De schat in het Zilvermeer

Chapter 27

Chapter 273,626 wordsPublic domain

"Nu, gelooft gij nu, dat ik geen tramp ben?" vroeg Droll aan den machinist, toen die van de locomotief afkwam en insgelijks op het vuur aantrad.

"Yes, sir!" knikte deze. "Gij zijt een eerlijk man!"

"En een goed mensch ook! Dat zal ik u dadelijk bewijzen, want ik noodig u allen ten eten. Wij hebben een vette buffelkoe geschoten, en gij zult eens proeven hoe goed die smaakt, gebraden _à la prairie_. Wij hebben er met ons allen overvloedig aan, en ik hoop, dat uw mannen spoedig klaar zullen zijn met hun werk, om gezamenlijk met ons te kunnen aanzitten."

Het duurde dan ook niet lang meer, of men begon zich te goed te doen aan het malsche vleesch. Voor de meesten echter was er geen plaats bij het vuur. Er hadden zich verscheiden groepjes gevormd, welke bediend werden door de rafters, die zich de gastheeren voelden. Behalve de buffelkoe was er nog een goede hoeveelheid klein wild, zoodat er, in weerwil van het groot aantal der baanwerkers, toch nog eten genoeg was.

Vroeger, voordat de trein gerangeerd werd en de ingenieur aan den opzichter het bevel kwam brengen om op te breken, had hij hem nog gezegd: "Old Firehand heeft mij opgedragen u mee te deelen, als gij iets naders wenscht te vernemen aangaande dien master Engel, uw vroegeren kameraad, wend u dan tot zekeren Mr. Pampel, een Duitscher, dien gij onder de rafters zult vinden."

"Kent die hem? Weet die iets van hem?"

"Hoogstwaarschijnlijk wel, want anders zou Old Firehand u niet aan hem geadresseerd hebben."

Watson herinnerde zich dat, en spitste nu zijn ooren, of hij ook aan de Duitschachtige uitspraak van een der rafters kon hooren, of die wellicht Mr. Pampel zijn kon. Het duurde niet lang of hij had hen hooren spreken; maar hij had er niet één gehoord, die niet het echte Yankee-Engelsch sprak. De opzichter besloot dus, regelrecht naar zijn man te vragen. Hij was een der weinigen, die bij het vuur plaats gevonden hadden. Naast hem zat Tante Droll en Humply-Bill. Hij wendde zich tot den laatstgenoemde: "Sir! houd mij een vraag ten goede: Weet gij ook, of zich een Duitscher onder ulieden bevindt."

"O ja," antwoordde Bill. "Zelfs verscheidenen."

"Is het tóch waar? Wie dan, bij voorbeeld?"

"Wel in de allereerste plaats is Old Firehand zelf een Duitscher. En dan kan ik onze dikke Tante noemen, die naast u zit; en vlak over ons zit óók nog een Duitscher, Zwarte Tom. Misschien is ook de kleine Fred, dien gij daar naast hem ziet zitten, onder de Duitschers mee te rekenen."

"Hum! Wien ik zoek, is onder de aangeduiden niet."

"Zoo! Wien zoekt gij dan?"

"Een zekeren Mr. Pampel."

"Pam--pam--pam--pampel?" riep Bill, terwijl hij uitbarstte in een schaterend gelach. "_Heavens!_ Wat een naam is dat? Wie kan zulk een naam over zijn lippen krijgen. Pam--pam--pam--hoe was het ook al weer? Ik dien het woord nog eens te hooren, eer ik het nazeggen kan."

"Mr. Pampel," herhaalde de opzichter; en nu begonnen allen luidkeels met Humply-Bill mee te lachen.

Het woord deed de ronde van de eene groep naar de andere, en lokte overal een uitbundig gelach uit, zoodat er weldra op de gansche verzamelplaats niet één ernstig gezicht meer te zien was. Niet een? O, ja wel! Droll's gelaat was onbeweeglijk gebleven. Hij had een groot stuk lendevleesch van den buffel genomen, sneed groote stukken daarvan af en stak die in zijn mond en kauwde met zooveel ijver en onverdeelde aandacht, alsof hij noch den naam, noch het schaterende lachen hoorde. Toen dit laatste eindelijk tot bedaren kwam, liet de stem van Bill zich weer hooren: "Neen, sir! Gij zijt bepaald verkeerd ingelicht; er is niemand onder ons, die Pampel heet."

"En Old Firehand heeft het mij laten zeggen," antwoordde Watson.

"Dan hebt gij stellig den naam niet goed verstaan of niet goed onthouden. Ik ben overtuigd, dat ieder onzer zich liever een kogel door den kop zou jagen, dan zich door zulk een naam belachelijk te maken. Zijt gij dat niet met mij eens, oude Tante?"

Droll hield even op met kauwen, en antwoordde: "Een kogel? Dat zou niet in mij op kunnen komen."

"Dat kunt gij gemakkelijk zeggen, omdat gij geen Pampel maar Droll heet. Maar als dit zoo was, ben ik overtuigd, dat gij niet onder de menschen zoudt gaan."

"Maar ik ben immers onder de menschen gegaan?"

Hij zei dit met zulk een bijzonderen nadruk, dat Bill hem van ter zijde eens aankeek, en toen vroeg: "Dus gij, gij lacht niet om dien naam?"

"Neen. Ik doe dat niet, om den kameraad, die zich in ons midden bevindt, en die werkelijk dien naam draagt, niet te beleedigen."

"Wat? Wat zegt gij? Bevindt die Pampel zich werkelijk onder ons?"

"Zeer zeker."

"Verduiveld! Wie is het dan?"

"Ik ben het zelf."

Nu sprong Bill overeind, en riep: "Gij, gij zelf zijt die Pam--pam--pam!"

Hij kon van den lach niet verder; en de anderen bezaten zoo weinig zelfbeheersching, dat het gelach opnieuw algemeen was. Niet weinig werd de vroolijkheid verhoogd, doordien Droll volkomen ernstig bleef en zoo uitsluitend verdiept in het smakelijk verorberen van het buffelvleesch, dat hij door bleef kauwen, alsof het gelach en de oorzaak daarvan hem volstrekt niet aangingen. Maar toen hij zijn laatste stukje vleesch opgepeuzeld had, stond hij op, keek flink om zich heen, en riep zoo, dat iedereen hem verstaan kon: "Messieurs! nu moet de pret uit wezen. Geen mensch kan helpen welken naam hij draagt; en wie den mijne belachelijk vindt, mag mij dat nu zeggen in ernst, en dan zijn mes nemen, om eventjes met mij op zij te gaan in den donker. Dan zullen wij zien wie van ons beiden dan nog lacht!"

Er volgde een diepe stilte.

"Maar, Droll!" zei Humply-Bill vriendelijk, "wie kon denken, dat _gij_ zoo heet! De naam is inderdaad een beetje potsierlijk. Maar wij hebben u niet willen beleedigen, en gij moet mij vergeven wat ik gezegd heb--dat verzoek ik u dringend--ik heb er spijt van. Kom, kom maar weer bij mij zitten."

"_Well_, dat zal ik doen. Haatdragend ben ik volstrekt niet; want ik weet zelf dat het woord een beetje pampelig klinkt. Maar nu gij weet, dat het mijn naam is, hoop ik, dat gij mij verder ongemoeid zult laten."

"Natuurlijk! Dat spreekt vanzelf. Maar waarom hebt gij ons dat tot nu toe verzwegen? Gij zijt over het geheel iemand, die over zijn vroeger leven niet graag spreekt."

"Niet graag spreekt? Wie zegt dat? Ik denk zeer graag terug aan den tijd uit mijn vroegere jeugd; maar ik heb nog nooit gelegenheid gehad om er over te spreken."

"Dan moet gij dat nu in zien te halen. Van ons allen weet gij wat wij zijn en wat wij geweest zijn. Wij hebben gedurende den rit allen vertrouwelijk met elkander omgegaan, en de een kent dus den andere op een prik; maar van en over u alleen weten wij niets, zoogoed als niets."

"Omdat het ook niets te beduiden heeft, wat ik te vertellen zou hebben. Trouwens, mijn geboorteplaats is reeds bekend."

"Ja, Langenleuba in het Altenburgsche. Wat was uw vader daar? Mogen wij dat weten?"

"O ja, waarom niet!" antwoordde Droll met een glimlachje. "Die was meer, veel meer, dan de vader van menig ander geweest is. Wij hebben tot morgenochtend drie uur op de tramps te wachten; er is dus nog tijd in overvloed, om u met al zijn ambten en waardigheden bekend te maken. Hij was klokkenluier, kelderknecht, koster en doodgraver, doopmaals-, bruilofts- en begrafenis-nooder, zeisenslijper, koddebeier en sergeant-majoor bij de burgerwacht. Daar hebt gij alles."

Men keek hem uitvorschend aan, om te ontdekken of hetgeen hij zei scherts was of ernst.

"Gij kunt mij gerust gelooven!" verzekerde hij. "Dat alles is hij werkelijk en warendig geweest; en wie de toestanden in mijn geboorte-land kent, weet nu meteen, dat mijn vader een doodarme drommel was en toch in weerwil daarvan, geacht en geëerd werd door zijn medeburgers. Wij waren met ons twaalven, en hebben er allesbehalve vet van gesopt, om eerlijk door de wereld te komen en aan ieder het zijne te geven. Later zal ik wel eens vertellen....."

"Een oogenblik!" viel de opzichter hem in de rede. "Gij voldoet aan den wensch van de anderen, sir! maar _ik_ ben degene, die naar u gevraagd heeft. Old Firehand heeft mij uw naam opgegeven...."

"Ja, hij was de eenige, die wist, dat ik zoo heet."

".....omdat ik van u te weten zou kunnen komen," vervolgde Watson, "wat er geworden is van uw landsman Engel."

"Engel? Welken Engel bedoelt gij?"

"Den jager en vallen-opzetter, die hoog in het gebergte geweest is, aan het Zilvermeer."

"O, die? Meent gij dien?" vroeg Droll met zichtbare bevreemding. "Hebt gij hem gekend?"

"Ja, en zeer goed ook. Leeft hij nog?"

"Neen, hij is dood."

"Weet gij dat stellig?"

"Ja, zeer stellig. Waar hebt gij hem leeren kennen?"

"Juist daarboven aan het Zilvermeer. Daar hebben wij een geheelen winter moeten doorbrengen, want wij zaten er ingesloten door de sneeuw....."

"Is uw naam dan Watson?" viel Droll hem in de rede.

"Ja, sir! zoo heet ik."

"Watson, Watson! Hoe toevallig! Of neen er bestaat geen toeval! Het is een bestiering van het Opperwezen! Ik heb u nog nooit van mijn leven gezien, master! en toch ken ik u reeds evengoed als ik mijn eigen zak ken."

"Heeft iemand dan over mij tegen u gesproken? Wie is dat geweest?"

"De broeder van uw kameraad Engel. Ziehier! Die jongeling heet Fred Engel; hij is de neef van uw lotgenoot aan het Zilvermeer, en is met mij op reis getogen, om den moordenaar van zijn vader te zoeken."

"Is zijn vader dan vermoord?" vroeg Watson, terwijl hij den jongeling zijn hand toestak en hem vriendelijk toeknikte.

"Ja, en dat eenvoudig om een teekening, die...."

"Alweer een teekening!" viel de opzichter hem in de rede. "Kent gij den moordenaar? Dat is stellig de roodharige kornel!"

"Ja, die is het, sir! Maar...... die had ook u vermoord, heette het."

"Slechts gewond, sir! slechts gewond. De steek had gelukkig mijn hart niet geraakt. Maar ik zou stellig door het zware bloedverlies gestorven zijn, als er niet een ruiter gekomen was, een Indiaan, die mij verbond en mij toen naar andere Roodhuiden bracht, bij wie ik blijven mocht totdat ik hersteld was. De ruiter, mijn redder, is de beroemdste man onder de Indianen en heet....."

Eensklaps zweeg hij; midden in zijn volzin brak hij af, richtte zich langzaam op, en staarde naar de rots als iemand, die een bovennatuurlijk visioen heeft. Van de rots kwam met langzame schreden Winnetou af, die op verkenning was geweest.

"Daar komt hij aan, daar komt hij aan, Winnetou, de hoofdman der Apachen!" riep de opzichter uit: "Hij is daar, hij is hier! Wat een geluk! Winnetou! Winnetou!"

Hij snelde op den hoofdman aan, greep zijn handen, en drukte die aan zijn hart. De Apache keek hem goed in zijn gezicht, en terwijl diens eigen gelaat in een zachte plooi kwam door een vriendelijk glimlachje, antwoordde hij: "Mijn blanke broeder Watson! Ik ben bij de krijgslieden der Timbabatsj geweest, en heb van hen vernomen, dat gij geheel hersteld en naar den Mississippi gegaan waart. De goede Manitou moet u zeer liefgehad hebben, dat hij uw wond heeft laten heelen, want die was veel erger, dan ik u heb durven zeggen, om u niet ongerust te maken. Ga zitten, en vertel mij eens hoe het u verder gegaan is tot op den dag van heden."

Er was er niet één, die dacht, dat het nu noodiger was aan de tramps te denken, dan naar het verhaal te luisteren van de wederwaardigheden en lotgevallen van den opzichter. Wat Winnetou deed, was stellig goedgedaan; als hij de aandacht van de eigenlijke hoofdzaak--de aanwezigheid van zulk een talrijken troep vijanden--afleidde, en die vestigde op één persoon--den opzichter--dan moest hij daarmee zijn goede oogmerk hebben en moest hij, die op verkenning was uit geweest, volkomen overtuigd zijn, dat men volkomen veilig was, en dat men gerust over iets anders kon spreken dan over de tramps.

Natuurlijk waren allen nieuwsgierig naar het verhaal van een man, wien Winnetou het leven gered had; en men had wel een speld op den grond kunnen hooren vallen, toen Watson nu al zijn wedervaren vertelde juist zooals hij het aan Old Firehand en den ingenieur verteld had. Toen hij alles verhaald had, wachtte hij geen minuut met de vraag: "En gij, master Droll, weet gij mij nu te zeggen wat er van mijn kameraad geworden is?"

"Ja, dat weet ik u te zeggen," antwoordde de dikke. "Er is een lijk van hem geworden."

"Dus heeft de kornel hem vermoord?"

"Neen, maar wel gekwetst, juist als u; en aan die wond is de arme drommel gestorven."

"Vertel, vertel, sir!"

"Dat is gauw verteld, daar heb ik niet veel woorden toe noodig. Toen de kornel u meegenomen had om te gaan jagen, begon Engel na te denken, dat gij, die geen wapenen bij u had, den Roodbaard ook bitter weinig van dienst zou kunnen zijn. Daar moest hij dus een ander oogmerk mee gehad hebben. Gij beiden had den kornel al niet erg vertrouwd; en nu begon Engel, die veel van u had leeren houden, bang te worden, dat u een ongeluk boven het hoofd kon hangen. Die angst liet hem al spoedig rust noch duur, en eindelijk besloot hij, uw spoor, dat duidelijk genoeg te herkennen was, te volgen. De ongerustheid verdubbelde zijn schreden, en eer er ongeveer een uur verstreken was had hij u in zooverre ingehaald, dat hij u zien kon. Juist toen hij den hoek van een boschje omsloeg, kreeg hij u in het oog; maar wat hij zag, deed hem terstond weer achteruitdeinzen. Terwijl hij het bloed in zijn aderen voelde stollen, gluurde hij door de takken van het geboomte heen. De Roodbaard stiet u neer met zijn mes, en knielde toen, om zich te vergewissen dat de wond doodelijk was. Toen stond hij weer op, en bleef een oogenblik stilstaan, als iemand die in beraad staat wat hij doen wil. Wat moest Engel nu doen? Den goed gewapenden moordenaar te lijf gaan om uw dood te wreken, die volstrekt geen wapentuig bij zich had? Dat zou waanzinnig geweest zijn. Of moest hij wachten, totdat de kornel zich verwijderd zou hebben, en zich dan naar u toe spoeden, om te zien of er nog leven in u was? Ook dat niet! U was toch bepaald dood, want anders zou de schobberd u nog wel een por hebben gegeven; en dan was de Roodbaard stellig op Engel's spoor gekomen, en zou hem vervolgd hebben, om ook hem naar de andere wereld te zenden. Neen, had de schurk u vermoord dan lag nu bepaald Engel aan de beurt, zoodat deze begreep, dat het eenige, dat hem nu te doen stond, was: zich zoo gauw mogelijk te redden door de vlucht; hij maakte dus rechtsomkeert, en vlood, eerst terug op het spoor waarlangs hij gekomen was; en vervolgens, zoodra het terrein gunstig was, sloeg hij zijwaarts een oostelijke richting in. Maar al te spoedig echter zou hij tot de ontdekking komen, dat de moordenaar zich niet lang in den omtrek van zijn schanddaad had opgehouden, maar teruggekeerd was, en het spoor van den vluchteling gevonden had. Engel had een hoogte beklommen, en zag, toen hij even omkeek, dat de Roodbaard hem dicht op de hielen zat. Wel bevond die zich nog in het dal beneden, doch hoogstens slechts op een afstand van tien minuten gaans. Aan de andere zijde der hoogte strekte zich de open prairie uit. Engel spoedde zich de hoogte af, en liep toen al rechtuit, zoo hard hij maar kon. Eerst na verloop van een kwartier waagde hij het even stil te blijven staan en om te zien. Hij zag den vervolger veel dichter achter zich dan daarstraks, en zette het opnieuw op een loopen. Die parforce-jacht duurde nog wel een uur, totdat Engel eindelijk boschgroei vóór zich zag. Nu dacht hij, dat hij gered was. Maar de heesters stonden tamelijk ver uit elkander, en daartusschen lag welig gras, waarin het spoor van de voeten duidelijk bleef staan. De vluchteling was eigenlijk een uitmuntend hardlooper; maar de ontberingen in den afgeloopen strengen winter hadden de krachten zeer doen afnemen; de vervolger kwam hem hoe langer hoe dichter op de hielen. Toen hij weder omkeek, zag hij hem op hoogstens honderd passen afstands achter zich. Dit spoorde hem aan tot het inspannen van zijn laatste krachten. Hij zag water vóór zich. Dat was de Orfork van den Grand River. Daar snelde hij op aan; doch eer hij den oever bereikt had, knalde er een schot. Hij voelde een stoot als van een stevige vuist in zijn rechterzijde, snelde verder, en sprong in het water, om naar den anderen oever over te zwemmen. Links van zich zag hij echter de uitwatering van een beek, die zich in de rivier ontlastte. Op die beek zwom hij aan, en zwom die een eind weegs in, tot hij een kreupelbosch gewaarwerd, welks dichte takken, die door daaraan hangend gebleven spoelgras nog ondoordringbaarder voor het oog waren geworden, van den oever af in het water neerhingen. Hij glipte daartusschen, en bleef er staan, want zijn voeten voelden daar grond. Gij kunt denken, dat hij van opgewondenheid beefde als een riet!"

"En van overspanning en angst!" voegde Watson er bij. "Neem mij niet kwalijk. Vertel verder asjeblieft."

"De kornel had nu insgelijks den oever bereikt. Daar hij Engel niet zag en de rivier niet zeer breed was, dacht hij, dat zijn slachtoffer naar de overzij was gezwommen, en ook hij ging te water. Maar daar hij zijn vuurwapenen en zijn schietbenoodigdheden droog moest houden, ging dat zeer voorzichtig, en duurde het vrij lang eer hij, op zijn rug zwemmende en die voorwerpen boven water houdende, den oever bereikte en in het kreupelhout verdween."

"Hij is bepaald teruggekeerd," zei Humply-Bill. "Toen hij aan de overzijde geen spoor vond, moest hij vooronderstellen, dat de vluchteling nog aan deze zijde van de rivier was."

"Juist," knikte Droll. "Hij zocht eerst aan de overzij van de rivier een goed eind weegs af, en toen keerde hij terug, om ook aan deze zijde te zoeken; en dat bracht hem in de war. Tweemaal ging hij de schuilplaats voorbij: maar den verscholene zag hij niet. Deze bleef nog lang luisteren, maar van den moordenaar zag of hoorde hij niets meer. Toch bleef hij in het water staan, totdat het donker was geworden; toen zwom hij over en liep den ganschen nacht door, regelrecht westwaarts, om zoo ver mogelijk uit de voeten te komen."

"Was hij niet gekwetst?"

"Ja, hij was door een schampschot getroffen aan zijn bovenlijf, onder den arm. In zijn staat van opgewondenheid, en bij de kilheid van het water, had hij zijn kwetsuur niet zoo gevoeld, of er althans minder acht op geslagen: maar op zijn marsch begon de wond te steken. Hij stopte die dicht, zoogoed als hij kon, totdat hij des morgens verkoelende bladeren vond, die hij er oplegde en van tijd tot tijd ververschte. Hij was dood-af van vermoeidheid, en had een razenden honger, dien hij zocht te stillen met wortels, die hij niet kende maar die hij toch at. Zoo sleepte hij zich voort, totdat hij tegen den avond een eenzaam kamp bereikte, waar men hem gastvrij ontving. Hij was zoo afgetobd, dat hij hun niet vertellen kon, wat hem wedervaren was; hij verloor zijn bewustzijn. Toen hij uit zijn bewusteloozen toestand ontwaakte, lag hij in een oud bed, en wist niet hoe hij daarin gekomen was. Toen vernam hij, dat hij bijna veertien dagen lang in ijlende koortsen had gelegen, en dat hij van niets anders geijld had dan van moord, bloed, vlucht en water. Nu eerst vertelde hij zijn wedervaren, en vernam hij, dat de cow-boy een roodharigen man ontmoet had, die hem had gevraagd of er een vreemde in het kamp aangekomen was. De boy had dien man vroeger eens in Colorado Springs gezien, en wist, dat hij Brinkley heette; hij hield hem voor iemand, die niet te vertrouwen was, en had daarom zijn vraag ontkennend beantwoord. Zoo was Engel den naam van den moordenaar te weten gekomen, want hij vooronderstelde wel, dat die aan hem vroeger een valschen naam opgegeven had. De wond begon te heelen, en toen werd hij op een keer meegenomen naar Las Animas."

"Dus niet naar Pueblo," zei de opzichter; "anders zou ik, toen ik later daar kwam, zijn spoor misschien wel gevonden hebben. Wat deed hij vervolgens?"

"Hij verbond zich als voerman bij een handels-karavaan, die volgens oud gebruik over den Arkansas-weg naar Kansas City ging. Toen hij daar zijn loon ontving, had hij de middelen om zijn broeder op te zoeken. In Russelville aangekomen, hoorde hij, dat zijn broeder van daar vertrokken was; maar van zijn naasten buurman ontving hij een voor hem achtergelaten brief, waarin stond, dat hij hem in Benton, Arkansas, zou vinden."

"O, daar! En Benton is juist een der weinige plaatsen waar ik niet geweest ben," zei Watson. "Maar hoe stond het met de teekening, die hij bij zich droeg?"

"Die was in het water van den Orfork erg beschadigd, en Engel moest die kopieeren. Natuurlijk vertelde hij alles aan zijn broer, en die was volkomen bereid, om den tocht met hem te ondernemen. Ongelukkigerwijze bleek al spoedig, dat alles wat hij had uitgestaan, niet, zooals men gehoopt had, zonder nadeelige gevolgen zou blijven. Engel begon te hoesten, en werd van dag tot dag in het oog loopend magerder. De dokter verklaarde, dat hij de vliegende tering had; en acht weken na de aankomst bij zijn broer was hij een lijk. Het lange staan in het koude voorjaars-water had hem ten doode gedoemd."

"Dus heeft de kornel dan toch Engel's dood op zijn geweten!"