De schat in het Zilvermeer

Chapter 28

Chapter 283,936 wordsPublic domain

"Als hij anders maar niets op zijn geweten had! Er zijn er verscheiden hier onder ons, die met dien veelvuldigen moordenaar een rekening te vereffenen hebben. Maar luister, wat er verder gebeurd is! Engel, namelijk de broer, was een welgesteld man, die zijn akker bebouwde en bovendien een winstgevenden handel dreef. Hij had twee kinderen, een jongen en een meisje. Het huisgezin bestond uit de ouders, die twee kinderen en een knecht voor alles, die, wanneer het noodig was, ook het werk van een meid deed. Op zekeren dag nu is een vreemdeling bij Engel gekomen, die zich uitgaf voor reeder van kanaalbooten; hij vertelde dat hij als goudzoeker fortuin gemaakt had. Bij die gelegenheid is ter sprake gekomen, dat hij destijds een jager gekend had, die Engel heette, en dat die óók een Duitscher was. Daarmee werd natuurlijk de broer bedoeld; en toen is er zóóveel te vertellen geweest, dat daarmee de gansche namiddag en de avond verliep, zonder dat de vreemdeling aan heengaan dacht. Hij werd natuurlijk uitgenoodigd om den nacht over te blijven, hetgeen hij na eenige plichtplegingen aannam. Op het laatst heeft Engel ook den dood van zijn broer en de oorzaak daarvan verteld, en de teekening uit het kleine hoekkastje gehaald en die aan den vreemdeling laten zien. En eindelijk is men naar bed gegaan. De ouders en de kinderen hadden hun slaapplaatsen boven in een kamer, aan de rechter-achterzijde van het huis, de knecht in een kamertje ook daar, maar aan de linkerzijde. Aan den gast had men de mooie voorkamer gegeven. Beneden was alles gesloten, en Engel had de sleutels, zooals hij iederen avond deed, mee naar boven genomen. Nu was kort te voren het zoontje, Fred, jarig geweest, en die had voor zijn verjaardag een tweejarig veulen ten geschenke gekregen. De jongen had nog niet lang te bed gelegen, of hij herinnerde zich, dat hij door al het praten en door de vele lotgevallen, die hij had hooren vertellen, dien avond vergeten had zijn paard te voeren. Hij stond dus weer op, en verliet, zeer zacht om niemand wakker te maken, de slaapkamer. Beneden schoof hij den grendel van de achterdeur en ging het erf over naar den stal. Licht mee te nemen had hij niet noodig geoordeeld; trouwens, de lantaarn stond in de keuken, en die was gesloten. Hij moest dus in den donker voederen, zoodat dit iets langer duurde dan gewoonlijk. Hij was er nog niet klaar mee, toen hij zich verbeeldde een noodkreet te hooren. Hij vloog den stal uit, het erf op, en zag licht in de slaapkamer. Dat licht verdween, en kwam dadelijk weer te voorschijn in het kamertje van den knecht. Daar deed zich een verschrikkelijk leven hooren; de knecht schreeuwde om hulp, en er kraakten meubelen. Fred vloog naar den muur, en klauterde tegen het spalier van den druivenwingerd op naar het raam. Toen hij daar naar binnen keek, zag hij den knecht op den vloer liggen: de vreemdeling zat op de knieën boven op hem, hield hem met de linkerhand bij de keel vast, en in de rechterhand hield hij een revolver, die hij tegen het hoofd van den knecht aanhield. Er knalden twee schoten, Fred had willen schreeuwen, maar hij had geen geluid kunnen geven. Van ontzetting liet hij het latwerk uit zijn handen glippen, en juist toen de schoten knalden, stortte hij van boven neer op de steenen van het daar geplaveide erf. Hij was met zijn hoofd naar beneden gevallen, en had zijn bewustzijn verloren. Toen hij weer tot bezinning kwam, vroeg hij zichzelf af wat hij doen zou. De moordenaar was stellig nog in huis, zoodat hij niet naar binnen durfde. Maar hulp moest er komen. Hij sprong dus over de omheining, en schreeuwde zoo hard als hij kon, ten einde de moordenaar vrees aan te jagen en van zijn ouders af te houden, en snelde naar de woning van den dichtstbijwonenden nabuur, wiens huis, evenals dat van Engel, een eind weegs buiten Benton stond. De lieden daar hoorden het geroep om hulp, en kwamen al spoedig naar buiten. Toen zij hoorden wat er gebeurd was, wapenden zij zich in allerijl en volgden den terugsnellenden jongeling op den voet. Eer zij echter het huis bereikten, zagen zij, dat het bovengedeelte in brand stond. De vreemdeling had brand gesticht en zich zoo ver mogelijk uit de voeten gemaakt. De vlammen hadden zoo snel om zich heen gegrepen, dat er geen mogelijkheid meer bestond om naar boven te komen; wat op de gelijkvloers-verdieping stond en lag, werd grootendeels gered. Het hoekkastje stond opengebroken, en was ledig. De lijken, die niet meer te bereiken waren, moest men laten verbranden."

"Afschuwelijk! IJzingwekkend!" klonk het uit aller mond, toen Droll een oogenblik zweeg. Fred Engel zat bij het vuur, hield met beide handen zijn gelaat bedekt, en weende.

"Ja, wel afschuwelijk, wel ijzingwekkend!" zei Droll. "Het verwekte dan ook groot opzien en groote ontsteltenis. Er werden nasporingen gedaan in alle richtingen, maar vruchteloos. De twee broeders Engel hadden in St. Louis een zuster, de vrouw van een rijken rivier-reeder. Die loofde tien duizend dollars als premie uit, voor het inhechtenisnemen van den brandstichter-moordenaar; doch ook dat baatte niet. Toen kwam zij op de gedachte, zich tot het particuliere detective-bureau van Harris & Blother te wenden, en dat heeft beter gevolg gehad."

"Beter gevolg?" vroeg Watson. "De moordenaar is immers nog op vrije voeten! Ik veronderstel natuurlijk dat het de kornel is."

"Ja, op vrije voeten is hij nog," antwoordde Droll; "maar hij is nu toch reeds zoogoed als in de knip. Ik ben naar Benton geweest, om daar mijn oogen een beetje beter open te doen dan anderen gedaan hebben, en...."

"Gij? Waarom gij?"

"Om die vijf duizend dollars te verdienen."

"Het waren er immers tien duizend?"

"Ja, maar het honorarium wordt gedeeld," zei Droll. "De eene helft krijgen Harris & Blother, de andere helft krijgt de detective."

"He, sir! zijt _gij_ dan een detective?"

"Hum! Ik geloof, dat ik hier enkel te doen heb met eerlijke menschen, waaronder er niet één is, op wien ik later jacht zal behoeven te maken; en daarom wil ik u nu zeggen, wat ik tot dusverre verzwegen heb: Ik ben particulier politie-agent, en wel voor sommige districten van het verre Westen. Ik heb reeds menigen booswicht, die zich volkomen veilig waande, overgeleverd aan het galghout, en hoop dat nog lang te kunnen blijven doen. Ziezoo! nu weet gij het, en nu weet gij meteen waarom ik niet graag over mij zelf spreek. De oude Tante Droll, over wien reeds honderden bij honderden gelachen hebben, is, als men hem kent, volstrekt zoo belachelijk niet. Maar dat komt hier nu eigenlijk niet te pas; ik heb nu over den moord te spreken."

Had men vroeger om den naam van Tante Droll gelachen, nu zag men hem met geheel andere oogen aan. Zijn bekentenis, dat hij detective was gaf opheldering van al het vreemde en wonderlijke in zijn persoonlijkheid. Hij verschool zijn ware ik achter zijn potsierlijk uiterlijk, om zijn handen des te zekerder te kunnen uitsteken naar dengene, dien hij wilde vatten.

"Ik wendde mij dus," vervolgde hij, "in de allereerste plaats tot Fred, en hoorde hem uit. Zoodoende vernam ik al wat er dien avond verteld en gesproken was. Het hoekkastje was door den moordenaar geopend. Hij had het niet open durven breken, omdat dit waarschijnlijk de bewoners des huizes wakker gemaakt zou hebben; hij had hen eenvoudig vermoord, om in het bezit van die teekening te komen. Hij wilde die natuurlijk gebruiken, en was dus voornemens, om naar het Zilvermeer te gaan. Ik moest hem achterna, en nam Fred, die hem gezien had, en die hem dus herkennen zou met mij mee. Reeds op de stoomboot, toen ik de tramps zag, was ik nagenoeg zeker van mijn zaak; die zekerheid is van dag tot dag grooter geworden, en vandaag, hoop ik, zal de dader wel in mijn handen vallen."

"In _uwe_ handen?" vroeg de oude Blenter. "Wat denkt gij dan met hem te doen?"

"Wat ik op dit oogenblik voor het beste zal houden."

"Gij zult hem toch niet naar Benton brengen?"

"Misschien wèl!"

"Zet dat maar gerust uit uw hoofd! Er zijn er, die vrij wat meer recht op hem hebben dan gij. Denk maar eens aan de rekening, die ik met hem te vereffenen heb."

"En ik!" riep de opzichter.

"En wij andere rafters ook!" klonk het van verscheiden zijden.

"Maakt u maar niet warm; want wij hebben hem nog niet!" antwoordde Droll.

"Wij hebben hem!" beweerde Blenter. "Hij zal bepaald wel de allereerste zijn, die in den trein klimt."

"Dat is wel mogelijk; maar ik heb nog geen buffelvleesch te eten, of ik moet eerst den buffel geschoten hebben. Overigens is het mij volkomen onverschillig wie hem krijgt. Ik behoef hem volstrekt niet mee te sleepen. Als ik maar bewijzen kan, dat hij dood is, en dat ik daartoe het mijne heb bijgedragen, ben ik zoo zeker van de premie als mijn nachtjapon. Voor het oogenblik heb ik genoeg gesproken, en ga een poosje slapen. Wekt mij zoodra het tijd is."

Hij stond op, om een afgelegen donker plekje te zoeken. De anderen echter dachten aan geen slaap. Wat zij gehoord hadden, hield hen nog lang bezig; en toen werd de ophanden zijnde ontmoeting met de tramps een thema, dat niet uitvoerig genoeg besproken kon worden.

Winnetou nam geen deel aan dat gesprek. Hij had plaats genomen leunende tegen de rots, en zat met zijn oogen dicht; maar slapen deed hij volstrekt niet, want nu en dan gingen zijn oogleden open, en dan schoot er een scherpe, uitvorschende blik uit, aan een weerlichtstraal gelijk.

Het was omstreeks middernacht, toen de twintig werklieden bij den ingenieur kwamen, om post te vatten bij zijn huis. Old Firehand ging Hartley opzoeken. Deze lag te bed, en sliep; maar naast hem zat Charoy's neger, met een revolver in zijn hand. Hij had in plaats van den gekwetste, die behoefte aan slaap had, de bewaking van de twee tramps op zich genomen, en Old Firehand zag, dat hij in dat opzicht volkomen gerust kon zijn. Hij ging dus terug naar den ingenieur, en zei tegen dezen, dat hij nu den trein te gemoet zou gaan.

"Dus is nu het gevaarlijke uur gekomen!" zei Charoy. "Zijt gij toch óók niet een beetje bevreesd, sir?"

"Bevreesd?" antwoordde de jager verwonderd. "Zou ik dan dit zaakje uit eigen beweging op mij genomen hebben, als ik bevreesd was?"

"Of althans ongerust?"

"Ik heb maar één ongerustheid, dat de kornel mij misschien ontsnappen zal."

"Maar het is mogelijk, ja meer dan waarschijnlijk, dat ze op u schieten zullen."

"Nog veel waarschijnlijker is het, dat ze mij niet raken zullen. Maak u om mijnentwil volstrekt niet ongerust, en houdt hier zoolang ik afwezig ben, den boel maar goed in orde. Het is best mogelijk, dat de kornel eenige kerels vooruitzendt, die moeten oppassen, dat alles hier loopt zooals hij wenscht. Doet hij dat, dan zal hij met hen wel een sein afgesproken hebben om hen te waarschuwen. Houd u dan volkomen zoo, alsof er niets buitengewoons aan de hand is."

Nu riep hij de twee werklieden, die in plaats van de tramps post moesten vatten op de locomotief, en ging met hen de baan op, zonder dat de spionnen, indien die er waren, er iets van gewaar konden worden. De ingenieur had gezorgd, dat die twee mannen bijna juist gekleed waren als de beide tramps.

Het was stikdonker; maar de werklieden kenden den weg, en namen den jager tusschen hen in. Terwijl zij dus in de richting naar Carlyle voortgingen, prentte hij hun nog eens goed in, hoe zij zich bij al wat er gebeuren mocht, te gedragen hadden. Zij bereikten de plek, die telegraphisch bepaald was, en gingen daar in het gras zitten, om de komst van den trein af te wachten. Het was nog even voor drieën toen die aankwam en vlak bij hen stilhield. Hij bestond uit de locomotief met tender en zes groote personen-wagens. Old Firehand stapte in, en doorliep de rijtuigen. Zij waren ledig. In den voorsten wagen stond een met steenen gevulde, gesloten kist. Een conducteur was er niet bij; er waren slechts twee personen op den trein, de machinist en de stoker. Toen Old Firehand de wagens in oogenschouw genomen had, ging hij naar die twee, en gaf hun de noodige orders. Doch eer hij nog uitgesproken had, viel de stoker hem in de rede, en zei: "Een oogenblikje, sir! ik geloof niet, dat het noodig is uw verdere bevelen te geven. Ik heb geen trek om daaraan te voldoen."

"Zoo? waarom dat?"

"Ik ben stoker en heb voor het vuur onder den ketel te zorgen; daarvoor word ik betaald; maar ik ben niet aangesteld om mij te laten doodschieten."

"Wie spreekt dan van doodschieten?"

"Gij natuurlijk niet, maar ik zooveel te beter."

"Er is geen mensch, die aan schieten zal denken."

"Goed! dan zullen zij steken of slaan; dat komt precies op hetzelfde neer. Of ik doodgeschoten, gestoken of geslagen of gewurgd word, dat is alles zoo wat eenerlei. Op geen van al die manieren wensch ik mijn post te verlaten."

"Maar hebben uw superieuren u dan niet bevolen, te doen wat wij u hier zullen voorschrijven?"

"Neen; dat kunnen zij niet. Ik heb een vrouw en een huishouden met kinderen en doe mijn plicht. Met de tramps te gaan vechten, dat behoort volstrekt niet tot mijn bezigheden. Men heeft mij gezegd, dat ik tot hier moest meerijden, en dat ik hier zou vernemen wat er van mij verlangd wordt. Of ik genegen ben om dat te doen, dat hangt geheel af van mijzelf, en nu heb ik er toevallig hoegenaamd geen trek in."

"Is dat bepaald uw besluit?"

"Ja."

"En gij, sir?" vroeg Old Firehand aan den machinist, die het geheele gesprek aangehoord had zonder iets te zeggen.

"Ik verlaat de locomotief niet," antwoordde de brave, onvervaarde man.

"Maar ik voel mij verplicht u opmerkzaam te maken, dat u door een of ander onvoorzien voorval toch wel een ongeluk overkomen kan."

"En u niet, sir?"

"O ja, dat spreekt vanzelf."

"Welnu wat gij durft wagen, zonder er verplicht toe te zijn, moet ook ik durven wagen, omdat het een staaltje van mijn plicht is."

"Bravo! gij zijt een flinke vent. De stoker kan op zijn gemak naar Sheridan gaan, en daar onze terugkomst afwachten; ik zal zijn plaats wel innemen."

"_Well_, dan ga ik maar heen, en wensch u een goeden afloop," prevelde de stoker, terwijl hij zich verwijderde.

Old Firehand klom met de twee werklieden op de locomotief, en gaf nogmaals nauwkeurig zijn orders aan den machinist; daarop maakte hij zijn gezicht zwart met roet. Nu zag hij er in zijn linnen pak precies als een stoker uit. De trein zette zich in beweging.

De wagens waren naar Amerikaansch model gemaakt. Men moest er van achteren in den achtersten wagen inklimmen, om in de voorste wagens te komen; ze waren natuurlijk verlicht. De locomotief was een zoogenaamde tender-machine, en omringd met hooge, stevige wanden van dik blik, ter beschutting tegen weer en wind. Dat was in dit geval zeer gelukkig, want die wanden verborgen de op de locomotief staande personen bijna geheel en al en bezaten genoeg weerstandsvermogen om pistool- en geweerkogels er op te doen afstuiten.

De trein bereikte al spoedig Sheridan, en hield daar stil. Er was niemand anders op het perron dan de ingenieur; hij wisselde met den machinist de gebruikelijke vragen en antwoorden, en liet toen den trein verder gaan.

Intusschen waren de twee spionnen, die Old Firehand op de hoogte van het talud beluisterd had, ter plaatse aangekomen, waar de kornel zich met de tramps bevond. Zij berichtten hem, dat in Sheridan geen sterveling eenig vermoeden had van hetgeen er gebeuren zou, hetgeen groote vreugde veroorzaakte. Toen echter namen zij den kornel ter zijde, en deelden hem de vrees mee, die zij reeds tegen elkander uitgesproken hadden. Hij hoorde hen bedaard aan, en zei toen: "Wat gij mij zegt, weet ik al. Het komt niet in mij op, al die kerels, die meerendeels geen knip voor den neus waard zijn, bij mij te houden, en evenmin kan het in mij opkomen, aan hen, die ik niet noodig heb, een enkelen dollar van dat halve millioen af te staan--zij krijgen niets!"

"Dan zullen zij nemen wat zij hebben willen."

"Dat moet gij afwachten. Ik heb mijn plan."

"Maar zij zullen elkander bijna dooddringen, om maar het eerst in den trein te komen."

"Dat begrijp ik! Ik ben er zeker van, dat zij den trein zullen bestormen; maar ik blijf buiten staan, en wacht, totdat de kas uit den wagen gehaald wordt. Als de trein dan weg is, zullen wij wel zien wat er gebeurt."

"Hoe staat het dan met ons beiden?"

"Gijlieden blijft bij mij. Doordien ik u naar Sheridan gezonden heb, heb ik bewezen, dat ik u mijn vertrouwen schenk. Gaat nu naar Woodward. Die kent mijn plan, en zal u de namen noemen van hen, die ik van plan ben bij mij te houden."

Zij voldeden aan dat verlangen, en legerden zich bij den genoemde, die zoowat den rang van luitenant onder den kornel bekleedde. Alles lag nog in duisternis gehuld; toen het uur begon te naderen, werd er op zij van de baan een vuur aangemaakt. De tramps vermoedden niet, dat dit uur zoo laat in den nacht gekozen was tot hun verderf. Om drie uur was het nog donker; maar toen de trein Eagle-tail bereikte, brak de morgenstond aan, zoodat men goed kon mikken.

Omstreeks kwartier over drieën hoorden de wachtenden veraf het rollen van den trein, en kort daarop zagen zij de felle lichten van de machine. Old Firehand hield het vuurgat gesloten, zoodat hij en de drie andere personen niet duidelijk gezien zouden kunnen worden. Nauwelijks honderd passen van het vuur af, gaf de machinist, als gehoorzaamde hij aan een plotselingen dwang tegenstoom. De stoomfluit gilde, de wielen krasten en steunden; de trein kwam tot staan.

Tot nu toe hadden de tramps in ongerustheid verkeerd, of het den nagemaakten klerk en zijn kameraad gelukken zou den machinist en den stoker vrees aan te jagen; toen zij nu den trein zagen stoppen, begonnen zij te jubelen van blijdschap, en verdrongen elkander naar den achtersten wagen. Ieder wilde de eerste zijn. Maar de kornel wist wel wat het noodigste was. Hij ging naar de locomotief, keek om den hoek van den eenen beschuttenden wand even naar boven, en vroeg: "Alles richtig, boys?"

"_Well!_" antwoordde de eene werkman, die den machinist de revolver op de borst hield. "Zij hebben eieren voor hun geld moeten kiezen. Zie maar, kornel! Als zij zich durven verroeren, geven wij vuur."

Old Firehand stond als sidderende van angst tegen den waterbak gedrukt, en voor hem stond de andere werkman met zijn revolver. De kornel werd volkomen verschalkt. "Mooi zoo!" zei hij. "Gij hebt uw taak goed gedaan: gij zult er extra voor beloond worden. Blijft nog boven, tot wij klaar zijn; en dan, als ik het sein geef, kunt gij van de locomotief afkomen; dan behoeven deze brave menschen niet van angst te sterven, en kunnen zij doorrijden."

Hij verwijderde zich in den donker weer van de locomotief. Hij had niet anders gedacht, dan zijn beide tramps te zien, te meer daar de werkman, die hem geantwoord had, zeer goed de stem van den zoogenaamden klerk had nagebootst. Toen hij weg was, boog Old Firehand voorover, om de plaats waar men stond te overzien. Hij zag geen mensch staan; maar in de wagens heerschte een verschrikkelijk rumoer. Hij hoorde, dat zij aan het vechten waren, om de groote geldkist machtig te worden.

"Vooruit! Vooruit!" gebood de jager aan den machinist. "En niet langzaam, maar zoo hard als we maar kunnen, want anders komen ze de wagens, weer uit."

De trein zette zich weer in beweging, zonder dat de machinist de stoompijp deed fluiten.

"Halt, halt!" schreeuwde een stem. "Schiet de honden neer! Schiet! Schiet!"

Men kon de woorden verstaan, maar den klank der stem kon men niet herkennen. Daardoor wist Old Firehand niet, dat het de kornel was, die dat riep.

De in de wagens zijnde tramps schrikten, toen de trein hoe langer hoe harder begon te rijden. Zij wilden er uitspringen, maar dat was bij de snelheid, die de machinist aan de vaart gaf, niet te doen. Old Firehand moest het vuur opporren. De vlammen wierpen hun schijnsel op hem en op zijn bijstanders. De voordeur van den voorsten wagen werd geforceerd, en Woodward kwam daar te voorschijn. Hij zag de locomotief vóór zich, en het helder beschenen gelaat van den jager, bij wien de twee nagemaakte tramps zeer vertrouwelijk stonden te kijken.

"Old Firehand!" bulderde hij zoo hard, dat het boven het geraas der ijzeren wielen en het gepoef der locomotief uitklonk. "Die hond is het! Rijd naar de hel."

Meteen greep hij het pistool uit zijn gordel en schoot. Maar Firehand wierp zich met de snelheid eener gedachte op den grond, en bleef ongedeerd. Doch in het volgende oogenblik glinsterde ook zijn revolver en Woodward, in zijn hart getroffen, stortte achterover in den wagen terug. Anderen verschenen aan de opengebroken deur, maar werden insgelijks terstond door zijn kogels getroffen. Ook de twee werklieden richtten hun revolvers op de deur, en schoten, totdat het gelukt was de beschuttende wand in zijn dwarsvouw te brengen tusschen den wagen en de locomotief. Nu mochten de tramps schieten zoo hard als zij wilden.

Intusschen was de trein verder gereden. De machinist hield goed de lichten op de baan in het oog. Er verliep een half uur, en in het oosten begon het licht te worden. Toen liet hij de stoompijp fluiten, niet in korte tempo's maar in een lang gerekt gehuil, waaraan geen einde scheen te komen. Hij naderde de brug, en wilde de daar wachtende mannen van de nadering van den trein verwittigen.

Die mannen stonden sedert lang op hun post. Even vóór middernacht waren de dragonders uit Fort Wallace aangekomen; die hadden zich nu aan weerszijden van de rivier onder de brug geposteerd, om iederen tramp, die het wellicht daarboven mocht weten te ontkomen, beneden te vatten. Daar, waar de brug begon, stond Winnetou met de rafters en jagers. Aan de andere zijde van de brug, aan weerskanten van den ingang van den tunnel, stonden drie vierden van de gewapende baanwerkers, en aan den uitgang van den tunnel wachtte het overige vierde gedeelte. Bij dezen bevond zich de opzichter, die de niet zonder gevaar zijnde taak op zich genomen had, om binnen in den tunnel de locomotief van den trein te gaan afhaken. Toen hij het gehuil van de stoompijp hoorde, gebood hij aan zijn mannen: "Het vuur aanmaken!"

Terwijl aan dat bevel terstond gevolg werd gegeven, doordien men den hoop hout en kolen, die voor den mond van den tunnel lag in brand stak, sloop hij behoedzaam den tunnel in, om, zich tegen den muur houdende, den trein af te wachten.

Deze was met verminderde vaart de brug over gekomen, en naderde den tunnel. Old Firehand zag de daar geposteerde manschap, en riep hun toe: "Achter ons het vuur aanmaken!"

Een oogenblik later hield de trein stil. De locomotief stond juist waar de opzichter die verwacht had.

"Slechts een oogenblik!"

Bij deze woorden kroop hij tusschen de machine en den eersten wagen, haakte die beide van elkander af, en snelde toen den tunnel uit. De locomotief volgde oogenblikkelijk; de wagens bleven staan; en de voor en achter brandende vuren werden door de werklieden midden op de baan geschoven, nadat men de spoorstaven haastig met steenen bedekt had, om die te beveiligen voor de vuurhitte.