De schat in het Zilvermeer

Chapter 26

Chapter 264,121 wordsPublic domain

"Naar Engel. Ik ging uit van de vooronderstelling, dat hij ontkomen was. Ik wist, dat hij in Russelville, Kentucky, een broeder had, dien wij van plan geweest waren op te zoeken, om daar de noodige toebereidselen te maken voor onzen tocht naar het Zilvermeer. Toen ik daar aankwam hoorde ik, dat die broeder naar den Arkansas vertrokken was, maar geen mensch wist mij te zeggen naar welke plaats. Bij zijn buurman had hij een brief achtergelaten voor zijn broer, als die naar hem mocht komen vragen. En die was dan ook werkelijk gekomen, en had den brief in ontvangst genomen, waarin natuurlijk wel de nieuwe woonplaats opgegeven was. Daarop was Engel vertrokken; en de buurman was sedert dien tijd gestorven. Ik ging dus naar Arkansas; en ik heb den ganschen staat doorzocht, maar tevergeefs. Doch in Russelville had Engel het avontuur verteld en mijn moordenaar Brinkley genoemd. Hoe en waardoor hij dien naam te weten gekomen was, is mij onbekend. Nu weet gij alles, messieurs! wat ik u te vertellen had. Als het met dien naam Brinkley is zooals ik vermoed, dan zal het een genot voor mij wezen, als ik dien schobbejak in mijn handen krijg. Ik geloof, dat ik met pleizier de rekening met hem vereffenen zal."

"Er zijn er meer, die datzelfde plan hebben," merkte Old Firehand aan. "Maar een ding is mij nog niet duidelijk. Gij hebt daarstraks gezegd, dat het roode haar van dien Brinkley valsch haar was. Hoe kunt gij dat weten?"

"Dat is zeer eenvoudig. Toen hij mij aanviel en ik mij verweerde, greep ik hem bij zijn kop. Ik zou hem stellig op den grond getrokken hebben en overwinnaar gebleven zijn, als de scalp op zijn kop vastgezeten had; maar ik hield het losse pruikje in mijn hand. Van dat vluchtige oogenblik mijner verbazing maakte hij gebruik, om mij het mes in de borst te stooten. Zijn eigen haar, zooals ik nog zien kon, was donker."

"_Well!_ Er valt niet aan te twijfelen; gij hebt te doen gehad met den roodharigen kornel. Het gansche leven en streven van dien kerel schijnt een aaneenschakeling te zijn van misdaden en moorden. Wij willen hopen, dat het ons van nacht gelukt, daaraan voorgoed een einde te maken."

"Dat hoop ik van ganscher harte met u. Maar gij hebt mij nog niet gezegd hoe wij ons bij den ophanden zijnden aanval verweren moeten."

"Dat behoeft gij nu nog niet te weten. Gij zult het vernemen zoodra het tijd is. Voorloopig hebben de werklieden zich rustig te houden; zij kunnen er zich op voorbereiden, dat zij van nacht niet veel zullen slapen. Ook moeten zij vooral hun wapenen in orde brengen. Nog vóór middernacht moeten zij plaats nemen in een trein, die hen naar de plaats der ontknooping zal brengen."

"_Well_, sir! dan begrijp ik, dat ik verder niets meer behoef te vragen. Uw bevelen zullen stipt ten uitvoer gebracht worden."

Toen de opzichter zich verwijderd had, vroeg Old Firehand aan den ingenieur, of hij niet een paar werklieden had, die, wat lichaamsbouw en voorkomen betrof, eenigszins geleken op de twee gevangen tramps, en die moed genoeg zouden hebben om op de locomotief de plaats van de twee tramps in te nemen. Charoy dacht een oogenblik na, en zond toen zijn neger uit, om de twee personen te halen, die hij voor die taak het geschiktst achtte.

Toen zij kwamen, zag Old Firehand terstond, dat de keus van den ingenieur vrij gelukkig uitviel. Wat grootte en vorm der gestalten betrof geleken zij vrij wel op de twee gevangenen; en wat het gelaat betrof, liet het zich voorzien dat in de nachtelijke duisternis niemand het onderscheid zou opmerken. Het eenige dat nog een bezwaar kon opleveren, was: dat het stemgeluid niet al te veel moest verschillen. Daarom nam Old Firehand de twee werklieden mee naar de kamer van Hartley, en nam voor de leus de twee tramps nog even in het verhoor. De twee werklieden werden daardoor in staat gesteld om de stemmen der gevangenen te hooren en die zoogoed mogelijk na te bootsen.

Toen dit alles afgeloopen was, besloot de jager nu eens op verkenning uit te gaan, om zich te vergewissen of de roodharige kornel wellicht verspieders uitgezonden had. Hij verliet het huis, en zocht op de manier der Westmannen den ganschen omtrek af. Dit geschiedde natuurlijk naar dien kant, van waar dergelijke lieden komen moesten, dus in de richting naar dien kant van Eagle-tail.

Als een ervaren jager iemand besluipen wil, zonder te weten waar die zich bevindt, gaat hij niet aan het zoeken in het honderd, maar hij overlegt bij zich zelf, waar die persoon, de gegeven omstandigheden goed overwogen, hoogst waarschijnlijk zijn oponthoud gekozen zal hebben. Zoo deed ook Old Firehand. Indien er verspieders gekomen waren, bevonden zij zich in allen gevalle op een plaats, van waar de nederzetting der werklieden bij nacht met het minste gevaar en toch voldoende kon worden gadegeslagen. En zulk een plaats was er op slechts geringen afstand van het huis van den ingenieur. Men had het terrein moeten afgraven, en dientengevolge verhief zich vlak naast het spoor een vrij steil opgaand talud, op welks hoogste punt eenige boomen stonden. Van daar naar beneden had men het beste overzicht terwijl men er gedekt was door de boomen. Zoo ergens, dan moesten de spionnen daar gezocht worden.

Old Firehand wist ongezien aan den anderen kant tot aan den voet van die kleine hoogte te komen, en kroop toen behoedzaam naar boven. Zoodra hij daar aankwam, zag hij, dat zijn veronderstelling juist was. Onder de boomen zaten twee mannen, die zoo zacht met elkander spraken, dat zij beneden noch gehoord noch gezien konden worden. De stoutmoedige, onverschrokken jager naderde hen tot op korten afstand. Hij had hen met beide handen kunnen grijpen. Dat hij zich zoo dicht in hun nabijheid durfde wagen, was te danken aan zijn grijze linnen kostuum, dat in de duisternis niet te onderscheiden was van de kleur van den grond. Het was hem echter niet te doen om hen onschadelijk te maken, maar integendeel om te hooren wat zij zeiden. Ongelukkigerwijze was er in hun gesprek juist een pauze ingetreden; en het duurde een goede poos, eer een der twee zei: "Hebt gij bijgeval iets gehoord van hetgeen er gebeuren moet als wij hier klaar zijn?"

"Neen, niets met zekerheid," was het antwoord.

"Er gaan allerlei praatjes; maar het ware, geloof ik, weet niemand, of althans slechts zeer weinigen."

"De kornel is over het geheel niet erg spraakzaam, en vertrouwt om zoo te zeggen niemand. Als er zijn, die zijn eigenlijk plan kennen, zijn het stellig slechts de weinigen, die reeds vóór ons bij hem geweest zijn."

"Bedoelt gij Woodward, die met hem aan de rafters ontsnapt is? Nu, die schijnt met u nog al op een vertrouwelijken voet. Heeft die u niets gezegd?"

"Onbestemde aanduidingen, anders niet."

"Maar uit aanduidingen kan men toch gevolgtrekkingen afleiden."

"Zeer zeker. Zoo maak ik, bij voorbeeld, uit zijn woorden op, dat de kornel geen plan heeft, om onzen geheelen troep bijeen te houden. Zulk een talrijke menigte is hem voor zijn verdere plannen hinderlijk. Waar veel varkens zijn is de spoeling dun, zegt het spreekwoord. Ik denk dat hij er de besten zal uitpikken, en dat hij met die keurbende eensklaps verdwijnen zal."

"Verduiveld! Zouden al die anderen om den tuin geleid worden?"

"Hoe zoo om den tuin geleid?"

"Wel, als de kornel met de weinigen, die hij bij zich behouden wil, morgen verdwijnt?"

"Dat zou volstrekt geen kwaad kunnen. Ik zou er zelfs blij om zijn."

"Zoo! En ik hoop maar, dat hij zoo iets niet doen zal."

"Heb ik ooit zulk een ezelskop gehoord! Ik dacht niet, dat je zoo onnoozel was."

"Hoe zoo dat?"

"Het spreekt immers vanzelf, dat wij, gij en ik, niet onder de velen zullen behooren, die om den tuin geleid worden, en die op hun duim zullen kunnen fluiten."

"Hebt gij daar eenig bewijs van? Zoo niet, dan zal ik mijn oogen goed openhouden, en desnoods alarm maken."

"Het beste bewijs voor hetgeen ik zeg is, dat hij u met mij naar hier heeft gezonden."

"Wat beduidt dat?"

"Zulk een opdracht wordt slechts aan bruikbare mannen gegeven, op wie men zich verlaten kan. Door ons te kiezen om hier een oog in het zeil te houden heeft hij ons het allerbeste bewijs van zijn vertrouwen gegeven. Wat volgt daaruit? Als hij werkelijk plan heeft een der onzen van zich af te schudden, dan zullen wij niet daartoe behooren, maar in elk geval tot hen, die hij meeneemt."

"Hum! Die redeneering is zoo kwaad nog niet en stelt mij eenigszins gerust. Maar als gij denkt, dat ik mee onder de uitverkorenen behooren zal, waarom laat gij mij dan in het onzekere, en zegt gij mij niet, wat gij door Woodward van zijn plannen weet?"

"Omdat ik er zelf het rechte ook nog niet van weet. Zooveel heb ik er echter van begrepen, dat er een tocht ondernomen zal worden naar hoogerop, het gebergte in."

"He! Het gebergte in?"

"Hum! Ik weet niet of het wel raadzaam is daarover te spreken, maar aan u wil ik het toch vertellen. Daar, veel hoogerop, heeft in overoude tijden een zeker volk gewoond--de naam is er mij van ontschoten. Dat volk is of naar het zuiden getrokken of ze hebben het uitgeroeid, nadat het van te voren verbazende schatten in het meer heeft laten zinken."

"Gekheid! Wie schatten bezit, neemt die mee als hij naar elders verhuist."

"Maar ik zeg u immers, dat het best mogelijk is, dat ze dat volk uitgeroeid hebben."

"Waar bestaan die schatten in? In geld?"

"Dat weet ik niet. Ik ben geen geleerde, en kan dus niet zeggen, of vroegere volken reeds geld gemunt of banknoten gedrukt hebben. Zulke banknoten, trouwens, zouden thans natuurlijk hoegenaamd geen waarde meer hebben. Woodward heeft mij gezegd, dat het een heidensch volk geweest is, dat verbazende tempels bezat, met afgodsbeelden van gedegen goud en van massief zilver en ontelbare dito dito gewijde vaten. En al die rijkdom ligt bedolven in het Zilvermeer, dat daarnaar zijn naam draagt."

"Moeten wij dat meer dan leegdrinken, om al die kostbaarheden op den bodem te vinden?"

"Praat toch niet zulken onzin! De kornel zal wel weten hoe hij daarmee aan moet. Hij moet in het bezit zijn van een teekening, waarop de plaatsen, waar die schatten liggen, nauwkeurig zijn aangeduid."

"Zoo? En waar ligt dat Zilvermeer?"

"Dat weet ik niet. Daar zal hij niet mee voor den dag komen, denk ik, voordat hij bepaald heeft wie hij meenemen wil. Het spreekt vanzelf, dat hij zijn geheim en zijn plannen nu niet lang van te voren gaat uitbazuinen."

"Neen, dat spreekt. Maar het ding zal nog al gevaarlijk zijn, vrees ik."

"Hoe zoo dat?"

"Wel, door de Indianen."

"Pshaw! Er wonen daar maar twee Roodhuiden, de kleinzoon en de achterkleinzoon van dien Indiaan, van wien de teekening afkomstig is. En die twee zijn met twee looden knikkers van de baan geknikkerd."

"Als dat zoo is, dan verandert de zaak natuurlijk. Ik ben nog nooit heel hoog het gebergte in geweest, en moet mij dus op hen verlaten, die er verstand van hebben. Maar in de allereerste plaats, dunkt mij, hebben wij nu te denken over de onderneming, die op dit oogenblik voor de deur staat. Zou die gelukken, denkt gij?"

"O, daar is geen twijfel aan! Zie maar eens hoe rustig alles daarbeneden is. Geen mensch daar zal op de gedachte komen, dat wij, gij en ik, hier zitten en wat er eigenlijk broeit. En twee van onze oolijkste en geslepenste snuiters zijn reeds hier, om het noodige voorwerk te verrichten. Er valt dus aan geen mislukken te denken."

"_Well!_ Als dat werkvolk nu maar zoo wijs is, zich niet met de zaak te bemoeien; zij zouden ons anders dwingen, van onze geweren gebruik te maken."

"Daar is volstrekt geen nood voor, want zij weten niets hoegenaamd van hetgeen er op til is. De trein komt hier aan, houdt vijf minuten stil, en rijdt dan weer door. Een uur gaans van hier brandt ons vuur. Daar zetten onze twee kameraden, die op de locomotief staan, den machinist de revolver op de borst en dwingen hem om te stoppen. Wij omsingelen den trein; de kornel stapt er in, en neemt...."

"Wacht even!" viel de andere hem in de rede. "Wie stapt den trein in? De kornel alleen misschien, of althans met slechts weinigen, en stoomt dan op zijn gemak vooruit, en laat een poos later weer stoppen. Dan stapt hij den trein uit, neemt het halve millioen mee, en verdwijnt. Al de anderen zitten hier op hun neus te kijken en hebben niets. Neen, neen! zoo gaat dat niet aan."

"Wat verbeeldt gij u dan?" hernam de andere gemelijk. "Ik heb u immers gezegd, als de kornel werkelijk dat in zijn schild voerde, dat wij, gij en ik, dan onder diegenen zouden behooren, die mee mochten in den trein."

"Als gij dat zoo voor zeker houdt, wil ik het gelooven, en zal ik het afwachten; maar ik heb ook gehoord wat anderen zeggen. Men vertrouwt den kornel niet; en ik ben overtuigd, als de trein stilhoudt, dat dan eensklaps allen elkander zullen verdringen om er in te komen."

"Nu, mij is het wèl! Ik zou geen kameraad willen benadeelen om mij zelf te verrijken, en ik zal den kornel waarschuwen, dat hij dat niet moet probeeren. Als er in dat Zilvermeer zulke verbazende schatten voor ons te halen zijn, is het onnoodig onze kameraden hier oneerlijk te behandelen. Wat wij hier op den kop tikken, moeten wij deelen; en als ieder zijn part heeft, kan de kornel uitzoeken, wie hij wil meenemen naar het gebergte. En daarmee afgepraat! Ik zou nu wel graag weten wat die locomotief moet, die daarbeneden staat, het vuur brandt onder den ketel; dus staat die klaar om af te rijden. Maar waar naar toe?"

"Het is misschien de probeer-machine, die veiligheidshalve vóór den geldtrein uitgezonden zal worden."

"Neen. Die zou niet zoo lang van te voren klaar staan. De trein komt immers pas om drie uur van nacht. Het is met die machine niet kausjer; ik zou wel eens willen weten wat ze daarmee voor hebben."

De kerel uitte daar een argwaan, die niet in den wind geslagen mocht worden. Old Firehand begreep, dat de machine daar niet moest blijven staan. Het was een gewone kleine locomotief voor bouwmateriaal, met wagens er aan vastgehaakt, waarin doorgaans de baan-aarde vervoerd werd. In die wagens moesten de werklieden overgebracht worden. Daarmee kon nu niet gewacht worden tot omstreeks middernacht; maar, om den argwaan van den tramp te verschalken, diende dit hoe eer hoe beter te gebeuren. Old Firehand kroop dus achteruit, en sloop naar het huis van den ingenieur, aan wien hij meedeelde wat hij gehoord had.

"_Well!_" zei deze, "dan dienen wij hen dadelijk weg te sturen. Maar de spionnen zullen hen in de wagens zien klimmen."

"Neen. Wij zullen aan de werklieden bevel geven weg te sluipen, en even voorbij de bocht, die de weg maakt--dat is ongeveer een kwartier gaans--moeten zij aan den kant van den weg blijven wachten tot de ledige trein komt, die hen zal opnemen. Daar het geluid van de stoomfluit zoo ver niet doordringt, en de baan een kromming maakt, zullen de spionnen niet kunnen hooren en ook niet kunnen zien, dat de trein daar stilhoudt."

"En hoeveel man houd ik hier?"

"Twintig zijn voldoende, om uw huis te beschermen en de twee gevangenen te bewaken. Uw maatregelen kunnen in een half uur genomen zijn; dan vertrekt de bouw-trein. Ik sluip weer naar de spionnen om te hooren wat zij zeggen."

Al spoedig lag hij weer achter de twee tramps, die nu niet met elkander spraken. Hij kon evengoed als zij het terrein overzien, en gaf zich alle moeite om eenige beweging onder de bewoners te ontdekken, doch tevergeefs. De werklieden verwijderden zich zoo in het geheim en voorzichtig, dat de spionnen er hoegenaamd niets van bespeurden. Overigens waren de lichten, die in de woonverblijven en hutten brandden, ten eenenmale ontoereikend om de daarbuiten liggende ruimten zoo te verlichten, dat men de gestalten van menschen duidelijk zou hebben kunnen onderscheiden.

Daar zag men een lantaarn, die een hel schijnsel wierp, uit het huis van den ingenieur op de rails aankomen. De drager van die lantaarn riep, zoo luid dat het ver in het rond duidelijk verstaan kon worden: "De leege bouw-trein naar Wallace af! Men heeft de wagens dáár noodig."

Het was de ingenieur, die deze woorden riep. Hij was, zonder een wenk van Firehand ontvangen te hebben, zelf zoo scherpzinnig geweest na te denken, op welke wijze hij het best de achterdocht van den spion kon ontgaan. Hij had daarom een afspraak gemaakt met den machinist, en deze antwoordde even luid: "_Well_, sir! Blij dat ik eindelijk weg kan, en niet langer mijn kolen voor niet behoef te verbranden. Hebt u in Wallace nog iets te doen?"

"Neen dank je! De ingenieur zal denkelijk zijn kaartje zitten te spelen, als gij daar aankomt. Zeg hem goedennacht van mij. En nu: _Good road_ (= goede reis)!"

"_Good night_, sir!"

Eenige keeren schril gefluit van de stoomfluit, en de trein zette zich in beweging. Toen het geraas er van niet meer te hooren was, zei de eene spion tegen den anderen:

"Weet gij nu, waaraan gij u met die locomotief te houden hebt?"

"Ja, nu ben ik gerust. Die brengt leege wagens naar Wallace, die men daar noodig heeft. Mijn achterdocht is ongegrond geweest. Trouwens, alle argwaan is hier onzin. Het plan is zóó goed aangelegd, dat het bepaald gelukken moet. Wij konden eigenlijk nu al wel opkrassen."

"Neen. De kornel heeft order gegeven, dat wij hier moeten blijven tot van nacht twaalf uur, en daaraan hebben wij te gehoorzamen."

"Nu, óók goed! Maar als ik hier tot twaalf uur moet zitten te koekeloeren, begrijp ik niet waarom ik al dien tijd mijn oogen open zou moeten houden. Ik ga lekker een dutje doen."

"Ik ook; dat is het verstandigst. Later zal er niet veel tijd, en misschien ook niet veel trek zijn om rust te nemen."

Old Firehand maakte schielijk dat hij wegkwam; want de twee spionnen stonden op om een plaatsje te zoeken, waar zij hun uiltje zouden kunnen knappen. Hij zocht den ingenieur op, om hem een pluimpje te geven over de manier, waarop hij den bouwtrein had laten vertrekken, en beiden begaven zich in huis, waar zij onder een glas wijn en het rooken van een sigaar het uur verbeidden, waarop zij moesten opbreken. Er waren nu nog twintig baanwerkers hier gebleven, en dat was overvoldoende, want vijandelijkheden had men hier niet te wachten.

De overige werklieden waren, overeenkomstig de hun gegeven bevelen, weggeslopen. Buiten Sheridan wachtten zij op elkander, en begaven zich toen gezamenlijk naar het hun aangeduide punt. Daar bleven zij wachten tot die trein kwam, die hen opnam, en die hen naar den Eagle-tail bracht, waar hij halt hield. Dat de tramps zouden kunnen bespieden wat er nu zou gebeuren, was onmogelijk; want zij waren van daar reeds opgebroken. En de rivier noodzaakte hen bij hun rit op zulk een afstand van de spoorlijn te blijven, dat zij niets gewaar konden worden van hetgeen daarop voorviel.

Old Firehand had met zijn geoefenden scherpen blik een bijzonder geschikt terrein uitgekozen. De spoorweg moest over een rivier, die daar tusschen hooge oevers aan weerszijden doorliep. Daartoe was er een hulpbrug gelegd, voorzien van de noodige spoorstaven, die aan de overzijde terstond aansloten aan de lijn door een tunnel van omstreeks zeventig meters lengte. Eenige schreden vóór die brug stopte die trein, die niet, zooals de twee spionnen gedacht hadden, louter uit de ledige wagens bestond: de twee achterste wagens waren volgeladen met droog hout en met kolen. Nauwelijks was de trein tot staan gekomen, of uit de rondom heerschende duisternis van den nacht kwam een klein, dik kereltje, die er uitzag als een vrouw, op de locomotief aan, en vroeg met een schel fluitstemmetje aan den bestuurder: "Wat komt gij nu reeds hier doen, sir? Brengt gij misschien de werklieden nu al?"

"Ja," antwoordde de gevraagde, terwijl hij de zonderlinge gestalte, die juist in het schijnsel van het vuur stond, verwonderd opnam van het hoofd tot de voeten: "Maar wie zijt gij?"

"Ik?" lachte het dikke ventje. "Ik ben Tante Droll."

"Een tante! Sapper de malle mosterdpot! Wij hebben hier wat anders te doen, dan praatjes te maken met vrouwen en oude tantes!"

"Nu mijn goede man! maak u maar zoo dik niet: dat is niet goed voor uw zenuwen. Tante ben ik maar voor bijzaak; dat zullen ze u later wel vertellen. Op wiens last komt gij nu reeds hier?"

"Op last van Old Firehand, die twee door de tramps afgezonden spionnen beluisterd heeft. Die zouden argwaan gekregen hebben als wij pas later afgereden waren, zooals eerst het plan was. Behoort gij tot de lieden van dien beroemden master?"

"Ja, maar ga maar niet drossen van angst; het zijn altemaal oomes: de eenige tante, die er bij is, ben ik."

"O neen, _miss_ of _mistress_! Bang voor u ben ik volstrekt niet. Maar waar zijn de tramps nu?"

"Die zijn weg; ruim drie kwartier geleden zijn zij opgebroken."

"Dus dan kunnen wij nu het hout en de kolen lossen?"

"Ja. Laat uw mannen weer instappen; en ik, ik kom bij u op de locomotief staan, om u de noodige wenken te geven."

"Gij? Wenken geven aan mij? Gij zijt toch niet benoemd tot commandant van dit legerkorps?"

"Ja, dat ben ik juist, als gij het niet kwalijk neemt. Ziezoo! hier ben ik. Nu laat gij uw ijzeren paard langzaam over de brug loopen, en dan zoo stoppen, dat de kolenwagens aan den ingang van den tunnel te staan komen."

Toen Droll "Ziezoo, hier ben ik" zei, was hij meteen in een oogwenk op de locomotief geklommen. De werklieden, die toen de trein stopte uitgestapt waren moesten nu weer instappen. De machinist keek het dikke kereltje nog eens aan met een blik, die duidelijk verried, dat het hem moeite kostte om aan de voorschriften van die twijfelachtige tante te gehoorzamen.

"Nu, hoe zit het er mee?" vroeg Droll gebiedend.

"Zijt gij dan werkelijk de man wiens bevelen ik te volbrengen heb?"

"Ja. En als gij dat niet oogenblikkelijk doet, zal ik het u leeren. Ik heb geen trek, om tot op den jongsten dag hier op de brug te blijven plakken."

Hij trok zijn bowie-mes, en richtte het op de maagstreek van den machinist.

"Verduiveld, gij schijnt een lastige kitteloorige tante te zijn," riep deze uit. "Maar juist nu gij uw mes trekt moet ik u niet voor een bondgenoot, maar voor een tramp houden. Kunt gij mij bewijzen wie gij zijt?"

"Praat toch geen verderen onzin," antwoordde de dikzak, nu op een zeer ernstigen toon, terwijl hij het mes weer in zijn gordel schoof. "Wij bevinden ons aan de overzijde, achter den tunnel. Dat ik de brug over en u tegemoet gekomen ben moet u toch bewezen hebben, dat uw komst mij bekend was, en dat ik dus niet tot de tramps kan behooren."

"Ja, nu geloof ik u. Wij zullen voortrijden."

De trein ging de brug over en reed zóó ver den tunnel in, dat de twee achterste wagens daarbuiten bleven staan. Nu sprongen de werklieden weer er uit, en losten den inhoud van een der stortwagens. Daarop reed de trein verder, den tunnel door, zoodat de nog volgeladen wagen vóór den uitgang van den tunnel leeggestort kon worden. Die stortwagens zijn zoo ingericht, dat, terwijl het onderstel met de wielen op den grond blijft staan, de daarop rustende bak neerduikelt, den inhoud leegstort, en dan weer in zijn vorigen stand teruggebracht kan worden. De werklieden stapten uit, om voor en achter den tunnel de kolen en het hout zoo op te stapelen, dat alles gemakkelijk aan het branden gemaakt kon worden, en dat de spoorstaven niet beschadigd konden worden door het vuur. De machinist stoomde nog een eind weegs verder, stopte toen, en reed vervolgens terug.

Zijn wantrouwen was nu geheel verdwenen. Wat hij zag, verschafte hem de zekerheid, dat hij zich in het goede gezelschap bevond. De tunnel was door een hooge rots geboord, waarachter een vuur brandde, dat beneden in het rivierdal, waar de tramps gebivakkeerd hadden, niet gezien kon worden. Rondom dit vuur hadden de rafters zich geschaard en al de anderen, die met Old Firehand naar Eagle-tail waren gekomen. Rechts en links van de vlam waren twee boomstammen ingeheid, die van boven uitliepen in de gedaante van tweetandige vorken, waarin een lange, stevige ijzeren stang, met kolossale stukken buffelvleesch er aan, bij wijze van braadspit rondgedraaid werd. Toen de trein door den tunnel kwam, waren alle mannen opgestaan, om de aankomende werklieden te begroeten.