Chapter 24
"Sir!" antwoordde de nagemaakte Haller, op den toon van iemand die blij is, "probeer het met mij! Ik ben overtuigd, dat gij tevreden over mij zult wezen."
"_Well_, wij zullen het probeeren. Over het salaris zullen wij nu nog niet spreken; ik moet u eerst leeren kennen, en dat zal mij in weinige dagen voldoende blijken. Hoe bruikbaarder gij zijt, des te beter zult gij betaald worden. Ik heb het juist op dit oogenblik zeer volhandig. Kijk de werkzaamheden hier eens rond, en kom dan om vijf uur terug. Intusschen zal ik eenig schrijfwerk opzoeken. Gij woont hier bij mij aan huis, eet met mij mee aan mijn tafel, en hebt u dus te schikken naar de regeling van mijn huishouden. Ik ben er op gesteld, dat gij geen praatjes met het gewone werkvolk houdt. En als de klok tien slaat 's avonds, wordt mijn deur gesloten."
"Dat is alles zeer naar mijn zin, sir! want precies zoo ben ik het tot nu toe gewend geweest," verzekerde de man, die zichtbaar verheugd was, dat hij zoo dadelijk geplaatst werd. En nu voegde hij er bij: "Ik heb nóg een klein verzoek aan u, sir! voor mijn reisgenoot. Zou u ook voor hem misschien eenig werk hebben?"
"Wat soort van werk?"
"Om het even wat, sir!" antwoordde de andere bescheiden. "Ik zal al blij zijn, als ik maar _iets_ te doen krijg."
"Hoe is uw naam?"
"Faller, sir! Ik heb master Haller onderweg aangetroffen en mij bij hem aangesloten toen ik hoorde, dat hier aan den spoorweg gewerkt wordt."
"Haller en Faller. Dat zijn twee namen, die nog al opmerkelijk op elkander gelijken. Ik wil hopen, dat gij ook in andere opzichten op elkander gelijkt. Wat zijt gij tot nu toe geweest, mr. Faller?
"Ik ben lang _cow-boy_ (= koeien-hoeder) geweest op een boerderij hooger op, bij Las Animas. Dat was een ruw, alleronaangenaamst leven, dat ik niet langer kon uithouden, en toen ben ik heengegaan. Daarbij kwam nog, dat ik juist den laatsten dag twist kreeg met een anderen boy, een doldriftigen kerel, die mij met zijn mes een wond aan mijn hand toebracht. Die wond is nog niet geheel genezen; maar ik hoop toch, dat ik over een paar dagen mijn hand wel zal kunnen gebruiken om te werken, als u mij eenig werk geven wilt."
"Nu, werk kunt gij krijgen, zoodra gij uw hand gebruiken kunt. Blijf dus voorloopig maar hier in de nabijheid; en meld u dan nog maar eens aan, zoodra gij in staat zijt om te werken. Nu kunt gij beiden gaan!"
De schavuiten verlieten het kantoor. Toen zij buiten het openstaande raam voorbijkwamen van het vertrek, waar Old Firehand zich bevond, hoorde die, dat een der twee met een half fluisterende stem tegen den andere zei: "_All right_ (= alles in orde)! Als het einde zoo mooi is als het begin...."
Meer kon Old Firehand niet hooren, want de ingenieur kwam binnen, en zei: "Gij hebt goed gezien, sir! Die Faller heeft gezorgd, dat hij niet dadelijk aan het werk gezet kan worden, zoodat hij den tijd zal hebben om naar Eagle-tail te gaan. Hij droeg zijn gezwachtelde hand in een doek.'
"Maar die hand is natuurlijk volkomen gezond als de mijne. Waarom hebt gij den klerk pas tegen vijf uur besteld?"
"Omdat ik hem bezig wil houden tot het tijd is om naar bed te gaan. Als dat langer moest duren zou het zoowel mij als hem te veel vermoeien, en hij zou het misschien ook eenigszins vreemd vinden."
"Ja, dat kon wel. Het zijn in elk geval vijf volle uren, en het zal toch al kunst- en vliegwerk zijn, hem zóó lang buiten aanraking met anderen te houden."
Het eerste gedeelte van het voorstel was dus afgehandeld. Tot het tweede gedeelte kon men eerst dan overgaan, als men het gesprek tusschen de twee spionnen had afgeluisterd. Dat zou dus nog verscheiden uren duren; en Old Firehand, die zich toch niet vertoonen wilde, maakte van dien tusschentijd gebruik, om zich te verkwikken door den slaap. Toen hij ontwaakte was het bijna donker geworden, en de neger bracht hem zijn avondeten. Tegen tien uur kwam de ingenieur hem zeggen, dat de klerk al lang gegeten had, en nu naar zijn kamertje zou gaan.
Old Firehand ging dus naar boven op de vliering, waar hij een vierkant luik vond, om op het platte dak te komen. Daar aangeland, ging hij liggen en kroop zacht naar dien kant van het dak, waar hij wist dat zich daaronder het raam bevond van het slaapvertrekje van den klerk. Het was zóó donker, dat hij het gerust wagen kon eens te voelen hoe ver de bovenkant van het raam van het dak af was. Het was zoo dichtbij, dat hij het gemakkelijk bereiken kon.
Toen hij eenigen tijd rustig wachtende daar gelegen had, hoorde hij beneden het gekras van een open- of dichtgaande deur. Er kwamen voetstappen naar het raam, en uit dat raam viel het schijnsel van een licht naar buiten. Het dak bestond uit een laag dunne planken en daaroverheen gespijkerde bladen blik. Evenals Old Firehand de voetstappen onder zich hoorde, kon hij zelf ook door den klerk gehoord worden; het was dus noodzakelijk de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht te nemen.
Nu spalkte de jager zijn oogen zoo wijd hij kon open, ten einde in de nachtelijke duisternis te kunnen doordringen; en dat gelukte. In de nabijheid van het schijnsel, dat uit het raam viel, stond de gedaante van een mensch. Toen kraste het raam; het ging open.
"Ezelskop!" bromde fluisterend een gemelijke stem; "maak dat licht toch uit; het maakt, dat iedereen mij zien kan."
"Een ezelskop, die het mij zegt!" antwoordde de klerk. "Waarom komt gij nu al? Iedereen in huis is nu nog op. Kom over een uur terug."
"Goed! Maar zeg mij ten minste of ge iets te weten gekomen zijt?"
"Ja, en wat goeds ook!"
"Zoo?"
"Ja, òf het iets goeds is! Zóó goed, dat wij nooit zoo iets hadden kunnen denken. Maar ga nu maar gauw heen; ik ben anders bang dat ze u zien zullen."
Het raam ging weer dicht, en de gedaante verdween in de nabijheid van het huis. Nu was Old Firehand genoodzaakt, een uur lang en misschien nog wel langer, te wachten, zonder zich te kunnen verroeren. Maar dat was geen bijzonder moeilijke taak voor hem, want een Westman is aan vrij wat grooter moeilijkheden gewoon. De tijd, zooals gemeenlijk wanneer men wacht, ging zeer langzaam om; maar hij _ging toch om_. Verder naar beneden in de huizen en hutten brandde overal nog licht. Maar hier, in de woning van den ingenieur, was alles in stikdonkeren nacht gehuld. Old Firehand hoorde, dat het raam weer openging; maar er brandde geen licht meer. De klerk verwachtte zijn kameraad. Het duurde dan ook niet lang meer, of men hoorde het gekraak van voetstappen op den grond.
"Faller!" fluisterde de klerk uit het raam naar beneden.
"Ja," was het gefluisterde antwoord.
"Waar staat gij? Ik zie u niet."
"Ik sta dicht bij den muur, vlak onder uw raam."
"Is alles donker in huis?"
"Alles. Ik ben er een paar keeren omheen geloopen. Er is geen mensch meer op. Welk nieuws hebt gij voor mij?"
"Dat de kas hier de moeite niet waard is, er een hand voor uit te steken. Om de veertien dagen worden hier loonen uitbetaald, en juist gisteren is het weer betaaldag geweest. Wij zouden dus minstens een dag of twaalf moeten wachten, en dat is een onmogelijkheid. Er is op dit oogenblik niet meer in de kas dan een kleine driehonderd dollars; en dat loont de moeite niet."
"En gij hadt zulk verbazend goed nieuws, hebt gij gezegd! Hadt gij dat dan gedroomd?"
"Wacht uw tijd af, Heintje wijsneus! Aan de kas hier hebben wij niemendal, maar morgennacht komt hier een trein langs met viermaal honderd duizend dollars er in!"
"Gekheid!"
"Neen, geen gekheid, maar waarheid! Daar heb ik mij met eigen oogen van overtuigd. Die trein komt van Kansas City en gaat naar Kit Karsen waar dat geld gebruikt moet worden voor het verder doortrekken van de lijn."
"Weet ge dat zeker?"
"Ja. Ik heb den brief gelezen en de telegrammen ook. Die malle ingenieur heeft een blind vertrouwen in mij; hij schijnt mij nog beter te vertrouwen dan zich zelf."
"Goed! Maar wat baat ons dat? De trein gaat immers door hier?'
"Ezel!... De trein houdt hier vijf minuten halt."
"Is het tòch waar?"
"En ik en gij, wij beiden zullen op de locomotief staan."
"Nu geloof ik, dat ge een loopje met mij nemen wilt?"
"Er is geen lid aan mijn lijf, dat daaraan denkt! De trein moet te Carlyle overgenomen worden door een bijzonder daartoe aangewezen ambtenaar. Die man blijft tot hier op de locomotief, en rijdt dan nog mee tot Wallace, om daar den trein over te geven."
"En die daartoe aangewezen ambtenaar, zult _gij_ dat zijn?"
"Ja. En _gij_ moet met mij mee; of juister gezegd gij moogt met mij mee."
"Hoe zoo dat?"
"De ingenieur heeft mij vergund nog een tweede te kiezen, die bij mij moet zijn; en toen ik hem vroeg, wien hij mij daartoe wilde aanwijzen, kreeg ik ten antwoord, dat hij dat geheel aan mij overliet, en dat hij mijn keus zou goedkeuren. Het spreekt dus vanzelf dat ik _u_ gekozen heb."
"Vindt gij zulk een groot vertrouwen, zoo dadelijk, eigenlijk niet een beetje vreemd?"
"Eigenlijk gezegd, ja. Maar ik zie uit alles, dat hij een vertrouwd persoon noodig heeft, en dat hij er nooit een gehad heeft. Nu lijdt het geen twijfel dat die fameuze aanbevelingsbrief ook van grooten invloed is op zijn houding tegenover mij. En buitendien kan dat spoedig vertrouwen-schenken mij toch ook niet zoo bevreemden, want er is een maar bij."
"He! Een maar?"
"Ja; aan de taak, die mij opgedragen wordt, kan nog al gevaar verbonden zijn."
"O, dat verandert, dat stelt mij gerust. Is de aarden baan niet stevig genoeg gelegd?"
"Neen, wat dat betreft, er mankeert niets aan, in weerwil dat het slechts een tijdelijke lijn is, die later door een meer degelijke zal worden vervangen, zooals mij uit de boeken, is gebleken. Maar het gevaar, dat ik bedoel, schuilt in iets anders. Bij een nieuwen spoorweg van zoo groote uitgestrektheid heeft men maar niet dadelijk een overvloed van bekwame en ervaren beambten bij de hand. Er zijn machinisten, die men nog niet kent, en als stoker bieden zich verscheiden personen aan, wier herkomst nu juist niet zoo aanbevelenswaardig is. Stel u nu een trein voor, die een half millioen dollars vervoert, met zulk een machinist en zulk een stoker. Als die twee snuiters de zaak eens zijn, kunnen zij den trein ergens onderweg stil laten staan en zich met het geld uit de voeten maken. Daarom moeten zij een beambte bij zich hebben; en aangezien zij met hun beiden zijn, dient ook de beambte een tweede te hebben, die hem ter zijde staat. Begrepen? Het is een soort van politie-maatregel. Wij, gij en ik krijgen ieder een geladen revolver in ons zak, om de anderen overhoop te schieten, zoodra wij merken dat die iets misdadigs in hun schild voeren."
"Nu maar, dat noem ik allerkoddigst! Wij, om over dat geld te waken! Wij zullen de kerels onderweg dwingen om halt te houden, en dan gaan wij met de dollars schuiven!"
"Jongen neen, dat zou niet gaan; want behalve de machinist en de stoker, is de conducteur er ook nog, en ook een der kassiers van het hoofdkantoor te Kansas-City, die het geld in een koffer over moet brengen. Die twee zijn goed gewapend; en al konden wij de twee anderen dwingen om den trein te doen stoppen, dan zouden die twee dadelijk lont ruiken en hun wagen verdedigen. Neen, neen! dat moet op een andere manier gebeuren. Wij moeten hen met overmacht overrompelen, en wel op een plaats, waar zij op zoo iets volstrekt niet verdacht kunnen zijn ... en dat is hier!"
"En denkt gij, dat dàt gelukken zou?"
"O zeer zeker! daar is geen de minste twijfel aan, en aan niet een der onzen zal een haar gekrenkt worden. Ik ben zoo zeker van mijn zaak, dat ik u nu dadelijk wegstuur om er den kornel van te onderrichten."
"Die rit is bij de volslagen duisternis, die er heerscht, totaal onmogelijk; want deze streek is mij geheel onbekend."
"Welnu, wacht dan tot morgenochtend vroeg. Maar dan is er ook geen minuut meer te verliezen; want ik dien tegen den middag bericht te hebben. Geef dus uw paard goed de sporen--al rijdt gij het dood, dat hindert niet!"
"En wat moet ik zeggen?"
"Al wat gij nu van mij gehoord hebt. De trein zal hier stilhouden precies om drie uur na middernacht. Wij beiden staan op de locomotief en zullen, zoodra die stilhoudt, den machinist en den stoker voor onze rekening nemen. Desnoods schieten wij hen overhoop. De kornel moet met al de onzen heimelijk post gevat hebben langs de baan en oogenblikkelijk de wagens bestormen. Bij zulk een overmacht zullen de bewoners van Sheridan en de drie of vier beambten, met wie wij te doen hebben, zoo verbluft zijn, dat zij geen tijd zullen hebben om aan tegenweer te denken."
"Hum! het plan is niet kwaad. Een verbazende som! Als wij met ons allen gelijk-op deelen, krijgt ieder zoo wat twee duizend dollars. Ik hoop maar dat de kornel uw voorstel zal aannemen."
"Hij zou stapelgek moeten wezen, om dat niet te doen. Mocht dat onverhoopt het geval zijn, zeg hem dan, dat ik mij van hem afscheid, en dat ik besloten ben, den slag op mijn eigen hand te slaan. Het waagstuk zou dan wel veel grooter wezen; maar als het gelukte, had ik dan ook al de dollars alleen."
"Maak u maar niet ongerust! Het kan niet in mij opkomen deze heerlijke gelegenheid te laten ontglippen. Ik zal het den kornel zoo smakelijk maken, dat hij er geen boe of ba tegen zegt. Ik breng u bepaald zijn toestemmend antwoord; maar hoe zal ik dat in uw handen weten te spelen?"
"Ja, dat is nog al een netelige vraag. Wij moeten alles vermijden wat achterdocht gaande zou kunnen maken, wat iemand op het idee zou kunnen brengen, dat wij geheimen samen hebben. Daarom moeten wij volstrekt niet persoonlijk met elkander in aanraking komen. Ook weet ik niet of wij daartoe wel een gunstige gelegenheid zouden vinden. Gij moet mij dus liever schriftelijk het antwoord doen geworden."
"Zou dat niet veel meer nog in het oog loopen? Als ik u iemand met een brief stuur...."
"Iemand met een brief? Wie denkt daaraan?" viel de klerk hem in de rede. "Dat zou de grootste domheid wezen, die wij begaan konden. Ik weet niet eens of ik wel gelegenheid zal hebben een oogenblik het huis te verlaten. Gij moet mij duidelijk het antwoord opschrijven, en dat papier stopt gij, dichtgevouwen, hier of daar weg."
"Goed!"
"Hum laat mij eens even prakkizeeren. Het moet een plaats wezen, waar ik het ongemerkt vandaan kan halen, zonder dat ik ver behoef te loopen. Ik weet reeds, dat ik van morgen heel druk werk zal hebben; er zijn lange loonlijsten in te vullen, heeft de ingenieur mij gezegd. In elk geval zal ik wel een oogenblik kunnen vinden, om ten minste even aan de voordeur te komen. Vlak bij die deur staat een regenton; en daarachter stopt gij het gevouwen papier weg, en gij legt er een steen boven op--daar zal niemand erg in hebben."
"Maar hoe zult gij weten, dat het briefje aldaar ligt? Gij kunt niet te dikwijls vergeefs naar de regenton loopen."
"Daar is gemakkelijk iets op te vinden. Ik zal u immers moeten zeggen, of aan u laten zeggen, dat gij met mij op den geldtrein post vatten moet. Dat zal ik reeds op den voormiddag doen. Ik zal naar u laten zoeken, en dat zullen zij u wel zeggen, zoodra gij terugkomt. Dan komt gij terstond vragen, waarom ik naar u heb laten zoeken; maar eerst verbergt gij het papier achter de ton. En zoodoende weet ik, dat ik het daar vinden kan. Begrepen?'
"Ja. Zijn wij klaar nu, of is er nóg iets?'
"Neen, ik heb niets meer te zeggen. Dring er vooral op aan, dat het plan aangenomen wordt, en zoo mogelijk zonder veranderingen; want anders zouden er weer andere toebereidselen noodig zijn, en daar is geen tijd meer toe. Maak vooral spoed onderweg. En nu, goedennacht!"
De ander zei ook "goedennacht", en spoedde zich weg. Het raam werd zachtkens dichtgemaakt. Old Firehand bleef nog een poosje liggen, en schoof toen zeer voorzichtig terug naar het luik, om naar beneden te klimmen. Nog eer hij de trap af was, vroeg hem een fluisterende stem: "Wie komt daar? Ik ben het, de ingenieur."
"Old Firehand. Kom mee in mijn kamer, sir!"
Zoodra zij zich daar bevonden, vroeg de ambtenaar of het mogelijk geweest was het gesprek af te luisteren. De jager verhaalde hem alles wat hij gehoord had, en sprak de overtuiging uit, dat de zaak uitmuntend van stapel zou loopen. Na nog eenige woorden met elkander gewisseld te hebben, gingen zij van elkander af, om te gaan slapen.
Old Firehand ontwaakte den volgenden morgen reeds in de vroegte. Voor hem, die gewend was aan beweging en bedrijvigheid, was het een zeer moeilijk ding, zich zoo werkeloos schuil te houden in zijn kamer; maar dat kon nu niet anders, en hij moest er zich in schikken. Het moest omstreeks elf uur zijn, toen de ingenieur hem kwam opzoeken, en hem meedeelde, dat de klerk druk aan het hem opgedragen werk was, en alle moeite deed om zich den schijn te geven van iemand, die stipt was in het plichtbetrachten. Er was ook om Faller gezonden, doch dien had men natuurlijk niet kunnen vinden. Dientengevolge was er aan het werkvolk last gegeven, om hem, zoodra zij hem zagen, te zeggen, dat hij bij den ingenieur moest komen. Die mededeelingen waren juist afgeloopen, toen Old Firehand een gebocheld klein kereltje de hoogte zag opkomen, gekleed in een leeren jachtgewaad, en met een geweer dat over zijn schouder hing.
"He, Humply-Bill!" zei hij op een toon van bevreemding. En ter opheldering liet hij er op volgen: "Er is stellig onverwachts iets bijzonders gebeurd, want anders zou hij niet hier komen. Ik hoop, dat het maar niet iets onaangenaams is. Hij weet, dat ik hier om zoo te zeggen incognito ben; en hij zal dus aan niemand anders dan aan u naar mij vragen. Wees zoo goed, Sir! en breng hem dadelijk bij mij."
De ingenieur ging de kamer uit, en op hetzelfde oogenblik trad Bill het huis binnen.
"Neem mij niet kwalijk sir!" zei hij. "Ik lees daar op dat bord, dat hier de ingenieur woont. Zou ik dien eens mogen spreken?"
"O ja wel, ik ben het zelf. Kom binnen."
Hij bracht hem in Old Firehand's kamer, die den kleine ontving met de vraag wat hem genoopt had, zoo tegen alle afspraak hier te komen. "Wees gerust, sir! het is geen doodwond," antwoordde Bill. "Misschien is het integendeel iets goeds; maar het is allen gevalle iets, dat gij dient te weten. Daarom ben ik gekozen, om het u te komen meedeelen. Ik ben dus door niemand hunner gezien. Mijn paard heb ik in het bosch op een veilige plaats geborgen, en ben toen met zooveel omzichtigheid naar hier gekomen, dat zelfs niemand van het werkvolk hier mij kan hebben opgemerkt."
"Goed!" knikte Old Firehand. "En wat is er gebeurd?"
"Gisteren tegen den avond is Winnetou bij ons gekomen, zooals u bekend zal zijn. Zijn komst was voor de Tante een reden tot groote blijdschap, en ook de anderen waren er trotsch op, dien beroemden man in hun midden te zien...."
"Als hij u zoo gemakkelijk heeft kunnen vinden, hebt gij u stellig niet heel goed verscholen?"
"Integendeel, sir! Daar de tramps ons niet mogen zien, hebben wij juist een plaats uitgezocht, waar die kerels ons stellig nooit zullen zoeken. Kort voordat hij bij ons kwam, had hij ook de legerplaats van de tramps opgesnuffeld; en toen het geheel donker was geworden, begaf hij zich daarheen, om hen gade te slaan en zoo mogelijk iets af te luisteren. Toen hij met het aanbreken van den dag nog niet terug was, en zijn uitblijven zelfs nog eenige uren langer duurde, maakten wij ons zeer ongerust: maar dat was onnoodig; er was hem niets wedervaren. Integendeel, hij had weer eens een van zijn meesterstukken ten uitvoer gebracht. Op klaarlichten dag was hij zoo dicht in de nabijheid van de tramps geslopen, dat hij woord voor woord verstaan kon wat er gesproken werd. Of, gesproken is eigenlijk het goede woord niet: er werd veel meer geschreeuwd en gejubeld. Er was een boodschapper van hier aangekomen met een tijding, die de gansche bende als uitgelaten en dol maakte van blijdschap."
"Aha, Faller!"
"Juist, Faller; zoo heette de kerel. Die sprak van een half millioen dollars, dat uit een spoortrein gehaald zou worden."
"Dat is richtig."
"Zoo! De Apache heeft daar ook van gesproken. Dat is dus een valstrik, waarin gij de kerels wilt lokken. Faller heeft de tramps louter meegedeeld, wat gij hem wijsgemaakt hebt. En dus weet gij ook dat hij naar hen toe is, om het hun te vertellen."
"Ja, dat hij het aan hen zou gaan vertellen, maakt natuurlijk een deel van ons plan."
"Maar dan dient gij noodwendig ook te weten, dunkt mij, wat daarop besloten is?"
"Natuurlijk! Daartoe hebben wij een middel bedacht, waardoor wij dat te weten zullen komen, zeer kort nadat Faller hier teruggekeerd zal zijn."
"Nu, daarvoor behoeft gij niet eens op den kerel te wachten, want Winnetou heeft alles afgeluisterd. De schobbers hebben van uitgelatenheid zoo hard geschreeuwd, dat het mijlen ver in het rond wel te hooren was. Faller heeft een slecht paard, en zal dus stellig pas in den namiddag hier terugkomen. Het is dan ook maar goed, dat Winnetou mij naar u toe gezonden heeft."
"Ja, daar heeft hij zeer verstandig aan gedaan; want hoe eer wij weten wat de tramps van plan zijn te doen, des te eer kunnen wij onze maatregelen daarnaar nemen. Ik zal u ons plan in zijn geheel meedeelen."
Old Firehand beschreef den kleine al de bijzonderheden, waarop men bedacht moest zijn, en waarmee men rekening te houden had. Bill luisterde aandachtig, en zei toen: "Uitstekend sir! Ik denk dat alles precies zal gaan, zooals gij het berekend hebt. De tramps hebben het voorstel van den klerk terstond gaaf aangenomen, op slechts één kleinigheid na."
"En dat is?"
"De plaats, waar zij den trein overvallen zullen. Daar hier te Sheridan vele baanwerkers wonen, en zulk een belangrijke geldtrein altoos iets buitengewoons is, waren de meeste tramps van oordeel, dat er waarschijnlijk velen op de been zullen komen om dien trein te zien. Dat kon onvoorziens aanleiding geven tot verzet; en de schavuiten willen het geld hebben, maar liefst niet ten koste van hun bloed. Daarom moet de klerk den trein rustig weer uit Sheridan laten afrijden, maar dan kort daarna den machinist en den stoker dwingen op de openliggende lijn te stoppen."
"Weet gij ook waar?"
"Neen, die plaats is niet bepaald. Maar de tramps zullen op zij van den weg een vuur aanleggen, en daarnaast moet de locomotief stoppen. Willen de machinist en de stoker niet gehoorzamen, dan moeten ze doodgeschoten worden. Misschien is die verandering niet erg naar uw zin, sir?"
"Integendeel, want nu loopen wij ten minste het anders altoos mogelijke gevaar mis, dat het tusschen het werkvolk hier en de tramps tot een gevecht kon komen. Bovendien behoeven wij nu ook niet met twee spionnen naar Carlyle. Het is niet eens meer noodig hen nog langer in hun waan te laten. Heeft Winnetou u ook gezegd, waar gijlieden post moeten vatten?
"Ja, voor den tunnel, die uitloopt aan de andere zijde van de brug."
"Goed! Maar gij moet u schuilhouden tot de trein in den tunnel is. Dan volgt de rest vanzelf."
Nu wist men waaraan men zich te houden had, en kon men een begin maken met de noodige toebereidselen. De telegraaf speelde naar Carlyle en ook naar Fort Wallace: naar eerstgenoemde plaats, dat de bewuste trein in gereedheid gebracht kon worden, en naar de andere plaats om soldaten. Ondertusschen kreeg Humply-Bill eten en drinken, en verwijderde zich toen even ongezien als hij gekomen was.
Omstreeks den middag kwamen van beide stations de antwoorden aan, inhoudende, dat aan het uitgedrukte verlangen voldaan zou worden. En een paar uur later zag men Faller aankomen. Old Firehand zat met den ingenieur in zijn kamer. Beiden hielden ongemerkt den tramp in het oog, en deze hield zich even bij de regenton op.
"Ontvang hem op uw kantoor," zeide Old Firehand, "en houd hem daar aan den praat tot ik u achterna kom. Ik wil eerst even het bericht lezen, dat hij terugbrengt."