen, om met snuiven en snuffelen en likken elkander te liefkoozen.

Ofschoon het nog niet ver over het middaguur was, moesten die vier ruiters vandaag reeds een goeden afstand afgelegd hebben, en niet enkel over zacht grasland gekomen zijn, want zij en hun paarden waren bedekt met stof. En toch kon men noch aan hen noch aan hun viervoeters zien, dat zij vermoeid waren. Gevoelden zij zich werkelijk zoo, dan kon men dit louter opmaken uit hun stilzwijgen. Dit werd het eerst afgebroken door den naast Old Shatterhand rijdenden Hobble-Frank, die in zijn moedertaal de vraag tot zijn nevenman richtte: "Dus zullen wij te Elkfork moeten overnachten? Hoe ver is dat dan eigenlijk nog hier vandaan?"

"Wij zullen tegen den avond aan dat water aankomen," antwoordde de gevraagde.

"Tegen den avond pas? O wee! Wie kan dat uithouden! Wij zitten nu al sedert van morgen vroeg in den zadel. Wij dienen toch een oogenblik ergens te pleisteren, om de paarden even te laten uitblazen. Vindt gij dat ook niet?"

"Natuurlijk! Zoodra wij de prairie maar achter den rug hebben, komen wij aan een bosch, waar wij ook een stroomend water zullen vinden."

"O dat is goed! Dan kunnen de paarden drinken, en gras vinden zij daar ook. Maar wij, wat vinden wij dan? Gisteren hebben wij het laatste buffelvleesch opgegeten, en van morgen de beenderen afgekloven. Maar sedert hebben wij geen musch of eenig ander wild onder schot gehad; ik rammel dus van den honger, en als ik niet spoedig wat krijg, ga ik bepaald dood!"

"Wees maar gerust! Ik zal u wel een stukje vleesch bezorgen."

"Ja, maar wat voor een stukje? Dit oude grasland is letterlijk een gras-woestijn; ik geloof niet, dat er een kikvorsch op te vinden is. Waar zal dan een Westman, die bijna blaft van den honger, een ordentelijk stukje vleesch vandaan kunnen halen?"

"Ik heb het al in het oog. Neem mijn paard maar aan den teugel, en rijd met de anderen maar langzaam door."

"Zoo?" zeide Frank, terwijl hij hoofdschuddend rondkeek. "Hebt _gij_ al iets in het oog? _Ik_ zie nog niemendal."