Chapter 25
De ingenieur ging naar zijn kantoor, en toen Faller daar binnen gelaten was, spoedde Old Firehand zich naar de voordeur. Toen hij zijn blik achter de ton wierp, zag hij daar een steen liggen, Die tilde hij op, en daaronder vond hij het papier zooals hij verwachtte; hij vouwde het open, en las de door den kornel geschreven regelen. De inhoud kwam volkomen overeen met de mededeeling van Humply-Bill. Hij vouwde het papier weer dicht, legde het weer onder den steen, en kwam toen op het kantoor, waar Faller in een onderdanige houding voor den ingenieur stond, de tramp herkende den jager niet, gekleed in zijn linnen kostuum; en hij schrikte dan ook niet weinig, toen deze de hand op een zijner schouders legde, en hem op een dreigenden toon vroeg: "Weet gij wie ik ben, master Faller?"
"Neen," was het antwoord.
"Dan hebt gij bij de boerderij van Butler niet goed uit uw oogen gekeken. Ik ben Old Firehand. Hebt gij wapentuig bij u?"
Meteen trok hij den tramp een mes uit den gordel en haalde een revolver uit zijn broekzak, zonder dat de ontstelde kerel een vinger verroerde om dat te beletten. Toen zei hij tegen den ingenieur: "Wees zoo goed, sir! en ga even aan den klerk zeggen, dat Faller hier geweest is; maar verder niets. En kom dan asjeblieft hier terug."
De ambtenaar verwijderde zich. Old Firehand duwde den tramp op een stoel neer, en bond hem, met een op de schrijftafel liggend stevig touw, aan de leuning van den stoel vast.
"Sir?" sprak de nu eenigszins van zijn schrik bekomen schavuit; "wat beduidt die behandeling? Waarom knevelt gij mij? Ik ken u niet!"
"Zwijg!" gebood de jager, meteen de revolver grijpende. "Als ik uw geluid nog eens hoor, voordat ik u veroorloof te spreken, jaag ik u een kogel door den kop!"
De dus bedreigde werd doodsbleek, en durfde zijn lippen niet meer bewegen. Nu kwam de ingenieur weder binnen. Old Firehand wenkte hem, om aan de deur te blijven staan; hij zelf ging aan het raam staan, maar zoo, dat hij van buiten af niet gezien kon worden. Hij hield zich overtuigd, dat de klerk zijn nieuwsgierigheid niet lang zou kunnen bedwingen. Het duurde dan ook geen twee minuten, of hij zag het voorste gedeelte van een arm achter de ton grijpen; de eigenaar van dien arm kwam niet te zien, want die stond dicht bij den stijl van de deur. Old Firehand knikte den ingenieur toe, en deze opende schielijk de deur, juist toen de klerk daar voorbij wilde.
"Master Haller! wilt gij even binnenkomen?" vroeg hij hem.
De toegesprokene had het papier nog in zijn hand. Hij moffelde het gauw weg, en voldeed aan de hem gedane uitnoodiging met zichtbare verlegenheid. Maar wat zette hij een verschrikt gezicht, toen hij zijn kameraad daar zag zitten vastgebonden aan den stoel! Hij herstelde zich echter dadelijk, en wel zoo goed, dat zijn gelaat geen zweem verried van zijn inwendige ontroering. "Wat is dat voor een papier, dat gij daar in uw zak gestoken hebt?" vroeg Old Firehand.
"Een oud winkelzakje," antwoordde de tramp.
"Zoo? Laat het mij eens even zien!"
De klerk keek hem verwonderd aan, en antwoordde: "Hoe komt het in u op, mij zulk een onbegrijpelijk bevel te willen geven? Eerstens weet ik niet wie gij zijt; ik ken u niet. En overigens ben ik toch baas over mijn eigen zak, geloof ik."
"Gij kent hem wel degelijk," viel de ingenieur in de rede. "Het is Old Firehand!"
"Old Fire...." riep de tramp, letterlijk gillende. De laatste lettergreep bleef hem in de keel steken van schrik. Zijn wijd-opengespalkte oogen waren strak op den grooten jager gericht.
"Ja, ik ben het!" bevestigde deze. "Hier hebt gij mij stellig niet verwacht. En wat den inhoud van uw zakken betreft, daar heb ik stellig meer recht op dan gij zelf. Laat mij eens dat papier zien!"
Dit zeggende nam hij den tramp die niet waagde zich te verzetten, eerst zijn mes af, haalde toen uit zijn zak een geladen revolver, die hij bij zich stak, en eindelijk ook het bewuste papier.
"Sir!" vroeg de schurk nu met kwalijk verbeten woede; "met welk recht behandelt gij mij zoo?"
"In de eerste plaats met het recht van den sterkste en van een eerlijk man; en in de tweede plaats heeft Mr. Charoy, die hier als vertegenwoordiger van de politie fungeert, in deze zaak zijn bevoegdheid aan mij opgedragen."
"In welke zaak? Wat ik bij mij draag is mijn eigendom. Ik heb niets onwettigs gedaan, en verlang bepaald te weten waarom gij mij als een dief behandelt?"
"Als een dief? _Pshaw!_ Gij mocht willen, dat het daarbij bleef! Het betreft hier niet enkel een diefstal, maar in de eerste plaats een moord, namelijk het overrompelen en plunderen van een spoortrein, waarbij onvermijdelijk een aantal menschenlevens het slachtoffer zou worden."
"Sir! versta ik u wel goed?" riep de kerel met een goed gehuichelde verbazing. "Wie heeft u zulk een ongehoorden bonk op de mouw gespeld?"
"Niemand. Wij weten stellig en zeker, dat die ongehoorde bonk beproefd moet worden."
"Door wien dan?"
"Door u!"
"Door mij?" En de tramp schoot in den lach. "Neem mij niet kwalijk, Sir! maar wie zich verbeeldt, dat ik, een arme klerk, die hier geheel alleen staat en die dat stuk dus zou moeten uitvoeren zonder helpers, een trein zou willen overrompelen, die moet wel stapelgek zijn."
"Dat stem ik toe! Maar in de eerste plaats zijt gij geen klerk, en ten andere staat gij niet zoo alleen als gij ons wilt wijsmaken. Gij behoort tot de tramps, die aan den Osage-nook de Osagen overvallen hebben, die daarna een aanslag beproefd hebben op de boerderij van Butler, en nu hier een half millioen dollars uit den spoortrein wilden halen."
Men zag aan beide tramps, dat zij ontstelden; maar toch wist de nagemaakte Haller zich goed te houden, en antwoordde op den toon van iemand, die zoo onschuldig is als een pasgeboren kind: "Van al die dingen weet ik niemendal."
"En toch zijt gij louter daarvoor hier gekomen, om de gelegenheid af te loeren en er bericht van te geven aan uw komplot-genooten."
"Ik? En ik heb hier nog geen voet buiten de deur gezet!"
"Dat is zoo; maar uw kameraad heeft voor boodschapper gespeeld. Wat hebt gij dan gisteravond door het geopende raam met elkander gesproken? Ik heb boven uw hoofd op het dak gelegen en alles woord voor woord afgeluisterd. Op dit papier staat het antwoord, dat de roodharige kornel u zendt. Ik heb het ding nog niet gelezen, maar ik weet toch precies wat er in staat; en dat zal ik u bewijzen. De tramps hebben zich genesteld hooger op, aan den Eagle-tail. Zij willen in den aanstaanden nacht herwaarts komen en zich buiten Sheridan aan de spoorbaan schuilhouden, en daar een vuur aanleggen, dat dienen moet, om u de plaats aan te wijzen, waar gij de machinist moet dwingen, om den trein te doen stoppen; en dan willen zij er het geld uithalen."
"Sir!" stotterde de klerk, nu niet langer in staat om zijn angst te verbergen, "als er werkelijk lieden zijn, die zoo iets van plan zijn, is het louter een mij onverklaarbaar gevolg van omstandigheden, waardoor ik met zulke boosdoeners in aanraking ben gekomen. Ik ben een eerlijk mensch, en....."
"Zwijg!" gebood Old Firehand. "Een eerlijk mensch moordt niet!"
"Wilt gij daarmee zeggen, dat _ik_ gemoord heb?"
"Natuurlijk! Gij zijt moordenaars alle twee. Waar is die rondreizende dokter en waar is zijn famulus, die gij met den roodharigen kornel vervolgd hebt? Is de famulus niet doodgeschoten, omdat gij zijn brief noodig hadt, teneinde u hier, in zijn plaats, te kunnen uitgeven voor den klerk Haller, om u op die manier het werk van spion gemakkelijk te maken? Hebt gij den dokter niet al zijn geld afgenomen?"
"Sir!... ik... ik weet ... geen woord ... van al die dingen," stotterde de tramp.
"Niet? Dan zal ik u dadelijk overtuigen. Maar om te zorgen, dat gij geen poging kunt doen om ons te ontsnappen, zullen wij u eerst den pas daartoe afsnijden. Mr. Charoy! wees zoo goed, dezen kerel de armen eens op den rug te binden. Ik zal hem vasthouden."
Toen de tramp deze woorden hoorde, vloog hij op de deur aan om te ontkomen. Maar Old Firehand was hem te vlug. Die greep hem, trok hem terug en hield hem, in weerwil van zijn wanhopig verzet, zoo stevig vast, dat de ingenieur hem zonder moeite knevelen kon. Toen werd Faller van den stoel losgemaakt, en met den klerk naar de kamer gebracht, waar de gekwetste Hartley lag. Zoodra deze de twee snaken zag, die hij terstond herkende richtte hij zich ter halve op, met den uitroep: "Gud! dat zijn de kerels, die mij mijn geld afgenomen, en die den armen Haller vermoord hebben! Is de derde er ook?"
"Neen, dien hebben wij nog niet; maar dien zullen wij óók wel in handen krijgen!" antwoordde Old Firehand. "De kerels ontkennen alles!"
"Ontkennen? Ik herken hen goed allebei! Daar durf ik duizend eeden op doen. Ik hoop, dat _mijn_ woord geloofwaardiger is dan het hunne?"
"Uw verzekering is volstrekt niet noodig, master Hartley! Wij hebben bewijzen genoeg in handen, om te weten waaraan wij ons te houden hebben!"
"Mooi zoo! Maar hoe is het met mijn arme geldje?"
"Dat zal óók wel terechtkomen. Ik heb hun eerst hun wapentuig maar afgenomen, en dit briefje, dat ik nu eens zal lezen."
Hij vouwde het open, nam kennis van den inhoud en gaf het toen ter inzage aan den ingenieur. Op dat papier stond alles precies, zooals Winnetou het had afgeluisterd, en zooals Old Firehand het reeds aan de twee tramps gezegd had. De twee zeiden nu geen woord meer; zij begrepen, dat verder ontkennen hun toch niets meer baten kon.
Nu werden al hun zakken doorzocht en geledigd. Ook de banknoten, die zij als hun aandeel ontvangen hadden, kwamen nu voor den dag, en werden aan Hartley teruggegeven. Zij bekenden, dat de roodharige kornel het overige gedeelte had. Daarop werden zij ook aan de voeten gekneveld en op den vloer neergelegd. Er was in het huis geen kelder of eenig ander vertrek, waar zij in verzekerde bewaring gebracht konden worden. En Hartley was zóó op hen gebeten, dat zij wel niet onder strengere bewaking gesteld konden worden. Men gaf hem een geladen revolver, met den last om hen terstond dood te schieten, als zij de minste poging deden om hun boeien te verbreken.
Toen men met die twee klaar was, konden de verdere toebereidselen gemaakt worden voor de tenuitvoerlegging van het plan. Het was nu niet meer noodig, de twee tramps op de locomotief te doen post vatten, en daarom behoefde de trein, die te Carlyle gerangeerd werd, niet reeds door Old Firehand overgenomen te worden. Er werd dus opnieuw naar het station getelegrafeerd, dat de trein op het bepaalde tijdstip van daar moest vertrekken, om vóór Sheridan te stoppen op een bepaald punt, waar die zou worden overgenomen.
Iets later in den namiddag kwam er een telegram uit Fort Wallace, dat er tegen den avond een detachement soldaten zou worden afgezonden, om te middernacht ter bepaalde plaatse aan te komen.
TIENDE HOOFDSTUK.
AAN DEN EAGLE-TAIL. [2]
De baanwerkers te Sheridan waren meerendeels Duitschers en Ieren. Zij wisten van al het hiervoren verhaalde nog niets hoegenaamd, daar het zich wel liet vermoeden, dat de kornel twee of meer verspieders zou uitzenden, om hen gade te slaan, en die dan allicht uit de gebaren van het werkvolk konden opmaken en raden, dat men gewaarschuwd was. Toen echter het uur van uitscheiden dien avond op de komst was, deelde de ingenieur aan zijn _Overseeer of the workmen_ (= opzichter over het werkvolk) het noodige mee, en droeg hem de taak op, om zonder veel opzien te verwekken de werklieden er bekend mee te maken en hun op het hart te drukken, dat zij zich vooral moesten houden alsof zij van niets wisten, dat de spionnen, die misschien zouden komen, geen argwaan konden krijgen.
De opzichter was iemand uit New-Hampshire en had een zeer bewogen leven achter den rug. Aanvankelijk voor het bouwkundige vak bestemd, was hij daarin dan ook geen geruimen tijd werkzaam geweest, doch had het niet tot zelfstandigheid daarin kunnen brengen, waardoor hij naar een ander middel van bestaan had omgezien, waarin voor een Yankee geen schande steekt. De fortuin was hem echter ook toen niet gunstig geweest, waarom hij aan het Oosten vaarwel had gezegd en den Mississippi overgestoken was, ten einde daar zijn geluk te beproeven, doch alweer met hetzelfde ongunstige gevolg. Nu eindelijk had hij hier te Sheridan zijn tegenwoordige betrekking gevonden, waarin hij van zijn vroeger opgedane kundigheden partij kon trekken; maar ook hier voelde hij zich niet tevreden. Voor ieder, die eens de lucht der prairie en van het oerwoud ingeademd heeft, zal het moeilijk, zoo niet onmogelijk wezen, weer aan een geregelde levenswijs te wennen.
Deze man, die Watson heette, was uitermate in zijn schik, toen hij hoorde wat er gebeuren zou.
"De hemel zij gedankt, dat er eindelijk eens een kleine afwisseling zal komen in dat alledaagsche zelfde koekoek-éénzang!" zei hij. "Mijn oude geweer heeft al zoolang in een hoek gestaan en er zoo reikhalzend naar verlangd om weer eens een verstandig woord te mogen spreken. Ik denk, dat het vandaag wel gelegenheid daartoe vinden zal. Maar heb ik u goed verstaan? De naam, dien gij mij genoemd hebt, komt mij niet onbekend voor, sir! De roodharige kornel? En noemde u hem niet Brinkley? Ik heb eens een Brinkley ontmoet, die valsch haar droeg, dat rood was; maar zijn natuurlijk haar was donker van kleur. Die ontmoeting heeft mij bijna mijn leven gekost."
"Waar en wanneer is dat geweest?" vroeg Old Firehand.
"Dat is twee jaar geleden; het was hooger op, aan den Grand River. Ik was met een kameraad, een Duitscher, die Engel heette, boven aan het Zilvermeer geweest; wij wilden naar Pueblo, en dan over den Arkansas-weg naar het Oosten, om daar de noodige werktuigen en gereedschappen te halen voor een onderneming, die ons millioenen had kunnen inbrengen."
Old Firehand luisterde met alle aandacht.
"Heette die man Engel?" vroeg hij. "Een onderneming, die u millioenen had kunnen inbrengen? Mag ik ook iets naders daarvan weten?"
"O ja, waarom niet? Wij beiden hadden elkaar wel de stiptste geheimhouding beloofd; maar de millioenen zijn op niets uitgedraaid, doordien het plan nooit tot uitvoering gekomen is. En daarom, dunkt mij, ben ik niet langer tot geheimhouding verplicht. Het betrof, namelijk, het ophalen van een verbazenden schat, die in het water van het Zilvermeer verzonken ligt."
De ingenieur liet een kort, ongeloovig lachje hooren. Daarom vervolgde de opzichter; "Het moge ongelooflijk klinken, sir! maar niettemin is het waar. Gij, Mr. Firehand! zijt een der beroemdste Westmannen, en zult heel wat beleefd en ondervonden hebben, dat, indien u het vertellen wilde, niemand zou willen gelooven. Misschien zult gij althans niet lachen om hetgeen ik vertel."
"Dat kan niet in mij opkomen," antwoordde de jager op een ernstigen toon. "Ik ben gaarne bereid u wel degelijk te gelooven; daartoe heb ik mijn goede redenen. Ik heb zelfs voor de vaste waarheid gehoord, dat er op den bodem van het meer een schat bedolven ligt."
"Is het tòch waar! Nu, dan zal ik ten minste niet door u voor iemand gehouden worden, die zich alles laat wijsmaken, of die anderen sprookjes zoekt te vertellen. Ik zou er, dunkt mij, een eed op durven doen, dat die schat er werkelijk ligt. De man, die het mij verteld heeft, kan niet gelogen hebben."
"Wie was dat dan?"
"Een oude Indiaan. Ik heb nog nooit een tweede gezien zoo stok-, stok-oud. Het was letterlijk een levend geraamte, zoo was hij uitgeteerd, en vertelde ons zelf dat hij ver, ver over de honderd zomers doorleefd had. Hij noemde zich Hawi-kolakatho, maar deelde ons eens in vertrouwen mee, dat zijn naam eigenlijk Itatsjitatli was. Wat die Indiaansche namen beteekenen weet ik niet."
"Maar ik weet het wel," zei Old Firehand. "De eerste naam behoort tot de Tonkawa-taal, de tweede tot de taal der Azteken, en de beteekenis van beide namen is dezelfde, namelijk: de groote vader. Vertel verder, Mr. Watson! Ik ben uiterst verlangend om van u te hooren, hoe gij met dien Indiaan in kennis gekomen zijt."
"Wel, dat is eigenlijk niets bijzonders of avontuurlijks. Ik had mij in den tijd verrekend, en was te lang in de bergen gebleven, zoodat ik door de eerste sneeuw overvallen werd. Ik moest dus boven blijven en hier of daar een plaats trachten te vinden, waar ik, zonder van den honger om te komen, zou kunnen overwinteren. Ik, moederziel alleen, rondom ingesneeuwd, dat was me een toestand! Gelukkig kwam ik nog tot aan het Zilvermeer, en ontwaarde daar een steenen hut, uit welke rook opsteeg; toen was ik gered. De bewoner van die hut was de bedoelde oude Indiaan. Hij had een kleinzoon en een achterkleinzoon, genaamd de Groote Beer en de Jonge Beer, die...."
"O, Nientropan-hawi en Nientropan-homosj?" viel Old Firehand hem in de rede.
"Juist, dat waren hun namen in het Indiaansch. Kent gij die twee, Sir?"
"Ja. Maar vertel verder, vertel verder!"
"De twee Beren waren naar de Wazatej-bergen gegaan, en moesten dus daar het voorjaar afwachten. Door het vroege invallen van den winter was het een volslagen onmogelijkheid voor hen, door de massa's sneeuw heen te komen, en van daar naar het Zilvermeer. Zij verkeerden natuurlijk in de grootste ongerustheid over den ouden man; want zij wisten niet beter of hij was daar moederziel alleen, zoodat hij onvermijdelijk zou moeten omkomen. Gelukkig vond ik, toen ik bij hem kwam, reeds een ander daar, die ook de wijk in zijn hut genomen had, namelijk den straks reeds genoemden Duitscher, die Engel heette. Doch ik zal het maar een beetje kort maken: wij besloten dat wij met ons drieën den ganschen winter maar bij elkander zouden blijven. Voor hongerlijden behoefden wij niet bang te zijn: er was wild in overvloed. Maar de koude had den ouden man zóó aangepakt, dat nauwelijks de eerste zachtere dagen gekomen waren, of wij moesten hem begraven. Hij had ons lief gekregen, om ons zijn dankbaarheid te toonen, deelde hij ons het geheim mede van den schat in het Zilvermeer. Hij was in het bezit van een zeer oud leder, waarop een nauwkeurige afbeelding de plaatsen aanwees, waar de schat bedolven lag, en hij vergunde ons een kopie daarvan te maken. Toevallig had Engel papier bij zich, want anders hadden wij er met geen mogelijkheid een kopie van kunnen maken, en het stuk leder wilde de oude man ons niet geven: dat bewaarde hij voor de twee Beren. Op den dag waarop hij stierf, heeft hij het kort voor zijn dood begraven; maar waar, dat weten wij niet; en uit eerbied voor zijn nagedachtenis hebben wij er ook niet naar willen zoeken. Toen hij onder zijn grafheuvel lag, zijn wij van daar vertrokken. Engel had de kopie-teekening in zijn jachtbuis genaaid."
"Dus hebt gij niet op de terugkomst van de twee Beren gewacht?" vroeg Old Firehand.
"Neen."
"Dat is zeer verkeerd van u geweest."
"Dat zal ik niet tegenspreken; maar wij hadden maandenlang in de sneeuw gezeten, en waren verlangend om weer menschen te zien. Nu, wij kwamen dan ook al spoedig onder menschen; maar welke? Wij werden door een troep Utah-Indianen overvallen en letterlijk van alles beroofd. Zij zouden ons ook stellig vermoord hebben; maar zij kenden den ouden Indiaan, die hoog bij hen in eere stond; en toen zij hoorden, dat wij ons het lot van den ouden man aangetrokken en hem na zijn dood begraven hadden, schonken zij ons het leven, gaven ons althans onze kleeren terug, en lieten ons verder ongemoeid onzen weg gaan. Maar onze wapens behielden zij, waarmee zij ons eigenlijk een grooten ondienst deden, daar wij zonder wapenen aan allerlei gevaren blootstonden, tot zelfs aan het gevaar van honger om te komen, uit gebrek aan voedsel. Gelukkigerwijze, of beter gezegd ongelukkigerwijze, troffen wij den derden dag een jager aan van wien wij wat vleesch kregen. Toen hij hoorde dat wij naar Pueblo wilden, gaf hij voor dat hij ook daar naar toe ging; en hij vergunde ons, ons bij hem aan te sluiten."
"Was dat de roodharige Brinkley?"
"Ja. Hij noemde zich wel anders; maar ik ben later te weten gekomen, dat hij zóó heette. Hij hoorde ons uit, en wij vertelden hem alles; alleen de bijzonderheden van den schat en van de kopie-teekening, die Engel bij zich had, verzwegen wij hem; want zijn uiterlijk boezemde ons eigenlijk niet veel vertrouwen in. Het is misschien gek van mij, maar ik heb altijd een soort van afkeer gehad van menschen met rood haar, ofschoon mijn gezond verstand mij zegt, dat zich onder die lieden waarschijnlijk niet meer schurken bevinden dan onder anderen, wier hoofd met haar van een andere kleur begroeid is. Overigens heeft onze geheimhouding ons niet veel gebaat. Daar hij alleen wapentuig had, ging hij dikwijls uit om te jagen, en dan zaten wij, Engel en ik, alleen, en spraken wij bijna over niets anders dan over den schat. Op zekeren dag is hij tersluiks teruggekomen, en heeft ons gesprek afgeluisterd. Toen hij den volgenden morgen weer uitging om vleesch te maken, zei hij tegen mij, dat ik met hem mee moest gaan, want dat vier oogen meer zagen dan twee. Na verloop van een uur toen wij ons ver genoeg van Engel verwijderd hadden, zei hij mij, dat hij alles afgeluisterd had, en dat hij ons de kopie-teekening zou afnemen, om ons te straffen voor ons wantrouwen. Meteen trok hij zijn mes, en viel op mij aan. Ik verweerde mij als een wanhopige, maar dat was tevergeefs; hij stiet mij het mes in de borst!"
"Schandelijk!" riep Old Firehand. "Zijn plan was, om vervolgens ook Engel te vermoorden, en zoodoende alleen in het bezit van het geheim te komen."
"Juist. Gelukkig had hij mij niet in mijn hart getroffen, maar zich toch verbeeld, dat ik dood was. Toen ik weer tot bezinning kwam, lag ik naast een grooten plas bloed op de knieën van een Indiaan, die mij gevonden had. Dat was Winnetou, de hoofdman der Apachen."
"Wat een geluk! Toen was u in goede handen. Die man schijnt overal te zijn!"
"In goede handen was ik, dat is waar. De Roodhuid had mij reeds verbonden. Hij gaf mij water; en ik moest hem, zoo goed als mijn zwakte toeliet, vertellen wat er gebeurd was. Daarop liet hij mij alleen liggen, en ging het voetspoor van Brinkley na. Toen hij ruim twee uur later terugkwam, vertelde hij mij hoe hij gevaren was. De moordenaar was regelrecht teruggegaan, om ook Engel van kant te maken. Deze had echter, doordien Brinkley mij medegenomen had, achterdocht gekregen, en was ons achternagegaan. Wat er nu gebeurd was, dat zeiden de sporen duidelijk. Hij had het beoogde moordbedrijf van verre gezien; maar hij was te ver van mij af, en de moordenaar was zóó snel te werk gegaan, dat hij den tijd niet gehad had, om mij te hulp te snellen. Hij begreep zeer goed, dat hij nu zelf in gevaar was; en geheel ongewapend zijnde, vond hij het raadzaam, om zonder een oogenblik te verliezen te vluchten. Toen Brinkley mij vervolgens voor dood liet liggen en terugkeerde, vond hij het spoor van den gevluchte, en ging dien achterna. Maar Engel is hem toen toch ontkomen, zooals ik later gehoord heb."
"Ja, hij is het ontkomen," knikte Old Firehand.
"Hoe?" vroeg de opzichter. "Weet gij dat, sir?"
"Ja; maar daarover later. Vertel eerst maar verder."
"Winnetou was op een rit naar het noorden. Hij had geen tijd, om zich weken lang met mij bezig te houden, en hij bracht mij in een legerplaats der Timbabatsj-Indianen, met wie hij op een vriendelijken voet stond. Die hebben mij verpleegd tot ik geheel hersteld was, en toen brachten zij mij naar de dichtstbij gelegen nederzetting, waar ik op de menschlievendste wijs ontvangen werd, en alle mogelijke hulp vond. Ik heb daar een halfjaar lang allen bedenkelijken arbeid verricht, ten einde zooveel te verdienen, dat ik in staat was om naar het oosten te komen."
"Waar wilde u dan naar toe?"